Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina4/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Toen hij gisteren avond voor de elfde keer, hij had het nagerekend, bij het net kwam, had hij dadelijk de vis, zijn vis, in het net zien spartelen. In een minimum van tijd hield hij de koker in de handen, trachtte het dopje eraf te schroe­ven, maar hij slaagde er niet in. Toen hij resten lijm bemerkte aan de rand van het hoedje stak hij het ding in de borstzak van zijn anorak, sloot zorgvuldig de rits en spoedde zich naar de auto. Onderweg had hij drie maal moeten stoppen bij een telefooncel om Panachec te verwittigen. De eerste keer was Panachec niet persoonlijk bereikbaar en de tweede tele­fooncel had het bezoek gekregen van vandalen die hun werk wel zeer grondig hadden opgevat. De derde keer had hij succes. Op zijn triomfantelijk bericht had Panachec slechts geantwoord dat hij naar zijn kamer moest terugkeren en daar blijven, hij zou zelf naar hem zou komen. Meteen had hij opgehangen.

Thuisgekomen hernam Glover zijn pogingen en voorzichtig probeerde hij met een puntig mesje de lijm los te peuteren. Tot het mes uitschoot en hij zich een aap schrok om de blinkende jaap in het aluminium.

‘Nee, ik kan er maar beter afblijven,’ dacht hij. ‘Het zou wel eens ongezond kunnen zijn om te weten wat daar insteekt. En nieuwsgierigheid wordt niet op prijs gesteld door de baas.’

Hij sloot de koker in zijn reiskoffer en legde zich op het bed, een tros bananen binnen handbereik.

8.
De Russische ambassade in Londen was op het spoor gekomen van een uitzonderlijk project. Zij hadden die wetenschap binnengehaald via een dubbelspion bij de Britse inlichtingendienst.

De Tsjechische ambassade had haar inlichtingen dan weer van een dubbelspion uit de Russische ambassade.

De Russen hadden reeds lang hun oog laten vallen op een groep Britse wetenschappers die in de grootste geheimhouding projecten ontwikkelden onder de hoede van de British Intelli­gence Service. De laatste weken was daar een groeiende bedrij­vigheid vastgesteld, wat wees op de nakende ontknoping van een project.

Dat was het tijdstip waarop de Tsjechische ambassade kennis kreeg van de zaak.

Panachec, de beste man bij de Tsjechen, kreeg de klus onder zijn vleugels.

Panachec liet er geen gras over groeien. Hij besefte dat hij slechts rijkelijk laat bij de zaak betrokken was. Toen hij eenmaal wist waarover het ging had hij binnen de kortste keren een lijst weten samen te stellen van al de bollebozen die bij het project hoorden. En nog vooraleer alle gegevens over die mannen binnen waren had hij zijn slachtoffer reeds uitgekozen: een wat vereenzaamde geleerde die bij een ongehuwde dochter inwoonde.

Panachec ging wel zeer drastisch tewerk. Hij voelde dat er iets speciaals op komst was en dat hem niet veel tijd meer restte om met enige kans op slagen zich meester te maken van het resultaat van het onderzoek.

Hij liet de dochter kidnappen.


Panachec was verbonden aan de Tsjechische ambassade in Lon­den, maar in werkelijkheid hield hij zich bezig met
spionage. De vernieuwingen in eigen land hadden weinig invloed gehad op zijn leven, noch op zijn werk.

In de loop der jaren had hij zich van een zeer efficiënt net van helpers voorzien buiten de ambassade. Die helpers kenden elkaar nauwelijks of helemaal niet. Het enige wat de meeste van die mannen met elkaar gemeen hadden was dat ze bij Scot­land Yard ergens genoteerd waren. Elk van hen had een genum­merd dossier, maar dat kon weinig kwaad, want driekwart van Hare Majesteits onderdanen stonden daarin geboekstaafd, met alle denkbare en ondenkbare zonden of pekelzonden. De groene kaart, heette dat. Zoiets was geenszins een beletsel om onop­vallend en ongemerkt door het leven te gaan.

Hij gebruikte ze als los van elkaar staande eenheden. Als een ketting waar hij schakels van kon verwijderen of aan toevoegen, al naar vraag of omstandigheden. Alles wat hij tot hiertoe ondernomen had was rimpelloos verlopen. En niets wees er op dat dit niet nog een hele tijd zou kunnen doorgaan.

Hij wist echter niet dat een van zijn schakels versleten was. Want niet alleen bij Scotland Yard had Glover een nummer, ook van de British Intelligence Service had Glover een nummer gekregen. Een nummer op een kaft met foto’s en enkele regels tekst.

Alles samengevat stond er niets meer in het dossier dan dat hij enkele keren gesignaleerd was met iemand van de Tsjechi­sche ambassade, zie dossier Panachec. En bij Panachec kon men desbetreffend vinden: zie dossier Glover.

Dat zag er allemaal nutteloos uit en slechts van belang om klerken bezig te houden, tot op een zekere morgen een omslag met hoofding van de British Intelligence Service binnenviel. Op zich niets speciaals want elke morgen kwamen er van die grote bruine omslagen binnen bij de planton van de Dienst Herkenning. De omslag zelf zag er niet meer of minder gewich­tig uit dan al die andere, want hij was evengoed overdekt met reusachtige stempels van GEHEIM en DRINGEND. En dat ontlokt bij elk rechtgeaard lid van om het even welke dienst van Hare Majesteit misschien een grijns, maar zeker enige manifestatie van onverschilligheid. Het speciale aan deze omslag was, dat hij gebracht werd door een koerier die, onverstoorbaar voor de protesten van de planton, mordicus eiste om de enveloppe persoonlijk in de handen te geven van een zekere mister James Brown, bij de planton gekend als iemand van hoge rang en dus niet zomaar te storen. Nog meer ongehoord: de man stelde meteen zeer duidelijk dat hij ter plaatse bleef wachten op antwoord.

De koerier werd beloond voor de moeite, want een half uur later al had hij een antwoordenveloppe in de hand en kon hij een tergend beleefde afscheidsgroet produceren naar de hem ijzig negerende planton.
Van zodra Leonard Cohen de omslag uit de handen van zijn eerste man ontvangen had trok hij alle registers open welke in aanmerking kwamen om hem te helpen bij zijn speurtocht. Het hele apparaat van de British Intelligence Service, Scotland Yard, politie en douane, alle opsporingsdiensten van Hare Majesteit trachtte hij wakker te schudden en voor zijn wagen te spannen.

Maar hoe meer de tijd verstreek zonder enig signaal van succes, hoe meer Cohen er van overtuigd was dat hij achter het net aan het vissen was. Dat dit een wel zeer toepasselijke beeldspraak was kon hem maar matig bekoren.

9.
Het was al vier uur in de morgen toen zacht gerammel aan de deur de ingesluimerde Glover naar zijn revolver deed grijpen.

‘Wie daar?’

‘Panachec.’

Hij opende de deur. ‘Eindelijk. Je bent lang weggebleven. Toch geen moeilijkheden gehad?’

‘Ik heb meteen de verdere afhandeling geregeld. Kom mee en laat niets achter. We keren hier niet meer terug. ‘

Panachec reed rechtstreeks naar een garage in een volks­buurt. Blijkbaar werd hij daar verwacht, want de poort ging omhoog toen ze er aankwamen. Hij reed binnen en de poort werd gesloten.

In de garage werden ze opgewacht door twee mannen. Die sneden het kokertje voorzichtig open en haalden er drie foto’s uit. Zonder aarzelen werden de filmstrookjes elk in een plas­tic hoesje gestoken, dat werd dichtgesmolten. Op de werkbank lagen drie machineonderdelen klaar. In elk stuk was een gleuf­je, waarin zorgvuldig een hoesje geschoven werd. Dan werd het gleufje dichtgehamerd met een streepje lood en gladgeschuurd.

Elk stuk werd geklasseerd tussen identieke stukken in drie kisten, twee grote en een kleine. Direct daarna werden die in een bestelwagen gela­den.

Panachec gaf Glover een sein om mee te komen en ging zelf achter het stuur zitten. Het was half negen toen ze de poort uitreden, naar de haven. Onder het rijden liet Pana­chec iets los over wat er verder te gebeuren stond, want hij had een zekere gemelijkheid bij Glover aangevoeld.

‘Nog deze middag zal er een coaster uitvaren naar Antwerpen. De drie kisten zijn reeds geboekt voor de overtocht, de papie­ren zijn klaar. Zodra we de kisten op de kade afge­leverd hebben hoeven we er ons verder niet meer om te bekomme­ren. En morgen is alles op de plaats van bestemming.’

Glover vond de hele bedoening maar niks.

‘Waarom geen speciale koerier om die foto’s over te brengen? Dat is toch veel eenvoudiger en sneller?’

‘Dat heb ik mij ook al afgevraagd.’ Panachec keek Glover aan met een gebaar van berusting.’ Er wordt zoveel over gebracht. Voor even zoveel diensten bij ons. Elke dienst behandelt zijn zaken als topgeheim en van het hoogste belang. Het is ondoen­lijk om telkens een speciale koerier ter beschikking te stel­len. Trouwens, een koerier is binnen de kortste keren bij alle andere geheime diensten bekend. En die mannen worden dan op hun beurt weer geschaduwd, zodat iedereen achter iedereen aanloopt. Als ze al niet beginnen aan te pappen met elkaar en het op een akkoordje gooien.

Om centen te pakken… Ze maken een tussenstop, als dubbelspion, en laten eerst alles kopiëren.

Zolang niets er op wijst dat een kanaal onveilig zou zijn, maakt men er gebruik van. De keuze van dat kanaal zal wel afhankelijk zijn van de chefs of van de omstandigheden.

Nou ja, zolang mijn deel van de organisatie maar in orde is, zal het me een zorg zijn en bovendien heb ik het al lang verleerd om vragen te stellen.’

Glover scheen die laatste hint niet te hebben gesnapt, want hij keek nog steeds bezorgd.

‘Hoe moet het nu verder met de dochter van die geleerde?’

‘Laat dat maar aan mij over. Als de tijd rijp is, als de kisten ter bestemming zijn, geven we haar wel terug. Voor het ogenblik zit ze veilig opgeborgen. En bij haar vrijlating zullen we er haar wel van overtuigen dat we haar bij de minste loslippigheid opnieuw te pakken nemen. En dat het dan wel eens voorgoed zou kunnen zijn!’

10.
Even buiten het havengebied, aan het beruchte schipperskwar­tier, mikte Kurilec de Mercedes op een vrije parkeerplaats.

Er was geen woord meer gesproken, sinds ze van kaai 109 weggereden waren. Lievens wist dat Kurilec de jacht op het kistje niet zomaar zou opgeven. Steeds meer vreesde hij dat Kurilec hem niet zou laten gaan. Hij besefte dat hij een fout gemaakt had toen hij verteld had dat hij de man met het kistje niet kende. Kurilec wist nu dus dat hij hem wel degelijk had gezien. Lievens was er van overtuigd dat ze hem zouden vast­houden om die man op een of andere manier te identificeren. En het ergste was dat ze Bruno ook niet zouden laten gaan. Des te gemakkelijker konden ze de vader in toom houden.

Kurilec keek even op toen uit Lievens mond een nijdige vloek kwam. En alsof hij diens gedachten geraden had:

‘Je hebt die man dus gezien, maar je kent hem niet. Iemand van de haven? Heeft hij iets gezegd? Een uitroep of een verwensing? Of gevloekt?’

‘Tja, toen ik hem een schop gaf, heeft hij iets geroepen, maar dat kon mij toen bijzonder weinig schelen, ik heb er zeker niet op gelet. Ik herinner me alleen dat ik er geen woord van verstaan heb. Het was zeker geen Nederlands!’

‘Klonk het als Engels. Of Frans?’

‘Nee, dan had ik er wel iets kunnen uit opmaken. Duits was het ook al niet. Het was Chinees voor mij.’

‘Chinees!’ Kurilec staarde Lievens verbaasd aan. ‘Chinees!’ herhaalde hij dan ongelovig. Hij was nog meer verwonderd toen Lievens begon te lachen.

‘Zeker! In Antwerpen spreekt elke echte man van de dok minstens tien talen en wat hij dan nog niet verstaat is Chi­nees voor hem. Maar goed, wat die man toen riep had veel weg van Russisch of Tsjechisch of een andere van dat soort talen.’

‘Dat lijkt er al meer op. We rijden naar Brussel. Ik zal je daar enkele foto’s laten bekijken van mensen die hiervoor volgens onze inlichtingsdienst in aanmerking komen. De kans is groot dat onze man daar tussen zit.’

‘En Bruno? Moet die ook mee?’

Kurilec reed weg, zonder antwoord.

Lievens voelde een doffe woede in zich opkomen.

‘Laat de kleine hierbuiten of ik werk helemaal niet meer mee,’ siste hij.

‘Dat zullen we dan later wel zien,’ antwoordde Kurilec rustig.

‘Nee, nu.’ Lievens sprong recht en strekte de armen maar voor hij een ruk aan het stuur kon geven, kreeg hij een verlammende slag op de keel.

Kuchend zakte hij terug op de achterbank terwijl Kurilec met nijdige stem verder praatte.

‘En nu ga jij eens goed luisteren, vriendschap. Dit is geen amicaal partijtje boksen. Bij wat wij doen is de winnaar nooit een held. Heldhaftigheid straft zichzelf af. Mensen zoals jij noemen ons werk spionage. Maar wie er midden in zit, draagt geen kenteken of een bordje om zijn hals. Wij krijgen een opdracht en voeren die uit. Zonder regels of wetten. Tenzij: niet in de gaten lopen. Zelf niet en je werk ook niet. Je zoon heeft geen direct nut voor ons, alleen is hij het touw dat jou zal binden. En als je die man kunt opsporen, dan heb jij geen enkele waarde meer. Dan laten we je los. En aangezien een ongeluk met een van je kinderen gauw gebeurd is, zal jij wel zo wijs zijn om met geen woord over deze affaire te reppen. Met niemand. Ben ik duidelijk genoeg ge­weest?’

Lievens bekeek zijn zoon. De jongen was groot voor zijn leeftijd, dertien jaar, maar zat nu helemaal weggezakt, over­mand door spanning en vermoeidheid. Zelf voelde hij plots een grote uitputting over zich komen.

‘Tegen zulke mannen kan ik niet op,’ zuchtte hij in gedach­ten. ‘Ik zal maar doen wat ze vragen. En toch moeten we hier onbeschadigd zien uit te komen. Dat is het enige wat telt!’
Ze naderden Brussel.

Kurilec verliet de snelweg en parkeerde vijf minuten later de Mercedes achter een bos struiken in de tuin van een oude villa.

Lievens keek rond. Er was niemand te bespeuren. Hij vond geen naamplaat op het huis. Even zag hij beweging achter een raam op de bovenverdieping. Verder niets.

De deur ging open. Voor hen stond een zwaargebouwde man, met wie Kurilec enkele woorden Tsjechisch wisselde. Het hele gezelschap werd een wachtkamer binnengeleid, Kurilec zelf ging de trap op.

Even later verscheen de zware man in de deur en gaf Lievens een teken mee te komen naar boven. Daar vond hij Kurilec terug, met een andere man.

Lievens moest plaatsnemen aan een tafel en kreeg een fotoal­bum voor zijn neus.

‘Kijk goed, neem er de tijd voor. Misschien zit je concur­rent van deze nacht er tussen. Als we die te pakken krijgen, ben je een vrije man.’

Lievens knikte, hij had het begrepen, maar schoof het boek weg.

‘Eerst de jongen bij mij brengen.’

Kurilec deed eerst onwillig, maar wisselde dan enkele woor­den met de andere Tsjech. Die haalde de schouders op, draaide de rug naar hen toe alsof ze voor hem niet meer bestonden en staarde door het raam. Kurilec keek Lievens nog eens peinzend aan, knikte instemmend en ging weg.


Lievens schrok op van de wilde gedachten die hem plots besprongen toen hij de zware glazen asbak voor hem op de tafel zag. Een ogenblik slechts aarzelde hij, starend naar het ach­terhoofd van de man, een pas links van hem. Nog voor hij het zelf goed besefte, sloeg hij de asbak tegen dat onbekende hoofd.

De man zocht even steun tegen het raam en zakte zonder een kik te geven in elkaar.

Verstijfd staarde Lievens naar de man aan zijn voeten. Seconden lang bleef hij roerloos, de zware asbak nog steeds in de hand.

Hij schrok op door gestommel op de trap. Haastig rolde hij de bewusteloze man achter de tafel en stelde zich dan op naast de deur.

Bruno kwam binnen, voortgeduwd door Kurilec. Lievens stond met de asbak hoog boven het hoofd.

Kurilec kwam enigszins zijwaarts de kamer binnen, een hand aan de deur, de andere duwde Bruno.

Lievens sloeg toe.

Kurilec knikte, wilde zich oprichten.

Nog een slag.

Als een blok viel Kurilec neer.

Lievens nam het witte gezicht van zijn zoon in de handen en weende bijna: ‘Flink zijn, jongen, flink zijn! We gaan er vandoor! Vlug de trap af en naar buiten, maar stil. Op straat loop je naar rechts, niet wachten op mij. Ik zoek de sleutels van de auto en zal je zo vlug mogelijk oppikken. Of als je een café open ziet, loop dan binnen en vraag de politie te bellen.’

Bruno herstelde zich bliksemsnel en liep zonder aarzelen de kamer uit. Koortsachtig zocht Lievens in de zakken van Kurilec en vond de sleutels op het moment dat hij beneden Bruno de voordeur hoorde openen. Gejaagd liep hij zijn zoon achterna, er nog aan denkend niet te stommelen op de trap. Hij zag de sleutel op de voordeur en, kalm bijna, pakte hij die en sloot de deur af aan de buitenkant.

De Mercedes startte bij de eerste draai van de sleutel. Het grint spatte meters ver toen Lievens de wagen keerde en de straat opreed. Vijftig meter verder haalde hij Bruno in, die de wagen in dook. Lievens drukte hard op het gaspedaal en liet de Mercedes de straat uitscheuren.

Hij wreef de eerste verbijstering van zijn gezicht. Wat nu?

Doelloos reed hij straat in, straat uit, minuten lang, tot zijn ogen aan een verkeersbord bleven haken. Hij keerde de wagen en reed richting Antwerpen, hoewel hij wist dat het niet de goede manier was om ongestoord uit Kurilecs handen te blijven.

De spieren verloren hun panische stijfheid, maar nu kon hij slechts met moeite zijn snelheid onder controle houden. Hij dwong zich langzaam te rijden, onderwijl hopend een uit­komst te vinden. Alle auto’s reden hem voorbij op de autostrade.

Tot er een langszij kwam en op dezelfde hoogte bleef hangen.
Kurilec zat in die wagen, half verscholen achter een vuist met een revolver. Lievens had er geen moeite mee hem te herkennen! Kurilec maande hem te stoppen.

Maar Lievens was plots door het dolle heen en rukte het stuur naar links. De wagens slingerden vervaarlijk toen ze elkaar in de flank ramden. Lievens gaf gas, maar ook de ander drukte het gaspedaal in. Een blik in de spiegel, de baan achter hem was vrij, en weer ramde hij de ander.

Met kurkdroge mond schreeuwde hij naar Bruno: ‘Je gor­del, trek je gordel aan. Ik blijf rammen tot een van ons moet opgeven of van de baan afgaat!’

‘Ja, papa, geef hem van katoen!’ klonk het enthousiast.

In de andere wagen waren ze blijkbaar geschrokken van Lie­vens’ woeste en onvoorzienbare reacties.

Maar lang aarzelde Kurilec niet. Hij draaide het raam open en joeg een kogel door de carrosserie van de Mercedes.

‘Bukken, Bruno!’ schuimbekte Lievens.

Hij was razend en weer ramde hij de ander. Deze was er ditmaal op bedacht, week snel uit en vertraagde even. Kurilec schoot opnieuw, naar de banden ditmaal. Raak. Lievens voelde dat hij de controle over de wagen verloor. Hij slingerde naar de wegrand en zette de Mercedes in het gras. Voor hem stopte de andere auto. Kurilec en de zware man liepen snel naar de Mercedes en stapten achter in.

‘Idioot!’ siste Kurilec. ‘Idioot! Je hebt je er hier prach­tig in de knoei gewerkt. En ons erbij als het wat tegenzit. Nog een paar van die reclamestunts en we kunnen wel inpakken. Denk eraan: dat kunnen wij ons niet veroorloven.’

Lievens zat roerloos achter het stuur van de Mercedes. Een verbeten koppigheid had zich van hem meester gemaakt. Hij zag mannen met een krik lopen en voelde even later de kop van de Mercedes omhoog komen. Hij wilde niet toegeven dat hij verlo­ren had, hij wilde niet terug. Weg van hier, wilde hij, met Bruno naar huis, als een klein kind dat koppig weigert te gehoorzamen. De radeloze opgejaagdheid van gevangen wild maakte zich van hem meester.

En dan, toen het wiel met de stukgeschoten band van de wagen gehaald was, startte hij plots de wagen. De steun viel om en de voorwaarts doorslaande auto verpletterde de voet van een der Tsjechen.

‘Nu is het genoeg!’ brulde Kurilec boven het gegil van de gekwetste uit en sloeg Lievens met de revolverloop hard achter het oor.


Lievens klauwde rond in een inktzwarte poel. Het was doodstil rondom. Zijn reikende handen glibberden steeds af van de gladde wanden. Tot er een licht kwam, steeds helderder en scherper. En dan een onbestemd geluid. Met golven kwam het op hem af en ebde weer weg. Steeds heviger en snel­ler. Tot het een dreunend stampen werd in zijn achterhoofd.

En dan wist hij het weer: hij zat in een auto. De tril­lende oogleden seinden vaag het beeld van een hoofd en schouders naar zijn pijnlijke hersenen door: Kurilec!

Lievens’ maag trok samen, tot hij een misselijk makende smaak in de mond proefde. De ellendelingen! Het kostte hem ontzaglijke moeite om woorden te vormen:

‘Waar is mijn zoon?’ Zijn hoofd barstte bijna toen hij zich wat meer oprichtte. ‘Waar is mijn zoon?’ herhaalde hij, ter­wijl hij een zware hand op zijn schouder voelde wegen.

Kurilec keek even om, richtte de aandacht weer op het verkeer.

‘Je zoon is weg. En het zal alleen van jezelf afhangen of hij iets te vrezen heeft. Zolang zijn vader geen dwaze streken uithaalt, zal hij niets te kort komen.’ Hij keek Lievens even aan. ‘Stommeling! Maar ik moet toegeven dat ik respect begin te krijgen voor de efficiënte manier waarop jij je stommitei­ten uithaalt. Zeer efficiënt! Ik heb dan ook mijn voorzorgen genomen, het is maar dat je het weet. Onze vriend hier heeft opdracht gekregen bij elke verdachte beweging van je, toe te slaan zonder vragen te stellen. En geloof me: hij is een vakman.’

Lievens nam de tijd om alles wat te verwerken. Hij overdacht de gebeurtenissen van die ellendig lange nacht en dag.

Zestien uur geleden zat hij nog aan tafel met zijn vrouw en de kinderen. Het leek wel weken geleden. Toch trok er even een glimlach over zijn grauwe gelaat: hij zag zijn jongste met beteuterd gezicht de kamer binnenkomen. ‘Mama, mijn broek is nat, maar je moet niet kwaad zijn hoor, ik kon er niets aan doen. Ik ben een beetje gevallen en dat gaf een schokske en daarom deed ik een beetje in mijn broek.’

Lievens zag plots de ogen van Kurilec in de autospiegel. Die keek hem aan met verbazing en achterdocht.

‘Verdomd,’ dacht Kurilec onzeker, ‘die is ook niet gauw klein te krijgen. Wat zit hij nu weer te bedenken. En hij weet dat we hem nodig hebben. Maar goed dat we de kleine bij hem weggehaald hebben.’

Voor de tweede maal die dag parkeerde hij de Mercedes achter de struiken bij de oude villa.

‘En nu geen grapjes meer!’ beet hij Lievens toe. ‘Braaf uitstappen en plaatjes kijken tot we je goede vriend van deze nacht gevonden hebben.’

De ogen van de man die een uur geleden door Lievens neerge­mept werd, blikkerden nijdig in zijn richting. Maar de asbak stond nu een tafel verder en zelf bleef hij ook op veilige afstand.

Met tegenzin bekeek Lievens de eerste foto’s.

Schuin achter hem stond de man met het kleerkastfiguur, klaar om Lievens op te vangen als die nog eens zin zou hebben in krachtpatserijen. Kurilec zat voor hem. Naast deze, maar een veilige meter verder weg van Lievens, zat de man aan wie hij de truc met de asbak getoond had. Beiden speurend naar de geringste reactie op Lievens’ gezicht.

Maar Lievens schoof het boek weer weg, keek eens lui rond en voelde aan het pijnlijke gezwel achter zijn oor.

‘Is hier geen koffie te krijgen?’

Kurilec kon een verbaasde blik niet vermijden.

Dan grijnsden ze elkaar enigszins samenzweerderig toe en Kurilec wisselde enkele woorden met de andere man. Die wreef ook eens op een welbepaalde plaats van zijn achterhoofd, waar hij een buil voelde gloeien. Hij gaf niemand anders de kans om de koffie te halen en spoedde zich de kamer uit.

Toen hij terugkwam met een kan en enkele koppen bleef hij onzeker op enige passen van Lievens staan. Deze kon niet nalaten zijn gemeenste grijns te tonen en dan met een plotse zwaai van de hand op zijn achterhoofd te wrijven. De kommen rinkelden als een deurbel. Kurilec maakte misprijzend een einde aan de kinderstreken door alles over te nemen.

In het eerste boek wees Lievens enkele foto’s aan, maar zeker van zijn zaak was hij niet. Een tweede boek leverde hetzelfde resultaat op. Bij het derde vroeg hij een sigaret en ontspande zich even.

‘Ik ben het gezicht zo ongeveer kwijt, ik wordt er blind voor na al die foto’s.’ Bijna verontschuldigde hij zich.

Kurilec rechtte ook de rug en keek hem een poosje zwijgend aan. Even verloor zijn gelaat de robotachtige trekken en met enige interesse in de stem vroeg hij: ‘Wat bezielde je vanmorgen om je eigen leven en dat van je zoon te wagen in die autorodeo?’



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina