Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina10/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Je hebt nog twintig minuten de tijd om mij, maar vooral je­zelf een dienst te bewijzen en veel, veel moeilijkheden te be­sparen. Voor de laatste maal dus: Waar zijn de foto’s?’

‘Ik heb het al gezegd, bij de notaris!’

‘Daar geloof ik geen woord van. Wanneer zou je die daarheen gebracht hebben?’

‘Dezelfde avond nog, de avond van Kurilecs dood.’

Het heertje keerde zich bruusk om en ging achter zijn bureau zitten. Peinzend liet hij een briefopener in zijn hand opwip­pen.

‘Nee, nee, en nog eens nee. Ik kan niet aannemen dat je dit hele geval begonnen bent, zonder de onmiddellijke beschikking te hebben over die foto’s. Je kon immers niet voorzien welke gelegenheden tot ruil er zich voor zouden doen. Je zou nooit het risico willen lopen een kans te verspelen doordat je niet direct de beschikking over die foto’s zou hebben. Dat bestaat niet!’

Lievens toonde zich onbewogen, maar ergens in zijn onderbuik knaagde onrust en angst.

‘Fouilleer hem!’

De politiemannen beduidden hem zijn jas uit te trekken. Dan zijn trui, zijn hemd, schoenen en kousen.

Minutieus onderzochten ze de kledingstukken, draadje voor draadje bijna. Al de zakken werden leeggehaald en alle papieren uit de portefeuille werden stuk voor stuk bekeken en op tafel gelegd.

Ten slotte moest hij zijn broek en onderbroek afgeven.

Lievens vond het vernederend daar naakt tussen die mannen te staan. Niemand nam echter notitie van hem, zelfs de po­litiemannen vermeden het hem aan te kijken. Ten slotte stond het heertje op en bladerde in het groezelige adresboekje van Lievens.

Even ving zijn blik de ogen van Lievens, elkaar metend, en zonder nog een woord te zeggen verliet hij de kamer.

Lievens mocht zijn kleren weer aantrekken. Hij kreeg zelfs de portefeuille en papieren terug.

De politiemannen brachten hem naar een binnenplaats, waar Matchi een wagen liet opstarten zodra ze buiten het gebouw waren. Lievens zag een gestalte op de achterbank. De chauffeur opende de achterdeur met een sleutel en Lievens moest instappen.


Zijn hart sprong op in de keel: Bruno!

‘Bruno! Bruno, jongen!’ Hij trok hem in zijn armen en perste hem tegen de borst.

‘Papa…’ De stem brak af.

Lievens voelde alleen de kriebeling van een traan die over zijn wang rolde. De eerste minuten spraken ze geen woord. Voor beiden was de aanwezigheid van de ander voldoende.

Ten slotte kon Lievens moeizaam uitbrengen: ‘Hoe gaat het, jongen?’ Bruno veegde haastig met zijn mouw over zijn nat gezicht, glimlachte naar zijn vader en schudde even de schouders. Lievens voelde hoe de jongen daarmee alle zorgen van zich afwierp en zijn hart zwol in de borst om het mateloze vertrouwen dat hem uit de ogen van zijn zoon tegen straalde.

23.
Leonard Cohen en zijn helpers waren de wanhoop steeds meer nabij toen er maar geen telefoon kwam van Lievens.

Hun mensen in Tsjecho-Slowakije hadden opdracht gekregen alles in het werk te stellen om een mogelijk teken of spoor op te vangen van Lievens en zijn zoon. Maar ook dit had tot nu toe niets opgeleverd.

Toen het bericht binnenliep dat aan de grenspost Waldhaus - Rozvadov een zwarte Mercedes onbeheerd was aangetroffen, wist Cohen meteen dat Lievens in Tsjechoslovakije beland was en dat nu alleen een wonder hem nog aan de plannen kon helpen.

De man aan de grens was alleen te weten gekomen dat de Merce­des daar rond zes uur aangekomen was.

De chauffeur, een lange man, had de auto verlaten en wat rondgelopen, klaarblijkelijk om de benen eens te strekken, maar was daarna niet meer teruggezien.

Het was nu negen uur, de grens was al een uur openge­steld, en alle opzoekingen ten spijt, was er van de chauffeur geen spoor te bekennen.

Met zijn ervaring wist Cohen dat Lievens in een of andere val gelopen was en nu in de handen was van de Tsjechische geheime dienst.

En hij wist ook hoe perfect die machine was, want de Tsje­chen hadden het altijd moeten zien te rooien in de onmiddel­lijke nabijheid van de Russische beer, die over hun schouders mee loerde naar alles wat ze ondernamen. Om niet te zeggen dat die beer bovenop hun schouders zat.

Cohen hield er ook rekening mee dat de Engelse spionnen in Tsjecho-Slovakije de eerstvolgende uren machteloos zouden zijn. Iemand opsporen was altijd een lastige zaak, die enorme risico’s inhield voor de speurders zelf. Daarom was het ook een zeer tijdrovend werk, waar gemakkelijk dagen of misschien weken konden mee gemoeid zijn, tenzij het toeval een handje zou meehelpen.

Cohen besloot gebruik te maken van het toeval.

En dat toeval was een sergeant kwartiermeester bij het Britse leger in Duitsland, die een zeer winstgevende, maar verboden handel had opgezet van legerverbruiksgoederen naar Tsjecho-Slovakije.

Pas twee dagen geleden was dit uitgelekt. Het was aan het licht gekomen door de verhoogde waakzaamheid van alle contro­lediensten, die van het leger inbegrepen. Vanuit Engeland was die waakzaamheid opgedreven door de bemoeiingen van Cohen zelf, na het ontdekken van de dubbel gemaakte foto’s.

De hele zaak met de sergeant, althans wat men te weten was gekomen, was door Drummond in een dossier vastgelegd, nog voordat de sergeant wist dat zijn activiteiten uitgelekt waren.

Nu men wist dat er een ondergronds kanaal bestond naar Tsjecho-Slowakije, lag het in de bedoeling voorlopig alles op zijn beloop te laten tot de inlichtingendienst erachter zou komen naar wie het spoor liep achter het IJzeren Gordijn.

Zo konden ze gebruik maken van een ondergronds net in Tsjecho-Slowakije.

De kans op mislukken was groot, maar het was de enige mogelijkheid om, misschien, snel enig succes te boeken. Cohen besloot alles op alles te zetten en te trachten nu reeds van dat net gebruik te maken, zonder dat hij precies wist met welke organisatie hij te maken zou krijgen. Hij wist uit het dossier dat het wel een grote organisatie moest zijn, goed gestructureerd en over bijna heel Tsjecho-Slowakije werk­zaam. Hij had er wel al eens van gehoord bij andere gelegen­heden, of van collega’s bij de Britse inlichtingendienst, maar zelf had hij er nooit mee te maken gehad.

De sergeant zou Cohen moeten vertellen op welke wijze ze contact konden maken met Dedecec, grootvadertje rat, de chef van het rattenleger.

Ratten zijn schadelijke knaagdieren. En een rattenplaag is een gesel voor de mensheid. Zo ongeveer, herinnerde Cohen zich, had het in zijn schoolboek gestaan. Ze leefden in holen en gangen die soms honderden meters ver vertakt waren. En de meester had er ook nog bij verteld dat de ratten minder voor­kwamen op plaatsen waar alles helder en zuiver was. Maar des te talrijker waren ze, in echte kolonies, in streken waar geen orde was of niet voldoende zorg besteed werd aan het onderhoud van land en huizen en opslagplaatsen.

En aan het hoofd van dergelijk rattenleger stond een chef, een leider: een sterke oude rat, gewoonlijk vol littekens van zware gevechten, die hij overleefd had door de taaiheid van zijn lijf en de sluwheid in zijn kop.

Cohen wist dat het een hopeloos en onbegonnen werk was te trachten zo een kolonie uit te roeien als de levensomstandighe­den en het milieu geschikt voor ratten waren.

24.
En voor Dedecec, grootvadertje rat, waren de omstandigheden ideaal geweest. Hij was opgegroeid in het vooroorlogse Praag, een stad zonder werkelijk bestuur.

De aloude structuren van het gezag waren uitgehold en ver­molmd, zodat een echte vrijbuiternatuur zich volop kon ont­plooien.

Het was allemaal gegroeid uit de toevallige ontmoeting van de nogal wilde maar sluwe stadsjongen met een al even sluwe oude stroper.

Andreas was die dag juist zestien geworden. Honger had hem ‘s morgens vroeg, of was het nog nacht, de straat opgejaagd. Eigenlijk wou hij naar de groentemarkt, om te trachten daar iets eetbaars te verschalken. Maar onderweg had hij gezien hoe een oude man een dood konijntje van onder zijn kleren haalde en het verkocht aan de meid van de notaris.

Het was vooral de steelse vlugheid waarmee dit gebeurde die de begeerte in de jongen deed oplaaien.

‘Ik moet weten waar dat konijn vandaan komt. Waar die oude man bij kan, daar kan ik ook bij.’

Andreas had de oude man gevolgd, maar nog voor ze drie, nog steeds verlaten straten ver gelopen hadden, had hij hem uit het oog verloren.

Nijdig op zichzelf wou hij juist rechtsomkeert maken, toen de scherpe prik van een mespunt tegen zijn ribben hem deed verstijven.

‘Is het de oude Miklos die je zoekt? Spreek op: wat wil je, waarom volg je me?’

‘Dat konijn… toen ik dat konijn zag… ‘

‘Wel, ga verder, je bent niet zo slecht begonnen: toen ik dat konijn zag… wat dan?’

‘Ach man, laat mij met rust. Ik wou je niet lastig vallen, enkel weten waar je dat konijn vandaan haalde.’

De oude man stak zijn mes weg. Hij ging voor de jongen staan en monsterde hem aandachtig. Wat hij zag, scheen hem te beval­len.

Toen hij enkele restjes hooi bemerkte op de kleren van de jongeman, vernauwden zich zijn ogen tot spleetjes.

‘Waar woon je?’

Alleen een schouderophalen. De oude knikte, alsof zijn gedachten bevestigd werden.

‘Ben je alleen?’

‘Ja.’

‘Kom dan maar mee. Ik heb weliswaar geen bed voor je, maar je zal slapen. En al werk ik niet voor een loon, je zal nooit honger hebben. Nou, wat denk je ervan?’



Nu was het de beurt aan de verbaasde jongen om het gezicht van de oude onderzoekend aan te kijken. En ook wat hij zag, scheen hem niet tegen te staan, zodat, toen de oude zich plots omkeerde om zijn weg te vervolgen, de jongeman hem, op enkele passen afstand en wat schoorvoetend, volgde. Maar nog voor ze de buitenwijken van de stad door waren, liepen ze schouder aan schouder, allebei met dezelfde soepel glijdende schreden.

De oude was geen geboren Tsjech, maar een in 1917 gevluchte officier van het tsarenleger. Na onnoemelijk zware jaren van vluchten en rondzwerven in Rusland was hij ten slotte hier aan de rand van Praag blijven hangen.

Nu had hij iemand gevonden aan wie hij zowel zijn levens­wijsheid kon overdragen als zijn ervaring en kennis om iedere moeilijkheid te overleven.

En hij had geen betere leerling kunnen treffen.


Toen de troon van de oude adel in Tsjecho-Slowakije wankelde en ten slotte in elkaar was gezakt, waren er nieuwe machtheb­bers verschenen. Maar het wild in de bossen en de vissen in de rivier waren er niet minder smakelijk om gebleven.

Toen vreemde laarzen honger in Praag brachten, had Andreas enkele vroegere vrienden opgezocht. Onder de neus van de Duitsers werden tonnen levensmiddelen Praag binnengesmokkeld.

Van bij het begin had Andreas zijn organisatie ver van elke deelname aan de strijd gehouden. Zijn oude leermeester, de stroper, hield hem altijd voor dat de grootste overlevings­kracht van ratten hun ongrijpbaarheid was.

Die onmogelijkheid voor de buitenwereld om in contact te komen met de organisatie, was de pijler waarop de onbeperkte vrijheid van handelen van Andreas’ leger rustte.

Na de Duitsers waren de Russen gekomen, maar het rattenleger was onafhankelijk gebleven. Iedereen in Praag wist dat het bestond, maar niemand kende een naam of een gezicht.

Of toch, een naam was overal bekend, als de naam uit een kinderverhaal: Dedecec Krysa, grootvadertje rat. Slechts een handvol getrouwen kenden hem als Andreas.

In al die jaren was zijn organisatie uitgegroeid tot een net dat bijna heel Tsjecho-Slowakije omspande. Naamloos en ongrijp­baar voor de snel wisselende machthebbers in dit land en alle regeringen overlevend.
Cohen had de sergeant laten roepen en probeerde zich in te leven in de manier van denken van die man. Maar hij was nog nergens toen die reeds voor hem stond, kaarsrecht in de hou­ding, na een groet volgens de beste militaire dressuur.

Cohen kon de ogen van de man voor hem niet vangen, want die keken onbewogen, dwars door de kamermuur naar een punt dat zowat honderd meter ver moest liggen.

Cohen zuchtte even: achter die strakke façade zag hij een uiterst gladde kerel, glibberig als een paling. En een paling, dat wist Cohen zeer goed, moest men niet voorzichtig aanpak­ken, want dan zat je het volgende ogenblik met lege handen.

‘Sergeant Wenneby, op de plaats rust, en gedraag je de eerstvolgende tien minuten als een verstandige man.’

Het klonk verveeld uit Cohens mond, eerder een terechtwijzing dan een bevel.

Sergeant Wenneby keek verbluft naar het gezicht van Cohen, maar zag slechts een ietwat bleek gelaat, waaruit onderzoeken­de ogen hem tegemoet kwamen. Ze hadden elkaar nooit eerder ontmoet, daar was hij wel zeker van.

‘Sergeant Wenneby, het is niet aan mij om een requisitoir te houden over je handeltje met de Tsjechen. Ik ben de krijgsraad niet. Maar als het zover is, en zolang duurt dat niet meer, kan ik er wel voor zorgen dat jij er niet al te bekaaid vanaf komt. Sterker nog, met wat geluk komt er helemaal geen aanklacht… Tenminste, als jij kunt zwijgen als vermoord, en zo handig bent als men mij heeft voorgehouden. Nee, Cohen zag hoe de paling reeds begon te spartelen, nee, onderbreek mij niet. Ik heb je nog geen enkele vraag gesteld, hou je dus nog niet bezig met het verzinnen van leugens.

Let goed op. Enkele dagen geleden werd een Belgische jongen ontvoerd en Tsjecho-Slowakije binnen gesmokkeld. En deze morgen, tussen zes en zeven waarschijnlijk, werd ook zijn vader ont­voerd, bij de grenspost in Rozvadov. Verder ontbreekt elk spoor. De naam van de man is Lievens. Dat is alles wat wij over hem weten.

Wij willen je vrienden over de grens niet bang maken: daarom krijg je vrij spel. De enige die mij interesseert, is die Lievens. Die wil ik hier terug. En gaat dat hun krachten te boven of willen ze zich daar niet aan wagen, dan wil ik in de kortste keren weten waar hij verborgen gehouden wordt.

Ik stel verder geen voorwaarden. Elke aannemelijke prijs van de kant van je vrienden is mij goed. Begrepen?’

‘Yes, sir!’

De sergeant had nog nooit zo klem gezeten als toen die Cohen over zijn handel met de Tsjechen begon. En dan nog die aan­klacht, die dreiging met de krijgsraad! Maar zijn ingeboren sluwheid had van de opgejaagde vos in de kortste keren weer de vrije stroper gemaakt.

Zijn geoliede hersenen hadden de kans op ontsnappen gezien en dadelijk de opkomende paniek verdreven, zodat de man die even later de kamer verliet, bepaald niet aangesla­gen of terneergedrukt was.

25.
Na de eerste blijdschap om het weerzien van zijn zoon, sloeg de werkelijkheid het hart van Lievens weer in de boeien.

Hij trachtte de situatie te peilen.

Zeker, hij was blij zijn zoon weer bij zich te hebben, maar hij wist ook heel goed dat dit niet de minste garantie bood voor de toekomst.

De filmplaten die hij in de elektriciteitsschakelaar ver­stopt had, waren voor iedereen onbereikbaar, zolang hij dit wist te verzwijgen. En zolang ze niet ontdekt waren, moest zijn verhaal van die notaris het maar doen. Het was voorlopig de enige kans op redding.

Het leek dat Matchi zijn gedachten geraden had, want hij keerde zich naar Lievens en vroeg hem onomwonden naar de bedoeling van die notarishistorie.

‘Geen mens twijfelt eraan dat je gelogen hebt. En in de centrale, waar je nu heen gaat, kent men voldoende methodes om iemand aan het praten te krijgen. En dan is er je zoon nog. Denk je echt het lang vol te houden als men je zoon onder handen neemt terwijl jij moet toekijken?’

Lievens voelde hoe een jongenshand zijn arm omknelde. Bruno verstond niet veel van wat de Tsjech zei, maar voelde de dreiging aan van de woorden en de spanning die zich van zijn vader meester maakte. Wanhopig zon Lievens op een middel om te ontsnappen aan wat onafwendbaar naderbij kwam. Hij pijnigde zijn hersenen terwijl hij steels de achterbank en de bodem van de wagen aftastte in de hoop iets stevigs te vinden dat als slagwapen dienst kon doen. En hoewel hij niet verwacht had zoiets te vinden, was hij toch ontgoocheld toen zijn zoeken niets ople­verde.

‘Dan maar met mijn schoen!’ dacht hij vertwijfeld. ‘Iets moet ik toch proberen.’

Koelbloedig overlegde hij bij zichzelf hoe hij het best te werk zou kunnen gaan.

Voor hem zat de chauffeur, en die Matchi zat voor Bruno.

‘Als ik iets naar het midden opschuif, zit ik precies goed om met mijn rechterhand de schoen van links naar rechts te zwaaien. De zijkant van de hiel moet vlak onder het oor van die kerel in leer terechtkomen.

Als dat lukt, is er nog de chauffeur. Die zal ook wel gewa­pend zijn. Maar voor hem zit ik helemaal verkeerd, zeker als hij rechtshandig is, want dan moet hij zich helemaal omdraaien voor hij mij kan bedreigen. Bovendien vormt het stuur nog een bijkomende hindernis.

Wanneer zou ik het doen? Hier op de weg, terwijl we snel rijden, en de felle klap als bondgenoot riskeren als we ergens tegenaan rijden? Of zodra we in de stad komen. Dan moet ik mij direct na de eerste slag op de chauffeur werpen. Als het allemaal meevalt, hebben we dan, waarschijnlijk slechts enkele seconden, de kans om tussen de huizen te verdwijnen.

Een lichte golving in het landschap liet in de verte de lichten van een stad zien.

Met zijn linkervoet schoof Lievens onopvallend de schoen van zijn rechtervoet. Zijn hand tastte ernaar en zijn ogen zochten al het punt waar hij de man wilde treffen.

Maar plots brak het kleffe angstzweet hem uit bij het her­kennen van de val waar hij bijna was ingelopen: de deuren! De deuren van de auto waren met een sleutel gesloten!

Hij herinnerde zich nu dat de deuren slechts van buiten af konden worden geopend. Zelfs als alles meeviel, zouden ze nooit over de rugleuning van de voorzetels kunnen klimmen en daarna nog over de lichamen van hun bewakers, zonder dat minstens een van hen zover bij kennis kwam dat alle verdere ontsnapping onmogelijk werd.

Misselijk liet Lievens zich achteruit zakken. Nee, hij dorst het niet aan. Het risico dat er een schot zou vallen, was te groot.
Maar nog terwijl een weemakend gevoel van ellende door zijn maag trok, hoorde hij de chauffeur in het Tsjechisch iets blaffen tegen Matchi.

De wagen verloor snelheid en voor de verbaasde ogen van Lievens stak Matchi traag de handen op en vouwde die samen boven het hoofd.

‘Grijp zijn polsen en trek ze naar achter!’

De chauffeur zei het in het Duits, zonder zijn ogen een ogenblik van Matchi af te slaan.

De wagen stond nu helemaal stil. Vliegensvlug haalde de chauffeur een revolver uit de schouderholster van Matchi. Weer blafte hij enkele Tsjechische woorden. Matchi opende traag de deur en stapte uit. De wagen vertrok onmiddellijk, volgas.

Lievens zat er maar wat bij, totaal verbluft.

‘Wat… wat… wat gebeurt er?’ hakkelde hij.

‘We brengen je terug naar Duitsland.’ klonk het kortaf.

‘Wie ben je?’

‘Geen vragen. Hou je koest en doe wat men je zeggen zal.’

Lievens voelde de hand van Bruno in zijn arm knijpen. Wat hier gebeurde leek hem bijna onwerkelijk, ongelooflijk. Maar toch… die lege plaats op de voorbank…

‘Werk jij voor de Amerikanen?’

Een licht gesnuif was het antwoord.

Een bang gevoel kroop langs zijn rug omhoog.

‘Werk je dan voor de Russen?’

‘Bek dicht!’

Lievens voelde dat de chauffeur onder hoogspanning stond en begreep dat hij beter zwijgen kon.

Ze reden tussen enkele huizen door die de nabijheid van de stad aankondigden. De chauffeur liet zich wat onderuitzakken, alsof hij zich nu in veiliger streken voelde. Lievens schoot met een ruk overeind toen de man voor hem plots begon te praten.

‘Wie we zijn, is voor jou van geen belang en het is voor iedereen beter dat je daar niet nieuwsgierig naar bent. Mijn opdracht bestond erin de plaats in te nemen van de man die je met deze wagen moest afhalen. Maak je niet ongerust, de man is niet gedood, waarschijnlijk is hij nu stomdronken. Mijn vrien­den die hem uit de wagen gehaald hebben, weten hoe je zoiets moet versieren. Zodra we de stad binnenrijden, zal ik je ergens afzetten waar anderen je zullen overnemen.’

Peinzend zat Lievens dit te herkauwen. ‘Ik zit dus in de handen van een clandestiene organisatie, zoiets als onder­grondse groeperingen in oorlogstijd.’

Ze naderden een kruispunt.
En plotseling ging het zeer snel.

Een wagen kwam uit een zijstraat en versperde de doorgang. De chauffeur van de wagen waarin Lievens zat, moest bruusk remmen om een aanrijding te vermijden.

Lievens zag van links en rechts mannen komen aanlopen.

‘Rusowe!’ schreeuwde de chauffeur, schakelde de motor in achteruit en trapte het gaspedaal in tot op de vloer.

Russen! Met huilende motor raasde de wagen achterwaarts weg van het kruispunt.

Er knalde een schot. Lievens kreeg maagkramp van angst. Weer een schot. Met een nijdige tok boorde een kogel een klein gaatje in de voorruit. Lievens trok Bruno op de vloer.

Toen ze een honderdtal meters van het kruispunt verwijderd waren, draaide de wagen met een scherpe bocht, zo sterk over­hellend dat hij bijna omsloeg, en daarna vluchtten ze de weg terug die ze gekomen waren. Het schieten hield op.

Lievens kwam pas vele minuten nadat de laatste kogel afge­vuurd was tussen de achterzetels te voorschijn.

De wagen slingerde vervaarlijk over de weg. Lievens dacht eerst aan een lekke band, maar zag dan hoe de chauffeur steeds verder over het stuur ging hangen.

De motor huilde onder de druk van het gaspedaal want de wagen bleef in een te lage versnelling geschakeld.

Lievens wrong zich op de voorbank. Nog voor hij het stuur kon vastgrijpen, zakte de chauffeur helemaal opzij, de wagen vloog van de weg, kwam in een sloot terecht en sloeg om.

Een kreet van pijn trof Lievens oor. ‘Bruno! Bruno!’

‘Het is niets, papa, wat pijn aan mijn hand, beetje ver­stuikt, denk ik.’

Lievens wrikte de deur open. ‘Kom eruit!’

De wagen stond nog grotendeels op zijn kant, balancerend op een zijde en het kostte hun weinig moeite hem terug te duwen.

Haastig onderzocht Lievens de chauffeur, maar zijn handen beefden zo erg dat alle tastzin eruit verdwenen was. In de duisternis kon hij niet zien waar de man geraakt was. Met vereende krachten legden ze het slappe lichaam op de achterbank.

Dan liep Lievens om de wagen heen en zag dadelijk dat die onbruikbaar was. Een der voorwielen stond dwars op het andere.

‘Kom jongen, we moeten hier vandaan.’


Hoogstens honderd meter hadden ze lopend afgelegd, toen uit de richting van de stad een wagen aan kwam razen. Lievens dook de greppel in en trok Bruno met zich mee.

‘Verdomme, ik had de revolver van die vent mee moeten nemen.’

De autolichten gleden over hen heen en vingen dan de wagen in de greppel. Nog voor de tweede wagen tot stilstand was gekomen, zwaaiden de deuren open.

Lievens dorst het aan in de duisternis het hoofd boven de rand van de greppel uit te steken en zag drie, vier schimmen naar de wagen rennen. Hij hoorde een uitroep, waarschijnlijk toen ze de chauffeur op de achterbank vonden. Ze brachten hem over naar de tweede wagen.

Hij zag hoe ze daarna rondliepen, alsof ze de omgeving afzochten.

Maar plotseling renden ze allen naar de wagen terug en nog voor de laatste deur dichtklapte, scheurden de banden steen­tjes uit het asfalt.

Een derde wagen kwam aanrijden.

Slechts enkele seconden stopte hij bij het wrak van de eerste wagen en zette dan de tweede achterna.


Lievens liet zich languit in de greppel vallen en loosde een diepe zucht.

‘Wie waren die, papa?’

‘Bruno, man, deze keer hebben we geluk gehad! De man die ons over de grens zou brengen, behoort bij een smokkelbende. Hoe zij ons zo snel gevonden hebben, weet ik niet, en ik weet nog veel minder waarom ze zich met ons zouden bemoeien. Tenzij ze ons aan iemand willen verkopen.’

Lievens richtte zich met een ruk op, de plotselinge ingeving sloeg hem als een natte theedoek in het gezicht.

‘Die kopers kunnen alleen de Britten zijn!



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina