Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina5/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

‘Ik weet het niet. Spanning en woede. Waarschijnlijk omdat ik via mijn zoon onder dwang gezet werd. Voor een normale mens is dat onduldbaar! En nu wil ik bellen met mijn vrouw. Zij zal meer dood dan levend zijn van spanning en ongerustheid. Misschien heeft zij zelfs de politie erbij gehaald.’

Kurilec overlegde met de andere Tsjech. Ze redetwistten, maar Kurilec haalde het.

‘Kom,’ zei hij ten slotte tegen Lievens, ‘we zullen bellen uit een publieke telefooncel. Als je vrouw de politie inge­licht heeft, wordt je telefoonlijn misschien bewaakt.

Ik blijf wel bij je. Geen woord over waar je je bevindt of bij wie je bent. Zeg haar dat ze rustig moet blijven. En dat je vanavond of morgen thuis zult zijn met je zoon. En herhaal nog maar eens dat ze niet mag praten met de politie.’

Kurilec draaide het nummer. Hij gaf de hoorn slechts door nadat hij er zeker van was dat hij mevrouw Lievens zelf aan het toestel had. Lievens knieën knikten even, maar hij wist zijn stem in bedwang te houden.

‘Hallo vrouwke, gaat het daar nog?’

‘Peter…!’

Lievens schrok van die klank van angst en zorg in de stem aan de andere kant van de lijn.

‘Peter, waar ben je? En Bruno?’

Lievens klemde de vingers rond de hoorn tot ze hoorbaar kraakten.

‘Meisje van mij, hou het nog even vol. Het is bijna voorbij. We maken het goed. Maakt u geen zorgen meer. Er is een kleine kans, maar daar reken ik niet erg op, dat we nog deze avond thuis zijn. Maar morgen zijn we er zeker. Hebt ge al met iemand over deze affaire gesproken? Neen? Of met de politie? Goed zo. Moet ge ook niet doen. Heb vertrouwen.’ Zijn stem stokte even en dan, fluisterend bijna: ‘Ik hou van u.’

Kurilec legde zijn vinger op de haak. ‘Genoeg zo. We gaan terug.’

Even voelde Lievens de neiging in zich opkomen om met de hoorn in dat harde gezicht voor hem te slaan. Maar Kurilec zag de spanning en zei rustig: ‘Geen dwaasheden. Blijf kalm. Denk aan je zoon.’

Lievens liet de hoorn vallen en wrong zich uit de telefoon­cel. Zwijgend liepen ze terug.
Het derde boek leverde nog twee foto’s op.

De beide Tsjechen bespraken de foto’s. Dan volgde een reeks telefoongesprekken.

Tenslotte liet Kurilec broodjes aanrukken, waarvan Lievens er een kon binnen wurgen. Hij had geen trek. De koffie smaakte hem beter.

‘Hoe moet het nu verder?’ vroeg hij.

Kurilec nam een slok.

‘Onze diensten trachten nu uit al die foto’s sommige te elimineren, omdat ze bij voorbeeld van die of die weten dat hij niet in het land is. De overblijvers zullen we dan een bezoek brengen. Het is aan jou om er die ene uit te halen die er met het kistje vandoor is. Dan begint voor ons het gevecht om het kistje terug te krijgen.’

‘En wat gebeurt er met mij?’

‘Van zodra je ons mannetje opgespoord hebt, kunnen we niets meer met je doen en ben je van ons af.’ Met enig leedvermaak naar de Tsjech met de buil kijkend voegde hij er binnensmonds aan toe: ‘… en wij van jou!’

Lievens zat de kansen te overwegen. Hij kon er wel inkomen dat ze hem zouden laten gaan. Als hij niet spoedig terugkwam, zou zijn vrouw niet te houden zijn en de politie op de hoogte brengen. En dat was iets wat die Tsjechen konden missen als de pest. Ze moesten dit spel samen spelen: zij zaten evenzeer in hun maag met hem als hij met hen.

Kurilec wees naar een zetel. ‘Rust wat uit. Het kan nog wel even duren.’

Lievens maakte het zich zo gemakkelijk mogelijk. De lange benen ver uitgestrekt trachtte hij de onwerkelijkheid van de toestand waarin hij verkeerde te vergeten. De stemmen van de bewakers klonken steeds verder af. Regelmatig hoorde hij de telefoon rinkelen, zonder dat dit evenwel tot hem doordrong of hem stoorde.

Eindelijk, uren later, konden ze er op uit.

De worstelaar, die het best de weg kende in Brussel, nam het stuur. Kurilec legde het plan uit aan Lievens.

‘Ik heb hier drie adressen en die gaan we onderzoeken. Ik bel gewoon aan en vraag naar de persoon in kwestie. Ik verzin een gesprek en jij kijkt goed uit je doppen, zodat je achteraf zeker bent of je de persoon al of niet herkende. We willen alleen weten bij welk land en welke dienst of groep hij be­hoort, zodat we kunnen onderhandelen of druk uitoefenen om het kistje terug te krijgen. Er is altijd wel iets wat de anderen graag in de plaats willen.’

Drie namen, drie adressen. Uit zovele met veel moeite en zorg uitgekozen.

Hun hooggespannen verwachting werd danig op de proef gesteld toen noch de eerste, noch de tweede deurbel enige reactie opleverde. Na herhaald aanbellen op het derde adres werd een raam geopend op een hogere verdieping.

‘Hij is er niet. Maar hij zit dikwijls in dat café daar...’

Maar meer dan een glas koel bier dat Lievens bestelde op kosten van de Tsjechische spionagedienst, bracht ook dat niet op. De getipte persoon stond rustig een biertje te drinken aan de tapkast en Lievens wist met een oogopslag dat dit niet de man was naar wie ze op zoek waren.

Kurilec las de ontgoocheling op Lievens’ gezicht.

‘Rustig maar. De anderen komen ook aan de beurt. We vinden onze man wel.’

Ze reden terug naar de oude villa.

11.
De chef deed zelf de deur voor hen open. Hij was bleek en zijn gezicht was vertrokken van spanning.

De worstelaar ging het eerst naar binnen, dan Lievens en ten slotte Kurilec. Achter elkaar, op een rij, liepen ze de chef voorbij, die er stijf als een plank bij stond. Lievens probeerde nog eens zijn grijns - plus - knipoog maar er kwam geen reactie.

Nog meer verbaasd was Lievens toen hij de worstelaar traag de handen zag opsteken. Maar dan bemerkte hij in de deur van de wachtkamer een onbekende, revolver in de hand. Hij hoorde de voordeur dichtslaan, keek om en zag achter Kurilec nog een gewapende man. Lievens wachtte niet op een uitnodiging en stak ook maar de handen omhoog.

De onbekende beval in het Duits de handen tegen de muur te steunen en dan een pas achteruit te doen, de benen gespreid.

Hij voelde een hand over zijn lichaam tasten, zoekend naar een wapen.

‘God nog aan toe!’ dacht hij, ‘wat zullen we nu weer heb­ben.’

Voorzichtig zocht hij de ogen van Kurilec, doch die staarde met een onbewogen gezicht naar de muur.

De portefeuille werd uit zijn achterzak gehaald. De man keek er even in en nam ze mee naar boven. Enkele minuten later kwam hij Lievens halen.

Daar werd hij opgewacht door een derde onbekende, blijkbaar de baas van het trio.

Op de tafel voor hem lagen enkele papieren. Lievens zag er zijn portefeuille bij liggen. Meteen bemerkte hij dat ook de asbak er terug stond.

In scherp klinkend Nederlands vroeg de man of de papieren werkelijk van Lievens waren. Lievens knikte.

Peinzend keek de onbekende hem aan, kennelijk zoekend waar hij hem kon inpassen.

Lievens zag de licht schuin staande ogen in het ronde ge­laat. ‘Die is ook al niet uit deze streek,’ dacht hij. De moed zonk hem in de schoenen toen hij meteen besefte dat dit geen Tsjechen waren, maar spionnen van weer een ander land.

‘Hoe kom ik hier met Bruno toch uit?’

Heel even bleven zijn ogen haken aan de zware asbak – zijn asbak - die daar op tafel stond, bij zijn papieren.

Het versteende Mongoolse gezicht voor hem spleet open.

‘Wat doe je hier? Wat heb jij met onze vrienden, de Tsje­chen, te maken?’

‘Zij denken dat ik iemand voor hen kan herkennen. Zij hebben mij gedwongen mee te komen.’ Lievens was doodsbang zich vast te praten. Tegen beter weten in hoopte hij dat de Mongool hem kwijt wilde en hem zo snel mogelijk zou loslaten. ‘Kon ik hem maar op het idee brengen dat ik niets voor hem kan doen, dat ik hem een blok aan het been ben.’

Beneden klonk plots een schreeuw en gestommel. Er kraakte een schot, nog een… De man die Lievens naar boven gebracht had, snelde naar buiten, de revolver in aanslag. Ook de Mongool was opgesprongen en kwam achter de tafel uit.


En weer greep Lievens de asbak.

Keihard trof hij de Mongool schuin op het hoofd. Nog voor de man wankelde, trof hem al een tweede slag. Hij struikelde, viel, bleef stil liggen.

Lievens griste de revolver van de grond en sprong naar de half openstaande deur maar bedacht zich meteen en liep naar de achterkant van de kamer.

Beneden was het nu stil.

Voorzichtig, zover als mogelijk weg van de deur, loerde Lievens door de opening.

Hij zag een stuk van de trap… dan verscheen langzaam een hoofd… schouders… een revolver… Voor Lievens kon reageren, sloeg een kogel in de muur achter zijn hoofd.

Nog een schot. Stukken hout splinterden van de deur, die nu helemaal openzwaaide.

Lievens liet zich plat op de grond vallen en zag een gedaan­te in razendsnelle sprongen de trap opkomen.

Het was Kurilec.

Lievens wierp zijn revolver in de deuropening.

Kurilec kwam binnen en zag Lievens traag oprijzen aan de andere kant van de kamer.

Een grimmig lachje verbrak even de spanning op zijn gezicht, toen hij de Mongool zag liggen, met ernaast de asbak.

‘Efficiënt, zeer efficiënt’ knikte hij Lievens toe. Hij knielde bij de man op de grond en onderzocht hem vluchtig.

‘Niet dood.’ Hij zei het rustig. ‘Niet dood. Hij haalt het wel.’

Lievens voelde het bloed wegtrekken uit zijn gezicht. De knieën waren zo slap dat hij steun moest zoeken op een stoel­leuning.

‘Bijna heb ik een mens gedood!’ Die gedachte trof hem als een mokerslag. Hij schudde Kurilec bij de schouders. ‘Laat ons gaan!’ huilde hij. ‘Laat mij en mijn zoon hier weggaan. Nooit zal je nog iets van ons horen!’

Kurilec rukte zich los.

Lievens raakte nog meer in paniek, tot hij een stomp in zijn maag kreeg en misselijk op een stoel zakte.

Kurilec had een harde opleiding gehad, waar geen plaats was voor medelijden. Toch voelde hij een zekere sympathie voor deze man, die daar nu versuft op de stoel hing.

‘Kom.’ Hij trok Lievens aan de arm. ‘Kom, ik kan je nu nog niet laten gaan. Maar deze plaats moeten we wel verlaten. En zo snel mogelijk. We kunnen het risico niet lopen hier nog langer te blijven.

Misschien is de politie al op weg hierheen of is er verster­king op komst voor de anderen. Het zijn Russen. Andere mannen van ons moeten hier maar voor zorgen. We zullen naar de plaats gaan waar ook je zoon is. En ik reken op je medewerking. ‘

Lievens knikte.

Een grote onverschilligheid bekroop hem, voor alles wat rondom hem of met hem gebeurde. Hij was zijn hersens niet meer meester. Hij wist alleen dat hij naar zijn zoon toeging. Als in een droom wankelde hij de trap af en was nauwelijks verbaasd beneden twee, drie lichamen op de grond te zien liggen in een onnatuurlijke houding. Hij schrok op toen hij de Hollander herkende.

Kurilec bemerkte zijn aarzeling.

‘Had die maar zijn job goed gedaan. Had die het derde kistje maar meegenomen…’ mompelde hij en duwde Lievens verder.

Buiten zag hij de man met het korte grijze haar terug. Hoewel hij hem pas gisteren voor het eerst gezien had, was het alsof hij een oud bekende ontmoette. Samen met de chef en de worstelaar speurde hij de omgeving af. Kurilec praatte zacht tegen hen en wees daarbij naar boven. De drie mannen haastten zich het huis terug binnen en sloten de deur.

‘Het zou mij niet verwonderen dat de Russische beer ook al achter die kisten aanzit,’ dacht Kurilec hardop.

Maar Lievens reageerde niet meer.


Totaal verbijsterd zat hij naast Kurilec in de Mercedes. Deze moest nu en dan stoppen om de plattegrond te bekijken. Ten slotte parkeerde hij de wagen in een tamelijk drukke straat. Lievens had een duw nodig om uit te stappen.

‘Kom. We zijn er.’

Kurilec had de wagen een honderdtal meter ver van het huis moeten parkeren om een vrij plaatsje te vinden. Tevoet liepen ze terug en Kurilec verbaasde zich weer over de snelheid waarmee die lange man naast hem zijn veerkracht terugvond, enkel en alleen omdat hij zijn zoon zou weerzien.

Ze liepen een nieuw huizenblok voorbij. Bij het daaropvol­gende huis drukte Kurilec op de bel, die ze ergens diep in het huis hoorden overgaan. Maar verder niets.

Kurilec bekeek het huisnummer en duwde nog eens op de knop, nu wat langer.

Geen reactie.

De deur stond op een kier, een centimeter uit het slot. Kurilec zwaaide de deur helemaal open en ze gingen naar bin­nen. Argwanend sloot hij de deur achter Lievens.

‘Wacht hier. Ik vertrouw het niet helemaal. Ik wil eerst eens rondkijken.’

Lievens zag hoe Kurilec het hoofd even in de kamers stak en steeds gejaagder naar de volgende deur rende.

Hij ging naar boven, deuren sloegen open en dicht op het eerste verdiep. Kurilec verscheen aan de trap.

‘Niemand! Ik zal de bovenverdieping nog eens bekijken. Mocht er ondertussen iemand aanbellen, doe niet open, dat zal ik zelf wel doen. Hoor je een sleutel in het slot steken, roep het mij en verberg je in een van de kamers.’

Lievens werd ongerust en bang. Zijn hart kromp telkens ineen wanneer hij Kurilec een kamerdeur hoorde dichtgooien zonder iemand te hebben gevonden.

Eindelijk kwam Kurilec terug en samen gingen ze een kamer binnen die als bureau was ingericht.

‘Onmogelijk!’ zei Kurilec ten slotte. ‘Hier klopt iets niet. Een huis als dit mag nooit alleen gelaten worden, zelfs niet voor het paar minuten, dat nodig is om een pakje sigaretten te halen. Hier is iets ongewoons aan de hand.’ Hij nam de hoorn van de telefoon, maar kreeg geen zoemtoon. Kurilec verstrakte… sprong op… Gejaagd greep hij Lievens bij de arm en trok hem mee.

‘Wegwezen!’ siste hij en stormde de kamer uit.

In de smalle gang naar de voordeur bleef hij zo plotseling staan, dat Lievens tegen hem aanbotste.

Voor hen stonden twee mannen met getrokken revolver.

Zonder aarzelen sprong Lievens in de erker waar de trap begon en vloog naar boven.

Hij struikelde toen iets hard aan zijn schoen rukte, maar de oorverdovende knal die ermee gepaard ging deed hem opveren en verder springen. Onmiddellijk daarna volgden nog enkele los­barstingen, die in de smalle trapzaal als een ratelende don­derslag dreunden.

Bij de bocht van de bovenste treden keek Lievens even schichtig achterom en zag Kurilec beneden op de grond liggen, een man stapte over hem heen. De tweede man stond al aan de voet van de trap en richtte zijn revolver naar boven.

Lievens was de bocht om toen het schot viel. Hij rende de tweede trap op, dan de derde. Hoger kon niet.

Hij zag enkele deuren, rukte en duwde eraan, maar ze waren allen op slot. Verschrikt bleef hij staan en dwong zich even te luisteren, maar hij hoorde alleen het bonzen van zijn hart.

Sluipend waagde hij zich terug naar de balustrade. Door het trapgat zag hij nog juist de rug van iemand die voorzichtig de draai naar de tweede trap wilde nemen.

‘Ze weten niet of ik gewapend ben en durven daarom niet zonder meer naar boven stormen,’ flitste het door zijn hoofd.

Hij ramde een deur met de voet.

Hij zette er zijn haast honderd kilo zware gewicht achter en het slot sprong uit de oude sponning toen de deur krakend openzwaaide.

Hij zag een dakraampje, duwde het open en wrong zijn lange lijf erdoor. Gejaagd zocht hij een uitweg.

Links liep de goot tientallen meters ver over andere huizen heen.

Dan niets meer.

Rechts liep de goot dood tegen de gevel van het nieuwe huizenblok.

Hij zag de spijlen van een hoekbalkon. Dat was zijn kans. Hij rende de twee à drie meter door de dakgoot.

De borst tegen de zijgevel drukkend, de vingers krampach­tig gehaakt achter een stukje cement in de ruwe voegen, kon zijn reikende linkerhand juist de eerste spijl van het balkon­netje bereiken. Hij zwaaide de rechterhand erbij en zwierde een ogenblik - het leek hem een eeuwigheid - met de voeten in het ijle, maar dan kon hij zich ophijsen.

Langs de brandladder rammelde hij naar beneden. Ondertussen keek hij even naar omhoog en zag een hoofd en schouders boven de dakgootrand.

Toch bereikte hij ongedeerd de begane grond op een binnen­plaats met autoboxen en van daar kwam hij in een drukke winkel­straat.

Even moest hij steun zoeken. De ogen gesloten leunde hij enkele tellen met het verhitte voorhoofd tegen het koele glas van een winkelraam.

Zijn hart bonsde in de keel en fluitend hijgde zijn adem door het strottenhoofd.

Hij dwong zich in beweging en struinde enkele passen verder, tot hij het lichaam wat onder controle kreeg en de gedach­ten kon ordenen. Traag liep hij de straat uit.
Ten slotte waren zijn hersenen in staat enkele ideeën op een rijtje te zetten. De basisgedachte was zeer eenvoudig, maar in haar eenvoud zo sterk en alles overheersend dat ze normaal redeneren bijna onmogelijk maakte voor de ontredderde Lievens.

‘Ik moet Bruno terugvinden!’

Waar kon hij ook maar het geringste spoor vinden en volgen om in de omtrek van zijn zoon te geraken. Zelfs het uitzicht van de oude villa kon hij zich slechts met moeite voor de geest halen. Maar dat liet er hem aan denken dat hij zich niet te ver mocht verwijderen van het huis waaruit hij zo fortuin­lijk ontsnapt was. Hij keerde op zijn stappen terug, in een opwelling van schrik dat hij de weg zou kwijt raken.

‘Ik moet Bruno terugvinden. Dat kan alleen bij de Tsjechen!’

Hij was weer in de straat aan de achterkant van het huis. Van zodra hij de hoek om kwam werd hij bevangen door besluiteloosheid. Het huis zoog hem aan als een magneet, maar hij wist langs geen kanten wat hij moest aanvangen.

‘Ik moet Bruno terugvinden. Dat kan alleen bij de Tsjechen. Hoe geraak ik daarmee in contact? Hier ken ik alleen Kurilec, maar die is onbereikbaar of misschien wel dood!’

Hij had de straat al enkele malen op en af gelopen, telkens opnieuw met spiedende blikken, zelfs naar de dakgoot. Er was geen teken van leven te bespeuren, enigszins tot zijn opluchting, hoewel hij er op uit was contact te krijgen met de Tsjechen. Al moest hij daarvoor hun vijanden volgen. Even dacht hij er aan om toch maar op zoek te gaan naar de oude villa, om hulp te vragen aan de grijze met het korte haar. Hij kon zich echter niet losmaken van de nabijheid van dit huis. Voor zijn zoeken­de zinnen was dit iets waar zij zich direct konden aan vast­klampen. Hij wist dat het een dwaas gevoel was, dat hij met de voeten in het ijle trappelde.

‘In die villa kan ik mij niet vertonen. Misschien kan ik beter naar de Tsjechische ambassade gaan? Wat kan er dan zoal verkeerd lopen? Ik vrees dat alles kan verkeerd lopen. Is er wel iets, in heel deze zaak, dat goed verlopen is? Verdomd, ik moet Bruno terugvinden, koste wat het wil. En dat kan alleen bij de Tsjechen. Maar als ik naar de ambassade loop en daar met mijn vertelling afkom, is er een grote kans dat ze er geen fluit van geloven. En als iemand het wel geloven wil, kan ik er donder op zeggen dat hij er bij betrokken is, met of zonder medeweten van de officiële staf.’

Lievens bereikte een zijstraat, liep die door, sloeg de hoek om en kwam zo terug bij het huis dat hij ontvlucht was. Nu liep hij op de straat aan de voorkant, nog meer onrustig dan voorheen.

Hij liep naar de overzijde, sloop enkele keren de straat op en af, spiedend naar enige beweging in het huis.

Niets. Niemand kwam het huis uit of ging naar binnen.

12.
De geur die hem tegenwaaide telkens hij een snackbar passeerde, bracht hem op het idee zich daar te verschuilen. Hij berekende dat hij het huis aan de overkant in het oog kon houden als hij een tafel nam aan het meest rechtse raam en stapte naar binnen.

Het broodje smaakte hem niet, hij wist niet eens dat hij aan het eten was, maar het deed hem toch goed zijn maag wat te vullen. Hij bestelde nog een koffie en betaalde, zodat hij vlug weg kon, indien nodig.

Het water drupte nog uit de filterkop toen hij de deur aan de overkant zag opengaan, heel langzaam, twintig, dertig centimeters ver.

Dan smakte ze weer dicht. Niemand was binnen gegaan of buiten gekomen.

Terwijl hij de filter van het kopje nam, week de deur geen seconde van zijn netvlies. Werktuiglijk slurpte hij de gloeiend hete koffie.

Heel langzaam draaide de deur weer open. Tot zij ten slotte helemaal openzwaaide.

Zwaar leunend tegen de deurstijl verscheen Kurilec. Lievens sprong op en haastte zich naar buiten.

Kurilec stond nog steeds in de deuropening, maakte zich los van de deurstijl, maar zwaaide zo op de benen dat hij met de borst tegen de deurpost terugviel.

Verbijsterd zag Lievens hoe hij traag op een knie zakte, dan wat opzij boog en in de gang tegen de muur ging zitten.

Aarzelend stak Lievens de straat over, keek eerst schichtig om zich heen en dan loerde hij in de schemerklaarte van de gang.

Hij zag Kurilec zitten, lusteloos, recht voor zich uit starend.

Hij bespeurde geen verdere beweging in het huis, onderdrukte zijn schrik en haastte zich naar binnen.

Gejaagd schudde hij de schouder van Kurilec.

‘Kurilec,’ fluisterde hij hees, ‘Kurilec, waar is mijn zoon? Waar is Bruno?’

Kurilec keek Lievens moeizaam aan. Zijn oogleden trilden. Even kwam er een blijk van herkenning, dan vielen de ogen weer dicht.

‘Uit.’ rochelde het in zijn keel. ‘Het is met mij gebeurd.’

Lievens hoorde iets reutelen, diep in het lichaam van Kuri­lec. Deze lispelde enkele woorden in het Tsjechisch.

‘Hij sterft.’ dacht Lievens en nam de hand van Kurilec.

Enkele ogenblikken bleef hij zo zitten. Hij voelde de druk van Kurilecs hand toenemen. De kin kwam wat vooruit en de stijve lippen stamelden enkele lettergrepen, steeds dezelfde. Lievens kon er niets uit opmaken, maar hij voelde Kurilecs opwinding.

En plots meende hij te begrijpen.

‘Munchen...koffer...’

‘Munchen,’ herhaalde Lievens. Kurilec knikte.

‘Schonestrasse...ecke...Schonecke...’

‘Schoneckestrasse!’ Kurilecs ogen knipperden even.

‘Sieben...sechzig...’

‘Is mijn zoon daar?’

‘...koffer...’

‘Kurilec, is mijn zoon daar?’

Kurilec richtte zich wat op, keek Lievens even aan. De bittere trekken op zijn gezicht werden scherper, als gekerfd, tot ze doorsneden werden door een moeizame en spot­tende grijns. De ogen keken dwars door Lievens…

Hij zakte in elkaar.

Lievens huiverde. Hij voelde de dode hand van Kurilec klem­mend rond de zijne. Het huiveren werd een onbedaarlijk rillen. Kokhalzend van afkeer rukte hij zich los en sprong op. Met een zwaai van het hoofd scheurde hij zijn blikken los van die waterige ogen en strompelde dieper het huis in.

Aan de voet van de trap zag hij nog een lichaam. Panische angst besprong hem en dreigde hem te verstikken.

In flitsende beelden zag hij weer het lijk van de Hollander. En de lijken van de twee Russen in de oude villa. En hier, nog twee doden.

In godsnaam, in wat voor wereld was hij terecht gekomen?

Hij wendde zich af van de dode lichamen en staarde naar de muur.

Dan borrelde, ergens diep in zijn achterhoofd, de stem van Kurilec naar hem op.

‘Schoneckestrasse zevenenzestig, Munchen!’

Lievens maakte zich los uit zijn verstijving en dwong zich­ alles te vergeten wat hij zoeven gezien had. Hij stapte naar buiten.

De avond was al gevallen. De straat lag er verlaten bij, op de Mercedes na, die daar eenzaam langs het trottoir stond.

Even aarzelde hij. Dan bedwong hij zijn tegenzin, ging het huis terug binnen en haalde de sleutels uit de zak van Kuri­lec. Hij verliet het huis en trok zorgvuldig de deur in het slot.

De Mercedes startte moeiteloos.


Doelloos reed hij door de stad, drukke verkeersaders mij­dend. Hij stopte bij een park en zocht een bank op aan de vijver.

De drang om alles op te geven en naar huis te gaan deed zijn hoofd tollen, maar gekweld als hij werd door de zorg om Bruno, dwong hij zich om door te zetten. Hij trachtte zijn gedachten te ordenen. Misschien was het nu toch wel beter om de politie erbij te halen. Maar het probleem was dat hij niet wist wat er dan met Bruno zou gebeu­ren, onverschillig of die nu bij de Tsjechen of bij de Russen vastgehouden werd.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina