Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina14/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Zijn vinger rukte al aan de ring om het tuimelraam te openen, terwijl hij snel het hoofd wendde om de afstand tussen hem en zijn achtervolger te schatten.

Dan wrong hij zich door het raam en was er al half in gelukt, toen het door zijn kop flitste: ‘De planken! Als ik de planken laat vallen…’

Hij werkte zich terug, maar staande in de nis zag hij dat Matchi de boog al bereikt had en reeds op het begin van de tweede plank steunde.

‘Nee, dat kan ik niet!’ Het zweet brak Lievens uit toen hij overwoog toch maar het uiteinde van die tweede plank weg te schuiven zodat ze in de diepte zou storten en Matchi mee zou sleuren.

Hij zag diens handen al, snel onder de boog doorkomend en dan, plotseling versteend van afgrijzen, zag hij dat de heup van Matchi tegen de kromming van het gewelf stootte.

Matchi verloor het evenwicht, zwaaide opzij in de ruimte, maar kon zich nog net vastgrijpen aan de ijzeren stang waarop de plank steunde.

Alles ging razendsnel en in doodse stilte.

Lievens rilde, hij zag Matchi heen en weer zwaaien.

En dan, in vloekende bezwering: ‘Help me, verdomme, help me hieraf!’

Lievens schrok op. Maar nog meer schrok hij om de plotselin­ge onverzettelijkheid die hem overviel. In een flits doorleef­de hij alle leed en ellende die over hem gekomen was.

‘Nee!’ klonk het hard.

‘Verdomme, help me toch!’

‘Nee!’

Matchi’s toon veranderde in een paniekerig smeken.



‘Help me, alsjeblieft. Help me! Vlug!’

De bolster van weerzin spatte open en Lie­vens kon niet anders meer, hij zou zijn kwelgeest helpen.

‘Laat je me dan vrij? Help je me dan het land uit?’ was alles wat hij nog kon tegenspartelen.

‘Ja! Ja! Maar help me nu! Ik hou het niet meer vol. Vlug!’

Lievens bukte zich, geknield op de plank, de hand achter een uitspringende siersteen van de gewelfboog, de andere om de leren kraag van Matchi’s vest. Met bovenmenselijke inspanning trok hij de radeloze man enkele decimeters omhoog tot die meehelpen kon en zich met Lievens’ steun op de planken hees.

Hijgend bleven ze zo enkele seconden roerloos zitten om de druk van het bloed uit hun ogen te laten wegebben.

Dan zag Lievens de kop voor hem langzaam omhoogkomen, de ogen als schitterend glas in het bleke gezicht.

Die ogen staarden hem aan, en een plotseling begrijpen deed Lievens de rugspieren spannen:

Verraad!

Die ogen loerden op een kans om hem te overmeesteren!

Traag schoof Lievens achteruit.

Tot zijn ontzetting zag hij Matchi al halverwege de plank en vliegensvlug kroop Lievens door het raam.

Voorzichtig over de uitgesleten richel schuivend, bereikte hij de nok van het aanpalende huis net op het moment dat Matchi met katachti­ge lenigheid door het raam gleed.

Lievens was nog maar een paar stappen over de nok gevorderd toen Matchi, in een poging om hem de pas af te snijden, vanaf de nis rechtstreeks het dak opstapte.

Lievens wou roepen, maar met een rauwe schreeuw stort­te Matchi al door het zeil.

Een doffe slag en dan niets meer.


Seconden lang stond Lievens als verkrampt. Roerloos.

Dan drong het geluid van de stad uit de diepte tot hem door.

Met knikkende knieën keerde Lievens naar de nis terug en kroop door het raam. Hijgend bleef hij daar zitten op de vensterbank, hoog boven de vloer, uitgeput en diep geschokt.

Opeens klonk het, fluisterend bijna, uit de diepte onder hem: ‘Peter, Peter!’

‘Luc!’ Het was een verlossende juichkreet die door de kerk galmde.

Nog voorzichtiger dan de eerste keer, met spieren die in golven nog natrilden, kroop Lievens terug.

Hij was helemaal aan het einde van zijn krachten toen hij zijn vriend letterlijk om de hals viel.

‘Peter, hou het nog even vol! Durf je hier enkele minuten te wachten? Ik haal mijn auto.’

‘Ja, ja. Ik hou me wel stil, ik zal me hier ergens verschui­len. Roep maar als je terug bent. Hoe eerder ik hier weg ben, hoe liever.’
Vijf minuten later zat Lievens in de Peugeot van zijn vriend.

‘Weet jij waar we heen moeten? We kunnen toch niet zomaar naar de grens?

‘Nee, ik breng je naar een afgesproken plaats waar de smok­kelaars je zullen overnemen.’

‘Jezus! Ken jij die? En waar is Bruno?’

‘Bruno zit veilig in Duitsland bij de Engelsen. En morgen ben jij daar ook!’

‘Hoe kom jij hier eigenlijk verzeild?’

‘Dat hoor je later wel. We zijn nu vlak bij ons rendez-vous.

Zie je die blauwgeschilderde deur? Daar is het. Maar ze willen niet dat ik vlak voor de deur stop om je af te zetten, dus rijden we iets verder. Daar. Gezien?’

‘OK.’

‘Stap hier dan uit. Ik zal nog wat verder rijden, dan heb je de tijd om dat huis te bereiken. Als ik hier weer voorbijkom en je bent verdwenen, dan is alles in orde. Ik was graag nog wat bij je gebleven, maar dat is te gevaarlijk. Veel geluk en tot morgen in Duitsland!’



32.
De deur werd onmiddellijk geopend toen Lievens aanklopte. Voor hem stond Marga, de vrouw die Bruno afgehaald had. Het scheen Lievens toe dat er sindsdien jaren verstreken waren.

Nijdig rukte de vrouw met het hoofd: ‘Vlug wat! Binnenko­men!’ Ze sloot zorgvuldig de deur achter hem, haalde een groezelige reep stof uit de zak van haar schort en bond die als een blinddoek om Lievens’ hoofd.

Een stevige hand greep zijn arm en bracht hem in een andere kamer bij een stoel. Zo te horen waren er drie of vier mannen in de kamer, maar Lievens herkende geen van de stemmen. Even­min verstond hij wat ze zeiden. Ze spraken Tsjechisch.

Hij zat er zo al enkele minuten bij, toen eindelijk, in aarzelend Duits, het woord tot hem werd gericht.

‘Herr Lievens, u komt nog net op tijd. Over twee uur ver­trekt de laatste vrachtwagen die u nog deze week kan meenemen, anders had u tot dinsdag moeten wachten. Eerlijk gezegd hadden we er al niet meer op gerekend u hier nog tijdig te zien. Som­migen onder ons hadden zelfs liever u helemaal niet meer zien opdagen, nadat u gistermiddag een van onze mannen had neerge­slagen.’

‘Wat? Heb ik een van uw mannen neergeslagen? Was die man op het Wenceslasplein... ‘

‘Jazeker. En u hebt hem lelijk te pakken gehad!’

Lievens zag weer het van genoegen glimmend gezicht waar hij met een steen in de vuist op ingeslagen had. Hulpeloos en verontschuldigend boog hij het hoofd, hief even de handen en liet ze dan ontzet terugvallen.

‘Ik dacht dat het een politieman was.’

‘U mag van geluk spreken dat uw vriend gekomen is en dat u bij de Engelsen blijkbaar op een goed blaadje staat. Ze hebben ons een dikke prijs voor uw veiligheid moeten betalen. Drie van ons zijn voorlopig uitgeschakeld. De chauffeur die u op de eerste dag al ontvoerde...’

‘Hoe is het daarmee? Toch niet...?’

‘Nee, dat niet. Maar hij heeft wel een gebroken sleutelbeen en was bijna doodgebloed. Dan is er de geldwisselaar. Die is nog steeds in handen van de politie, omdat hij zo stom was met uw Belgisch geld in zijn zakken te blijven rondlopen. Uw derde slachtoffer; ten slotte, ligt in het ziekenhuis met een gebroken kaaksbeen. Het is wel voldoende, vindt u niet?’

Lievens zweeg. Hij begreep de nijdigheid van die mannen en wilde ze niet nog meer tegen hem in het harnas jagen door zich te verdedigen. De prijs die zij voor hem gekregen hadden was zuur verdiend. Het was trouwens veel belangrijker dat hij zo gauw mogelijk de grens over kwam.

Traag, al te traag kroop de tijd voorbij.


Eindelijk was het zover.

Hij kreeg nog wat brood met kaas en een glas bier, daarna brachten ze hem weg. De tocht duurde slechts enkele minuten.

Hij wist dat ze niet meer op straat gelopen hadden, hij had slechts losse aarde en dan weer grint onder de voeten gevoeld.

De reuk van olie en mazout vertelde hem dat ze in een garage beland waren.

En dan ging het weer snel.

‘Hou u stijf als een plank,’ zei een stem.

Sterke handen grepen hem vast, brachten hem horizontaal en schoven hem in een enge ruimte, als een sigaar in de koker. Hij hoorde nog enkele klikken en daarna zich verwijderende voetstappen.

Dan bleef het stil, voor lange tijd.

Hij kon alleen de voeten en handen licht bewegen. En het hoofd opzij draaien. Hoe graag hij ook die band voor zijn ogen had willen wegtrekken, hij kon onmogelijk de arm plooien om een hand bij het gezicht te brengen.

Lijdzaam wachtte hij dus maar af.

Hij had er geen idee van hoelang hij zo gelegen had, toen luide stemmen tot zijn schuilplaats doordrongen.

Hij hoorde roepen en motoren aanslaan. Ten slotte daverde een zware trilling door de vrachtwagen, een vreugdevol signaal dat de motor gestart was en nu warm draaide.

Eindelijk voelde hij dat ze in beweging kwamen.

Hij sperde de mond wijd open en geluidloos begon hij te juichen, zichzelf moed inpompend.

‘Voorbij! Het is voorbij! Afgelopen! Het zit erop!’

De spanning ontlaadde zich opeens in droge, krampachtige snikken, die als een hete grog zijn keel schroeiden.

‘Papa moet komen! Papa moet komen! Ze hebben me niet gekre­gen!’ Het zong en joeg door zijn hele lichaam.

Maar de tocht duurde uren. En eindeloos eentonig dreunde het razen van de vrachtwagen in zijn oren.

Ineens schoot hem de lichtschakelaar te binnen waarin hij de filmplaatjes verstopt had. Wat zou er nu met die dingen gebeu­ren? Hoelang zou het duren voordat iemand die schroefjes los­draaide en de foto’s ontdekte? Misschien volgende week al. Of pas volgend jaar?

En dan schrok hij even. Hoe zouden de Engelsen reageren als hij hun dat vertelde? Lievens was plots moe.

Maar het kon hem allemaal niet meer schelen. Hij was op weg naar de vrijheid. En alleen dat was van belang.
Echter was er eerst nog het eindeloze wachten aan de grens.

Lievens had zich voorgenomen de beproeving daar zo rustig mogelijk te doorstaan. Maar het lange wachten, zonder dat er ook maar iets gebeurde, deed het hem bijna als een aangename afwisseling ervaren toen hij hoorde hoe de deur naar de laad­ruimte plotseling geopend werd.

Iemand kroop in de lege vrachtwagen en de voetstappen op de houten vloer klonken vreesaanjagend dichtbij voor Lievens in zijn holle ruimte. Maar al na enkele seconden verwijderde zich het dreigende geluid en de deur sloeg dicht.

Wachten.


Eindelijk de trilling van de motor. Enkele honderden meters van schokkend deinen.

Wachten. De Oostenrijkse grenspost, raadde Lievens.

Hij kon het bijna niet meer uithouden in zijn schuilplaats toen de wagen zich weer in beweging zette. Nu wist hij het zeker: Het was gelukt, hij was de grens over!

De vrachtwagen reed nog enkele kilometers door. Het scheen Lie­vens een dagreis lang. Maar ook daaraan kwam een einde.

Bij de voeten werd hij uit zijn schuilplaats getrokken en daarna werden zijn armen om brede schouders geslagen. Hij klampte er zich dankbaar aan vast, want hij miste alle gevoel en kracht in de benen, en liet zich gewillig naar een perso­nen auto brengen waar men hem op de voorbank hees.

Geen woord werd er gesproken.

Hij hoorde de vrachtwagen wegrijden.

33.
‘Welkom, mister Lievens, u kunt nu uw blinddoek wel afnemen. Rustig maar, ik zal u helpen. En nog wat. Binnen enkele minu­ten zullen uw benen behoorlijk gaan slapen en zult u daarna een razende prikkeling voelen, maar dat kan geen kwaad en is alleen maar vervelend, het duurt niet lang. Daarna is alle leed vergeten.’

Lievens deed zijn ogen voorzichtig open en dicht tegen het felle daglicht, maar nog naknipperend richtte hij ze op zijn buurman.

‘Wie bent u en waar brengt u me heen?’

‘Sorry. Ik ben Mike Wenneby, kwartiermeester bij de

Britse strijdkrachten in Duitsland en met buitengewoon verlof om verdwaalde reizigers op te vangen en naar hun hotel te be­geleiden.

Bovendien door het lot aangesteld als koerier tussen de British Intelligence Service en de Tsjechische onderwereld.’

De onverschillige, luchtige toon verdween uit de stem en voegde er hartelijk aan toe: ‘Gisteren heb ik uw zoon opge­vangen. Hij maakt het prima.’

‘Is het nog ver? Ik zou graag met mijn vrouw telefoneren.’

‘Helaas, het is nog ver. Zelfs als we geluk hebben, wordt het nog middag voor we er zijn. En het spijt me, maar ik mag u onder geen voorwaarde met wie ook contact laten opnemen, althans niet voordat de big boss u verwelkomd heeft.

Als u iets wilt drinken, dan vindt u dat in het bruine koffertje bij uw voeten. Bier, limonade, koffie? Er zit zelfs een cake bij.’

‘Dank u. Waar hebt u mijn zoon heengebracht?’

‘Die zit nu in ons hoofdkwartier bij mister Cohen. Die kent u toch, niet?’

‘Tja, ik heb eens met hem getelefoneerd, ongeveer een eeuw geleden, zo lijkt het me toch. Nee, ik ken hem niet. Het scheen me toe dat hij toen de baas verving, die was voor enke­le dagen afwezig. Nee, de vervanger toen was een zekere Drum­mond...’

‘Klopt. Als de baas er niet is vervangt Drummond hem. Die Cohen is een hoge piet uit Londen, ik denk dat hij speciaal voor u naar hier gekomen is.

Maar nu is de big chief er wel en ik moet u rechtstreeks bij hem afleveren. Hij heeft ook order gegeven dat u met nie­mand mag praten voordat hij u gesproken heeft. Hij komt ons zelfs tegemoet en wacht ons op even voorbij de grens in Pas­sau.’

‘Passau! Waar zijn we nu dan ergens?’

‘Rustig maar. In Oostenrijk natuurlijk. U hoeft niet zo te schrikken als het woordje grens valt. En deze rustige weg ken ik als mijn broekzak. Nog ongeveer twintig minuten en dan zijn we bij ons rendez-vous. Eigenlijk wou de baas u al afhalen bij de vrachtwagen, maar dan moest hij uren lang bij mij in de buurt blijven. Ik wacht op de vrachtwagens tot ze de grens overrijden en volg ze op een afstand. Tot er zich eentje laat afzakken. Dat is soms pas na twintig kilometer. Als de vrachtwagenchauffeur zou merken dat ik niet alleen ben of dat iemand mij volgt, dan zou hij gewoon doorrijden. Eigenlijk is het zo dat aan onze kant niemand weet waar of hoe u over de grens komt of waar ik u moet ophalen, tot we op het laatste ogenblik een seintje krijgen. En de andere partij weet nooit waar ik u heen breng.’

‘Waarom wil de chef mij zo dringend alleen voor zichzelf hebben?’

‘Weet ik niet. Misschien is het bij die heren zo dat de ene niet mag weten wat de andere doet, of misschien willen ze een nieuwtje graag als eerste weten om te kunnen pronken.’

Even stak een gevoel van onbehagen de kop op tussen Lievens’ zorgeloze vooruitzichten.

‘Wat voor iemand is die chef? Weet u zeker dat hij Cohens baas is? Want alleen die ken ik, en dan alleen nog van een telefoongesprek.’

‘Nee, zo is het niet. Carlson, zo heet hij, is hier de grote baas. Zoals ik u al gezegd heb, die Cohen is een hoge piet uit Londen. Meer weet ik er niet van. En het is Cohen die mij met de smokkelaars liet onderhandelen. Ik ben zijn contactman. Via hem weet ik ook een stukje van wat u daar zoal uitgespookt hebt. En ik weet ook dat het maar weinig gescheeld heeft of de Tsjechische vrienden hadden u laten vallen. U werd een veel te groot risico voor hen. Maar Cohen gaf niet op, vooral niet toen uw vriend kwam opdagen en de zaak weer enigszins vlot raakte. Ik heb ze af en toe horen bekvech­ten als ik nieuws of een boodschap kwam brengen. Als u het mij vraagt wilde Carlson u eigenlijk al vanaf het begin laten stikken, maar Cohen wist zijn zin door te drijven. Misschien dat Carlson nu met de pluimen wil gaan lopen. Moest ik Cohen zijn, ik zou die Carlson een dreun verkopen waar die lang van kon genieten!

Voor mijn part is die Carlson een grote slijmbal. En boven­dien een flikker. Telkens ik zijn siroopstem hoor, krijg ik het op de zenuwen. Nou ja, dat zijn uw zorgen niet, u bent weldra van de hele zaak vanaf.’

Wenneby’s beschrijving herinnerde Lievens plots aan de geaffecteerde stem bij zijn eerste telefonische onderhandelin­gen met de Tsjechen. De stem uit de Schoneckestrasse in Mun­chen. Het leek wel weken geleden.

Maar weer klonk die stem hem zo duidelijk in de oren, en de blikkerige en toch omfloerste klank ervan liet een rilling over zijn rug lopen.

Ze naderden de Duits-Oostenrijkse grens.

‘Ik heb hier een paar papieren en een pas voor u,’ zei de sergeant, ‘of hebt u uw eigen papieren nog? Ja? Gebruik die dan maar om de grens over te komen. U bent een doodgewone toerist, net zoals ik trouwens.’

De uniformen aan de grens wonden Lievens een beetje op, maar er waren geen moeilijkheden en weldra naderden ze het punt waar Carlson hen opwachtte.

Een onredelijke ergernis maakte zich van Lievens meester. Die Carlson interesseerde hem geen barst. Voor hem betekende hij slechts tijdverlies en oponthoud, een hindernis op weg naar zijn zoon. God wist wat die kerel nog voor stokken in de wielen kon steken, misschien zat die nu wel plannen uit te broeden om die foto’s toch nog te recupereren.

Hij trachtte de sergeant te overhalen rechtstreeks naar het hoofdkwartier te rijden. Maar Wenneby was daar begrijpelijker­wijze niet toe te bewegen. Berustend maar nijdig liet Lievens zich in de kussens zak­ken.

Die Carlson wilde natuurlijk de filmplaten hebben. En liefst zo snel mogelijk. En daarom wilde hij hem nog een tijdje bij Bruno vandaan houden om hem zodoende onder druk te kunnen zetten. Maar hij had de filmpjes niet! God wist wat ze nog allemaal met hem van plan waren!

Verdomd, daar begon het weer, Lievens raakte er steeds meer van overtuigd.

‘En ik ben het beu, beu, beu!’ Hij schreeuwde het uit.

Wenneby keek hem nieuwsgierig aan.

‘Zeg die gatlikker van een Carlson dat hij kan verrekken! Dat ik geen mond opendoe over heel die rotzaak tot ik bij mijn zoon ben. En dat ik geen voet buiten deze auto zet voor we bij het hoofdkwartier zijn. De smeerlappen!’

Lievens was buiten zichzelf van woede. Witheet spuwde hij de woorden eruit.

Wenneby trok alleen even de schouders op en sloeg een smalle zijweg in, vol los grint en zandkuilen.

Driehonderd meter dieper het bos in stond een grote Ameri­kaanse wagen. Ernaast stond een slanke man, de gebronsde huid mooi afstekend tegen zijn grijzende haar.

‘Dat is hem.’

Er klonk iets van verachting in Wenneby’s stem.

Tien meter voor Carlson stopte hij de wagen en stapte uit.

Lievens draaide het raam open om te horen wat er gezegd werd, maar keek Carlson niet aan.

‘Sir, mister Lievens verontschuldigt zich, maar hij is te moe om over zaken te praten. Bovendien wil hij eerst zijn zoon zien.’

En dan schrok Lievens op, als door een horzel gestoken.

Hoorde hij datzelfde mekkerend kreetje al niet eerder? En dan die stem! Maar dat was toch onmogelijk! Lievens kende die stem, als de bliksem sloeg die zekerheid in zijn hersenen in.

De stem uit Munchen!

Lievens verstond geen woord meer van wat Wenneby en Carlson bespraken, zo was hij aangeslagen en toch hoopte hij tezelfdertijd, tegen beter weten in, dat hij zich vergiste en intens vergeleek hij die stem met de stem uit de telefoon.

Daar! Nog eens die fatterige uitroep.

Hoe meer de zekerheid in Lievens groeide dat hij verraden werd, hoe kouder en killer het om zijn hart werd. Zo koud had hij het en zo fel had de slag hem getroffen dat het bloed zich slechts met moeite door de plotseling ver­nauwde aders kon persen.

Als door een waas zag hij de mannen dichterbij komen.

Lievens zag een hand, was het wel zijn eigen hand, blik­semsnel het raam dichtdraaien, alsof hij een schutting wilde optrekken tussen hem en dat levende verraad daarbuiten.

Dan drukte hij de knoppen van de deursloten omlaag.

Verbluft hielden de mannen de pas in. Lievens zag ze met elkaar overleggen.

De sergeant hield zijn gezicht voor het raam:

‘Hell, mister Lievens, doe niet zo idioot. Mister Carlson zal u linea recta naar uw zoon brengen, maar onderweg wil hij met u praten. Dat is alles.’

Lievens taxeerde enkele seconden dat gezicht, hij zag alleen oprechte verbazing en misschien een twinkeling in de ogen van nauw verholen pret.

Langzaam en met stijve vingers beduidde hij Wenneby naar de andere zijde van de wagen te komen.

Wenneby keek Carlson even aan, maar deed dan wat van hem verlangd werd. Lievens opende snel het portier en wenkte de sergeant achter het stuur.

‘Sergeant Wenneby, ik ken die man. Luister goed naar wat ik u zeggen ga. U hebt geluk dat hij u niet onmiddellijk neerge­schoten heeft. Waarschijnlijk heeft hij dat niet gedaan, omdat hij niet weet of ik gewapend ben. Die man is een dubbelagent. Hij heult met de Tsjechen.

Zodra ik in zijn macht ben, zal hij mij over de grens terug­brengen naar de Tsjechen. Vooraf zal hij u opruimen en daarna zal hij in alle rust naar het Britse hoofdkwartier terugkeren. Daar zal hij vertellen dat u niet bent komen opdagen. Niemand zal hem iets kunnen maken.’

Lievens sprak snel en gejaagd, fluisterend bijna.

Wenneby keek hem ongelovig aan, maar Lievens liet zich niet uit het veld slaan en zei met een stem die trilde door de intense wil de andere te overtuigen.

‘Tart hem. Maar doe het ineens en zonder aarzelen. Probeer hier weg te komen! Houd er rekening mee dat hij met alle middelen zal proberen ons tegen te houden, desnoods schietend!

De motor van onze wagen loopt gelukkig nog steeds. Geef vol gas en maak dat we wegkomen!’

Carlson vond waarschijnlijk dat het wat te lang duurde en kwam naar Lievens toe.

Deze draaide het raam open en op het ogenblik dat Carlson zich bukte om Lievens aan te spreken, greep deze de schouders van Carlson en trok hem tegen de carrosserie aan.

‘Vooruit! Rij op! Rij!’ Hij schreeuwde het met overslaande stem. Als een robot, razendsnel, volgde Wenneby het bevel op.

De wagen schoot vooruit, terwijl Lievens Carlson met zich meesleurde.

Maar al na enkele meters wist Carlson toch zijn revolver te grijpen en trachtte die omhoog te brengen tot bij Lievens’ gezicht.

Lievens liet de man los, die om zijn as tolde en tegen de grond smakte.

‘Rijden! Rijden!’

Ze waren nauwelijks twintig meter ver toen het eerste schot knalde, de achterruit spatte in duizend stukjes uit elkaar.

Nog een schot. En nog een.

Door het gat in de achterruit zag Lievens dat Carlson zich in zijn wagen slingerde en hen achterna zette.

‘Heb jij een revolver?’

‘Hier.’

‘Hoe werkt dat ding?’



‘Achter de trekker zit een pal. Schuif die weg.’

Pang… Pang…

Bij het derde schot trof Lievens de voorruit van de achter­volgende wagen en plotseling was daar een gapend gat.

Lievens onderscheidde duidelijk de revolvermond en daarachter een van woede vertrokken gezicht.

Tak…Pang… Tak… Pang… De moordlust groeide in hun hart terwijl ze elkaar beschoten.

Maar de wagens schommelden en zwaaiden vervaarlijk op de bosweg en de kogels vlogen doelloos het bos in.

Toch bleef Carlson nu wat meer achter.

Lievens zag hem in een microfoon praten.

‘Verdomme, hij roept iemand op. Hopelijk heeft hij geen helpers in de directe nabijheid. We moeten hem snel zien kwijt te raken. Heb je een radio of telefoon in de wagen?’

‘Nee. Alleen een ontvangtoestel.’

En plots grinnikend: ‘Zal ik een goed muziekje zoeken?’

Dan knalde een zodanig salvo vloeken door de wagen, dat zelfs rasechte dokwerkers er wit van om de neus zouden worden. Verschrikt draaide Lievens het hoofd om en zag nu ook wat Wenneby tot vloeken gebracht had.

Dwars over de weg lag een lading boomstammen, klaar om opgeladen en vervoerd te worden.

Ook Carlson was gestopt en liet onmiddellijk een schot vallen om ze in de wagen opgesloten te houden.

Dzinggg… De kogel schampte af op de carrosserie.

Lievens draaide snel de autospiegel zo dat ze, verscholen achter de rugleuning, toch nog de andere wagen in het oog konden houden.

In de spiegel zagen ze ook dat het ondoenlijk was om langs de stapel tussen de bomen door te rijden, zeker niet met een revolver op tien meter afstand.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina