Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina12/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Zijn hijgen ging over in snikken, hij klauwde met de vingers in de aarde en wilde er in wegzinken.

Dat innige en lijfelijke contact werkte evenwel als een balsem op zijn pijnlijk strakgespannen zenuwen en ten slotte lag hij niet alleen stil, maar kwam ook de kalmte over hem, langzaam opgezogen uit die ontzaglijke oerkracht van de aarde.
Hoelang hij daar gelegen had wist hij niet, maar het trillen van de spieren was verminderd en hij kon het denkvermogen weer controleren.

Moeizaam krabbelde hij overeind. De benen droegen hem wankelend een paar meters naar de straat terug. Hij had er geen idee over van welke kant hij gekomen was of waar het Wenceslasplein zich bevond.

Verdwaasd keek hij hulpeloos rond. De ogen tastten de straat en de huizen af. Dan bemerkte hij beweging achter een raam van het huis met de struiken.

Hij zag een bleek gezicht, dicht tegen de ruit aangedrukt. De ogen blikkerden nijdig in het vale schijnsel van de straatver­lichting en een hand ernaast maakte misprijzende gebaren: Weg, Weg, Weg!

Lievens hoorde het niet, maar zag hoe de mond zich vervormde tot een scheldwoord: Vieze dronkaard. Ga weg, zuiplap!

Het trof hem pijnlijk en mistroostig maakt hij zich met een ruk los van dat vijandige beeld. Met langzame, slepende passen stapte hij weg.

Pas nu voelde hij hoe uitgeput hij was. De vermoeidheid overrompelde hem, hij was aan het einde van zijn krachten.

Maar voorbij de grens van het lichamelijk uithoudingsvermo­gen begint een gebied waar alleen de geest nog krachten heeft. En die dwong het voze lichaam verder, stap voor stap, zonder dat de mens zich van die stappen bewust was.

En in dat lichaamloze land verscheen het beeld van zijn vrouw, eerst wazig en deinend, maar allengs scherper en hel­derder. Zo fel en hevig verlangde hij plotseling naar haar nabijheid dat zijn stappen langzamer en korter werden.

Met gesloten ogen leunde hij ten slotte met rug en hoofd tegen een muur, de armen slap langs het lichaam.

In zijn ijlende droom zag hij zijn vrouw de tafel dekken. En ineens waren de kinderen daar rond haar…

Lievens huilde, zonder een snik, toen zij hem plotseling zwijgend aankeken…


Een onbeheerste knik in zijn knieën schokte hem terug in de werkelijkheid. Moeizaam zette hij zich af van de muur en ging verder, de rug licht gebogen.

De straat leek hem eindeloos, zijn blik verloor zich in de verte. Machinaal droegen de benen hem voort, tot de weg en de huizen schenen op te lossen in een leegte.

Eindelijk week de starheid uit zijn ogen en begrepen ze wat voor hen lag: een brede laan, een metersbrede kade en dan de Moldau.

Lievens liet het pijnlijk uitgeputte lijf tegen de reling rusten, zijn ogen dreven mee met het traag stromende water.

Enkele honderd meters verder zag hij het silhouet van een massieve brug, getooid met beelden en ornamenten, vaal glim­mend in het nachtelijke schijnsel: de Karelsbrug.

Waarom wist hij niet, maar de brug lokte hem aan, wellicht omdat de herkenning hem enig houvast gaf, als een anker aan een stuurloos schip.

Dan zag hij in de reling langs de rivier de uitsparing voor de toegang naar een trap. Hij daalde die af en langs het jaagpad, dicht bij het water, kwam hij tot onder de brug. Hier voelde hij zich veilig, en in de oksel van de zware stenen fundamenten die de voet van de brug schragen, kroop hij weg als een dier en verzonk in een bewusteloze slaap.

28.
Matchi was volkomen verrast toen de chauffeur hem dwong de armen op te steken, enkele kilometers voor ze met Lievens Praag zouden binnenrijden.

Maar de aanvankelijke ontsteltenis sloeg spoedig om in razende woede om zijn machteloosheid, toen hij de auto in de verte zag verdwijnen.

Woede en ergernis zijn echter slechte raadgevers, en een getrainde agent als Matchi wist dit maar al te goed. Binnen en­kele seconden was hij dan ook aan het overleggen wat hem te doen stond.

Hij herinnerde zich het huizengroepje dat ze net voorbijge­reden waren, en begaf zich daarheen. Bijna zeker was daar een vervoermiddel te vinden of wellicht een telefoon. Vooral de telefoon was belangrijk, want de centrale moest zo snel mogelijk ingelicht en gealarmeerd wor­den.

Wat hem onder het lopen het meest bezighield was de vraag wie Lievens ontvoerd had. Het was uitgesloten dat Lievens zelf dit plan had uitgedokterd, laat staan dat hij het op zo korte tijd had kunnen organiseren. Wie had hier dan wel de hand in?

Zijn gedachten cirkelden steeds om de Russen. Maar hoe kon­den die er zo snel van op de hoogte zijn dat Lievens in Tsje­choslovakije beland was en dat hij overgebracht zou worden naar het hoofdkwartier van de Statni Bezpetsjnost, de veilig­heidspolitie? Slechts een paar mensen was ervan op de hoogte dat Lievens aan de grens overmeesterd was, en nog minder wisten van zijn overbrenging. Die was trouwens slechts op het laatste ogenblik gepland en aansluitend direct uitgevoerd.

Zou het de Russen dan toch gelukt zijn een mannetje op hoog niveau voor hun karretje te spannen? Maar hoe dan? En wie? Het kon nauwelijks iemand van zijn groep zijn, want die speciale groep, die elitemensen van de dienst waartoe hijzelf ook behoorde, waren stuk voor stuk gewikt en gewogen voordat ze tot hun vertrouwenspost toegelaten werden. En zelfs daarna werden hun handelingen voortdurend nagegaan.

Een onbehaaglijk gevoel zich verraden te weten, wortelde zich steeds dieper in Matchi’s achterhoofd.

Hij had geleerd ermee te leven: achterdocht, verraad, leu­gens en verdachtmaking, hij had geleerd er zelf een sluw gebruik van te maken, als iets dat in zijn leven thuishoorde. Het waren de wapens waarmee zijn groep zich in leven hield. Maar toch ergerde het hem als hij die zwijnerij ergens ervaarde zonder het verloop te kunnen controleren of als hij er zelf door gehinderd werd.


Plots schoot hem een nieuwe mogelijkheid te binnen: Dedecec Krysa, grootvadertje rat! Die schimmengroep, groeiend en levend in het volk als aders in een lichaam. Dat was de orga­nisatie die zoiets kon verwezenlijken. Overal aanwezig en nergens grijpbaar.

Een ding was zeker en was zelfs een van de weinige dingen die men over hem wist: Dedecec werkte nooit voor de Russen.

Met dat lichtpuntje in zijn gedachten versnelde Matchi de pas: als Lievens in de handen van de Russen was, zou het onmogelijk zijn hem er uit te halen. Maar Dedecec zou voor niets of niemand zijn organisatie in gevaar brengen.

Als ze op een of andere manier de druk zo hoog konden opvoe­ren dat zelfs de ratten, al was het slechts tijdelijk, zich in hun holen schuilhielden, dan kon het bijna niet anders of Lievens zou gegrepen worden.


Matchi bereikte eindelijk het groepje huizen. En hij had geluk. Het eerste huis waar hij aanklopte, was ook het enige met een telefoon. Hij zwaaide even zijn kaart van speciale staatsbeambte, terwijl hij allen verzocht het lokaal te verla­ten waar de telefoon stond, wat prompt gebeurde.

Matchi bracht verslag uit en liet dan onverstoorbaar de storm van woedende verwensingen over zich heen razen. Nadat die geluwd was, gaf hij kalm zijn aanwijzingen door: Niet de Russen, maar Dedecec, de rat, is de eerste verdachte.

Ogenblikkelijk werd het stil aan de andere kant van de lijn. Matchi maakte er gebruik van om nog meer voorstellen te doen: algemeen alarm voor alle geheime diensten. Controle op alle wegen rond Praag en aan de grenzen. Ook op de treinen. En bij alle toegangen tot de westerse ambassades.

Het bleef stil aan de andere kant. Grijnzend stelde Matchi zich voor hoe ginder naar lucht gehapt werd.


Buiten op straat raasde een wagen met grote snelheid voor­bij.
In de hoorn klonk eindelijk een geroezemoes van stemmen, alsof aan de andere kant de microfoon werd vrij gemaakt. Matchi hoorde nog enkele woedende uitroepen en dan:

‘Er wordt een schietpartij gemeld, ongeveer tien minuten geleden op zowat, laat eens zien, zowat drie kilometer van de plaats waar je nu bent, bij de eerste huizen van de stad. Weet jij daar iets meer over?’

Matchi dacht na. Waren de Russen er dan toch al bij betrokken?

Echt iets voor hen: snel en brutaal. Een overval op een wagen van de staat, waarin twee gevan­genen en hun bewakers. Bijna een wanhoopsdaad van de Russen. Want die waren het zeker: geen enkele dienst van welk ander land ook zou zoiets wagen. Hij bracht zijn besluit over en vroeg een wagen om hem op te halen. Dringend! Matchi legde de hoorn op de haak.


Hij hoorde hoe een tweede wagen met grote snelheid het huis voorbij zoefde.
Zijn getrain­de hersenen sloegen de brug: schietpartij op drie kilometer van hier… hij had de hoorn al terug vast en draaide het nummer van de centrale.

De tweede telefoonoproep van Matchi rakelde het vuur van de verwarring, waar men zich in het hoofdkwartier juist van hersteld had, terug op tot tegen het plafond. Maar snel kwam de koele organisatie weer op gang: wegversperringen waren reeds uitgewerkt nog voordat de telefoonverbinding verbroken werd. Peinzend legde Matchi de hoorn op de haak en ging naar buiten om de wagen op te wachten die hem moest ophalen.

In de eerstvolgende uren werd de hele machinerie van de geheime dienst op Lievens afgestuurd.

De wegversperring voor die twee wagens had niets opgeleverd. Wel werd de auto gevonden waarmee Lievens naar de centrale overgebracht moest worden.

Ook de chauffeur werd gevonden, halfdronken en ziek van de wodka die men hem gedwongen had op te drinken. De man dronk bijna nooit een borrel en was dan ook hevig ontsteld. Hij wist alleen te vertellen dat hij hoogstens honderd meter van de centrale verwijderd was, toen een andere wagen hem tot stoppen had gedwongen.

Op hetzelfde ogenblik waren links en rechts gewapende mannen naast zijn wagen opgedoken. Ze dwongen hem onder bedreiging van hun revolvers de auto te verlaten. Ze hadden hem weggevoerd en dronken gemaakt en enkele uren later ergens afgezet. Hij herinnerde zich niet dat ze hem iets gevraagd of gezegd hadden.

In de centrale had iedereen elkaar verstolen aangekeken.

Iemand van hen had de ratten een tip gegeven!


Het onbehagen groeide met de minuten die verstreken en er maar geen melding binnenkwam dat Lievens en zijn zoon ergens gesignaleerd waren. Hoe moest men in de heksenketel die het hoofdkwartier nu was, op jacht gaan naar rattenvrienden en snel succes boeken, zonder daarbij het hele apparaat te ont­redderen?

Ook Matchi was bezorgd. Het was nutteloos geheime plannen te beramen als het rattenvolkje er al van op de hoogte was voordat er met die plannen iets kon begonnen worden.

Om dit te omzeilen, vroeg en kreeg hij per­missie om zelfstandig te werken, in rechtstreeks overleg met de top, zonder verder iemand verantwoording verschuldigd te zijn.

Maar de uren kropen voorbij, zonder dat enig bericht van waarde binnenkwam. En onuitgesproken bleef bij ieder in het achterhoofd de vraag hangen: Was Lievens wel in Praag?


Juist voor zij afgelost werden, hadden twee agenten een zelfbedieningsrestaurant op het Wenceslasplein gecontroleerd. Er was hen niemand opgevallen.

Onmiddellijk daarna keerden ze terug naar hun wijkbureau, waar ze zich hadden afgemeld. Vanaf het bureau moesten zij nog enkele straten te voet naar de tramhalte. Het waren weinig drukke straten en zo, voor het middaguur, lagen ze er nagenoeg verlaten bij.

Daarom viel hun oog op het silhouet van een lange man die een honderdtal meter voor hen uit liep. Zij herinnerden zich die man ergens te hebben gezien, maar wisten niet goed waar of wanneer. Tot de ongeschoren kerel die hen in het restaurant gepasseerd was, in hun geheugen opdook.

Toen die man de straat overstak, zagen de agenten dat de lange man in het spoor van een jongen liep. En die jongen volgde klaarblijkelijk een man voor hem. Na een poosje sloegen ze een hoek om. De agenten haastten er zich achteraan. Zij zagen nog juist de man een huis binnengaan, waar ook de jongen en de andere man waarschijnlijk al in verdwenen waren, want zij vonden ze niet meer terug op straat.

Met de hulp van een voorbijkomende politiepatrouille waren ze het huis binnengedrongen, maar van de drie was geen spoor meer te bekennen. Het was bijna zeker dat ze langs het achter­liggende huis in de volgende straat verdwenen waren. Zo luidde het bericht dat kort voor het middaguur binnen­kwam.

Matchi was er ogenblikkelijk van overtuigd dat het Lievens was die ze daar zo fortuinlijk weer op het spoor gekomen waren.

Een blik op het reusachtige stadsplan leerde hem echter dat de Jozefwijk een moeilijk te controleren wijk was, met niets dan oude huizen en een doolhof van straten.

Hij was er zeker van dat een algemene controle, een razzia, wellicht van alles zou opleveren, maar niet dat waarvoor zij bedoeld zou zijn. Want met een der ratten als gids zou Lievens zeker ontkomen. Het was beter de controle in de wijk te ver­scherpen, maar dan onopvallend, want er was nog altijd die dreigende schaduw van de Russische beer, wiens klauw angstval­lig uit de buurt van Lievens gehouden moest worden.

Het was minder erg en trouwens ook niet te vermijden, dat het rattenleger die verscherpte controle zou opmerken. Mis­schien zelfs dat ze door die verhoogde druk Lievens een ogen­blik zouden loslaten. En als zij Lievens een ogenblik konden afsnijden van zijn enige hulp, kon het niet lang duren of hij zou in het daglicht verschijnen. En dan was de kans groot dat hij zou terugkeren naar het Wenceslasplein, opdat de ratten hem daar weer zouden kunnen oppikken. Misschien was dat eet­huis zelfs een afgesproken punt. Matchi besloot ook daar de controle te verscherpen, maar ui­terst onopvallend, zodat zelfs de ratten er niet door gealar­meerd zouden worden.

Weer kropen de uren voorbij.

Het werd avond en nacht. Het lange wachten in de centrale werd ondraaglijk en de wederzijdse achterdocht begon de zenu­wen aan te vreten. De stemmen klonken meer gedempt en als er toch een boven de ander uitschoot, was er een nijdige snauwtoon in te horen.

Matchi trachtte zich in te leven in Lievens’ situatie. Welke plannen zou hij maken of waarmee zou hij nu bezig zijn?

29.
Maar Lievens maakte geen enkel plan.

Onder de brug sliep hij vast en droomloos, aan een stuk door, tot in de vroege morgen. De geluiden van de ontwakende stad waren aan hem voorbij gegaan. Het was de pijnlijke stramheid in de benen die hem wekte. En onmiddellijk overviel hem een golf van misselijkmakende hulpeloosheid. Lievens was totaal ontmoedigd. En hij maakte geen enkel plan.

Hij dacht aan zijn vrouw en kinderen, doch zonder vreugde of verdriet, zonder het gevoel er bij te horen, maar als iemand die ergens spijt van heeft, zonder de moed of de ambitie om er iets aan te verhelpen. Hij liet zich gaan in zelfbeklag en vond een soort bitter genoegen in het peilen van de uitzichtloosheid van zijn ellen­de. Hij kon noch wilde plannen maken.

Maar zelfs in de meest donkere en zware uren van iemands bestaan komt altijd een keerpunt.

Als iemand in volle zee overboord slaat en al zijn inspan­ningen ten spijt het schip in de verte ziet verdwijnen, zal het lichaam verstijven door koude en uitputting van de strijd tegen het water en zal hij zich moedeloos laten gaan, alsof hij, nog voor het water zich boven hem sluit, wil inslapen.

Maar stoot een plank of wrakhout tegen zijn gevoelloos lichaam, dan zal hij er zich uit alle macht aan vastklampen en weer voor zijn leven vechten.

Zo was ook Lievens met zijn bittere zelfmedelijden in een roes van opperste wanhoop beland. Hij lag er volkomen bewe­gingsloos bij, krachteloos. Hij bestond niet meer.

Maar uit het niets kwam een stem aanzweven, eerst onhoor­baar, dan als fluisteren van de wind, aanzwellend tot een streling. De stem werd alsmaar sterker tot ze een trilling van leven werd, vragend en gebiedend tegelijk, waar hij zijn oren niet voor sluiten kon.

‘Mama, wanneer komt papa, hij moet met mij spelen. Papa moet komen.’

De stem bleef maar zinderen in de leegheid van zijn ziel tot zijn eigen stem een echo vormde: Papa moet komen… Papa moet komen…

Hij herhaalde het steeds weer, machinaal, kreunend en preve­lend, met schorre keel, gedwongen door een macht die sterker was dan hijzelf.

Papa moet komen…

In wild verzet schudde hij het hoofd en bonkte met de vuisten op de grond. Hoezeer zijn weerspannige geest ook tegenspartelde, iets onbedwingbaars deed hem steeds opnieuw herhalen: Papa moet komen… De bittere smaak in de mond verloor wat van zijn scherpte, loste zich op.

En plots zei hij het bewust, op eigen kracht, aarzelend eerst en onzeker. Hij was nog bang om toe te geven aan het groeiende besef dat hij nog verder moest, nog verder kon. Wanhoop deinde en golfde nog steeds om hem heen, maar hij klampte zich vast en bleef zich optrekken aan dat ene zinne­tje.

Lievens richtte zich op, licht zwaaiend op de benen, en staarde een wijl naar zijn handen, zwart en goor van het klauwen in de grond. Een bittere grijns lag als een snee over zijn mond en spande zijn lippen tot de opeengeklemde tanden zichtbaar werden.

‘Ze hebben mij nog niet!’ Hij grauwde, als een wolf.

En dan zei hij het nog eens, kalm nu en bijna plechtig, als om er de laatste druppel kracht uit te puren, als een bezwe­ring: Papa Moet Komen.

Dan waste hij de handen en gezicht in het water van de Moldau en klopte het vuil van zijn kleren. Vastberaden klom hij de trap op naar de straat en liet zich opnemen in de zich naar kantoor en fabriek haastende menigte.


Iets als ongeduld, of was het de trilling van gespannen ver­wachting, kriebelde Lievens in de nek toen hij het Wenceslasplein bereikte. Hij voelde zijn passen lichtvoetig worden en was verbaasd over de groeiende opgewektheid.

De ogen zochten, ver over het langgerekte plein heen, naar de plaats waar het eethuis zich ergens moest bevinden. In de broekzak voelde hij een steen, opgeraapt onder de brug, die dienst moest doen als een soort boksbeugel.

Weg was zijn zorgeloosheid, de grimmige trek lag weer om zijn mond, en behoedzaam om zich heen spiedend schoof hij nu verder. Hij trachtte zich een beeld te vormen van de richtin­gen in de verkeersstroom en betrapte er zich op dat hij, onbewust bijna, vluchtroutes aan het uitstippelen was.

‘Prima,’ prees hij zichzelf, ‘je leert het nog, je wordt nog een slim ventje.’

Zijn hand zocht de beste greep om de steen. Hij be­dacht dat hij steeds tegen de stroom in vluchten moest zolang hij in het zicht van zijn achtervolgers was, of dwars door het verkeer heen, om zich dan rimpelloos te laten mee­drijven met de stroom voetgangers, zodra zij hem een ogenblik uit het zicht verloren hadden.

Hij voelde nu meer dan anders, hoe zijn hoofd boven de anderen uitstak. Hij besefte dat, als er werkelijk iemand naar hem op de uitkijk stond, hij nooit lang onopgemerkt zou kunnen blijven. En dus kwam het er op aan het ogenblik van ontdekking zo snel mogelijk te onderkennen.

Lievens liet zich niet meer meedrijven met de voetgangers die gestaag in dezelfde richting voortschreden. Zigzag vorderde hij nu, zich nestelend in het kielzog van elkaar naderende of zich van elkaar verwijderende groepjes. Soms volgde hij ze naar het midden van de straat, waar lange rijen aan de tramhaltes waren. Steeds zochten zijn ogen een volgend punt waar hij enige dekking of achtergrond kon vinden voor zijn lange gestalte. Telkens hij van richting veranderde, talmde hij even en zochten zijn ogen flitsend de mensenmenigte af. Hij wilde de radar van zijn zintuigen de kans geven de koerswijziging van een mogelijke achtervolger op te vangen.

Laverend als een zeilschip op eng water naderde hij het eethuis.


En dan zag hij hem.

Van de tramhalte, die hij zo-even verlaten had, naderde haastig een gestalte. Lievens had al de overkant bereikt, maar snelde terug, schuin de straat over. Uit de ooghoek zag hij de ruk waarmee die schim eveneens van richting veranderde. Het vel in zijn nek spande zich, maar kalm en bliksemsnel berekende hij zijn kansen.

Die kerel zou wel gewapend zijn, maar hij zou hier beslist niet lichtzinnig zijn pistool zwaaien tussen de omstanders, redeneerde hij.

Vast omklemde zijn hand de steen en kwam traag uit de broek­zak. De ogen schatten het punt waar hun schreden zich zouden kruisen. Hij hoorde al de stappen van zijn belager…

En dan, vlak voor de laatste pas, keerde Lievens zich om. Hij herkende nog net een glimmend genoegen op een Slavisch gezicht toen zijn vuist in opwaartse explosie de kin van de onbekende trof.

Geluidloos zakte de man in elkaar, vlak achter de hielen van enkele wachtenden. Maar niemand wendde het hoofd om. Zonder op- of omzien stapte Lievens met verstijfde spieren het groepje voorbij en stak opnieuw de straat over.


Maar dan brak de hel los.

Hij was slechts enkele passen verder, toen links en dan voor hem een snerpend gefluit de menigte opschrikte en uiteen deed splijten.

Lievens bedacht zich geen seconde.

Hij draaide zich om en met grote soepele sprongen stak hij dwars het plein over.

Paniekerig krijsten remmen achter hem en huilden claxons. Pas toen hij de stoeprand bereikt had, keek hij voor het eerst om. In het midden van de straat, op verschillende afstanden van elkaar, zag hij drie mannen tussen de auto’s doorspringen.

Ze renden in zijn richting, maar hun blik werd voortdurend afgeleid door het voorbijkomende verkeer.

Lievens besefte dat ze te dichtbij waren om ze lopend van zich af te schudden. Tussen de personenwagens zag hij een autobusje geparkeerd staan en in een plotselinge ingeving staakte hij zijn ren en schoof er snel achter. Door de ramen zag hij hoe zijn achtervolgers bijna gelijktijdig de stoeprand bereikten.

Aan het plots vertragen, dan weer versnellen en weer vertra­gen van de passen wist Lievens dat ze hem uit het oog verloren hadden.

Ze hadden zijn manoeuvre niet opgemerkt.

Behoedzaam uit het zicht van zijn achtervolgers blijvend draaide hij om het busje heen, zodat dit tussen hem en zijn belagers bleef, er steeds voor zorgend zich zo onopvallend mogelijk te gedragen.

De achtervolgers hadden een besluit genomen: twee stormden het busje voorbij, terwijl de derde trager volgde, een walkietalkie voor de mond, waarschijnlijk de baas meedelend dat ze Lievens op het spoor waren.

Ook die man liep het busje voorbij.

Schuin voor hem, bij de tramhaltes, zag Lievens hoe zich een kring rondom de bewusteloze man vormde.

Hij besefte dat hij snel verdwijnen moest.

Met grote passen bereikte hij onopvallend en door niemand gehinderd een uithoek van het plein.
Voorbij het standbeeld van koning Wenzel I, waar Jan Palach zich door verbranding het leven benam, kwam hij langs een kerkgebouw.

Het vluchten moe, richtte hij zijn stappen naar de kerk in een opwellende drang naar geborgenheid. De hoofdingang was gesloten, maar aan de noordkant vond hij een poortje dat zich opende toen hij er tegen duwde.

Het was er schemerig en koel, en strompelend bijna zocht Lievens de meest donkere hoek op om daar het plotseling onbe­daarlijk trillen van zijn spieren tot rust te laten komen.

Met de stilte sijpelde langzaam de kalmte in zijn overver­hitte hersenen. Een rest van duizenden biddende stemmen hing in de eeuwen­oude ruimte. In zijn donkere hoek liet Lievens er zich door beroezen en kalmeren. Als een hond die stil zijn wonden likt.


Hij schrok op. Het poortje langs waar hij in de kerk geraakt was piepte open. Een man kwam binnen en ging met snelle zekere passen naar de voorkant van de kerk, waar hij achter een deur verdween.

Lievens hoorde een kast open en dichtslaan, de man ver­scheen weer, treuzelde nog wat bij iets wat Lievens niet zien kon en haastte zich terug naar het buitendeurtje.

Lievens, die zijn aanvankelijke onrust al wat verwerkt had, schrok weer op: duidelijk hoorde hij dat de sleutel in het slot gestoken werd en daarna knarsend omgedraaid.

Ongerust spoedde hij zich naar het poortje: het was niet meer open te krijgen zonder sleutel.

Maar plotseling glimlachte Lievens: Hij kon zich in heel Praag geen veiliger schuilplaats indenken.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina