Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina2/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Het was zeker niet de eerste keer dat hij door zulke mistige vragen geplaagd werd. Maar de laatste tijd werd de mist iets ijler en de vragen duidelijker. Hij had er zich tot hiertoe van af gemaakt door bijna letterlijk de kop te wenden en zich op om het even welk voor de hand liggend werk te storten.

Zulke vragen maakten hem onzeker en onwennig. En dat was wel het laatste wat hij nodig had in zijn beroep. In de besloten­heid van de auto kwam het hem voor dat de medereizigers zijn gedachten konden raden of toch op zijn minst wisten waarmee hij bezig was. Toen hij even opzij loerde zag hij hoe de grijze snel de ogen afwendde, alsof hij zich betrapt wist. Of vroeg die man zich ook al af waarom hij, majoor Jan Kurilec, zich van Praag over Munchen naar Luik spoedde, en wie weet waarheen nog! Was dat nu echt al die moeite waard?

Het was wel zeker dat de man niet wist dat hij een majoor was van het Tsjechische leger. Nog minder kon die man weten dat hij bij een wel zeer verdoken cel van de geheime dienst hoorde.

En zelfs in die cel wist niemand dat hij lid was een parallelorganisatie, nog meer onzichtbaar dan om het even welke geheime dienst.

Hoewel die groepering nergens ingeschreven was en de leden elkaar als dusdanig niet kenden, wisten ze zich toch allen geborgen onder de mantel van POSPO, afkorting voor Pojistovaci Spolecnost, de Verzekering Maatschappij. Zeker, er bestond een officiële geheime dienst in Tsjecho-Slowakije, maar zwaar onder controle van de Russen. Voor de Russen was POSPO onbestaand. En voor de officiële dienst was POSPO een lastige onbekende mededinger.

Zonder dat ze er zelf ook maar iets van gemerkt hadden waren ze zorgvuldig uitgeko­zen, gewikt, gewogen en indien goedgekeurd benaderd door een man van POSPO. Die man was hun chef en enige binding met de groep.

De doelstelling was even eenvoudig in de formulering als complex in de uitwerking. ‘Tsjechen helpen Tsjechen.’ De oorsprong van die geheime dienst lag ergens in de jaren van bezetting door de Duitsers. Toen daarna de bezetting door de Russen nog eens overgedaan werd, bleef de ondergrondse groep doorwerken.

Ontstaan in de schoot van een der honderden ondergrondse cellen van de weerstand tegen de Duitse bezetting in de tweede wereldoorlog, hadden ze niet alleen de Duitsers maar ook de Russen overleefd, waren zeer voorzichtig gebleven gedurende de Praagse lente van Dubjec zodat ze zonder kleerscheuren de daarop volgende repressie doorstonden en bleven ook nu onder­gronds.

Jan Kurilec hoorde niet bij de top. Hij was een gewoon lid, dat zich nu bezig hield met de vraag voor wie hij op dit ogenblik aan het werken was. Want al had hij de instructies gekregen van zijn chef bij de geheime dienst, hij kon niet weten waar die man de instructies vandaan had. Nu ja, zulk soort vragen hield men best achter de kiezen, dat had zijn opleiding hem wel bijgebracht. Kurilec had er dan ook weinig moeite mee om zijn aandacht op andere zaken te richten.

Ze hadden trouwens de snelweg reeds enkele minuten achter de rug en reden Luik binnen. Aan de groeiende onrust van zijn metgezellen kon hij merken dat ze hun doel naderden.

En even later liet de grijze halt houden in een stille straat, gaf enkele instructies aan Jurgen die meteen uitstapte en loodste daarna de Mercedes naar een achtersteegje, waar Jurgen net op tijd de poort ontsloot voor hen.

In het achterkeukentje stond de Hollander met de rug tegen de muur, zenuwachtig de onrust verbijtend op zijn lip. Vanmor­gen was een onbekende gekomen, niet met zijn loon maar met het bevel hem hier te houden. Sindsdien had Karl hem geen seconde uit het oog verloren. En een minuut geleden was die Jurgen komen binnenvallen, had hem even giftig aangekeken en sissend tussen de tanden uitgescholden voor stommeling. Meer niet, maar het was voldoende om alle duivels uit de hel te zien opdoemen.

Nu stonden ze dreigend voor hem. Vier man. De grijze, Karl, Jurgen en een nieuwe, met een uit steen gehouwen gezicht. Zijn ogen flitsten van de een naar de ander, tot ze aan de lippen bleven hangen van de grijze. Uit de verte, stil maar mes­scherp, hoorde hij diens stem.

‘Je moest drie kisten afhalen in Antwerpen. We hebben er slechts twee. Waar is de derde?’

De Hollander schrok op, trok wit weg rond de neus. Hij had geen beweging bemerkt maar zag plots het stenen gezicht van Kurilec op een handbreedte voor hem.

‘Het kistje! Een klein kistje!’ Hij proefde braaksel in de mond. ‘Ik heb het opzij gezet om eerst de twee grote kisten in de laadruimte te krijgen... naast de bestelwagen... daarna... vergeten...’

Bijna onhoorbaar kwam het eruit, zijn stem stierf weg.

‘Stomme hond!’ Het stenen gezicht voor hem spleet open, plotseling schoot een vuist vooruit. De Hollander kraakte in elkaar, de handen aan de buik, asgrauw.

Enkele seconden bleven ze zo staan, dan wendde Kurilec zich naar de grijze, hij had zijn besluit genomen.

‘Vooruit, naar Antwerpen! Jij en de Hollander. Ik ga mee.’

5.
Vrijdagavond.

Om kwart voor zeven stopte de Mercedes aan dok 109 in de Antwerpse haven. De Hollander liep om het magazijn heen: alles was gesloten. Vertwijfeld trachtte hij zich de naam te herinneren van de firma die hem bediend had. De naam was hem opgevallen, ‘vreemde combinatie!’ had hij er bij gedacht, na­tie… ja, dat was het wel, maar nog iets… iets als… Vertwijfeld zocht hij naar enige aanduiding op de magazijnmu­ren. En opeens sprong het antwoord hem tegemoet: Katoen Natie… Katoen Natie… van op tientallen aanhangwa­gens, mooi in het gelid aan de overkant van de straat wachtend op maandag. Katoen Natie… telefoon…

Hij haastte zich naar de Mercedes en legde uit dat ze bij Katoen Natie wellicht een sleutel konden bemachtigen. Hij zelf zou telefoneren en vragen naar de ploegbaas die gisteren aan het werk was, dan konden ze die man misschien overhalen het magazijn te openen. Jan Kurilec knikte, de Hollander kreunde even in bange blinde hoop dat het zou lukken.
‘Hallo, ja, Katoen Natie hier… Nee, ik ben de waker… Dat weet ik niet… Wacht even, er komt juist iemand binnen, ‘k zal het eens vragen… Kaai 109, zeg je? Momentje… Ja, ze zeggen dat het Peter Lievens kan zijn, die is daar dikwijls… Zijn adres… Reebokkenlaan 29, Schoten… OK. Geen dank.’
Bij Peter Lievens zaten ze aan tafel toen de deurbel rinkel­de. De man op de stoep kwam hem vaag bekend voor.

‘Goedenavond, meneer Lievens.’

‘Goedenavond. ‘

‘Herkent U mij niet? U hebt me gisteren geholpen bij het laden van een paar kisten op kaai 109.’

Er ging Lievens opeens een licht op. ‘Ach ja, natuurlijk. En ge hebt een kistje laten staan!’

‘Inderdaad! En dat had ik nu graag meegenomen. Kan U daar niet bijkomen?’

Lievens schudde het hoofd. ‘Nee, dat is een kaai van Sea­port.’

‘Seaport? Kent U daar iemand die mij kan helpen? Ik zit nogal verlegen om dat kistje.’

‘Tja, zeker dat ik enkele mensen ken van Seaport, maar ik ben er even zeker van dat niemand zin zal hebben om van huis naar kantoor de sleutel op te halen, dan naar de dokken en daarna in omgekeerde volgorde alles overdoen. En dat voor een onbekende en een kistje waar ze niets mee te maken hebben? Ik zie het echt niet zitten!’

‘En als ik nu eens alle kosten vergoed? Ik begrijp dat het voor niemand aangenaam is, maar het hoeft echt niet voor niets.’

Lievens krabde peinzend in zijn nekhaar. Veel inspiratie scheen daar niet uit te komen. Hij schokschouderde.

‘Ge kunt het natuurlijk altijd proberen,’ gaf hij toe, ‘als ge wilt, kunt ge van mij het adres van Seaport wel krijgen. Misschien kunt ge daar iemand bereiken.’

‘Graag.’

‘Ai, d’r is nog iets. Om een loods binnen te komen hebt ge iemand van de douane nodig, want elke loods waar transitgoede­ren liggen, is door de douanediensten afgesloten met een tweede slot.’

‘Een tweede slot?’ De Hollander kon nog net voorkomen dat zijn stem uitschoot.

‘Ja. En ik heb er geen idee van waar die lui wonen, dus ik ben nu toch bang dat ge geduld zult moeten hebben tot maandag­morgen.’

‘Maandagmorgen!’

‘Ja, dan gaat de poort om acht uur weer open.’

De Hollander knikte aarzelend, groette verstrooid en droop verslagen af. Schouderophalend sloot Lievens de deur: hij kon het ook niet helpen.
Bijna stotterend bracht de Hollander alles over aan het gezelschap in de Mercedes.

‘Dus er is geen kijk op dat we daar binnen komen?’

Nijdig onderbrak Kurilec de draaiende Hollander. Zijn ogen staarden nadenkend in die van de ongeluksvogel, die zich daar mijlenver vandaan wenste, die zelfs geen vinger dorst te verroeren, hoewel hij een brandende jeuk op de buik wilde wegkrabben.

Kurilec zat met andere kriebels. Kon hij het zich permitte­ren om rustig twee dagen te wachten, het kistje zolang onbe­heerd achterlatend in die weliswaar afgesloten loods? Kon er in die tijdspanne onrust ontstaan bij de verzenders of de ontvangers?

Hij wist drommels goed dat elk seintje van onrust opgevangen werd door de antennes van de concurrentie. Wie of welke gehei­me dienst dat was speelde geen rol, je kon er donder op zeggen dat binnen de kortste keren de hele wereld op jacht zou gaan naar dat vervloekte kistje, zelfs al wist niemand wat erin zat.

‘Kan ik het riskeren om tot maandag te wachten?’ Kurilec had het laatste hardop gedacht en keek nu de mannen aan. Hij had zich de moeite kunnen besparen, ze keken allemaal stom voor zich uit.

‘Zakken!’ gromde hij tussen de tanden, een misprijzende trek om de mond. Hij overlegde verder in stilte. ‘Nee, wachten tot maandag maakt het risico op ontdekking te groot. Ik wil het kistje nu hebben! Vanavond nog! En die Lievens is onze man. Die kent het magazijn en de omgeving, die zal het kistje eruit halen, goedschiks of kwaadschiks.’

‘Rij de wagen tot vlak voor de deur,’ beval hij, ‘en laat de motor draaien. Hou je klaar en wees op alles voorbereid: ik en de Hollander gaan die Lievens halen.’


Voor de tweede maal stond Lievens tegenover de Hollander, die nu in gezelschap was van nog een man. En nog terwijl hij de deur opendeed stapte die man de hal binnen, gevolgd door de Hollander, die de deur terug sloot.

‘Wat zullen we nu hebben?’ vroeg Lievens verbaasd.

‘Jij gaat mee met ons, dat kistje halen.’ klonk het sissend in het Duits.

‘Maar man, je denkt toch zeker niet dat ik met je mee ga? Hoe haal je het in je hoofd? En bovendien heb ik geen sleu­tel.’

Ontzet keek Lievens naar het pistool dat plots op hem ge­richt werd.

‘Ben je gek geworden! Ik kan daar niet in!’

Lievens was woedend. Hij dacht aan Bruno, de oudste zoon, die nog op zijn kamer was en elk ogenblik tevoorschijn kon komen.

‘Doe dat ding weg, stommeling!’

De lange knikte even naar de Hollander. Deze beukte met de vuist in de maag van de totaal verraste Lievens.

Toen het zwart voor diens ogen weggeëbd was, zag hij zijn vrouw staan, de handen voor het gelaat.

‘Luister goed,’ siste het weer in het Duits, ‘Jij gaat mee en haalt het kistje op een of andere manier uit het magazijn, begrepen? En maak je vrouw duidelijk dat ze zich beter stil kan houden. Geen politie of je komt hier niet gezond terug!’

Lievens herkende zijn eigen angst in de ogen van zijn vrouw. Dan vermande hij zich en nam haar hoofd tussen zijn handen.

‘Peter, wat is er toch? Wat willen die mensen?’

‘Stil meisje, moed houden. Om het even wat ik moet doen, ik kom behouden terug.’

Aan de straatkant werd plotseling een raam opengerukt.

‘Bruno!’ schrok Lievens, ‘Bruno heeft alles gehoord en wil nu alarm slaan bij de buren.’

De lange man rukte de voordeur open, haalde de jongen in nog voor hij de Mercedes voorbij was en duwde hem meteen de auto binnen.

De Hollander volgde met vader Lievens.

‘Je zoon gaat ook mee. En nu geen grappen meer.’
Kurilecs opzet was om vader Lievens zelf het magazijn in te sturen om het kistje op te halen, onder gijzeling van de zoon.

Hij stuurde de Mercedes langs loods 109 en stopte een honderd­tal meter verder.

Lievens bedacht en herdacht alle mogelijke scenario’s maar wat hij ook doen zou, hij bleef schaakmat. Als Bruno er niet was, kon hij zich op zijn tocht naar het magazijn wellicht ergens verbergen of trachten weg te komen. Maar zoals het nu zat mocht zelfs de politie hem niet zien. Welke zinnige uitleg zou hij kunnen geven? Natuurlijk, hijzelf zou in veiligheid zijn, maar wat met Bruno?

Als hij de waarheid zou vertellen, hoe zouden ze dan reage­ren? Geloofden ze hem niet dan zouden ze hem zeker meenemen naar het bureau voor verdere ondervraging. Geloofden ze hem wel, dan zouden ze minstens de omgeving willen controleren en die Mercedes opsporen. Of hun chef oproepen en die stuurde dan wellicht versterking en sloeg groot alarm en God wist wat voor een rotzooi het dan werd.

‘Hoeveel tijd heb je nodig om binnen te komen?’

Lievens schrok op. Het was zover.

‘Ik weet het niet. De muren hebben geen ramen. De poorten zijn zwaar en zelfs met een auto niet in te beuken. En het kleine deurtje zal wel een veiligheidsslot hebben. Ik moet eerst een geschikt stuk ijzer vinden om dat deurtje open te breken. Als het al open te breken is!’

‘Goed. Het is bijna negen uur. We rijden hier vandaan en komen terug om halftien. Maak dat jij ook hier dan terug bent. Met het kistje. En denk er aan: je zoon blijft zolang bij ons. Leg het hem eens uit hoe de kaarten liggen, maar maak het kort.’

Lievens keek de jongen aan. Hij zat stil, met grote angsto­gen, weggedoken tussen de grijze en de Hollander.

‘Goed zo, Bruno, je hebt het voornaamste wel al begrepen, hou je rustig, blijf zitten, doe niets. Ik moet voor die mannen een kistje hier buitenhalen, meer niet. En luister nu goed naar me, dan zal er niets verkeerd gaan, met geen van ons beiden. Begin niet te roepen, tracht niet weg te lopen, zelfs als de gelegenheid zich zou voordoen, of als je politie zou zien, doe niets, doe niets, doe niets. Zolang de kans bestaat dat die mannen hier ongemerkt kunnen verdwijnen met het kistje zullen ze ook ons niets doen. Nog een half uurtje volhouden. Dan zijn die mannen weg met het kistje en is voor ons dit avontuur voorbij. Tot straks, ik kom zeker terug. OK?’

Hij raakte even het hoofd van zijn zoon aan. De jongen knikte en moeizaam groeide er een glimlach door het gespannen gezicht.

‘Verdomd,’ dacht Lievens, ‘hij wil me moed toewensen!’

Er schoot hem een brok in de keel toen hij traag het portier opende en uitstapte. Wat was hem toch overkomen? Was dit een film? Met een afschuwelijk scenario? Het leven van zijn zoon, zijn eigen leven stond op het spel. Voor een kist. Een vervloekte stomme kist. En dan nog enkel omdat ze niet konden wachten tot maandag. Maar waarom in godsnaam! Het was hun eigen kist, niemand deed daar moeilijk over, maandag konden ze die zomaar weghalen. Waarom moesten ze die kist dan zo nodig gaan stelen? En waarom hij, uitgerekend hij?

Er naderde een wagen en automatisch bukte Lievens zich.

‘Daar begint het al,’ dacht hij, ‘de tweede schift zit erop, opgelet dat ze mij niet zien.’ Tussen twee stellen spoor­wagons sloop hij verder. Hij bleef stokstijf staan toen hij fietsers hoorde. Onder de wagons door zag hij lichtvlekken over de grond schuiven. Hij voelde zich schrikachtig en be­trapte er zich op dat hij een diepe zucht loosde toen de fietsers voorbij waren.

Dan was de rij spoorwagens ten einde. Even uitzien en met grote stappen sprong hij van de ene beschutting naar de ande­re. In de schaduw van metershoge stapels ijzer sloop hij verder. Drukte zich plat tegen de grond telkens nog meer fietsers of auto’s langsreden. Hij bereikte de hoek van het magazijn en herademde even, hij was nu een stuk van de straat af, weg uit de schijn van straatverlichting. Hier was het helledonker. Voorzichtig tastte hij verder en schrok zich lam toen zijn voet schurend in een stuk los ijzerdraad haakte. Nog enkele passen. Hij bereikte de dokzijde van het magazijn, de waterkant. Daar kwam nu niemand, hij was er wel zeker van, daar was hij veilig. Aan die kant was ook het kleine toegangs­poortje. Hij zuchtte opgelucht en stapte de voorkaai op.

Politie!

Als door de bliksem getroffen bleef hij op een been staan: een meter voor zijn neus stond een politiewagen.

Zijn hart sloeg enkele malen over en zijn maag wipte tot in zijn keel. Seconden lang kon hij zich niet bewegen, ogen en mond wijd opengesperd. Dan drongen vaag stemmen tot hem door: de politiemannen zaten rustig te praten in hun wagen. Moeizaam bedwong hij zijn verkrampte spieren en sloop langzaam achter­waarts terug de hoek om.

Hij wilde rennen, maar wist zich te beheersen. Voorzichtig, de zenuwen tot het uiterste gespannen, bereikte hij halfweg het afdak enkele stapels hout, waar hij zich tussen verborg.

Zijn hand ging trillend door zijn haar. Verdomme, nog maar net begonnen of bijna was alles al verknoeid!

Wat nu! De Mercedes kwam om half tien terug en zolang dat politiebusje daar stond viel er niets te beginnen.

Lievens kreeg het koud. Het hete angstzweet van daareven voelde nu killig aan in zijn nek. Maar hij kon niets anders dan wachten. Wachten tot het busje wegreed.

Wat het enkele tellen later gelukkig ook deed.

Lievens was wat geruster, nu hij wist dat de politie hier de eerste tien minuten wel niet meer zou opduiken. Maar toch dorst hij niet meer naar de voorkaai. Die was helemaal vrij en bood geen mogelijkheid om zich te verbergen. Hij had nu vol­doende tijd gehad om in te schatten dat een binnenschipper hem daar zeer gemakkelijk zou opmerken en misschien de politie verwittigen. Binnen de halve minuut zou dat politiewagentje hier terug zijn en had je alle poppen aan het dansen.

Zijn ogen waren nu gewend aan de duisternis en dwaalden zoekend rond. Tot ze bleven haken aan donkere gevaarten tegen de zijmuur van het magazijn.

En plots wist hij het: Langs die stapels het dak op, daar een ruit inslaan en zich dan in het magazijn laten neerzakken met behulp van een reddingshaak. Getuig om drenkelingen uit het water te vissen hing er om de honderd meter, over heel de haven. Dus ook hier. En Lievens dacht zich de juiste plaats te kunnen herinneren, hij zou zeker geen twintig meter moeten zoeken om een hulppostje te vinden.

Haastig begaf hij zich op weg, haastig maar toch voorzich­tig. Hij trof de haak waar hij hem verwachtte en zeulde met de lange staak naar de stapels tegen de magazijnmuur. Hij keek gespannen rond, alles was stil. Vooruit nu!

Lievens dwong zich de stapels op, trok dan de reddingshaak bij en bleef hijgend enkele ogenblikken liggen. Weer luisterde hij even, schrok van het bonzen van de hartslag in de oren, maar verder bleef alles stil. Hij veerde op, trok zich twee meter hoger in de dakgoot en zonder enig aarzelen stampte hij met de voet op de dakruit. Die barstte wel maar viel niet uit de omlijsting. Gewapend glas. Dan maar met de staak er tegen aan.

Een oorverdovende slag... Nog een... Geschrokken van het lawaai bleef hij roerloos staan. Maar het glas was er uit en zonder verder dralen haakte hij de haak achter het kozijn en liet hij zich langs de staak het donkere gat inglijden.

De staak was te kort en aan het uiteinde bengelend trachtte hij de diepte onder hem te peilen. Maar het bleef helledonker en hij moest wel besluiten om de stok te lossen en zich te laten vallen. Zo goed mogelijk bereidde hij zich voor om de schok op te vangen, de benen licht gebogen, zoals hij het de parachutisten al had zien doen op televisie.

Nu!


Hij kwam neer volgens de regels van de kunst, gelijk een kat op haar poten.

Ja! Tien centimeter lager, op de begane grond.

En hij begon te lachen. Stil, geluidloos, maar hevig en onbedaarlijk. Zijn kop barstte bijna van ingehouden spanning. Tot hij besefte dat hij niet goed wist waarom hij stond te lachen en hij langzaam zijn zinnen onder controle kreeg. Een half schuwe, half spottende glimlach bleef over. Schuw, omdat hij inderdaad in penibele omstandigheden verkeerde, spottend om zijn bangbroekerij, om zijn vertoning van daarnet. De schou­ders iets minder opgetrokken en het hart niet meer hoorbaar bonzend tastte hij zich een weg naar de middengang.

Enkele meters verder moest het kistje staan. Zijn ogen traanden van het turen. Hij oriënteerde zich op de klaarte van de dakruiten en vaag meende hij enkele stapels te herkennen.

Ja, hier ongeveer moest het zijn. Hier, bij die paal had hij het kistje gezet. Gejaagd scharrelde hij rond.

Niets.


Hij streek een lucifer aan, het licht afschermend met zijn jas.

Het kistje was weg!

Langzaam zakte hij op de knieën, vechtend tegen tranen, tegen moedeloosheid, tegen die onwerkelijkheid. Zijn geest raasde flitsend en doelloos naar zijn vrouw, naar Bruno, naar de man met de koude ogen. Tot hij zich weer in de hand had door het besef dat hij verder zoeken moest, dat hij het niet zomaar mocht opgeven.

Hij schrok op, ongelovig: was er nog iemand in de loods? Had hij een voet tegen een stuk hout horen trappen? Dat kon toch niet, dat was onmogelijk, hij moest zich vergist hebben. Hij kwam langzaam recht uit zijn schrikhouding.

Daar! Weer hoorde hij iets. Lievens kromp ineen, wilde weg, vlug, zich verstoppen, rennen... waarheen?

Plotseling begon hij binnensmonds te vloeken. ‘Ratten! Lelijke, verrekte beesten! Ik sta hier in mijn broek te doen voor een onnozele rat!’

Voorzichtig schoof hij verder naar de volgende paal om ook daar de omtrek af te zoeken. Hoewel hij er zeker van was dat hij alleen in de loods was, kon hij het toch niet verhelpen dat zijn geest met de gedachte speelde dat er nog iemand was. Dat die hier ook iets was komen doen dat het daglicht niet kon velen. Was het toch geen gewone rat die hij daarnet gehoord had? Was het een dief, een havenrat? Of iemand die ook al speciaal op dat kistje uit was?

Onbewust wist Lievens plotseling dat het inderdaad zo was. Dat nog iemand anders voor dat kistje hierheen was gekomen. En meteen, bijna tot zijn verbazing, voelde hij een zekere kalmte over hem komen, een soort beslistheid. Het priemde door zijn herse­nen dat hij niets meer te verliezen had, dat hij geen enkele kans mocht laten ontglippen om het kistje te bemachti­gen.

Zo snel als mogelijk sloop hij weg van de plaats waar hij licht had gemaakt. Naar het geluid toe. Voor hem uit werd weer tegen iets aangetrapt en viel er iets lawaaierig omver. Hij schatte de afstand. Zijn oren waren nog aan het nazinderen en daarom dorst hij het aan enkele passen te lopen, want ook de andere zou nu niet veel kunnen opvangen. Tot hij pardoes tegen een manshoge kist botste. Lievens was razend. Tastend schoof hij enkele meters verder.

Dan voelde hij zijn nekvel samentrekken. Hij zag hem niet, maar hoorde de ademhaling van de andere.

Lievens spande zijn spieren voor een wilde sprong. Hij wilde zijn handen uitslaan en grijpen. Grijpen naar die man. Ver­domd, hij heeft het kistje!

Plots vlamde het licht op van een sterke zaklamp en ver­blindde zijn ogen. Maar Lievens wachtte niet en schopte naar het licht, hard, ogenblikkelijk. Hij hoorde een gesmoorde vloek van pijn toen zijn voet de hand met het licht trof. Even bescheen de straal een onbekend gezicht, toen viel de lamp met een zachte plof op de grond en rolde verder. Met volle kracht schoot zijn lange been nogmaals vooruit. In het onbestemde schijnsel van de lamp zag hij het gebroken silhouet van een ineen gedoken man, beide handen aan de onderbuik.

Vlug raapte Lievens de lamp op. Geschrokken van zijn eigen woestheid staarde hij een ogenblik naar de onbekende.

Zoekend liet hij de lichtstraal in het rond dwalen. En warempel: het kistje… Daar! Hij greep het, propte het onder de arm en...

Dan bliksemde het in zijn hoofd en voelde hij zich glijden en vallen en glijden ...

Dan niets meer.

Tot hij een steeds harder kloppen voelde, tot hij tenslotte gewaar werd dat het in zijn eigen kop was dat er zo pijnlijk gehamerd werd. Hij schudde even voorzichtig het hoofd, tastte de duisternis af met de ogen, zag een lichtstreep.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina