Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina13/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Welgemoed maakte hij een verkenningstocht door de kerk. Het aantal kasten dat hij vond, kwam hem bijna onwaarschijnlijk groot voor. Sommige slechts een handbreedte diep, andere zo diep dat er gemakkelijk een biechtstoel inclusief enkele zondaars in ondergebracht kon worden. Maar ze waren allemaal leeg, op wat onbruikbare rommel na.

Van de galerij rond het hoofdaltaar was zonder veel moeite een soort doolhof te maken en dankbaar zocht Lievens reeds hoekjes om zich te verstoppen. Hij zag zichzelf al wegsluipen onder dekking van ornamenten, pilaren of zelfs in steen gehouwen praalgraven.

De deur waar de man door was gegaan, kwam uit op een tame­lijk groot lokaal, met als enige bemeubeling een klein tafel­tje en een stoel.

Alle wanden waren vol ingebouwde kasten. Uit de laag stof en vuil dat er opzat, kon hij merken dat zij sedert jaren niet meer gebruikt waren. Maar bij het slot van een der kastdeuren glom het hout en nieuwsgierig draaide Lievens de sleutel om.

Teleurgesteld zag hij slechts enkele misgewaden. Op de bodem van de kast echter ontdekten zijn ogen een bijna lege en helemaal achteraan een volle fles wijn.

Het etiket vermeldde alleen Mesni Vino. Miswijn, dacht hij.

Zal ook wel geen ‘Grand Cru’ zijn, glimlachte hij toen hij er de kurk afhaalde en zijn neus in de halsopening stak. Van dorst zou hij echter hier voorlopig niet omkomen.

Bij het sluiten van de kastdeur zag hij in de andere hoek van de kast, aan een ring van zwaar ijzerdraad, een bosje sleutels hangen. Onmiddellijk haastte Lievens er zich mee naar het buiten­deurtje.

Maar hij had geen geluk.

Hij haalde de sleutels van de ring en wrong die zo recht mogelijk. Een uiteinde in het oog van de grootste sleutel stekend boog hij dan een haak aan de zware ijzerdraad. Daarmee wrikte en morrelde hij met tastende vingers in het deurslot tot hij voelde dat er binnenin iets meegaf. Voorzich­tig en traag liet hij het slot knarsen, trok de deur enkele centimeters open om te weten of die wel los was en duwde ze dan tevreden weer dicht. Hij legde de sleutels weer in de kast, maar stak de haak in zijn zak.

Hij verliet de sacristie en liep de kerk door.

Helemaal achteraan vond hij een deurtje dat toegang gaf naar het oksaal en het orgel.

Het duistere wenteltrapje met de uitgesleten treden lokte hem niet bovenmatig, maar toch kon hij de verleiding niet weerstaan om boven eens een kijkje te nemen.


Het trapje kwam uit op een smal gangetje, met links en rechts een wirwar van houtwerk, steunberen en pilasters tegen een achtergrond van duistere hoeken.

Verwonderd voelde Lievens af en toe de planken onder zijn voeten bewegen. Het waren zware stevige planken, sommige enigszins kromge­trokken, maar niet vast gespijkerd. Waarschijnlijk een lapmid­del omdat de oude vloer helemaal vermolmd was en geld voor herstel ontbrak.

Maar wat hem ten slotte het meest intrigeerde, was het raam dat hierboven niet meer zo onbereikbaar en hoog van hem ver­wijderd was. Op de tenen staande kon Lievens net op de minstens een halve meter diepe bodem van de metersbrede reusachtige nis neerkij­ken.

Hij hees zich omhoog op de houten bekisting van wat waar­schijnlijk de luchtkast van het orgel was. Tussen de plaats waar hij nu stond en het raam begon een boog van het kerkgewelf. Van de voet van de boog liep een zware ijzeren armdikke trekstaaf naar het andere uiteinde van de boog.

Lievens wilde absoluut naar dat raam.

Hij liet zich weer in het gangetje zakken, zocht twee stevige planken uit die hij op de orgelkast legde en hees zichzelf er naast.

Bedachtzaam legde hij een plank als brug naar de ijzeren staaf. Lievens had geen hoogtevrees, maar de afgrond onder hem deed nu toch de buik samentrekken toen hij zich op de plank waagde.

Slechts drie kleine voorzichtige pasjes, toen kon hij de tweede plank onder de boog doorsteken tot op de vensterbank van het raam.

Voorzichtig, op handen en knieën, schoof hij dan zelf onder de nauwe hoek van de aanzet van het gewelf door, vooral bang zijn rug of heup te stoten aan de stenen boven hem en zo zijn evenwicht te verliezen.

Dan nog een paar meters over de tweede plank en hij stond in de raamnis. Het loodglas was bijna ondoorzichtig, maar er waren enkele stukjes uit verdwenen. Door een der gaten zag Lievens, tegen de kerkgevel aanleunend, iets wat op een reus­achtig maanlandschap leek, doorploegd met voren waar hij straten vermoedde: de beroemde daken van het oude Praag!

In het raam was een kleiner venster dat geopend kon worden, waarschijnlijk om wat frisse lucht binnen te laten. Lievens vond de ijzeren ring waarin men vanaf het oksaal de haak van een lange stok kon steken om het raampje te openen. Met de vinger rukte en trok hij tot het ding eindelijk mee gaf. Behoedzaam liet hij het luik tot op een kier open knarsen en loerde er doorheen tot zijn ogen traanden van de binnenzwie­pende lucht.

Gerustgesteld draaide hij het raampje helemaal open.

Weer zochten zijn ogen een vluchtroute, maar van waar hij stond, kon hij de straat niet zien.

Aan de buitenkant van het raam zat weer een licht hellende vensterbank, maar de cementlaag, waarmee die ooit hersteld was, was zover vernield en uitgesleten door regen en vorst dat Lievens gemakkelijk de voeten op de effen gedeelten zou kunnen plaatsen om vandaar op het tegen de kerkgevel aange­bouwde dak te komen.

Dat dak zag er echter zo oud en bouwvallig uit, dat hij eerst maar eens met de ogen de punten aftastte waar hij, in geval van nood, de voeten zou kunnen neerzetten.

Om te beginnen was er vlak onder het kerkraam een gedeelte van enkele vierkante meters, twee bij drie, schatte Lievens, waar een nu totaal verteerd zeil hing om de ergste regenval op te vangen.

Onbewust pulkte zijn hand een stukje cement los en gooide het op het zeil. Het vloog er dwars doorheen en plofte, naar het geluid te oordelen, vele meters lager op een houten betimmering.

Het kriebelde weer in zijn buik toen hij zich voorstelde wat er gebeurd zou zijn als hij op het dak gestapt had, zonder zich eerst van de toestand vergewist te hebben.

Hij rekende verder: als hij over de vensterbank tot in de uiterste hoek van het raam schuifelde, zou hij zonder moeite de nok van het dak bereiken. En daar moest hij geen andere hindernis overwinnen dan zijn angst. Waar zijn tocht hem brengen zou, dorst hij zich niet af te vragen.

Zorgvuldig sloot hij het raam, schoof voorzichtig over de planken, hij liet ze daar maar liggen, en bereikte via het wenteltrapje weer de koelte van de begane grond.

Languit vleide hij zich neer op de kunstig bewerkte houten banken, die tegen de muur van de zijbeuken aangebouwd waren. Hij zou hier rustig de dag verder doorbrengen. En ook de nacht. Morgen zou hij van hieruit opnieuw zijn tochten onder­nemen naar het restaurant.

30.
Vanuit haar kamer bij de zusters in Berchem zag Hilde Lie­vens haar kinderen onbezorgd in de grote kloostertuin spelen.

Ze was moe en de slapeloze nachten, waarin de angstige onzekerheid over het lot van haar man en haar zoon nog meer dan overdag haar hart kwelde, hadden donkere kringen onder haar ogen achtergelaten.

Driemaal vierentwintig uur wachtte zij nu al. Die lange tijd bracht haar tot de overtuiging dat het misgelopen was met de bevrijding van Bruno.

Steeds maar weer had zij de telefoon willen grijpen om haar zorgen en angsten aan de politie mee te delen, maar nog altijd was het vertrouwen in haar man sterk genoeg om diens dringen­de raad er de politie niet bij te betrekken op te volgen.

Jana kwam in haar gedachten. Jana was een Tsjechische. Maar Hilde realiseerde zich dat Jana zelf een vluchtelinge was en haar zeker niet kon helpen, maar integendeel haar vrees zelfs nog groter en ondraaglijker zou maken.

Maar dan doemde er in haar geest een naam op, eerst aarze­lend en niet goed durvend, maar steeds meer verwachting wek­kend en voedsel gevend aan haar hoop eindelijk iemand gevonden te hebben die haar zorgen met haar zou willen delen: Luc! Luc Goethals.

Haar wanhopige geest zag niets dan goede eigenschappen bij de boezemvriend van haar man.

Luc was te vertrouwen. Luc zou niets tegen haar zin doen. En bovenal: Luc was goed.

Het kleine vlammetje vertrouwen wakkerde aan tot een alle weerstand verterend vuur en in een plotselinge opwelling greep zij de telefoon.

‘Hallo, Luc. Hilde hier. Ik ben in het klooster van de Domi­nicanessen in Berchem. Kun je niet eens langs komen? Ja, het is dringend. Heel dringend en ernstig. Meer kan ik door de telefoon niet zeggen, maar kom alsjeblieft vlug hierheen.’

Tien minuten later was Luc er al. Hortend en stotend vertel­de Hilde haar verhaal. Luc zat perplex. Ontsteld keek hij de vrouw van zijn vriend aan, toen die na haar relaas de handen voor het gelaat sloeg en geluidloos begon te huilen.

De eerste ogenblikken zat hij er weerloos bij en niet in staat enige reactie op te brengen. Hier was iets vreselijk aan de gang en hij wou helpen, maar zijn nuchtere verstand had wel enige tijd nodig om op zijn positieven te komen.
‘ Dus, Peter is op zaterdag naar Munchen vertrokken. Dan zal hij de volgende dag of dagen bezig geweest zijn met het zoeken naar een manier om met de Tsjechen in contact te komen zonder zich bloot te geven. Laat ons aannemen dat hij daarin geslaagd is. Hoe hij dat klaargespeeld heeft, weten we niet, maar hij zal wel niet zo maar aangebeld hebben in de Schoneckestrasse. Misschien samen met de politie? Ach nee, hier wou hij al niets weten van politie, dus zal hij er haar ginds zeker niet bij betrokken hebben. Bijgevolg moeten we uit die hoek geen in­lichtingen verwachten. De Russen? Hijzelf zal ze niet opgezocht hebben, maar hebben zij hem niet gevonden? Is hij tegen hen aangelopen, terwijl hij contact zocht met de Tsjechen?

Zou het niet kunnen dat de Duitse geheime dienst er bij be­trokken geraakt is? Wellicht houdt de ene de andere in het oog om elkaars geheimen te ontfutselen, en is Peter hun zomaar in de schoot gevallen. Er is niet veel voor te zeggen dat het zo zou verlopen zijn, maar het kan toch geen kwaad er eens dieper op in te gaan, als we echt niets anders kunnen bedenken.

Of de Engelsen? Als hij er al iemand bij betrokken heeft, zullen het die mannen zijn. Eerder nog dan de Amerikanen. Want tenslotte komt dat kistje toch uit Engeland en dan is het voor de hand liggend dat, als hij er dan toch derden bij betrekken wil, hij zich tot de Britten wendt. Misschien niet recht­streeks, hij zal zich wel niet bloot gegeven hebben, maar toch als een soort bescherming, als rugdekking. Of om van hun dien­sten gebruik te maken in ruil voor inlichtingen.

Misschien rekende hij erop dat de Engelsen er zich al volop mee bemoeid hadden, dat die zich al de naad uit de broek aan het zoeken waren naar die verdwenen geheimen. Hij zal wel zwaar aangeslagen zijn door al die perikelen, maar, ik ken hem nu al jaren, ik denk niet dat zijn verstand hem helemaal in de steek zal gelaten hebben. Als die foto’s werkelijk zo belang­rijk zijn, zal het kleinste seintje hun volle aandacht opwek­ken.’

Luc had luidop zijn gedachten vorm gegeven. Hij keek Hilde vragend aan, als hoopte hij van haar instemming of opmerkingen te verkrijgen.

Hulpeloos en bang staarde Hilde de huisvriend aan. Ze had vol overgave naar zijn woorden geluisterd, maar die hadden haar meer overdonderd dan dat ze begrijpelijk overkwamen. Luc zag in haar ogen slechts de hoop die zij in hem stelde en blind vertrouwen.

Hij kon die blik niet langer verdragen en een plots be­sluit deed hem overeind veren.

‘Hilde, ik rij naar Munchen! Als ik ook maar iets wil berei­ken moet ik maken dat ik er bij kom en dat kan ik niet als ik op deze stoel blijf zitten. Ik rij er regelrecht naartoe. Ik zal daar meteen de Britse inlichtingendienst opzoeken en dan kom ik gauw genoeg aan de weet of ze op de hoogte zijn. En als ze nog niet wakker zijn, zal ik ze wel wakker schudden. Ze zullen in elk geval ten zeerste geïnteresseerd zijn. Ik hoef maar de naam Lievens te laten vallen of ze zullen reageren, tenminste, als ze bij de zaak al betrokken zijn. En reageren ze daar niet op, dan vertel ik hun alles wat jij aan mij gezegd hebt. Het zou al erg gesteld met hen moeten zijn als ze dan nog geen klokje horen luiden. Hun oren zullen er van tuiten!

En dan is er nog de Schoneckestrasse. Als de Engelsen moed­willig zouden zijn, dan laat ik daar de halve wereld op los, de Duitsers, de Amerikanen, en als het moet ook de Russen.

In elk geval, ik zal resultaat boeken! Zeker als de hele perswereld zich op die ge­schiedenis zal storten. Als die heren ginder er hun hachje niet willen aan wagen zal ik er persoonlijk voor zorgen dat hun vuile was aan de hoogste mast te kijk hangt. En geloof me, daar zijn ze als de dood voor!’

Maar Hilde zat in elkaar gedoken op haar stoel, het was haar allemaal te veel. En toen Luc haar wilde opbeuren hoorde hij een holle klank in zijn woorden.

Veel hadden ze elkaar niet meer te zeggen en kort daarop namen ze afscheid. Hij beloofde haar te telefoneren zodra hij maar over het minste nieuws zou beschikken.

Daarmee had hij toch het gevoel eindelijk iets opbeurends te hebben gezegd.
Luc Goethals was een joviale kerel, die liever genoot van wat het leven te bieden had dan dat hij zelf mee dat aanbod wou bepalen.

Zijn hartelijkheid en goedhartigheid stelden hem meer dan wie ook bloot aan kerels die er op uit zijn van iemands goed­heid misbruik te maken. Toch had hij zich nooit teruggetrokken in een beschermende schelp van onverschillig­heid wanneer er een beroep op hem werd gedaan.

Zo had hij zich ook nu zonder enige aarzeling in een minimum van tijd vrij gemaakt van zijn dagelijkse beslommeringen en was binnen de kortste keren vertrokken naar Munchen.

De hele lange weg reed hij door, zonder pauze, slechts stoppend voor benzine en een blikje cola.

Al die tijd cirkelden zijn gedachten rond Peter Lievens en het onwaarschijnlijke avontuur waar die in terecht gekomen was. Hoe kon hij het best zijn vriend helpen? Wat kon hij zoal doen in Munchen? Maar meer ideeën dan hij al naar voor ge­bracht had tegenover Hilde, kwamen hem niet voor de geest.

De tijd bracht geen raad en hij besloot maar eerst de Brit­ten op te zoeken.


Nog voor hij de stad binnenreed zag hij de richtingaanwij­zers voor het Engelse leger die hem bij een reusachtig kamp brachten. In het wachtlokaal vroeg hij meteen naar de veilig­heidsofficier. Plompverloren vroeg hij contact op te nemen met de British Intelligence Service. Hij negeerde de zuinige vraag van de officier ‘… of hij het niet stellen kon met het Army Intelligence Corps?’ en hield het been stijf. Hij stond er zelfs op in contact gebracht te worden met een hoge piet in die organisatie! Het sleutelwoord was Lievens, en dat was alles wat hij verder zeggen wou.

Hij had op het goede paard gewed. Een kwartier later al zat Luc voor Cohen. Die was niet weinig blij eindelijk iemand te vinden die Lievens persoonlijk kende en stak dat niet onder stoelen of banken.

In korte woorden lichtte Cohen hem in.

‘Lievens zit in Praag. Ergens ondergedoken. Het staat wel vast dat de Tsjechen hem nog niet terug te pakken hebben, want de bijzondere controles zijn nog niet opgeheven.

Maar hij is ook door de vingers geglipt van een organisatie die hem helpen wou en ze kunnen geen contact meer met hem krijgen. Of ze willen het niet meer, omdat Lievens als een wilde hengst tekeer gaat zodra een onbekende hem te na komt.

Vanmiddag nog heeft hij op het Wenceslasplein een der smok­kelaars neergeslagen, temidden van tientallen voorbijgangers. Waarschijnlijk dacht hij dat hij met een politieman te maken had, maar het gevolg van zo een vechtpartij is natuurlijk dat de aandacht van elke speurhond daarop getrokken wordt en dat is zonder meer fataal. Niet alleen voor Lievens, maar ook voor de smokkelaars, die bepaald niet happy zijn met publiciteit.

Daarbij komt nog dat ze al een paar keer tegenslag gehad hebben, en dat bevalt ze nog minder. Bijgevolg willen ze Lievens nog wel over de grens brengen, maar er is geen sprake meer van dat ze hem voor ons willen opsporen. Daarvoor is hij een te heet hangijzer voor ze geworden.

Het enige wat ze nu nog weten over Lievens is dat hij, waarschijnlijk toch, naar een restaurant op het Wenceslasplein zal terugkeren.

Het zou ons een ongelofelijk grote hulp zijn moest u naar Praag willen gaan en in de omtrek van dat restaurant rondhan­gen, zodat hij u in het oog kan krijgen. Als dat lukt, zal hij u direct opzoeken. Hij kent u goed en zal u dadelijk herkennen, ook in ongewone omstandig­heden of zelfs bij nacht. U moet niet op zoek gaan naar hem, dat is zinloos en zelfs gevaarlijk. Uw enige taak is hem, zeer kortstondig, uit zijn schuilplaats te lokken en hem diets te maken u te volgen naar een veilige plaats, om u ergens te ontmoeten waar geen spionnenogen meekijken.’

Luc twijfelde geen ogenblik.

‘En als ik Lievens gevonden heb, waar moet ik er dan mee heen? Waar is die veilige plaats?’

‘Ik heb er geen idee van, hoe eigenaardig dat ook mag klin­ken. Onze contactman met de smokkelaars is een zekere sergeant Wenneby. Ik laat hem onmiddellijk de smokkelaars opzoeken om dat adres te vragen. Van zodra we dat weten, kunt u vertrek­ken.

Ondertussen laat ik de nodige papieren klaarmaken om Tsjecho-Slowakije binnen te komen, dat fiksen we zo, binnen het uur.’

En inderdaad, geen uur later had Luc alle papieren, met foto erop en van alle nodige stempels voorzien.

En nog een half uur later had ook sergeant Wenneby een contactadres van het rattenleger losgekregen.

Opnieuw voelde Luc niet hoe stijf en pijnlijk het lichaam werd van het onafgebroken autorijden.

De beeldjes van de Orloi op het Altstadtplein draaiden precies hun rondje voor zeven uur toen Luc Goethals zijn Peugeot in het ontwakende Praag op het Wenceslasplein parkeer­de.

31.
De stilte van de kerk werd steeds meer verdrongen door de geluiden van de stad. Lievens hield het er niet langer uit, hij wilde naar het eethuis.

Weer nam hij alle voorzorgen in acht, maar al ondervond hij geen moeilijkheden, succes had hij al evenmin. De geldwisselaar was niet te zien.

Twee uur later waagde hij het opnieuw. Vruchteloos.

Korte tijd na de middag nog eens, maar weer bleek zijn man niet te bespeuren.

Ontmoediging bekroop hem toen hij om zes uur ‘s avonds weer het poortje opende. Hij zag er tegen op zich steeds maar weer bloot te geven zonder enige zekerheid op succes met de smokke­laars.

Hij wist dat hij de straat op moest om de geldwisselaar te vinden. Hij wist hoe gevaarlijk zulke tochten waren, maar hij had nu reeds uren in de kerk doorgebracht, en kon alleen maar hopen dat op het Wenceslasplein de controle niet nog meer verscherpt zou zijn. Zijn hart sloeg iets vlugger toen hij het buitendeurtje opende, maar niemand van de drommen voorbijgan­gers keek op, en kalm deed hij het poortje achter zich dicht.

Het was buitengewoon druk op dit sluitingsuur. Drukker zelfs dan ‘s morgens en Lievens waagde het snel tussen en met de mensen mee te lopen. Slechts eenmaal maakte hij een zijsprong naar het midden van de straat.

In de buurt van het eethuis overviel hem een zekere beslui­teloosheid, maar het was alsof de straatstenen onder zijn voeten gloeiend heet werden en zonder verder aarzelen richtte hij zijn stappen naar de draaideur van het restaurant. Even, slechts een seconde duurde het, trok een grijns over zijn gezicht toen hij met zekere zelfspot bedacht: ‘en dit wordt dan door de oorlogscorrespondenten als de vlucht voorwaarts omschreven!’

Hij liet zich binnenglijden met de zwaaiende deur, terwijl zijn blikken schichtig over de aanwezigen vlogen. De ogen tastten in enkele seconden de diepte van de zaal af voor hij aarzelend verder ging.


Twee mannen hadden zijn binnenkomen opgemerkt. Twee mannen die van elkaar niets afwisten, maar beiden hoopten, rekenden erop, dat hij komen zou.

Ze zaten links van hem, elk aan een tafeltje, de eerste rij naast de ingang. Lievens had ze over het hoofd gezien, de blikken direct in de diepte van de zaal gericht.

Op een meter van waar Lievens nu stond schoof de eerste man langzaam omhoog uit zijn stoel, de rug tegen de muur aanleu­nend, om zover mogelijk uit Lievens gezichtsveld te blijven en hem langs achter te kunnen verrassen.

De man aan het tafeltje daarnaast echter was overeind ge­sprongen en begon te juichen: ‘Peter! Peter!’

Geschrokken rukte Lievens het hoofd om, sperde de ogen wijd open van intens blijde verrassing toen hij Luc zag, maar versteende dan bij de plotselinge herkenning van de man tussen hen beiden: Matchi!

Deze, al even erg geschrokken door het geroep, wendde zich nu woedend terug naar Lievens en kwam als een furie op hem af.

Die reageerde bliksemsnel.

Zijn voet trof Matchi met volle kracht in de buik en in razende vaart verdween hij de straat op, recht naar zijn enig bekende schuiloord, de kerk.

Maar Matchi herstelde zich vlug, opgezweept als een jacht­hond die het wild voor zijn neus ziet en niet voelt hoe takken tegen zijn lijf zwiepen. Kreunend trok hij zich op aan het tafeltje en zette de achtervolging in. Geen tien seconden na Lievens was ook hij buiten.

Zijn ogen ontdekten snel de rennende Lievens en met inzet van al zijn krachten zette hij hem na.

Meer dan vijftig meter was de voorsprong van zijn doelwit, maar de zekerheid in Matchi groeide bij iedere stap: Hij had hem!

En vijftig meter achter Matchi volgde een totaal verbouwe­reerde Luc, vloekend in zichzelf en op zichzelf, koortsachtig een oplossing zoekend.

Die kon hij echter zo gauw niet vinden en in arren moede liep hij maar achter de anderen aan.

Lievens had het haakje al klaar in de uitgestoken hand, wanhopig hopend dat het deurtje niet gesloten zou zijn.

Gelukkig, het was nog open. Hij haastte zich binnen, rechtstreeks naar de wenteltrap van het oksaal.

Maar Matchi had hem door het deurtje zien verdwijnen, en rennend overwoog hij of hij versterking zou laten aanruk­ken. Niet alleen zijn vrees dat Lievens ondertussen een andere uitweg uit de kerk zou vinden weerhield hem hiervan, vooral de onmiddellijke nabijheid van Lievens bepaalde zijn strategie. De vrucht was rijp! Matchi had aan de boom geschud en nu wilde hij ook zelf de oogst binnenhalen.

Hij stormde op het deurtje toe: Lievens was van hem!

Gehaast sloop hij naar binnen, de ogen vechtend tegen de schemering, maar met gespitste oren.

En Lievens verried zich.

Een der losse planken was iets kromgetrokken. Zijn tastende voet had een uiteinde enkele centimeters geruisloos doen opwippen, maar toen de voet eraf kwam, sloeg de plank schurend neer.


Beneden kwamen rennende voetstappen op Lievens af.

Enkele seconden was het stil, dan waren ze er weer.

‘Hij heeft het trapje gevonden,’ flitste het door Lievens’ hoofd en snel hees hij zich op de houten bekisting van de luchtkast. Hij bereikte de planken naar het raam en zonder aarzelen begon hij de overtocht.

Achter zich hoorde Lievens Matchi het gangetje doorlopen en dan voelde hij diens ogen in zijn rug.

‘Halt! Halt, Lievens! Halt!’

Maar koelbloedig bukte Lievens zich en op handen en knieën schoof hij voorzichtig onder de boog van het gewelf door.


Buiten op straat stond Luc voor het deurtje waardoor hij de achtervolger van Peter had zien binnenglippen.

Hij wilde helpen, van ganser harte helpen, maar hij wist werkelijk niet hoe.

Andere mensen erbij roepen? Dat zou de zaak maar verergeren. Het enige dat hij zo snel kon bedenken was te zorgen dat hij zijn vriend niet uit het oog verloor, nu hij hem eindelijk gevonden had. Want als Lievens gegrepen werd, was het van het grootste belang dat iemand dat kon openbaar maken, opdat er een tegenactie georganiseerd zou worden, om het even waaruit die zou bestaan.

Aarzelend en bang ging hij daarom toch maar de kerk binnen.


Lievens had de gewelfboog achter zich. Terwijl hij zich oprichtte om de tweede plank over te steken, registreerden zijn hersenen het openen en sluiten van het poortje beneden.

Vrijwel tegelijkertijd hoorde hij achter zijn rug hoe Matchi zich op de luchtkast van het orgel werkte.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina