Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina3/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

‘Het kistje! Ik ben het kistje kwijt!’

De tonnenzware last van de mislukking viel over hem. Gevoel­loos van ellende strompelde hij moeizaam naar de lichtstreep: een poort die half openstond. Wezenloos stapte hij naar buiten en werktuiglijk schoof hij de poort weer dicht.

‘Afgelopen.’

Het kistje was weg en die smeerlappen met hun Mercedes konden niets meer met hem beginnen. Als ze Bruno nu lieten gaan, was alles voorbij.

Uitgeput liet hij zich op de grond zakken en wachtte.


Andrei Milic schrok zich een verlamming, toen plots het dakvenster van de havenloods aan scherven vloog.

Al meer dan een uur was hij aan het zoeken naar drie kisten, geadresseerd aan Philips, Eindhoven.

Twee grote kisten en een kleine.

In elke kist zou een enkele rij stukken zitten, oneven in aantal. Zonder de stukken te verplaatsen moest hij die zorg­vuldig tellen en er dan het middenstuk uit wegnemen.

Het was niet de eerste keer dat Milic in het Antwerpse havengebied kwam. De haven was immers zijn specifiek werkter­rein. Hij woonde in Brussel en was daar verbonden aan de Russische ambassade.

Daar was in de late avond een bericht binnengekomen van de ambassade in Londen. Die had het verhaal van de drie kisten en de inhoud gekregen van haar man op de Tsjechische ambassa­de. Hoewel de kans klein was dat er nog iets te onderschep­pen viel, was hij toch naar kaai 109 gestuurd.

Enigszins tot zijn verrassing had hij het kleine kistje gevonden, toen hij het eigenlijk al wou opgeven. Uiteraard was hij verder op zoek gegaan naar de andere, toen het krakende glas hem deed verstijven.

Hij zag eerst een staak en dan het silhouet van een man, flauw afgetekend tegen het schemerlicht van de nachtelijke hemel. Aanvankelijk wou hij stil verdwijnen met het kistje, maar toen realiseerde hij zich dat de andere hier waarschijn­lijk voor hetzelfde doel was. Hij besloot zich stil te houden en af te wachten.

Hij grijnsde even om de andere. Die had wel de moeilijkste manier verzonnen om hier binnen te komen: langs het dak! Het was wel duidelijk dat die niet veel afwist van de haven! Milic had gewoon enkele poorten beproefd of ze wel afgesloten waren en reeds bij de derde poging lukte het. De poort schoof open, hij glipte binnen en had de poort weer dicht getrokken achter de hielen.

Zijn vermoeden werd zekerheid: de man schoof recht naar de plaats waar hij het kistje weggenomen had.

Er vlamde een lucifer op.

‘Hij zal het kistje niet vinden en dan gaan rondzoeken,’ dacht Milic. Hij wou zich terugtrekken, maar zijn voet schampte even langs een stuk hout. De onbekende kwam af op het geluid.

Milic trok zich nog verder terug, maar weer raakte hij iets. Dan was het terug stil, doch hij voelde de ander dichterbij komen.

Hij liet zijn staaflamp opvlammen, de vrije hand geheven, klaar om toe te slaan met het breekijzer.

Hij werd echter verrast door de reactie van de tegenstan­der. Zijn hand kraakte toen de schoen hem trof. Even was hij verblind door de pijn en de lichtstraal uit de vallende lamp. En onmiddellijk daarop trof hem een schop in de onderbuik. De pijnscheut verlamde hem en deed hem in elkaar krimpen. Plotse­ling was hij bang.

De onbekende scheen in het rond met de lamp. Milic zag een hand naar het kistje grijpen en meteen wist hij weer wat de inzet was van dit gedoe hier. Hij vermande zich en trof het achterhoofd van de onbekende met een wilde zwaai van het breekijzer.

Die zeeg neer.

Milic greep het kistje en maakte dat hij wegkwam, naar buiten. Hij was er nu van overtuigd dat de twee grote kisten hier niet meer waren. Hij had wel willen weten wie zijn tegen­stander was, maar daarnaar op onderzoek gaan vond hij te gevaarlijk. Trouwens, opereerde zijn tegenstander wel alleen? Stonden hier buiten medestanders op wacht, wellicht gealarmeerd nu door het lawaai? Hij besloot zich gedeisd te houden, hield zich muisstil in de schaduw van een stapel ijzer en wachtte.

Hij zag de onbekende naar buiten komen en traag de poort sluiten.

‘Ergens zal hier wel een auto staan of een helper op hem wachten,’ dacht Milic. Maar tot zijn verbazing zag hij dat de man zich op de grond liet zakken. De overtuiging dat de man weerloos moest zijn na die slag met het breekijzer, deed hem even met de gedachte spelen hem alsnog te overmeesteren. Maar nog terwijl hij overlegde naderde een auto, die wat verder stilhield. De onbekende richtte zich op en strompelde naar de wagen.

‘Mercedes,’ registreerde Milic.

Twee mannen stapten uit de wagen en gingen de onbekende enkele passen tegemoet. Hij hoorde stemmen zonder iets te verstaan. En plots enkele nijdige woorden en een vloek, met nauw bedwongen heftigheid. Milic hoorde duidelijk een Tsjechische verwensing.

Ze stapten in de wagen en toen die wegreed herkende hij een Duitse nummerplaat.

Hij overwoog nog even om naar de loods terug te keren en verder te zoeken, maar zag dadelijk in dat dit nutteloos zou zijn. Dus zocht hij zijn wagen op en reed terug naar Brussel.

Met het kleine kistje.

6.
Woensdag, zeven juni.

Ten oosten van Birmingham, dieper het land in, ligt een oude mijnstreek, met schachttorens als burchten van een verdwenen kolenridderschap.

De hele streek trouwens ligt er verlaten bij. Geleidelijk wordt het eertijds zwarte land weer groen. Gras, mos, struiken zelfs, vreten jaar na jaar meer stukken uit de holle baantjes. En daar, lijnrecht door alles heen, loopt een bijna vijf kilometer lange streep: een nu verlaten spoorlijn. Zij begint nergens en voert nergens meer heen.

Op de bovenverdieping van wat vroeger het hoofdbureel van de mijn was, stond Leonard Cohen voor het raam, de handen op de rug. Even zag hij weer alles als vroeger. Hij zag weer de kompels uit hun huisjes komen, aangezogen door de alles be­heersende mijn. De machtige locomotief trok weer lange rijen wagons aan naar de mijn. Hij zag zich terug, hangend aan de handgreep aan het uiteinde van een wagon, de voeten op de kleine trede. En maar roepen en zwaaien naar de kameraadjes die evenals hij aan een wagon geklit hingen.

Zijn vader was een der laatsten die deze streek met hun gezin verlieten, naar de stad en de fabrieken. Bijna dertig jaar geleden. En nu was hij hier terug. Als hoofd van de veiligheidsdienst van een gebied waar sinds dertig jaar geen mens meer woonde.

En toch had hij de verantwoordelijkheid over de dienst van niet minder dan twee en twintig mensen. Twee en twintig goed getrainde en met zorg uitgelezen mannen. En zes honden. Duitse herders met een fijne neus en vrees aanjagende bekken, afge­richt tot perfecte robots. Leonard Cohen hield van honden, maar deze hier vond hij toch maar zielloze knapen. Blaffen deden ze bijna nooit en zelfs nu, na maandenlange vriendelijke woordjes en geluidjes, keken de donkere ogen hem nog steeds even onverschillig aan.

‘Zij dulden mij omdat hun baas het zo wil,’ dacht hij. ‘En hun zware hangende staart zal nooit kwispelen, tenzij voor die ene man, hun baas.’

Het hele gebied was afgezet met prikkeldraad. Er was slechts een enkele toegangspoort, met ernaast een wachthuisje. Zonder speciale pas kwam daar niemand doorheen.

Het stukje Groot Brittannië, dat hier zo zwaar bewaakt werd, was vijf kilometer lang en slechts enkele meters breed, met aan het uiteinde de mijn en zijn gebouwen en aan de andere kant een barak, over de sporen gebouwd. De eerste maand van zijn verblijf hier had Cohen gebruikt om met een jeep of te voet de onmiddellijke omgeving te verken­nen. Elke vierkante meter had hij bekeken en daarnaar zijn plannen gemaakt om het kamp te beveiligen en elk ongewenst bezoek te verijdelen.

‘Mijn mannen hebben er een waar concentratiekamp van ge­maakt,’ overdacht Cohen.

Toen twee maanden geleden alles klaar was, kwamen de gasten. Negen stille, hardwerkende mensen, allemaal bijzonder intelligente koppen, die hier een jarenlang onderzoekprogramma kwamen bekronen met ultieme proeven. Wat ze hier deden, wist hij niet precies. Wel dat het hele programma gefinancierd werd door de regering. En onder de bescherming van de geheime dienst werd geplaatst.

Dave wist dat er gewerkt werd met stralen. Of beter: aan stralen. Laserstralen, waar een enorme hoeveelheid energie voor nodig was. Daartoe was een deel van de oude elektrici­teitscentrale geheel opgeknapt. De centrale lag ver buiten het kamp, daar hoefde hij zich geen zorgen over te maken. Zolang die stroom leverde, was alles in orde voor hem.

De omgeving van het kamp werd doorlopend afgespied door middel van acht videocamera’s, zodanig op draaiende plateaus opgesteld dat tot vijfhonderd meter buiten het kamp elke beweging kon bekeken worden en op band vastgelegd.

Er was nog geen enkele onregelmatigheid gemeld.

Tot op dit ogenblik.

Cohen keerde zich af van het raam. De chef van het bewa­kingsteam zat nog altijd kaarsrecht op zijn stoel, in dezelfde ongemakkelijke houding als toen Cohen voor het raam ging staan. De man had een even bondig als onrustwekkend verslag uitgebracht, waarvan Cohen onmiddellijk de mogelijks perfide draagwijdte geschat had.

Vorige week had een bewaker van de videobeelden een persoon opgemerkt, aan de rand van het bereik van de camera. Die gedaante, klaarblijkelijk een wandelaar, was enkele tellen later uit het gezichtsveld verdwenen. De bewaker vond het niet nodig deze gebeurtenis te signaleren.

Gisteravond, op hetzelfde uur als vorige week, had dezelfde man dienst. En hij had de wandelaar terug gezien. Wat hem als welkome afwisseling voorgekomen was bij het eentonig turen naar de televisieschermen. Hij had er dit keer op ingezoomd, tot hij een tamelijk goed beeld van de man verkregen had. De man was even op de grond gaan zitten, als wilde hij een plant of struik van dichtbij bekijken en was daarna weer weggewan­deld. Zo vertelde hij het aan zijn collega’s bij het ontbijt.

Toen kwam aan het licht dat ook zij de wandelaar gezien hadden, helemaal in de verte, maar steeds op hetzelfde tra­ject. Onmiddellijk lieten ze het ontbijt staan, hadden de videobanden vergeleken en er de chef bijgehaald. En nu, enkele minuten later, lag het probleem bij Cohen op tafel.

Dat die wandelaar moest opgespoord worden en doorgelicht, was zonder twijfel. Maar hoe?

Cohen besloot enkele foto’s te maken van de beste filmbeel­den en die per koerier op te sturen naar de centrale.

En zijn mannen zouden zich verdekt opstellen waar de wande­laar gesignaleerd was, om hem bij de lurven te vatten. Als hij al terug zou komen.

De chef was pas buiten toen zich het hoofd van het groepje geleerden aanmeldde.

De man was zichtbaar overstuur. Hij had er duidelijk moeite mee om van wal te steken.

Cohen kende hem als een vriendelijke man. Soms hadden ze gezellig met elkaar zitten praten, maar over hun wederzijds werk hadden ze het bijna nooit gehad. Hij voelde dat er iets ernstig aan de hand was en trachtte hem zo rustig mogelijk op te vangen. Zonder bepaald over koetjes en kalfjes te beginnen, had hij het gesprek toch niet meteen op het werk aangestuurd.

En tenslotte kwamen de woorden los, eerst aarzelend en wat verward, maar Cohen wist er met gepaste vragen enige lijn in te krijgen.

Het werd het verhaal van een ware catastrofe.

Weer stond Cohen voor het raam. Hij herhaalde voor zichzelf wat hij net te verwerken gekregen had.

‘Van elke proef wordt een enkelvoudig verslag gemaakt. Een foto daarvan wordt verkleind, krijgt een codenummer, wordt opgeslagen. Het verslag zelf blijft onder mijn hoede, ik bewaar het in de brandkast in mijn bureel. Het is een uniek exemplaar en kan slechts in mijn bijzijn ingezien worden.’ De geleerde had er een veel langer verhaal van gemaakt, maar daar kwam het toch wel op neer. Het had er de schijn van dat alles heel methodisch was opgezet en ogenschijnlijk onder strikte controle verlopen.

Tot vandaag.

Enkel geprikkeld door de mathematische opmerkzaamheid van zijn geest, had de geleerde zich vanmorgen afgevraagd waarom er drie filmplaatjes meer verbruikt waren dan er foto’s geklasseerd werden. Zonder dat er een zweem van achterdocht bij hem gerezen was had zijn op orde en duidelijkheid getraind verstand er zich toch in verdiept. Hij vond geen aannemelijke verklaring en legde het probleem voor aan zijn collega’s. Die wisten het ook niet, maar toen iemand een kwinkslag probeerde over spionage was het plotseling stil geworden. Van zodra hij de eerste schrik overwonnen had was hij zo snel mogelijk naar Cohen geijld.

‘Is er een mogelijkheid dat die foto’s op een verkeerde plaats opgeborgen zijn?’

‘Onmogelijk! Kijk, meneer Cohen, de mensen van mijn team kunnen misschien veel gebreken hebben, maar slordigheid is daar beslist niet bij! Iemand heeft die foto’s opzettelijk laten verdwijnen!’

‘Ontbreekt er iets van het geklasseerde materiaal?’

‘Neen. Dat is het hem juist. Enkele verslagen, cruciale verslagen, werden gewoon tweemaal gefotografeerd.’

‘Hebt u er een idee van welke dat zouden zijn?’

‘Zeker! We hebben met onze proeven de eindfase bereikt. Alles is uitgewerkt en beproefd, tot in de kleinste details.’

Cohen rilde even: hij wist wat die gepolijste oude man bedoelde.

Er was een nieuw wapen geboren, klaar om op grote schaal geproduceerd te worden. Schaalvergroting! In plaats van een relatief klein kankergezwel te vernietigen, kon men nu een massale hoeveelheid energie over een bijna willekeurige grote afstand op een willekeurig doel loslaten. Op een stad bijvoor­beeld.

Cohen rilde weer.

‘En dat ding werd dus gestolen! Hooguit twee dagen geleden. Of gisteren. Dan is er een kans dat die foto’s nog niet het kamp uitgesmokkeld werden, al moet ik zeggen dat het mij sterk zou verwonderen als dat zo was.’

Cohen keek de man peinzend aan.

‘Eigenlijk kunnen alleen mijn mannen iets naar buiten smok­kelen. Maar dat iets moeten ze wel van uw mensen krijgen.’

Met een schok schoot de geleerde overeind, alsof het pas nu tot hem doordrong dat tussen zijn team een verrader kon zit­ten.

‘Ik ken mijn mensen al jaren! Uiteraard heb ik nooit aan de eerlijkheid van een van hen getwijfeld’

‘En toch werd iemand ertoe gebracht dubbel spel te spelen. God weet om welke reden. Het zou mij trouwens niet verbazen als hierbij invloeden van buitenaf een rol speelden.’

‘Dat is bijna niet aan te nemen!’

‘Toch wel, toch wel. Is er u niets opgevallen de laatste tijd? Ik bedoel: iemand die onder grote spanning leeft, laat dat altijd ergens merken. En dat is waarschijnlijk bij een van uw collega’s het geval.’

De geleerde staarde Cohen eerst vragend aan, maar allengs verschoof zijn blik naar een tijdloze verte. Automatisch gleden de handen voor het gezicht, de vingertoppen tot aan de wenkbrauwen, een door jaren van studie en meditatie aange­groeide houding.

Minuten lang sloeg Cohen hem gade. Tenslotte kwam er bewe­ging in de grijze haardos. De geleerde was ontdaan en dorst zijn verdenking niet te uiten.

‘Wees maar niet bang. Hier ben ik de specialist.’ Rustig legde Cohen zijn hand op de arm van de man.

‘Ja, het moet dan maar. Maar wees alsjeblieft voorzichtig! Ik zou niet graag een onschuldige schaden. Misschien is hij alleen maar ziek of overwerkt. Wees alsjeblieft zeer dis­creet.’

‘Wie is het?’

‘Toni.’ De geleerde zuchtte even. ‘Anthony Pink. Hij ziet er de laatste dagen echt moe uit.’

Zonder nog iets te zeggen liep Cohen naar het raam.

Voor zijn ogen zag hij nu geen spelende kinderen meer, maar het busje waarmee de mannen naar hier gebracht werden. Toen reeds was hem het kleine schriele mannetje opgevallen. Helemaal niet het type van een rustige, geleerde bolleboos. Het mannetje was eigenlijk geen enkel type. Tenzij dat van de man die altijd tegenslag heeft.

Cohen amuseerde er zich soms mee iemand in een milieu te fantaseren, uitgaande van diens uiterlijk.

Hij herinnerde zich dat hij voor Pink een bazige vrouw bedacht had, een dominerende figuur. De kinderen waren hem boven het hoofd gegroeid, letterlijk en figuurlijk. En op het werk greep hij altijd net naast een promotie.

Het prototype van de man die geen greintje gezag afdwingt, maar die men voor alles gebruiken kan. Of misbruiken.

Cohen ging op een stoel naast de geleerde zitten.

‘Het ziet er naar uit dat Pink onze man is. Voorlopig al­thans. Dan moeten zijn zenuwen nu zowat op afknappen staan. Hij weet dat hij op de rand van de afgrond balanceert. Ik verwed er heel deze uw nieuwe bom onder dat een klein duwtje hem in onze armen laat vallen.’

‘Meneer Cohen, weet wat u doet! Het eenvoudige feit ooit maar verdacht geweest te zijn van spionage, kan fataal zijn voor de hele verdere carrière.’

‘Maakt u zich maar niet ongerust. Ik zal de zaak bijzonder discreet aanpakken. Ik zal u nu twee mannen meegeven. U gaat naar Pink en zegt alleen maar dat ik hem iets wil vragen over die foto’s. Maar pas op dat hij op dat ogenblik alleen is, zodat niemand anders het hoort. Alleen al het feit dat hij door twee mannen geflankeerd wordt als hij hierheen komt, zal hem van zijn stuk brengen. Laat de rest dan maar aan mij over.’

Tien minuten later zat Pink voor Leonard Cohen. Zwijgend. Cohen zag het bloed kloppen in de hals van de man. Pink hijgde een beetje.

Na een stroeve begroeting en Cohens: ‘U weet waarover het gaat, ja?’ werd er geen woord meer gesproken. Cohen zag dat de man hem behoorlijk kneep.

Hij ging achter hem staan, wiegend op de voeten zodat zijn schoenen enerverend kraakten en Pink die aanwezigheid in zijn rug zou voelen. Een ouderwetse manier van imponeren maar nog altijd effectief.

Cohen besloot het grof te spelen.

‘Waar zijn de foto’s nu?’ hakte hij plotseling.

De geleerde kromp ineen, het hoofd diep tussen de schouders. Langzaam kwam zijn hand omhoog, in een afwerend gebaar alsof hij zich wilde beschermen. Dan liet hij de arm weer zakken en bijna onhoorbaar fluisterde hij:

‘Hij heeft mijn dochter meegenomen. Hij zei dat hij haar verslaafd zou maken aan heroïne, tenzij ik iets voor hem zou doen. Hij heeft haar geschaakt, twee weken geleden. Ik kon er niets tegen beginnen. Hij wist wat we hier doen. Ik heb er geen idee van hoe hij dat te weten is gekomen. Hij wist het gewoon, hij wist alles. Hij zou ze vrijlaten zodra het resultaat van ons werk in zijn bezit was.’ De man snikte even. ‘Ik kon niet anders. Ik moest wel.’

Cohen zweeg nog steeds.

De geleerde keerde zich met een ruk naar hem:

‘Ik heb nog geen nieuws van mijn dochter. Hij beloofde dat hij haar zou laten telefoneren.’

‘Wanneer hebt u de plannen doorgegeven?’

‘Gisteren. Ik moest de foto’s in een aluminium koker steken en die dichtlijmen. Waterdicht. Een kokertje voor maagtablet­ten.’

‘En hoe hebt u dat het kamp uit weten te krijgen?’

‘Ik moest het kokertje in het afvoerriool van het koelwater werpen. Dat riool komt een paar honderd meter hier vandaan in een beek uit. Daar zou hij het dan opvissen.’

‘Wie is die hij?’

‘Dat weet ik niet. Het zou een buitenlander kunnen zijn, hij had een eigenaardige manier van spreken. Er was nog een man bij toen ze mijn dochter weg brachten en die sprak Engels met een Londens accent. Die heeft de andere eens bij zijn naam genoemd, maar ik heb het niet verstaan, het was een vreemde naam voor mij. Hij eindigde op ec… acec of zo iets. Er kwam nog iets voor. Meer kan ik mij echt niet herinneren, ik heb er de laatste dagen al dikwijls op gedacht.’

Cohen kreeg behoorlijk de pest in.

Op zijn minst vierentwintig uren waren verloren gegaan en die stommeling hier zat al die tijd te wachten op een telefoontje, als een hond die slaag krijgt en daarna een plakje worst verwacht.

Hij riep er de chef bij van het bewakingsteam. Samen begonnen ze de geleerde citroen uit te persen om toch maar enige personalia over de ontvoerders op papier te kunnen zetten.

Erg veel was het niet.

Maar Cohen prees zich gelukkig toen hij er aan dacht om de videobanden eens te laten bekijken door mister Pink. Want inderdaad, Pink schrok op bij het herkennen van een der ontvoerders. Hoewel de geleerde, door vorming en uit gewoon­te, toch nog enkele reserves uitsprak, was Cohen er wel dege­lijk van overtuigd dat Pink zich niet vergiste.

Met de eerste summiere beschrijving van de twee ontvoerders en de foto’s van de verdachte wandelaar stuurde Cohen de chef naar het bureau van de British Intelli­gence Service.

7.
Woensdag, zeven juni.

In zijn kamer boven de Granny pub trok Glover de schil van een derde banaan. Van bananen kreeg hij altijd maagzuur, wist hij, maar hij dorst de kamer nu niet te verlaten om ergens te gaan eten.

Bijna twee weken reeds zat hij hier vast in Birmingham. Hij had deze kamer gehuurd omdat ze in het centrum van de stad lag, waar zoveel soorten en kleuren van mensen rondliepen dat niemand er een vreemdeling kon uitpikken. Allen zijn naamloos en lopen elkaar onverschillig voorbij. En dat was het beste wat Glover kon overkomen: geen naam en geen gezicht hebben. Dat was zijn visitekaartje. En daarom hoopte hij dat dit wachten niet lang meer zou duren. Want hij huurde deze kamer per week, en langer dan twee weken op dezelfde stek zitten vond hij van het goede teveel. Nog een dag kon hij hier blij­ven maar dan moest hij iets anders zien te versieren. Hij lette er steeds op of hij ergens een gezicht kon herkennen en hield er rekening mee dat zoiets wederkerig kon zijn. Dat was een signaal om op staande voet een ander onderkomen te zoeken.

Overdag had hij zich gruwelijk verveeld. Lang slapen of minstens lang in bed blijven, een koffie drinken, rondlopen, een hamburger naar binnen werken, een bioskoopje pikken. Nooit een tweede maal dezelfde tent binnengaan en hooguit eens per dag door een stille straat stappen. Zijn Austin Cooper par­keerde hij telkens op een andere plaats, elke avond, na het ritje buiten de stad.

Wanneer de neonlampen het laatste daglicht overgenomen hadden stapte hij in zijn wagen en rond negen uur reed hij de stad uit. Zowat een half uur ver, door een godverlaten gebied. Daar reed hij zijn auto het struikgewas in. Dan tien minuten te voet verder. Die eenzaamheid zinde hem niet, want hij vond het een schrikbarende gedachte hier iemand te ontmoeten. Wie hem hier gezien had zou zich dat in lengte van dagen weten te herinneren, zeker als de politie iets in die zin zou vragen. Maar goed, dit was niet te vermijden en hoorde bij het werk.

Omzichtig lopend had hij de tocht naar de rioolbuis en terug naar de auto steeds tot een goed einde gebracht. Nooit had hij iemand gezien of werd hij zelf gezien. En de honden van de bewakers, een paar honderd meter verder, hadden nooit geblaft.

Voor de rest vond hij het wel prettig en op die tochtjes kwam steevast de gedachte bij hem op hier later eens terug te keren om konijnen te vangen. Vooral als hij weer eens werd opgeschrikt door het plotselinge ritselen van het lange gras als een konijntje weg spurtte voor zijn voeten.

Nu had hij daar geen tijd voor. Nu moest hij vissen vangen, bedacht hij. Nee, geen vissen: een enkele vis! Een mooie ronde kokervis. In aluminium uitvoering. Met op zijn buik het merk van de beste bruistabletten tegen maagzuur.

Een nijdige oprisping van de maag bracht Glover terug naar de werkelijkheid van zijn kamer. Dan zag hij de bananenschil in zijn hand en wierp ze bij de andere onder het bed. Wie ze daar vindt, mag ze hebben, dacht hij verveeld. Straks ben ik hier weg. Waar blijft die Panachec toch. Al uren kon hij hier zijn.’

Nijdig rukte hij de schil van de vierde banaan. Glover was een man van twaalf stielen en dertien ongelukken, had veel eigenschappen en nog meer ondeugden. Daarvan was luiheid waarschijnlijk de meest gekoesterde en toch vond hij al dat wachten een vervelend onderdeel van zijn werk. En nu knaagde in zijn binnenste niet alleen het maagzuur. Hij zou opnieuw moeten wachten op wat komen zou, onwetend wanneer, en zich ondertussen bang maken en ongerust worden om het onbekende van de volgende opdracht. Want hij was er wel zeker van dat zijn taak hier in Birmingham erop zat.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina