Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina11/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

In de tweede wagen zullen wel vrienden van de chauffeur gezeten hebben. Die waren waarschijnlijk vlakbij toen de Russen ons dwongen te stoppen. Misschien waren er enkelen achtergebleven om de Russen te hinderen, zodat die ons niet direct konden volgen.

En toen de Russen dan toch hier kwamen, hebben ze wellicht de tweede wagen nog zien wegvluchten en zijn hem achterna gereden, omdat ze veronderstelden dat ook wij in die wagen zaten

Om het even, voor het ogenblik zijn we vrij en dat is het voornaamste. Ik weet niet waar we zijn, maar eerst moeten we de stad trachten te bereiken. Daar zullen we minder in het oog lopen.

Er zitten ons nu al minstens drie groepen op de hielen, en de Britten zullen zelf ook wel bezig zijn naar ons uit te kijken. Voor ons hangt alles ervan af wie ons als eerste te pakken krijgt.’

Hij besloot de weg te verlaten en in een boog om de rand van de stad heen te trekken tot ze op een andere verkeersader stuitten. Pas dan zouden ze de stad binnengaan.

Maar Bruno was doodop en toen ze langs rijen hooioppers kwamen, meende Lievens dat ze beter enkele uren rust konden nemen. Bruno verstopte zich zo goed mogelijk onder het hooi, terwijl Lievens van plan was een oogje in het zeil te houden.

Dat was wel een goed plan, maar wellicht had Lievens dat ene oogje ook dicht gedaan, want beiden werden gewekt door de rijzende zon en de ochtendkoelte. In het schelle tegenlicht zagen ze de stad opdoemen, nog geen kilometer voor hen. Lie­vens herkende de stad.

Het was Praag.

26.
Ze besloten de stad in te trekken, op zoek naar de ambassade van een of ander westers land.

Zodra ze de huizen bereikt hadden, liepen ze elk langs een kant van de straat, zo vielen ze minder op.

Hij hoopte maar dat de ambassades ergens in het centrum lagen, want hij dorst niemand aan te spreken in het Duits om de weg te vragen. Hij zag een telefooncel en dat bracht hem op het idee de telefoongids eens te raadplegen. Hij vond het adres van de Britten: Binohradska 76.

In het uitstalkastje op een kruispunt vond hij een platte­grond van de stad. Opgetogen trokken ze verder.

Lievens hield Bruno in het oog: De jongen deed het prach­tig. Bij elk kruispunt vertraagde hij de pas zonder evenwel stil te staan, tot hij zag welke richting Lievens insloeg. Dan haastte hij zich op gelijke hoogte met zijn vader te komen, de schouders wel wat opgetrokken.

Hoe dichter ze de ambassade naderden, hoe zenuwachtiger Lievens’ passen werden. Hij moest zijn haast temperen want Bruno moest soms hollen om zijn lange schreden bij te houden. Nog enkele minuten, schatte hij, en dan waren ze veilig.

Ze sloegen een hoek om en van ver al zag hij de Union Jack wapperen. Maar hij zag ook de wachters voor het gebouw.

En hij wist dat de bewaking van ambassades door het gastland georganiseerd werd. ‘Zouden die opdracht hebben om uit te zien naar ons?’

Hij twijfelde en hield de pas in, drentelde dan langzaam verder. Zijn ogen zochten de omgeving af. Kon hij het wagen zo dicht mogelijk te komen om dan stormender hand de laatste meters te nemen?

Van de andere kant van de straat naderde een zware motor, bereden door een man in zwartleren uitrusting. Lievens moest onmiddellijk aan Matchi denken, ofschoon hij achter de stof­bril het gelaat van de man niet kon zien. Toen de motor stil­hield bij twee mannen aan de overzijde van de ambassade werd hij dubbel achterdochtig. Bovendien, wat hem eerder niet was opgevallen, zag hij nu drie, vier paar mannen in de onmiddel­lijke omgeving van de ambassade rondlopen.

Ook Bruno was blijven staan, het gezicht vragend naar Lie­vens gekeerd, niet begrijpend waarom zijn vader niet verder ging. Maar Lievens’ besluit was genomen. Rechtsomkeer!

Hij dorst Bruno niet te waarschuwen, hij rekende erop dat de jongen hem zou volgen. Achter zich hoorde hij de motor weer aanslaan en enkele seconden later zwol het geluid aan, naderde, maar reed voorbij. Zonder op of om te zien, stapte Lievens met stijve passen verder. Bij de eerste dwarsstraat stapte hij het hoekje om en wachtte op Bruno.

‘Wat is er, papa?’ De jongen haastte zich ongerust naar hem toe.

‘Ik denk dat de ambassade bewaakt wordt. Ze rekenen erop dat wij daarheen zullen trekken en wachten ons op. Ze weten dat wij geen andere toevlucht hebben. En het zal wel nutteloos zijn nog andere ambassades op te zoeken. Ze zullen overal op de loer liggen. We moeten het op een andere manier proberen. Misschien kunnen de ouders van Jana ons daarbij raad geven. En zij kunnen ons ook wat geld bezorgen, want een bank durf ik niet binnen te gaan.’
Lievens herkende het Wenceslasplein. Even voorbij het stand­beeld van koning Wenzel wist hij een kerk. Daar voorbij moest ergens de straat zijn waar Jana’s ouders woonden. De naam van de straat wist hij niet meer, wel nummer twaalf, derde verdie­ping.

De teleurstelling was groot. Op hun herhaald aanbellen kwam geen reactie. Ze keerden terug naar de drukte van het Wence­slasplein, want hij vond het toch maar voorzichtiger niet in die stille straat te blijven.


‘Toerist?’

‘Ja.’ Lievens verschoot zich bijna een bult. Met moeite kon hij de lettergreep over zijn stijve tong krijgen. Naast hem was een man opgedoken, die zich in het Duits tot hem richtte.

‘Wilt u geen kronen kopen? Bij mij krijgt u de beste koers. Marken? Of gulden?’

Lievens herstelde zich bliksemsnel. Dit was een meevaller!

‘Ik heb alleen franken, Belgische franken.’

De man scheen diep na te denken, maar keek hem onderwijl spiedend aan. ‘Goed. Ik reken vijftien frank voor een gulden, hoeveel kronen wilt u?’

‘Hola... ach ja, kom op maar, reken wat je wilt.’

‘Niet hier. De politie, weet u.’ De man loodste hem mee naar een in aanbouw zijnde huizencomplex. Lievens wisselde de paar duizend franken die hij bij zich had.

De man verdween even spoorloos als hij gekomen was.
Terug op het Wenceslasplein liepen ze een zelfbedieningsres­taurant binnen: Lievens rekende erop dat hij geen woord ­hoefde te zeggen. En dat was ook zo.

Ze laadden een groot rechthoekig dienblad vol en aan de kassa overhandigde hij zwijgend een geldbriefje, knikte dan­kend toen hij het wisselgeld ontving en zocht de meest afgele­gen hoek uit om te eten. Hij had maar hetzelfde genomen als de man voor hem, om er zeker van te zijn dat hij niet zou opval­len: noedels, een stukje varkensvlees en een schep paprika, alles dreef in een dikke saus. Het smaakte aangenaam, een beetje wee en toch gekruid.

Lievens zat met de rug naar de zaal gekeerd, maar Bruno liet onder het eten zijn ogen telkens weer door het restaurant dwalen. Toen ze na het eten enkele ogenblikken aan het uitrus­ten waren, fluisterde hij opeens: ‘Paps, er zijn twee mannen binnengekomen, ze eten niet, ze kijken rond.’

‘Hebben ze je al gezien?’

‘Ik denk het niet.’

‘Laat je onder tafel zakken.’ Snel schoof Lievens zijn drinkbeker in die van Bruno en legde dan de bordjes en dien­bladen over elkaar, de indruk wekkend dat hij hier in zijn eentje zat te eten. Hij rekende erop dat die kerels naar een man met een jongen uitzagen.

Ongedurig zat hij op zijn stoel, niet wetend waar die mannen nu waren of wat ze deden. Hij zat met de rug naar de ingang en dorst niet om te kijken. Met de ogen op zijn horloge legde hij zich een minuut wachttijd op. Zelfs als die twee mannen Bruno onder tafel niet ontdekten, dan nog vreesde hij dat iemand anders hem toevallig zou zien. En welke reactie die iemand daarop ook zou hebben, het zou fataal zijn.

De minuut was om. Bang, maar uiterlijk onverschillig, keerde Lievens zich schuin om en keek de zaal door.

Hij zag de twee mannen, opvallend in hun anonimiteit, en dwong onmiddellijk zijn ogen een andere richting uit.

Maar al zijn zorgen vielen van hem af toen hij nog juist Bruno door de uitgang zag verdwijnen.

Lievens was kinderlijk blij en hij verbeet met moeite een glimlach toen hij zelf ook opstond en naar buiten ging.

Vijftig meter verder wachtte Bruno hem op.

‘Hei, hoe heb je dat gedaan?’

‘Ik ben direct drie tafels verder gekropen, daar heb ik wat aan mijn schoenveters geprutst en ben toen gewoon overeind gekomen en naar buiten gewandeld.’

‘Goed gedaan, jong! En denk eraan, als we elkaar ooit kwijt­raken, ga dan regelrecht naar Jana’s ouders. Vraag hun de Engelse ambassade op te bellen, leg aan die mannen alles uit zodat ze weten waarover het gaat en met wie ze te doen hebben, maar zeg nooit waar vandaan je belt, want je weet maar nooit of die telefoon van de Britten wel safe is. Ze moeten zelf maar uitzoeken hoe ze je veilig en wel in de ambassade krijgen. Kom, laat ons nog eens kijken of er al iemand thuis is.’

Maar zover kwamen ze niet.

Even onverwacht als de vorige keer dook de geldwisselaar op naast Lievens.

‘Meneer Lievens?’

Geschrokken en stomverbaasd keek Lievens de man aan, niet tot enige reactie in staat. ‘Hoe kom jij aan mijn naam?’

‘Volg mij. Maar hou twintig meter afstand. En deze keer zullen we je niet meer verliezen.’

‘Wie ben jij?’

‘SST, we brengen je over de grens. Laat dat voldoende zijn.’

Lievens was blij en ongerust tegelijk. Was dit geen val­strik? En waren die mannen wel in staat hem over de grens te krijgen? Maar dan schudde hij die twijfels van zich af: elke hulp was welkom en alleen zou hij er zeker niet beter voor­staan. Hij had geen enkele keus.

‘Vooruit dan maar.’

De man ging voorop, Bruno volgde op twintig passen en nog eens twintig passen verder Lievens zelf. Ze liepen het lang­werpige plein af tot ze het hart van een oude stadswijk bin­nendrongen. Hij speurde steeds maar de straat af naar mogelij­ke achtervolgers, maar hij zag niets verdachts. Met een zucht van opluchting zag hij de man eindelijk een huis binnengaan. Bruno volgde. Voor hij zelf binnenstapte blikte hij nog even in de straat achter hen.
Een ijskoude hand greep hem in de nek: enkele meters voor­bij de hoek, zag hij de twee mannen komen aanlopen die in het eethuis al rond speurden.

Hij dook de deur binnen. ‘Verraad!’ Terwijl hij de deur achter zich dichtsloeg schreeuwde hij het uit. ‘We werden gevolgd!’

‘Hoe weet jij dat zo zeker?’ De Tsjech keek Lievens verbaasd aan, evenwel zonder veel opwinding.

‘Jawel! Ik heb die mannen al in het restaurant gezien. Het zijn dezelfde!’

‘Lopen dan! Er is een uitgang langs het achterliggende huis naar de andere straat.’

Ze joegen door kamers, deur in, deur uit, kwamen op een binnenplaatsje, holden nog een gang door en stonden dan weer op een binnenplaats. De enkele bewoners die ze voorbijliepen slaakten geen kreten van schrik, noch lieten ze enige opwin­ding blijken terwijl zij er voorbij stormden, hoogstens klonk aanmoediging, alsof ze die zaken gewoon waren, alsof dit een om de zoveel tijd terugkerende attractie was.

Ze liepen het ander huis binnen, achterkeuken door, kamer in, kamer uit, voordeur… Ze stonden terug buiten. Rustig stak de man de straat over en bracht hen daar een ander huis binnen.

‘En als het nodig is, kunnen we zo tot morgenavond verder­gaan,’ zei de man bedaard.


Het huis waar ze zich nu in bevonden zag er bewoond uit, maar blijkbaar was iedereen afwezig.

Vanuit een kamer aan de straatzijde, een slaapkamer, zover mogelijk van het raam ver­wijderd, spiedden ze naar de overkant.

En inderdaad, eerst een burger en dan nog twee politiemannen in uniform kwamen een huis uit, tot verbazing van Lievens twee deuren verder dan die waar zijzelf buiten gekomen waren, en speurden met teleurgestelde gezichten de straat af.

‘Je moet wel kostbaar wild zijn, als de jagers zich zoveel moeite getroosten,’ grijnsde de gids naar Lievens. Maar bij Lievens kon er geen glimlach af, zelfs geen grijns.

Hij was diep bezorgd. Wanneer ze hier, in een drukke stad, al zo snel gevonden werden, hoe moest het dan in open gebied en aan de grens? Hij sloot even de ogen en dorst zijn gedach­ten niet de vrije loop te laten. De gebeurtenissen der laatste dagen hadden hem uitgeput. Hij was moe, voelde zich vuil en ongeschoren.

‘Geen wonder, dat ze er mij zo kunnen uitpikken,’ dacht hij plots, ‘een baard van drie dagen is opvallend genoeg.’ Hij vertelde het de man. Die knikte instemmend en bracht ze naar een wasplaats. Een bad was er niet, maar ze waren al blij water en zeep te vinden. De man verdween, kwam enkele minuten later terug en met een brede glimlach overhandigde hij Lievens een elektrisch scheerapparaat, een Hlinsko.

‘Hoe moet het nu verder?’ vroeg Lievens, toen hij fris gewassen en geschoren was. Hij voelde zich al heel wat beter.

‘Daar kan ik je niet veel over vertellen,’ zei de man. ‘Eerst moesten we, dat wil zeggen ik en nog vele anderen, naar je uitkijken. Dat was alles. Toen ik je gevonden had, heb ik instructies gevraagd, terwijl jij in dat restaurant was. En ik moest je hierheen brengen, dat is alles. Nog voor acht uur vanavond zal iemand met verdere instructies komen, zoniet moet ik me zelf melden.’

De man stak hem een pakje Letka toe en ze rookten zwijgend de scherpe tabak van de Tsjechische sigaretten. Bruno lag languit op het bed.
Traag kropen de uren voorbij. Lievens kon maar geen gesprek op gang brengen met de overigens zeer vriendelijke man. Hij had graag wat meer geweten over de organisatie waar Bruno en hij zich aan toevertrouwd hadden. Maar van zodra hij daarover begon of er nog maar op aanstuurde, schudde de man glimlachend het hoofd.

Het huis aan de overkant werd nog steeds bewaakt. Onopval­lend nu. Onopvallend voor Lievens, maar niet voor de gids. Lievens vroeg de man of hij soms helderziende was, want die haalde met een oogopslag de steeds wisselende bewakers uit de voorbijgangers.

‘We krijgen bezoek,’ zei hij plotseling.

Lievens sprong op van zijn stoel.

‘Hou je bedaard, het is iemand van ons.’

‘Hoe weet jij…’ wilde Lievens beginnen, maar de man wuifde de vraag weg. Enkele minuten gingen voorbij. Lievens keek de man reeds vragend aan, toen zachtjes de achterdeur geopend werd.

Een vrouw, zowat vijftig jaar oud, stapte binnen, een bood­schappentas aan de arm. Ze begroette iedereen met een spaar­zaam hoofdknikje en begon met radde tong een gesprek met de Tsjech. Dan werd het stil en keken ze Lievens aan, die er natuurlijk geen barst van begrepen had. Aarzelend vertaalde de gids het gesprek.

‘Marga,’ hij wees met zijn duim naar de vrouw, ‘moet een van jullie beiden komen afhalen, slechts een persoon. Er kan deze avond slechts een man over de grens gebracht worden. Zeg dus maar wie van jullie het eerst gaat, jij of je zoon.’

Lievens sprong voor zijn zoon alsof hij hem moest beschermen.

‘Oh nee. Wij blijven samen. Ik denk er niet aan om Bruno weer alleen te laten. Waarom kunnen wij niet samen weggebracht worden?’

Hij stond daar als een hogepriester, de armen bezwerend vooruit gestrekt.

De vrouw begon weer te praten, haar woorden werden nu bege­leid door drukke gebaren.

‘Er kan slechts een man overgebracht worden deze avond,’ vertaalde de Tsjech opnieuw. ‘Marga zegt dat de gebruikelijke manieren om iemand over de grens te brengen of zelfs om zich in het binnenland te verplaatsen, op het ogenblik onbruikbaar zijn omdat ze te veel risico’s met zich brengen. Overal is er controle, tot zelfs op de meest afgelegen wegen en in de treinen. Ze mag niet zeggen op welke manier er toch iemand weg kan, maar ze weet zeker dat er onmogelijk twee personen tegelijk gebruik van kunnen maken. En ze garandeert dat het een perfect veilige overtocht wordt. Het is haar om het even wie er vanavond meegaat.’

Maar Lievens schudde het hoofd. Nee, hij kon zich niet verzoenen met de gedachte dat ze weer gescheiden zouden wor­den. De uiteenzetting van de Tsjech klonk wel goed, maar het was hem allemaal te vaag. Bovendien was het bevreemdend dat nie­mand zich meer scheen te bekommeren om de filmplaatjes. Toch draaide alles daar rond, daarmee was alle ellende begonnen.

Iets dwong Lievens er toe er zelf ook over te zwijgen, alsof het iets was dat onheil brengen zou en dat daarom op een afstand gehouden moest worden.

Hij was er bijna zeker van dat deze mensen opdracht gekregen hadden van de Engelsen en dat deze het nuttiger achtten over die filmpjes te zwijgen. Wellicht wilden ze op die manier verhinderen dat er nog een concurrerende groep bijkwam.

Hij keek de Tsjechen aan, van de man naar de vrouw en weer naar de man.

‘Nee,’ zei hij ten slotte, ‘ik wil bij mijn zoon blijven. Ik wil best alles geloven wat je zegt over die controle en zo en dat we niet hand in hand kunnen blijven, kan ik me ook voor­stellen, maar ik wil niet zomaar, zonder duidelijke reden, elk contact met Bruno verliezen.’

De Tsjechen ratelden weer onder elkaar. Ten slotte schenen ze tot een akkoord te komen. De vrouw vertrok, maar niet zonder eerst een nijdige blik op Lievens geworpen te hebben.
‘Wat gaat ze doen?’ vroeg hij ongerust nadat de vrouw ver­trokken was.

‘Verslag uitbrengen.’ De man zei het onverschillig, alsof Lievens zelf maar moest opdraaien voor wat hij deed.

Een half uur later kondigde de man weer bezoek aan. Lievens had niets bemerkt of gehoord, waarschijnlijk was er een afge­sproken teken gegeven vanaf de straat.

Een man kwam binnen. Hij zei kortaf iets tegen de Tsjech, die zonder een woord te zeggen de kamer verliet. Dan ging hij bij Lievens aan tafel zitten.

‘Herr Lievens,’ de man sprak vlot Duits, ‘U maakt het ons niet gemakkelijk, maar ik kan uw houding begrijpen. Marga spreekt alleen Tsjechisch en ze mocht aan de andere man geen verdere uitleg geven. Die moet niet weten en die wil trouwens niet weten hoe we u of uw zoon over de grens zullen brengen.

Wat ik u nu zeggen zal, moet u dus voor u houden, wat er ook gebeuren mag. Deze avond vertrekt een groep van vier vrachtwagens over Oostenrijk naar Milaan. Bij een ervan is de laadruimte zodanig verbouwd dat er een holle ruimte ontstaan is, waarin een man zich kan verschuilen.

De chauffeur en zijn bijrijder zijn mannen die tot onze organisatie behoren.

Deze avond, voordat de chauffeurs hun wagens komen afhalen in de garage waar ze nu worden nagekeken, moet een van u in de vrachtwagen gesmokkeld worden. En morgenvroeg, enkele kilome­ters voorbij de grens met Oostenrijk, zal die ene vrachtwagen ongemerkt wat achterblijven. Daar wordt u door iemand opgepikt, die u vervolgens naar de plaats zal brengen waar u zijn moet.

Iedere bezorgdheid is overbodig, de mogelijkheid dat de schuilplaats ontdekt wordt, is quasi uitgesloten. Maar er is jammer genoeg slechts een plaats deze avond. Morgen vertrekt er nog zo een wagen, naar Salzburg. Daar kan de tweede mee over de grens gebracht worden.’

De man keek Lievens aan:

‘Wie vertrekt eerst, u of uw zoon?’

Lievens wist dat hij nu niet meer terug kon. Het zou onrede­lijk zijn van deze kans geen gebruik te maken. De man had hem er, met enige reserve, van overtuigd dat dit de meest veilige manier was om hier weg te komen. Hij hoefde niet lang na te denken: Bruno zou het eerst gaan. Als hij die in veiligheid wist, was het grootste gewicht van zijn schouders afgewenteld. Hij legde de jongen alles uit.

‘Wat moet ik doen als ik dan over de grens en in Oostenrijk ben?’ vroeg hij ten slotte.

‘Maak je daar maar geen zorgen over. Die mensen daar zullen er wel voor zorgen dat we elkaar weer terugzien.’

Hij reikte de Tsjech de hand.

‘De jongen gaat eerst.’

‘Goed. Zorg ervoor dat hij gegeten en gedronken heeft, want als hij eenmaal in de schuilplaats zit, blijft hij daar tot hij over de grens is.

En zeg hem dat hij in geen geval lawaai mag maken als de wagen stilstaat. Ik ga nu weg, Marga komt uw zoon ophalen.

Mnoho stesti! Veel geluk!’
De man vertrok. Lievens hoorde hem enkele woorden zeggen tot de andere Tsjech. Deze kwam zwijgend binnen en begon in de kasten te rommelen tot hij een blik Konzerva gevonden had. Hij verwarmde die en breed glimlachend zette hij hun de goulash voor.

Toen de vrouw Bruno kwam ophalen, hield Lievens het afscheid zo luchtig mogelijk, om zijn zoon niet nog ongeruster te maken.

‘Hou je goed, jongen, en tot morgen!’

27.
De vallende avond had de laatste voorbijgangers van de straat geveegd en na het vertrek van Bruno kroop de tijd martelend traag voorbij.

Maar meer nog dan het zenuwslopend wachten en nietsdoen kwelde Lievens de zorg om Bruno.

De machteloosheid waarmee hij dit alles moest ondergaan, maakte hem bang en woedend tegelijk.


De voordeurbel deed hen opschrikken.

Voorzichtig schoven ze naar de kamer aan de straatkant. Vanuit de verste hoek bemerkten ze nog net de arm van iemand in hemdsmouwen.

De Tsjech haalde even de schouders op en trok een gezicht van: Ik weet het ook niet.

De bel ging nog eens over. Ze hoorden de man iets mompelen en dan weggaan. De voordeur van het huis naast hen sloeg dicht.

‘Buurman wil een praatje maken, maar er is niemand thuis en daarom keert buurman terug naar zijn eigen huisje.’ De Tsjech wilde Lievens geruststellen.

De glimlach verstarde op zijn gezicht toen een kop voor het raam opdook. Spiedende ogen trachtten iets op te vangen in de kamer, Lievens zag ze duidelijk heen en weer schieten. Dan verdween het hoofd. Ze hoorden de bel overgaan van de voordeur bij de buurman.

‘Wegwezen!’ fluisterde de Tsjech. ‘Als buurman denkt dat hij iemand hoorde en als snuffelaar denkt dat hij iemand zag, wil hij dat zeker onderzoeken. Niets laten liggen!’

Hij streek haastig de bedsprei glad, stak het lege conser­venblik bij zich en weg waren ze, voorzichtig de deuren ope­nend en weer achter hen dichttrekkend.

Het was donker in de achterkamers en Lievens was bijna opgelucht toen ze de avondschemering van de straat bereikten.
Ze staken de verlaten straat over, maar ze waren nog niet halverwege toen aan de overkant, geen honderd passen van hen verwijderd, zich een schaduw van de muur losmaakte. Dan zagen ze nog een tweede schaduw in beweging komen, iets dichterbij.

‘Ze mogen je in geen geval aanspreken, want dan ben je verloren. Doe alsof we afscheid nemen. Haast je dan weg, zonder te rennen. Ga naar het Wenceslasplein in de buurt van het eethuis waar ik je voor het eerst ontmoette. Ik pik je daar weer op. Ik zal proberen ze zo lang op te houden dat je je uit de voeten kunt maken.’

Ze schudden elkaar de hand, de Tsjech riep hem nog luidruch­tig een ‘Tot ziens’ achterna en Lievens haastte zich weg.

Met zo groot mogelijke passen stapte hij voort om maar zo snel mogelijk op te schieten. Maar het was alsof iemand hem steeds maar in de rug ramde. En onbedwingbaar gingen zijn benen altijd maar sneller en sneller. Tot hij de eerste zijstraat bereikte.


Hij zette het op een lopen, de eerste passen rukkerig en twijfelend, niet goed wetend waarheen. Maar met de onzekerheid groeide de schrik dat iemand achter hem aan zou komen, en plots holde hij, in onstuitbare paniek, blindelings vooruit en zonder iets of iemand nog te zien rende en struikelde hij maar verder, de mond vertrokken in een grote schreeuw. Maar uit de keel kwam geen ander geluid dan het stoten en hijgen van de lucht die fluitend door zijn longen joeg, totdat zijn uitgeputte lijf de strijd moest opgeven. De passen werden langzamer en de stappen kleiner, hij zeilde van links naar rechts over de hele breedte van het voetpad, tot zijn schouder tegen een omheining schuurde. Draaiend om zijn as struikelde hij in een laatste krampachtige spiertrekking nog enkele meters verder en zakte op de grond.
Zijn ogen stonden wijd opengesperd, maar zij onderscheidden de eerste ogenblikken niets. Alles draaide en tolde, de stenen van de straat, de huizen, de enkele lampen van de straatverlichting.

Uit de chaos doemden enkele struiken op, en nauwe­lijks wetend wat hij deed, dwong het onderbewustzijn hem zijn gevoelloos lijf onder die struiken te slepen.

Daar liet hij zich opnieuw vallen. Roerloos bleef hij liggen, totdat eindelijk de geur van aarde en rottende blade­ren tot zijn zenuwen door drong.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina