Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina15/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

‘Hoeveel kogels zaten hierin? Heb je nog meer patronen?’

Wenneby schudde het hoofd.

‘Nog twee schoten en dan is ons liedje gezongen.’

In de spiegel zag Lievens hoe Carlson rustig achter het stuur zat en afwachtte, de revolver op hun wagen gericht.

Een flits… en vrijwel tegelijk met de knal van het schot vloog hun spiegel aan diggelen.

‘We zitten vast. Muurvast. En hij wacht rustig op verster­king. De smeerlap!’
Lievens was razend en steeds dieper sneed de wanhoop in zijn hersenen. De razernij sloeg over in de woestheid van de bezetene.

Maar evenzeer groeide zijn wil tot overleven.

En dan, toen de razernij de grens van waanzin bijna over­schreed, werd het plotseling helder in zijn hoofd, werden de zintuigen onwerkelijk gevoelig en gaf een bijna onwezenlijk bevattingsvermogen hem de rustige efficiëntie van een compu­ter. In een flits had hij alle mogelijkheden onderzocht en er de enig werkbare uitgehaald.

Uit het koffertje aan zijn voeten nam hij twee grote limona­deflessen en liet ze leeglopen.

‘Heb je een mes bij je?’

‘Bij de cake in het koffertje zit een tafelmes.’

Lievens woog het even in de hand.

‘OK. Dat zal het wel doen.’

‘Wat ben je van plan?’

‘Een cadeautje voor onze vriend maken. Heb ik ooit gezien in de cinema. Hou je klaar met je pistool, geef mij een schot dekking als ik je het sein geef en bewaar je laatste kogel voor het geval hij uit de auto zou komen. Maar dat zal hij waarschijnlijk niet wagen, want hij weet niet of je nog meer kogels hebt. Ik duw eerst de achterdeur open. En onder dekking daarvan kruip ik langs de voordeur onder de wagen.

Er is een kleine maar wezenlijke kans dat ik het haal, omdat onze vriend mij, bijna zeker, levend in handen wil hebben.’

Tussen de zijwand en de rugleuning door perste Lievens de arm zover dat hij net het portierslot kon bereiken, waarna het hem moeizaam lukte de beugel naar beneden te drukken en de deur te openen.

Vlak voor hij de hand terugtrok schampte een kogel een snerpende pijn over zijn hand, maar Lievens liet er zich geen seconde door ophouden.

Snel opende hij het portier en rolde de flessen onder de wagen. Het tafelmes volgde.

‘Nu schuif ik zover mogelijk naar buiten onder dekking van de achterdeur. Als ik mij op de grond laat vallen om onder de wagen te rollen, moet je mij dekking geven door een schot op onze vriend af te vuren, want op dat ogenblik lig ik in zijn vrije gezichtsveld. Zodra ik onder de wagen ben, kan hij mij niet meer zien of raken, daarvoor zit hij te hoog en te dicht bij ons. Alles begrepen?’

Zijn linkerhand, waar de kogel een rauwe jaap ingekerfd had, hinderde hem nu fel. De hand voelde stijf aan, maar bloedde weinig. Toch lukte het hem driekwart van zijn lange lijf tus­sen de twee openstaande deuren op te houden, voor hij zich moest laten vallen.

‘Nu!’

Wenneby schoot en minder dan een seconde later lag Lievens onder de wagen en zochten de ogen naar de benzineleiding. Hij vond haar, verscholen in een gleuf van de carrosserie, maar met het mes kon hij het buisje eruit halen en in een wijde V wringen. Dan zaagde en kerfde hij met het tafelmes in het zachte koper tot plotseling een straal benzine naar buiten spoot.



Hij vulde de flessen, erop lettend dat de benzine niet over zijn handen of kleren liep, en sloot ze dan af met zijn zakdoek, die hij er zover mogelijk in perste.

Behoedzaam de flessen rechtop houdend, schoof hij onder de auto naar voor tot hij gehurkt voor de motorkap zat.

Hij trok zijn hemd uit en wikkelde het zorgvuldig als bescherming om zijn gezonde rechterhand en voorarm. Hij kwam zover overeind dat hij gebukt nog net door de stukgescho­ten ruiten van Wenneby’s wagen de bovenkant van Carlsons wagen zag. In de palm van zijn omwikkelde hand hield hij een fles, in de andere de aansteker.
‘Tien meter slechts. Dat moet lukken,’ flitste het door zijn hoofd.

Hij liet de aansteker opvlammen en bracht die bij de

achterwaarts geheven arm met de fles.

De met benzine doordrenkte zakdoek ontvlamde met een dof gebrom en koel berekenend slingerde hij de brandende fles naar Carlsons wagen. Alle veiligheid uit het oog verliezend richtte Lievens zich op en volgde met gespannen blik de vlammende fles.

Een ogenblik schoot het kwellend door zijn hoofd: ‘Te ver! Hij gaat te ver!’

Maar in een plotselinge vuurzee spatte de fles open tegen de rand van het gapende gat van de voorruit.

Razendsnel greep Lievens de tweede fles, stak de zakdoeklont aan en slingerde ze de eerste achterna.

Net voor Carlson zich uit de wagen kon wringen, spatte de tweede fles uiteen tegen de deurpost.

Als een levende toorts strompelde Carlson naar buiten en stelde zich als een razende teweer tegen de vlammen, maar dat lukte pas toen sergeant Wenneby hem in een autodeken over de grond rolde.
Carlsons gezicht was aan een zijde afschuwelijk verbrand. Toen het deken even opzij schoof, zag Lievens flarden stof van de kleding aan de randen van het rauwe vlees ingebrand op rug en dijen.

Een afschuwelijke reuk van verbrand haar en vlees deed hem kokhalzen. Hij was de goden dankbaar dat Carlson bewusteloos was.

Lievens wilde Carlson helpen, maar Wenneby trok hem zacht aan de arm.

‘Sir, we moeten als de bliksem hier vandaan. Zijn vrienden zijn misschien al dichtbij.’

De anders zo spottende stem van de sergeant klonk bijna eerbiedig en vol ontzag.

‘Natuurlijk, ja. We moeten hier weg!’

Met afwezige blik en van afgrijzen vertrokken gezicht volgde Lievens de sergeant.

De auto van Carlson was een laaiende fakkel van vuur en walmende rook.

Ze liepen langs de stapel boomstammen dieper het bos in om de mannen van Carlson niet in de armen te lopen. Even voor ze een autoweg bereikten, scheerde boven hun hoofden een nijdig ronkende brandwachthelikopter.

Hijgend joegen ze voort, want in de verte huilden nu ook de sirenes van brandweer en politie, en een confrontatie met de wet was wel het laatste wat ze verlangden.

Twee, drie kilometers volgden ze de straatweg, voordat Wenneby ergens dorst aan te kloppen om te telefoneren. Lievens verkoos buiten te wachten tot Wenneby terugkwam.

‘Ik heb om de dichtstbijzijnde taxi gevraagd, die zal er binnen enkele minuten wel zijn. Als er een wagen van het hoofdkwartier moet komen, kan het nog uren duren voor we hier weg zijn.’

Wenneby zei er niet bij dat hij het hoofd­kwartier opzettelijk niet gewaarschuwd had, opdat het hem ook geen bevel zou kunnen geven bij de wagens te blijven. Dat was in deze omstandigheden wel het laatste waar hij zin in had.

34.
Van de lange rit naar het hoofdkwartier drong niets tot Lievens door. Wezenloos bleef hij voor zich uit staren, niets horend, niets voelend.

Totdat hij eindelijk Bruno tegen zich aandrukken kon. Minu­tenlang. Woordeloos.

Pas daarna bemerkte hij dat ze niet alleen waren in de kamer. Bij het raam stond een man die bescheiden en geduldig naar buiten staarde.

‘Meneer Cohen?’ vroeg Lievens.

De man kwam met uitgestoken hand naar hem toe.

‘Ja, ik ben Cohen. En ik kan niet zeggen hoe blij ik ben u hier te zien. Ik ben zeer bewogen door deze zaak. Bovendien hebben we nog wel iets met elkaar te bespreken, geloof ik. Maar mag ik u eerst een kop koffie aanbieden? Of een borrel misschien?’

Langzaam kwam er een zekere ontspanning over Lievens.

‘Geeft u ze mij maar beide, ik denk wel dat ik ze kan gebruiken.
En dan begon Lievens zijn verhaal. Vanaf de Hollander die het kistje vergat mee te nemen… Monotoon kroop het verhaal van hem naar Cohen en de bandopnemer.

Cohen stelde weinig vragen. De meeste om het gebouw te lokaliseren, waar Lievens de foto’s verstopt had. Ten slotte eindigde het verhaal met de dramatische ontmoeting met Carlson.

Lievens was moe en aan de rand van een instorting.

‘Ik wens u geluk met uw redding, meneer Lievens. Laat het verder maar aan mij over. Niemand zal u nog een strobreed in de weg leggen, daar zorg ik voor. Ook de Tsjechen niet, want die zullen er nu wel van overtuigd zijn dat de filmpjes terug in onze handen en voor hen voor altijd verloren zijn.

Wel zal ik u over een paar dagen komen opzoeken, als u wat op verhaal gekomen bent en deze lugubere avonturen wat bezon­ken zijn, om nog wat vragen te stellen, misschien wel veel vragen.

Nu is het echter de hoogste tijd om naar huis terug te keren, denk ik. Ik zou u daarvoor graag mijn diensten hebben aangeboden, maar buiten wacht iemand die er vast op rekent dat u met hem naar huis zult rijden.’



Hij zei iets in de intercom en enkele ogenblikken later zwaaide de deur open voor Luc, breed glimlachend en helemaal ter beschikking.

Moeizaam kwam Lievens uit de stoel en zonder Cohen nog eenmaal aan te kijken stapte hij naar buiten, de arm be­schermend om de schouders van Bruno.

1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina