Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina6/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Naar de ambassade gaan, had ook geen zin, want zowel bij de Russen als bij de Tsjechen zat er een lek, dat had hij intus­sen wel begrepen.

Weer hoorde hij de laatste woorden van Kurilec:

‘Schoneckestrasse… Munchen. Wat was de betekenis, wat had Kurilec hem willen zeggen? Een adres. Maar van wie of wat?

Onwaarschijnlijk dat Bruno daarheen gevoerd werd. Er was geen reden om hem zover weg te brengen. Nee, dat was zin­loos.

‘Koffer…!’ schoot hem plots te binnen. Wat zou hij daarmee bedoeld hebben? Misschien het kistje, een ander woord voor hetzelfde. Moest hij het kistje naar Munchen brengen?

Hij speelde met de autosleutels tot dit hem op een ander idee bracht.

De Mercedes, de koffer van de Mercedes… die moest hij onderzoeken!

Dan dacht hij weer aan zijn vrouw en herinnerde zich de belofte nog deze avond of morgen thuis te zijn, met Bruno.

Zonder Bruno wilde hij niet naar huis. Hij was bang voor de ogen van zijn vrouw, voor de angst die hij in haar blik zou vinden. En voor wat zij in zijn ogen zou ontdekken.

Hij drong de opkomende wanhoop terug. Kon hij nu maar iemand om raad vragen. Hij besefte dat hij nu in dezelfde doffe, verstikkende ellende leefde als zovele mannen en vrouwen voor hem, wie ook een zoon of dochter ontstolen werd. Ook zij hadden een keuze moeten maken: halen we er de politie bij, ja of nee?

En hij wist dat hij, en hij alleen, die vraag moest oplos­sen, niemand kon dit voor hem doen.

Een sprankeltje hoop straalde er voor hem op bij de gedachte dat hijzelf misschien nog van belang kon zijn voor diegenen die zijn zoon gevangen hielden.

Samen met de moed die hij zichzelf opdrong, kwam er een zekere kalmte in zijn koortsige hersenen.

Zijn schouders zakten iets minder door, terwijl zijn ogen enkele teugen dronken van de rust die over de vijver hing.


Hij besloot eerst en vooral te telefoneren naar zijn vrouw, om haar in grote trekken te vertellen waar het over ging en wat hijzelf te weten was gekomen. Hij huiverde bij het overdenken van de laatste gebeurtenis­sen en besloot maar niet over de doden te spreken.

‘Moord en doodslag bestaan niet in haar wereld! Zij weet niet dat we te maken hebben met mensen die er geen normale levenswaarden op na houden.’

Op goed geluk af toerde Lievens rond tot hij een telefooncel vond.

Nog terwijl hij het nummer draaide besloop hem een blinde vrees, een soort onmacht om dit alles voor zijn vrouw onder woorden te brengen. En wat hij het meest vreesde was dat zijn vrouw de diepe ongerustheid en zorg zou ontdekken in zijn stem. De hoorn werd een klomp lood in zijn hand en zijn vinger liet de kiesschijf glippen. Werktuiglijk hing hij de hoorn terug op de haak. Minutenlang stond hij daar zo, de armen slap langs het lichaam, niet wetend hoe of wat.

‘Ik rij naar huis!’ priemde het door zijn hersenen. Hij voelde een onweerstaanbare drang om zijn vrouw tegen zich aan te drukken. Haar lichaam te voelen met de tastzin van zijn hele lichaam, zijn gezicht te verstoppen in de holte van haar hals, alles vergetend.

Hij rukte zich los uit de benauwdheid van de telefooncel en haastte zich terug naar de auto.


Later herinnerde hij zich niets van de rit terug. Pas op het ogenblik dat hij plots besefte dat hij al de ring rond Antwerpen bereikt had, herwonnen zijn hersens hun volle toe­rental. Ergens achter in zijn hoofd begon een rood lampje te knipperen, steeds sterker: Gevaar!

Hij minderde vaart en zocht koortsachtig naar de reden of de oorzaak van dat gevoel. Hij rook als het ware het gevaar. En plots werd het hem duidelijk waarvoor hij zo bang was:

De Mercedes!

In grote lichtende letters zag Lievens het voor zich. Hij kon nog juist de neiging onderdrukken om bovenop het rempedaal te gaan staan.

De Mercedes! De inhoud van de andere twee kisten zat ergens in de Mercedes verborgen… In de koffer!

Nu was het verhaal zonneklaar voor Lievens. De Mercedes was de wagen van Kurilec. Met een Duitse nummer­plaat werd de wagen van Tsjecho-Slowakije naar Duitsland ge­bracht om de geheimzinnige inhoud van die drie kisten op te halen. Twee kisten kwamen terecht waar ze moesten zijn, maar het kleine kistje bleef achter in Antwerpen. Met alle gevolgen van dien, voor hem en Bruno.

De Tsjechen waren nu niet alleen het derde kistje kwijt, samen met Kurilec en de Mercedes was alles voor hen verdwenen!

Lievens voelde zweet in de handpalmen en op het voor­hoofd. En toch had hij het koud, ijskoud. Hij besefte dat alles van voorafaan zou herbeginnen: het dreigen en slaan, het onderhandelen en touwtrekken, met zijn zoon als onderpand.

Via de grijze uit de oude villa zouden ze weten wie er met de Mercedes verdwenen was en waar ze die konden te pakken krijgen. De grijze wist waar hij woonde, ze zouden er op rekenen dat hij naar huis ging en hem daar opvangen. En dat wilde Lievens absoluut vermijden.

Bij de eerstvolgende uitrit verliet hij de snelweg, bang dat zelfs daar iemand op de uitkijk zou staan, en doorkruiste de voorsteden van Antwerpen. Voortdurend betrapte hij er zich op dat hij in de spiegel uitkeek naar achtervolgers.

‘Dit is erger dan een spionagefilm,’ dacht hij paniekerig.

In een stille straat stopte hij tussen enkele geparkeerde wagens om te overleggen wat hem te doen stond. De wildste beelden uit televisiefeuilletons flitsten door zijn kop. Maar dat bracht hem nog meer in verwarring. Tot hij weer wat rede­lijker kon nadenken.

Hij besloot langs zijwegen naar huis te rijden en het laat­ste stuk te voet af te leggen. Zijn plan nam vastere vorm aan naarmate hij dichter zijn doel naderde.
Langs het Albertkanaal wist hij een plaatsje waar lijnvis­sers hun wagen achterlieten. Daar verborg hij de Mercedes in het kreupelhout. Hij wist drommels goed dat de Mercedes zijn laatste ruilmiddel voor Bruno was en hij was vast van plan die troef goed te beschermen.

‘Maar ook ik moet uit hun handen blijven. Des te minder vat zij op mij hebben, des te meer waarde heeft Bruno voor hen als ruilmiddel. Dus zullen zij Bruno zeker goed beschermen en bewaken tegen de Russen.’

Hij bedacht dat ook zijn vrouw en de andere kinderen in vei­ligheid gebracht moesten worden.

Er lag een grimmige trek op zijn gezicht toen hij de Merce­des achterliet. Enkele kilometers verder lag zijn huis en hij zorgde ervoor het van de achterkant te naderen.

Enkele meters voor hij de tuin bereikte, volgde hij een Indianenpad dat de kinderen gemaakt hadden tussen de rododen­dronstruiken. Zijn ogen waren droog, maar innerlijk huilde hij toen hij het grasperk bereikte dat zijn huis omgaf. Hij dorst de beschermende struiken niet zomaar te verlaten.

Minutenlang stond hij daar, luisterend.

Zijn vrouw was nog niet gaan slapen, want hij zag nog licht­strepen door de rolluiken van de woonkamer.

Hij overwoog rustig de mogelijkheden om het huis te bereiken zonder gezien te worden.

Beschermd door de hoge struiken kroop hij langs het gras­perk. Op die manier lukte het hem drie zijden van het huis af te speuren.

Alles leek normaal.

Hij liep het grasperk op, maar na twee passen trof een nieuwe vrees hem met de hevigheid van een blikseminslag: ‘Als ze mij maar niet binnen zitten op te wachten!’

Voorzichtig trok hij zich terug en bereikte door de struiken een andere straat. Verderop wist hij een telefooncel.

Een vastberaden kalmte dreef elk paniekgevoel uit zijn geest. Hij besefte dat hij nu de goede kaarten in de hand had: zaak was ze te behouden tot hij zijn slag kon binnenhalen.
Op het moment dat hij de hoorn hoorde opnemen aan de andere kant van de lijn, klonk zijn stem hees maar zeer beslist:

‘Hallo meisje, Peter hier.’

‘Peter, waar ...’

‘Luister eerst naar mij. Zijt ge alleen?’

‘Ja. De kleintjes liggen pas in bed en de groten zijn in hun kamer. Hier is nog niemand geweest. Maar wat is er aan de hand? Is het nog niet in orde?’

‘Luister goed. Ik ben in de telefooncel aan de Lindelei. Ik durf niet naar huis te komen, misschien wordt het huis be­waakt. Gij moet daar weg met de kinderen, al was het maar voor een paar dagen. Neem mijn wagen, laadt het hoognodige in de koffer en laat de kinderen binnenin plat op de vloer of op de kussens gaan liggen. Zorg er vooral voor dat ze niet gezien worden. Laat de garagedeur openstaan na je vertrek. Dat geeft de indruk dat ge niet lang weg zult blijven.

Het is nu acht uur. De supermarkt is nog open tot negen uur. Rij daar heen. Parkeer de wagen ergens voor het restaurant, waar er niet teveel licht is. Maar rij eerst tweemaal de parkeerplaats rond dan kan ik zien of ge gevolgd wordt. En denk erom, hou de kinderen verborgen, hoe hard ze ook protesteren. Wacht twee minuten nadat je de wagen geparkeerd hebt. Ben ik dan nog niet bij u, dan betekent het dat ge gevolgd wordt. In dat geval rijdt ge rustig weg. Naar tante Maria in Berchem. Bij haar in het klooster is er plaats genoeg en ge zult er veilig zijn. Zeg niet waarom ge daar aan komt zetten of geef ze anders te verstaan dat ge er nog niet over wilt praten. Als ze denkt dat we ruzie gemaakt hebben, laat ze dan maar in die waan. Dan zal ze zeker heel discreet zijn tegen de andere nonnetjes. Herhaal nu eens wat ge doen moet… ‘

13.
Toen Bruno Lievens zag hoe Kurilec na de mislukte ontsnap­pingspoging zijn vader neersloeg in de auto, stortte zijn wereld ineen. De opwinding om zijn vader als een superman de strijd te zien aanbinden met spionnen, had plaats gemaakt voor doffe neerslachtigheid.

Hij had gezien hoe zijn vader Kurilec neergeslagen had met de asbak en daarna had hij het afgrijselijke schuren en kraken van de wagens meegemaakt tijdens de rodeo op de snelweg. Nu lag zijn vader met hoofd en borst op het stuur, de armen slap langs het lichaam.

Willoos liet Bruno zich uit de auto halen en naar de andere wagen brengen, die even later wegreed. Hij keek niet eens om.

En toen ze hem onder de hoede stelden van een oude man, ging hij gewillig mee, drie trappen hoog, naar een kleine zolderka­mertje.

Hij liet zich languit op het bed vallen, het gezicht in de kussens. De man had zich in een oude zetel geïnstalleerd, blij dat de jongen zo stil bleef, maar toch klaar om in te grijpen als zijn klant lastig zou worden.

De eerste uren waren rimpelloos verlopen. Toen beneden stemmen schreeuwden en deuren sloegen, liep de man met snelle en onhoorbare passen naar de traphal.

Hij was een rasechte Brusselaar, maar meer dan twintig jaar dienst bij de Tsjechen hadden hem toch een mondvol van hun taal geleerd. Nu echter werd er niet geroepen in het Tsje­chisch. Dit was een vreemde taal. Russisch?

Haastig trok hij zich terug, sloot de deur en draaide de sleutel om. Hij rukte de jongen van het bed en duwde hem op de grond.

‘Vlug! Kruip onder het bed! Er zijn Russen in huis! Vlug! Vlug!’

Snel streek hij de dekens van het bed glad en wrong zich naast Bruno onder het bed. Het vlokkige stof prikkelde hen in de neus.

‘Als de deur ingetrapt wordt, moet je stil blijven liggen, jongske. Ze verwachten niet dat hier iemand is, dus zullen ze maar even rondkijken.’

Het rumoer beneden verstomde echter even plotseling als het opgekomen was.

Toen minuten later nog steeds geen teken van leven te horen viel, gleed de oude voorzichtig onder het bed vandaan.

Behoedzaam schoof hij naar de deur, die hij van het slot deed en opende. Hij luisterde nog eens en waagde zich dan tot bij het trapgat.

Het bloed stolde in zijn aderen toen hij bovenop het hoofd keek van een vreemde man die beneden door de gang sloop.

‘Een wachtpost…’ schoot het door zijn kop. ‘Misschien hebben ze iedereen uit huis gehaald en wach­ten ze nu…’

Geruisloos sloot hij de deur achter zich en kroop weer onder het bed.

‘Hei jongske, hoe heet ge?’

‘Bruno, Bruno Lievens.’

‘Hoe komt ge hier terecht?’

‘Ik weet het niet. Ze hebben mijn vader gevangen genomen.’

‘Wie?’

‘De Tsjechen. Hij moest iemand zoeken die een kistje heeft dat van hen is.’



‘En de Russen? Zoeken die ook naar het kistje of naar je vader?’

‘Ik weet het niet.’

Beneden hoorden ze weer deuren slaan. Haastige stappen kwamen naar boven. Weer slaande deuren De stappen kwamen de tweede trap op. Roerloos onder het bed hoorden ze op de tweede verdieping deuren open en dicht gaan.

De voetstappen verwijderden zich echter weer en onder het bed herademden de verstekelingen.

Plots hoorden ze weer iemand de trap opstormen, en ver­schrikt hoorden ze schoten knallen. De roffel van voeten kwam steeds hoger, tot voor hun deur.

Een seconde was het stil.

Dan een oorverdovend gekraak toen de deur ingetrapt werd.

Verdoofd van schrik zagen ze rennende voeten het bed passe­ren.

Uit de geluiden konden ze duidelijk opmaken dat de man het dakraam opende, op het dak kroop en via de goot wegvluchtte.

Enkele ogenblikken stilte, net genoeg om eens diep adem te halen.

Dan hoorden ze opnieuw voetstappen, voorzichtiger ditmaal, de trap opkomen en na een seconde dralen voor hun deur kwamen die eveneens de zolderkamer binnen en liepen dan naar het raampje.

Ook die man wrong zich door het raam, maar kwam even later terug. De onbekende liep dan naar de deur en riep iets in het Russisch. Van beneden kwam een kort antwoord, de voetstappen verwijderden zich en het geluid van de stappen stierf weg.

Een eeuwigheid lang bleven ze daar nog liggen, tot de oude het niet langer kon harden en moeizaam onder het bed uit schoof.

Lang luisterde hij bij het open deurgat, maar zijn oren vingen niets meer op.

‘Kom er maar uit, jongske,’ zei hij tenslotte. ‘Maar stil zijn. We blijven hier rustig zitten tot vannacht. Dan zal ik eens naar beneden gaan.’

Voorzichtig de kapotte deur ontwijkend schoof hij tot aan het trapgat… En weer schrok zich bijna een verlamming toen hij stemmen hoorde beneden, gejaagd sprekend, in korte zinnen. Hij kon er niet veel uit opmaken, dacht wel dat het Duits was… Strasse… Strasse…

Hij wilde maar wat graag eens door het trapgat loeren, maar waagde het niet zich zover bloot te geven en stil keerde hij terug naar de kamer met de jongen.

Dan viel de voordeur in het slot. En nog een half uur later drongen weer stemmen tot hen door, hij dacht er enkele van te herkennen. ‘Tsjechen!’ riep de oude verheugd.

Behoedzaam sloop hij tot bij de trap en was helemaal gerust­gesteld. Zo goed en zo kwaad als het ging sloot hij de zolder­kamer af en slofte naar beneden, nieuwsgierig om eindelijk vernemen wat hier gaande was.

14
Lievens had de hele weg naar de supermarkt flink doorge­stapt. Die stevige wandeling had zijn gemoed helemaal gezui­verd en opgefrist.

Nu stond hij daar in de duisternis tegen de muur van het restaurant en voelde een tinteling in zijn bloed. Dezelfde tinteling van jaren geleden, toen hij nog padvinder was. Toen was het slechts een spel, hoe hard en vermoeiend soms ook, maar zijn inzet was even totaal als nu.

Zijn ogen volgden aandachtig de wagen, tot die achter het gebouw van de supermarkt verdween. Toen de wagen aan de andere kant weer tevoorschijn kwam trok hij zijn hoofd even tussen de schouders, want er reed een tweede auto achter de Chevrolet.

De spanning siste weg tussen zijn tanden toen hij zag dat de andere wagen rechtdoor reed en de parkeerplaats verliet.

Nog eens reed de Chevrolet achter het gebouw langs en stopte dan voor het restaurant.

Lievens wachtte een paar ogenblikken en ging er toen op af, gebukt tussen rijen geparkeerde auto’s.

Zijn vrouw schrok toen hij daar plots naast het raampje op­dook. Zij schoof opzij en in een oogwenk zat Lievens achter het stuur.

Langs de uitrit voor vrachtwagens aan de losplaats van de supermarkt verliet hij het terrein. In kalme vaart reed hij naar het klooster in Berchem.

De hand van zijn vrouw lag stevig in zijn vrije hand. Steeds opnieuw kneep hij en voelde de druk van haar hand als ant­woord. Hij liet zich meevoeren door de opgewonden vragen van de oudsten en de schrille stemmetjes van de kleinsten. Hij zag de tranen op de wangen van zijn vrouw. En vele, vele vragen in haar ogen. Hij knikte even met zijn kin naar de kinderen.

Straks, als we alleen zijn, gebaarde hij.
Het tijdloze zustertje dat de deur voor hen opende, was niet weinig verbaasd zo laat op de avond nog een hele familie te zien binnenkomen. En nog meer verbaasd was ze toen ze de bezoekers herkende.

‘Maar meneer Lievens! Er is toch niets ergs gebeurd? Zo laat op de avond nog op bezoek komen! Maar kom toch binnen! En de kleintjes zijn er ook bij! Wel, wel, wel!’

Ze ratelde aan een stuk door.

‘Weet zuster Maria van uw komst? Ze is nog in de keuken, denk ik. Ik zal haar vlug gaan halen. Kom, ga hier maar binnen. En groot dat ons Noortje al geworden is. En Tina! Wel, wel, wel. Krijgt de zuster geen handje? Ik zal tante nonneke rap gaan roepen hoor!’

Snaterend haastte ze zich weg.

Tante Maria was een zeer lieve dame, met een praktische kijk op de zaken. Ze doorzag snel dat haar neef weinig uitleg wilde geven. Maar ze voelde even snel aan dat haar neef in nood verkeerde.

‘Ik zal er eens met moeder overste over spreken. Ge kunt hier zeker enkele dagen blijven. Er zijn altijd kamers vrij in de retraiteafdeling. Maar willen jullie eerst wat eten?’

Lievens kreeg op slag een wee gevoel in zijn maag.

‘Ja, graag!’ stamelde hij.

Het verschil tussen de brutale wereld waar hij enkele uren geleden aan ontsnapte en deze devote rustige wereld was te groot voor hem.

Toen ze later alleen waren, bewonderde Lievens zijn vrouw om haar kranigheid. En het onbegrensde vertrouwen dat hij in haar ogen zag, gaf hem de zekerheid dat het goed was, wat hij deed.

Hij voelde zich meer dan ooit verplicht ervoor te zorgen dat alles tot een goed einde gebracht werd.

Urenlang lagen ze klaarwakker in het smalle kloosterbed. Soms pratend, dikwijls zwijgend. Zoekend naar woorden van tederheid en steun, om elkaar sterkte te geven.

Het was klaarlichte dag toen Lievens ontwaakte. De gebeurte­nissen van de laatste dagen leken zo ver, maar nu stormden ze weer op hem af. Steunend op een elleboog keek hij naar de fijne gelaatstrekken van zijn vrouw. Plotseling sloeg ze geschrokken de ogen open en vroeg hoe laat het was. Dan herin­nerde ze zich dat het zaterdag was en de kinderen niet naar school moesten.

Lievens glimlachte even. Hij herkende de dagelijkse zorg van zijn vrouw voor de kinderen. Zelfs nu. En opeens lagen haar armen rond zijn hals. Ze drukte zich dicht tegen hem aan.

Eerst voelde hij haar tranen warm in zijn hals. Dan kwam er een snik los. Dan nog een. Steeds heftiger drukte ze zich tegen hem aan. Haar lichaam schokte en trok hevig in zijn armen. Geluidloos uitte zich haar verdriet en angst om hem, Peter, en om haar zoon Bruno.

Lievens vond geen woorden. Zijn vingers streelden traag door haar haren. Toen het snikken eindelijk overging in zacht huilen, nam hij haar gezicht tussen de handen en kuste haar. Hij meende een vage glimlach, zo bedroefd, te bespeuren rond haar ogen en zwoer bij zichzelf dat hij haar vertrouwen niet zou beschamen. Hij mocht niet mislukken.

Want evengoed als haar zoon, wilde zij ook haar man zien terugkeren, gaaf en gezond.

15.
De weemoed om het afscheid stroomde nog door zijn bloed toen hij de taxi niet ver van de Mercedes halt liet houden bij het kanaal.

Lievens wilde eerst uitzoeken wat de Mercedes te bieden had.

Het handschoenvakje leverde alleen papieren op, maar in de bagageruimte vond hij de reistas.

Met een steen bewerkte hij zolang de sloten tot ze open­sprongen. Lievens staarde verbluft naar het reisgoed. Ver­strooid woelde hij met zijn handen door de inhoud tot hij een hard voorwerp voelde. Voorzichtig haalde hij het ronde platte stuk uit de tas en bekeek het aandachtig van alle kanten. ‘Wat voor de drommel kan hier zo geheimzinnig aan zijn en de moeite waard om zoveel levens voor te riskeren.’

Zijn ongeloof werd er niet minder op toen hij nog een zelfde stuk vond. Maar dan merkte hij een gleufje op in de rand van het metaal, opgestopt met een reepje lood. In de hulpkit van de wagen vond hij een schroevendraaier en peuterde het reepje lood los. Uit het gleufje kwam een plastic tipje geschoven.

Voorzichtig haalde Lievens het zakje er helemaal uit. Hij voelde het filmplaatje doorheen de verpakking en hield het te­gen het lampje van de kofferverlichting. Veel kon hij er niet uit opmaken, tenzij stipjes van wat wel eens woorden konden zijn en figuurtjes van plannen.

Hij floot tussen de tanden. Dat was het dus: twee foto’s.

En in het derde kistje waarschijnlijk nog zoiets.

Lang moest hij er niet over nadenken: in zijn handen hield hij het kapitaal waarmee hij zijn zoon zou loskopen. Hij was niet van plan om zich dat te laten afhandig maken.

Zorgvuldig sloot hij de gleufjes terug af met het reepje lood. Zo goed als mogelijk duwde en tikte hij het zachte metaal tot het resultaat hem bevredigend leek.

Daarna maakte hij met de schroevendraaier een gaatje in de voering van zijn jas en rolde de filmplaatjes tot een fijn rolletje dat er juist doorheen kon. Voorzichtig tastend tussen de dunne stof, duwde hij ze mooi vlak. Tevreden stelde hij vast dat de plaatjes nauwelijks waarneembaar waren. Een vluch­tig onderzoek zouden ze zeker doorstaan.

Het lukte hem zelfs de reistas weer dicht te krijgen met de knipsloten. Ze konden nu wel zonder sleutel geopend worden, maar op het eerste gezicht zagen ze er onbeschadigd uit.

In gedachten verzonken liet hij de schroevendraaier opwippen in de hand en, als was dat de uitkomst van zijn overwegin­gen, stak hij hem dan maar in zijn zak. ‘Kan nog van pas ko­men,’ lachte hij grimmig. Hij voegde er nog een Engelse sleu­tel bij.

Hij haalde nog eens diep adem en stapte in de auto. De wagen gleed uit het kreupelhout en richtte de kop naar Munchen, Schoneckestrasse zevenenzestig.

De grens leverde geen moeilijkheden op. De verzekeringspa­pieren bleken in orde, meer moest hij niet laten zien.

Het nieuws uit de radio kon de aandacht van Lievens niet vangen, tot een sappig dialect zijn oren streelde. Voor hij met aandacht luisterde was de man al halfweg zijn verhaal, maar Lievens kon er nog uit opmaken dat de man moeilijkheden had gehad met de Engelse opsporingsdienst, toen hij de ferry naar Oostende wou opstappen.

Voor hij zijn volgende vraag stelde gaf de reporter een korte samenvatting, in voor de luisteraars verstaanbare taal, van wat de man verteld had.

De man kwam van Engeland naar België en mocht in Dover de ferryboot niet op. Ze hielden hem voor de man waar heel Enge­land de laatste vierentwintig uur jacht op maakte.

De reporter besloot het interview met een herhaling van wat men wist over de herrie op het eiland, tot nu toe gissingen en geruchten, maar die geruchten werden steeds sterker.

Lievens was plotseling een en al aandacht: Uit een staats­laboratorium, ergens rond Birmingham, was een topgeheim ver­dwenen. In dat laboratorium zouden, naar het schijnt, onderzoekingen gedaan worden met stralen, waarschijnlijk gammastra­len, die iets met lasertechniek te maken hadden. Een geleerde professor zus en zo mocht vervolgens komen vertellen wat lasers zijn en over welke onderzoekingen het zou kunnen gaan.

Toen het woord ‘neutronenbom’ viel was de reporter danig en­thousiast en liet de professor bijna geen kans meer om verder uit te weiden over neutronen. Die hebben geen elektrische lading, zei de man, en kunnen daardoor ver en snel, ongehin­derd door atomen, doorheen bijna elke materie reizen. Deze neutronen doorboren gebouwen, water, etc., maar vernielen enkel de levende wezens en laten machinerieën intact. In de veronderstelling dat men die neutronen met laserstraaltechniek zou kunnen bundelen en uitzenden, zou men de beschikking hebben over een zeer geperfectioneerd en verschrikkelijk wapen.

Toen de geleerde man zich liet ontvallen dat neutronenbommen geen kostbare of zeldzame bestanddelen vereisten en dat daarom de kleine mogendheden even gretig uit zijn op inlichtingen erover als de grote, was de reporter niet meer te houden.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina