Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina7/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15

Onmiddellijk trok hij alle registers open en probeerde, met de grote pollepel, de sensatie en schandaalsaus over het hele geval te gieten.

Lievens draaide de knop om, hij wist nu genoeg. Werktuiglijk gleden zijn handen naar de plaats waar de vingers doorheen de stof van de jas lichtjes de plaatjes konden betasten.

Dat was het dus.

Hier in de voering van zijn jas, zat twee derde van de kennis die nodig was om een neutronenkanon te fabriceren. En het effect van zo een bom, tot ontploffing gebracht boven een stad, was de dood van de totale bevolking, maar met ongeschon­den architectuur!

En met de plannen voor zulk moorddadig tuig moest hij zijn zoon zien los te krijgen! Een golf van bitterheid trok door hem heen. Maar het hamerde in zijn hoofd: Bruno eerst! Bruno eerst!

De vele lange kilometers die onder de wielen van de Mercedes doorschoven, brachten de kalmte terug. Zijn gedachten richtten zich weer op Munchen. Hoe moest hij de zaak daar aanpakken? Een precieze strategie stond hem niet voor ogen, maar duide­lijk was wel dat, nu hij het initiatief genomen had, het zaak was er zoveel mogelijk voordeel uit te halen.


Bij een hotel, ergens in een voorstad van Munchen, stapte Lievens, stram en stijf, uit de auto.

Het hete ligbad maakte zijn spieren zo week en ontspannen dat hij bijna indommelde in het water. Later liep hij enkele huizenblokken rond het hotel, om de benen eens te strekken. Hij vond nog een snackbar waar hij zijn maag kon vullen en daarna zocht hij onmiddellijk weer zijn kamer op.

Het kleine kamertafeltje met telefoon, papier en potlood, werd zijn hoofdkwartier.

Hij zocht even in het telefoonboek, nam de hoorn van de haak en op goed geluk af vroeg hij bij de inlichtingendienst naar het nummer van Schoneckestrasse zevenenzestig.

Een slaperige stem liet Lievens minutenlang met een stomme hoorn in de hand zitten, maar kwam dan toch met een nummer en een naam: Heinz Kulic, telefoonnummer…

Lievens noteerde alles en enigszins verrukt over dit eerste succes, begon hij de volgende stap te overleggen.

Wanneer hij nu, deze avond nog, contact opnam met de tegen­partij dan had die de hele nacht de tijd om maatregelen te organiseren.

Maar dan zette hij dat bange gevoel van zich af en maakte zich sterk dat het beter was er direct op los te gaan. Als hij verbinding kreeg met iemand die niet veel van de zaak afwist, moest die ook nog, God weet waar, instructies halen. Ze zouden, als ze al wilden meewerken, waarschijnlijk de hele nacht nodig hebben om hun plannen in overeenstemming te bren­gen met zijn voorstellen.

Hij liet zich languit op het bed vallen en dacht rustig na over zijn volgend telefoongesprek. Vooreerst moest hij er voor zorgen dat hij het gesprek zou voeren met een persoon die bij de zaak reeds betrokken of minstens ervan op de hoogte was. Het was zeker niet nodig een verkeerd oor te laten meeluiste­ren. Daarna zou hij enkele gegevens lossen, zodat ze er zich konden van overtuigen dat hij wel degelijk de moeite waard was om, nog deze avond, bij hoge pieten aan de bel te trekken.

‘Alea jacta est.’ Hij kraakte de woorden tussen de opeenge­klemde lippen, terwijl hij het bed uitveerde en zijn stelling op het hoofdkwartier betrok. Het signaal aan de andere kant van de lijn hitste hem nog wat meer op, terwijl hij ongeduldig op verbinding wachtte. Het licht gekraak toen de hoorn werd opgenomen, liet hem enkele centimeters opwippen.

‘Hallo...’

‘Hallo, ja...’

‘Hoeveel kisten zijn er uit Antwerpen aangekomen?’ Hij hoorde een verbaasd gesnuif in de hoorn.

‘Indien mijn vraag u niets zegt, hang dan op maar geef ze door aan uw baas.

Ik zal dan binnen het halve uur terugbellen voor het antwoord.

Ik herhaal: hoeveel kisten zijn er uit Antwerpen aangeko­men?’

‘Met wie spreek ik?’

‘Antwoord op mijn vraag. Kan dat niet nu, dan krijg ik het antwoord straks wel. Hoeveel?’

‘Twee...’

‘Zeer goed. Misschien weet u dit nog niet, luister dus goed naar wat ik u zeggen zal. Kurilec is neergeschoten in Brussel. Voor hij stierf, heeft hij me uw adres opgegeven. Ik ben ontkomen met zijn auto. Wat is het merk van die wagen? Let op, dit is van groot belang.’

‘Mercedes 22O.’

‘Goed zo. Waarom reed Kurilec naar België?’

‘Wie bent u?’

‘Geef antwoord.’

‘Om het derde kistje te halen.’

‘Goed. Om dat derde kistje in handen te krijgen heeft Kuri­lec mijn zoon ontvoerd en onder bewaking gesteld van uw dienst te Brussel. Zet nu uw oren wijd open: Ik kan u de Mercedes, met daarin de inhoud uit die twee kisten, terug bezorgen. Maar eerst wil ik mijn zoon terug. Morgenvroeg bel ik u om het antwoord. Zorg dat u mij iets degelijks te vertellen hebt. So long!’

‘Hallo, hallo...’

Lievens hoorde de stem nog vertwijfeld roepen toen de hoorn op de haak viel. Kleine zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd. Hij stak een sigaret op en in de rook zag hij het figuur van zijn vrouw opdagen. Hij knipoogde naar het mistige beeld en met een wrang lachje om de mond sprak hij zichzelf moed in.

‘Volhouden! En een stap voorop blijven!’

16.
In Praag, op het bovenste verdiep van de Francousca nummer zes, was de spanning te snijden. De drie topmensen van de STB, de Statni Bezpetsjnost, de veiligheidsdiensten van de staat, waren nu al voor de derde dag de gebeurtenissen in België aan het bespreken.

Miltov stond voor het raam, de blik verankerd aan een punt op oneindig. Hij kon zijn woede nauwelijks in toom houden. Wat zijn mensen opgespoord en te pakken hadden gekregen, was op zo een catastrofale wijze verknoeid door de mannen die voor het overbrengen instonden! En een nog grotere razernij brandde er in zijn binnenste omdat hij wist dat zijn eigen kop hier op het spel stond. Maar dat dorst hij zeker niet onder woorden brengen in dit gezelschap.

Miltov had een bliksemcarrière gemaakt bij de geheime dienst. Ergens uit het niets was hij op enkele weken tijd opgeklommen tot de hoogste regionen, gewoon omdat zijn voorgan­gers door nieuwe machthebbers weggezuiverd waren uit de dienst. Met de Praagse Lente was er wel wat verandering gekomen. Verandering van staatsleiding had ook hier zijn sporen nagelaten. Maar ver­der dan het vervangen van enkele topfiguren was de grote verandering niet doorgedrongen. En na de Praagse Lente was er weer een en ander verschoven. Maar de geheime dienst was nog altijd de geheime dienst en leefde zijn eigen leven met zijn eigen wetten en doelstellingen. En een van die wetmatigheden was ook dat een schandaal koppen deed rollen. Als de gebeurtenissen in Groot Brittannië en België aan het klokzeel werden gehangen, zou heel Tsjecho-Slowakije nog te klein zijn om er zich ergens te kunnen verbergen.

De andere twee zaten erbij met een klein hart, want dezelfde overwegingen spookten ook door hun hoofd. En ook zij waren woedend.

Barach: omdat uit heel de geschiedenis bleek dat zijn mannen deerlijk gefaald hadden. Zij stonden in voor de interne veiligheid van de diensten en moesten dus elk lek opsporen. En dat er lekken waren, zelfs in de hoogste regionen, was overduidelijk. Er was geen andere uitleg voor het snel opduiken van Russische agenten eerst in Antwerpen en later in Brussel. Bovendien voelde hij aan, voor hem stond het zelfs vast, dat de instructies binnen de dienst doorkruist werden door bevelen van buitenaf. Er was ergens een onbekende macht bij het spel betrokken, daar was hij wel van overtuigd. Hij was al lang genoeg bij de STB om niet voor de eerste keer de intriges van die onbekende macht op te merken, maar hij had dat altijd genegeerd en een andere kant opgekeken als hij iets uit die hoek gewaar werd. Hij was altijd in de veronderstelling ge­weest dat de almachtige partij of misschien een duistere afde­ling van grote broer KGB zich met de zaken aan het bemoeien was. En altijd had hij wijselijk zijn kiezen op elkaar gehou­den. Maar in dit geval stonden zijn mensen en de Russen let­terlijk met getrokken zwaard tegenover elkaar en toch waren er uit vreemde hoek instructies gekomen die door zijn beste mensen opgevolgd werden.

Hoe was het anders te verklaren dat een man als Kurilec een echte lawine op gang bracht, zonder enig overleg met Praag, zelfs zonder vooraf melding te maken van zijn plannen.

Zo mogelijk nog meer ontredderd dan Miltov en Barach, zat Janech zijn woede te verkroppen. Zijn ogen volgden de wijsvin­ger die op het eikenhouten tafelblad rondjes trok in het plasje gemorste koffie voor hem. Zijn mannen hadden het wel helemaal verkorven. Zij hadden alles verspeeld. Eerst het derde kistje en later alle kisten. Bovendien hadden zij elk spoor verloren dat maar enigszins kon helpen ergens vat op de zaak te krijgen.

Het enige dat zij nog hadden was een dertienjarige jongen, waar niets uit te halen viel, omdat hij werkelijk ook nergens van wist. Zijn vader had Kurilec geholpen een man op te spo­ren, dat was het enig bruikbare. Alleen wanneer die man nog in leven was, konden ze van hem misschien te weten komen waar Kurilec de foto’s verborgen had.

Want ook de Mercedes van Kurilec was spoorloos!

Vooralsnog hoopten ze de zaak binnenskamers te houden. Er was tot hiertoe nog geen bericht binnengekomen dat de Belgi­sche recherche gealarmeerd was, hoewel dit moeilijk nog lang kon uitblijven, na al die schietpartijen.

Dat de Russen ook van de partij waren, was natuurlijk erg vervelend en een enorme tegenslag voor hen, althans wat deze zaak betrof. Maar zijn persoonlijke positie zou daardoor niet in het gedrang komen. Van Moskou verwachtten ze geen drasti­sche directieven meer. De mensen daar hadden immers genoeg zorgen met het redden van hun eigen vel. Want hoewel agenten elkaar bespioneren, bevechten en beschieten, de mannen aan de top zorgen er wel voor elkaar te dekken, maar al te goed wetend dat de nederlaag van de ene, de val van de andere kon betekenen.

Tot de laatste komma, hadden ze alle berichten bestudeerd en uitgepluisd om toch maar iets te vinden waardoor ze weer vat op de zaak konden krijgen.

Alle mogelijkheden waren onderzocht en besproken, maar tel­kens kwamen ze tot dezelfde conclusie: dat burgermannetje, die Lievens, dat was hun enige kans.

En daarom hadden ze strikte instructies gegeven, opdat er geen mogelijkheid tot ontsnappen zou zijn voor de kleine Lie­vens of opdat hij niet geschaakt zou worden door de Russen.

Ze hadden dan ook slechts met moeite een juichkreet kunnen onderdrukken, toen ze rond middernacht uit hun slaap gehaald werden door het bericht uit Munchen, dat Lievens contact met hen opgenomen had en inlichtingen aanbood over de foto’s in ruil voor zijn zoon. Nog geen half uur later zaten ze in de Francousca om de koppen bij elkaar te steken.

Ze besloten alles op alles te zetten: Bruno Lievens moest onverwijld overgebracht worden naar Praag. Alleen hier konden ze er nog enigszins zeker van zijn dat hij in hun handen bleef. En Lievens zelf mocht ook niet in de klauwen van de Russische beer terechtkomen. Dat was het best te verwezenlij­ken door hem in eigen handen te krijgen.

Met nieuwe moed hadden ze hun plannen gesmeed en de stukken op het schaakbord bestudeerd.

Een der resultaten daarvan was, dat enkele uren later hun bekwaamste agent in Duitsland, zijn intrek nam in de Schonec­kestrasse te Munchen.

17.
Lievens had droomloos en vast geslapen in zijn hotelbed. De avond voordien had hij ietwat ongerust de sprei weggeslagen, maar prees zich gelukkig toen hij lakens en dekens op zijn bed vond. Want zo een ding, zoals hij een donsdeken smalend noemde, lag te gewichtloos en los op zijn lijf en was boven­dien steevast te kort. Lakens en dekens, daar kon hij zich tenminste stevig mee toedekken en indraaien.

Toen hij ontwaakte, voelde hij zich prima. Helemaal uitge­rust en fit en met de zekerheid dat zijn vrouw en de kinderen in veiligheid waren.

‘En nu Bruno vrij krijgen!’

Hij strekte de hand naar de telefoon.

‘Nee. Eerst een goed stortbad en een stevig Duits ontbijt. Laat ze dan maar komen.’


Klokslag negen uur draaide hij het nummer.

‘Hallo...’ De stem klonk helemaal anders dan die van gister­avond. Nu was het een fluwelige, een omfloerste maar harde metalen stem die tegen zijn trommelvlies sloeg. Het was een stem die hem om een of andere reden zeer onaangenaam be­roerde.

‘Goede morgen.’ Lievens was niet van plan zich te laten overdonderen. ‘Wat hebt u mij te vertellen?’

Er klonk een kreetje, daarna was het even stil aan de andere kant van de lijn. Lievens voelde een kriebeling in zijn nekha­ren van weerzin om dat kreetje.

‘Uw zoon is bij ons in Praag. Een half uur geleden heb ik bevestiging van zijn aankomst daar gekregen. U weet wat wij willen hebben!’

‘Ja. En ik wil mijn zoon in Antwerpen. Waarom zit hij in Praag?’

‘Wij willen hem beschermen.’

‘En dat wil ik zelf doen, maar bij mij thuis!’

Weer dat kreetje, en dan:

‘Onmogelijk zoals de zaken er nu voor staan. Wat hebt u te bieden?’

Lievens legde de hoorn op het tafeltje en dacht na.

Als het zo verder ging stond hij schaakmat nog voor het onderhandelen echt begon. Een vraag was nu toch al beantwoord: Bruno was bij de Tsjechen. En zolang ze de vader niet te pakken kregen was de zoon ook veilig. Maar was Bruno wel bij de Tsjechen? Het scheen wel zo, maar zouden ze van die schijn niet gebruiken om te bluffen?

Hij nam de hoorn weer op.

‘U vertrouwt mij niet en ik vertrouw u niet. Als we zo verder gaan, schieten we niets op. Ik zal u een beschrijving geven van wat ik in mijn bezit heb en wat u zo graag zou willen bemachtigen. Twee metalen schijven, onge­veer twintig centimeter doorsnede met in het midden een ope­ning van zowat vijf centimeter. Een machineonderdeel. Mij zegt het niets, voor u schijnt het een enorme waarde te hebben. En nu mag u mij ook wel eens een bewijs geven dat mijn zoon wel degelijk in uw handen is. Ik zal u een vraag meegeven voor Bruno en als ik niet het juiste antwoord krijg neem ik contact op met de Russen… - Lievens werd even onderbroken door het kreetje aan de andere kant - en zal daar mijn geluk beproeven.

Luister goed: Mijn zoon is vorige zomer met de padvinders op kamp geweest. Waar was dat? Ik bel u terug over een half uur.’

Snel legde Lievens de hoorn op de haak en sneed zodoende het onnozele kreetje af aan de andere kant.


Hij voelde zich onzeker, toch enigszins tevreden dat hij iets had geleerd. ‘Ik zweet al minder dan gisteravond! En nu mijn verstand eens laten uitwaaien!’ Hij verliet de kamer voor een korte wandeling.

De auto’s van de gasten stonden geparkeerd achter het hotel. Lievens maakte van enkele groepjes struiken gebruik om de Mercedes zo te plaatsen, dat hij slechts zichtbaar was als men er vlak voor stond. Tevreden sloot hij zorg­vuldig de wagen af.

Gedurende de wandeling vroeg hij zich af hoe stevig de Tsje­chen hem eigenlijk in hun macht hadden.

Zelf twijfelde hij geen ogenblik, Bruno was hem oneindig meer waard dan die stukken film. En juist dat was zijn zwakke plek. Feitelijk konden de Tsjechen alles van hem verlangen en het nog krijgen ook, als hij meer zijn hart dan zijn verstand liet spreken. Dat besefte hij maar al te wel. Daarom was hij zo bang dat hij niet hard genoeg zou blijken om die wetenschap in praktijk te brengen, dat hij een of andere keer door de knieën zou gaan. Zijn gevoel van sterkte smolt weg als sneeuw voor de zon.

Stille ontmoediging kroop zijn rug op, tot ze zwaar in zijn nek drukte. Hij betrapte er zich op dat hij meermaals naar zijn uurwerk keek, want hij was bang. Niet dat hij het tijdstip voor het telefoongesprek zou vergeten, maar omdat het zo snel naderbij kwam.

Iets in hem dwong hem, bijna instinctief, de schouders te rechten en diep ademhalend schold hij zichzelf de huid vol om zijn lafheid. Het was een grimmige Lievens, die stipt om kwart voor tien de hoorn opnam.

‘En?’

‘Uw zoon was in een kamp in de Ardennen, nabij Laroche.’



‘Keur ik goed! En aan uw kant hebben ze mijn inlichtingen ook goedgekeurd, veronderstel ik. Dan kunnen we verder. Geef mij mijn zoon en ik zeg u waar u die spullen kunt ophalen.’

Weer die mekkerende uitroep. ‘Eerst de spullen en dan uw zoon terug.’

‘Zo kunnen we nog lang doorgaan. Ik zal u een voorstel doen.’

‘Doe een voorstel. Maar houdt er rekening mee dat uw zoon in geen geval het land verlaat zolang wij die metalen schijven niet in ons bezit hebben. Laat komen, dat voorstel van u.’

Maar Lievens hing op. ‘Zij zijn de sterksten,’ dacht hij, ‘en ze weten het. Maar toch mag ik mij niet zomaar aan hun genade overleveren.’ Hij overlegde lang en diep.
Drie jaar geleden had hij met zijn vrouw en een bevriend echtpaar een vakantietrip naar Praag gemaakt. Hij herinnerde zich Praag als een stad waar de weinige auto’s een on­gelofelijke ouderdom vertoonden. Letterlijk opgelapte auto’s van voor de oorlog en gemotoriseerde driewielers. Sommige au­to’s zagen eruit als omgebouwde motorfietsen. Enkele moderne wagens: Mercedes, meestal Duitse nummerplaat, en nu en dan een zwarte Tatra, met CD of regeringskenteken.

In Praag hadden ze gelogeerd bij de ouders van een Tsje­chisch meisje dat na de zelfmoord van Jan Palach en het einde van de Praagse Lente het land ontvlucht was en met een neef van Lievens getrouwd. Het waren zeer vriendelijke mensen, die zich werkelijk uitgesloofd hadden om het hem zoveel moge­lijk naar de zin te maken. Maar Lievens kon zich moeilijk voorstellen dat zij hem nu onder hun bescherming konden nemen of verbergen. Nee, eens in Tsjecho-Slowakije zou hij overgele­verd zijn aan de nukken en grillen van politie of geheime dienst.


En de grens zelf. Bood die geen mogelijkheden?

Hij herinnerde het zich heel goed. Voor hen was een Duitse wagen bij de grenspost aangekomen. De tolbeambten en grenswachters hadden er een feestelijk onderzoek van gemaakt. Het hele hebben en houden van de Duitsers lag in een lange rij uitgestald, de lege valiezen ervoor. Het waren de burgermanne­tjes met zwarte armband die de meeste moeilijkheden maakten, de uniformdragers liepen er zomaar wat bij.

Een vol uur hadden ze moeten wachten en Lievens had die tijd bekort met rondkijken. Het beste herinnerde hij zich de twee wachttorens - hij beweerde altijd dat hij de mitrailleurlopen had gezien - en de betonnen paaltjes op de weg, waar hij in zigzag tussendoor had moeten manoeuvreren.

En voor die paaltjes, herinnerde hij zich, lag een tamelijk lang stuk weg, in het niemandsland tussen de Duitse en de Tsjechische post. Was daar iets mee aan te vangen?

Veronderstel dat hij met de Mercedes tot op een driehonderd meter van de paaltjes zou rijden. Dan was hij goed zichtbaar vanaf de grenspost, maar niet onmiddellijk bereikbaar. En zij, Bruno met een begeleider, konden van de grenspost afkomen voor de uitwisseling, ook goed zichtbaar voor hem.

Hij trachtte zich de hele situatie aan de grenspost voor te stellen. Was het rechte stuk niet afgezoomd met struiken die dekking konden bieden in geval van nood? Hij meende zich een rij jonge boompjes te herinneren. Of waren het knotwilgen?

Zou hij de Duitse grenswacht te hulp roepen om een oogje in het zeil te houden? Maar met welk verhaal moest hij dan bij die mannen aankomen?

Hoeveel afstand was er eigenlijk tussen die twee grenspos­ten? Was de Duitse post niet te veraf om onmiddellij­ke hulp te kunnen bieden, op welke manier dan ook?

Lievens begon aan het hele opzet te twijfelen.

Als de Tsjechen zuiver spel speelden, was elk plan goed, maar wat indien niet?

Veronderstel dat ze dit accepteerden. Op welke manier konden ze hem dan in de luren leggen? Veel kon hij eigenlijk niet bedenken, tenzij hem neerschieten. Maar waarom zouden ze? Dat was wel het stomste wat ze konden doen, dat stond gelijk met hun eigen adem afsnijden, want dan konden ze fluiten naar de begeerde schijven.

Bruno niet laten gaan? Hem in laatste instantie toch tegen­houden? Dat zouden ze enkel doen als ze de schijven reeds in hun bezit hadden. En daarvoor moesten ze hem eerst te pakken nemen. Dus moest hij dat veilig stellen, zodat hij gedurende elke fase tegen kidnapping gedekt was.

Voor het geval ze er nog niet zouden aan gedacht hebben dat zijn vrouw ook niet eeuwig zou zwijgen, besloot Lievens het hen toch maar op voorhand aan het verstand te brengen, en daarna probeerde hij iets te bedenken dat hem nog meer rugdekking kon verschaffen.

Ook dat moesten de Tsjechen dan vooraf weten, zoniet zouden ze toch toeslaan als de gelegenheid zich voordeed. Zijn rugdekking moest ze daarvan bij voorbaat afschrikken.

Maar zouden ze dan de zaak bij de grens aanvaarden? Als hij zich te sterk voordeed wilden ze er waarschijnlijk niet aan beginnen. En God wist met welk voorstel ze dan voor de dag kwamen.

Lievens werd weer onzeker. Hij besefte dat dit geen werk voor hem was. Dit was specialistenwerk. ‘Maar wie ik ook ter hulp roep, ze zullen altijd eerst op de foto’s uit zijn. Voor hen is mijn zoon slechts bijzaak,’ dacht hij terneergeslagen.

Een knagende onrust beet in zijn maag.

Stel dat ze hem op een of andere wijze belazerden en hem te pakken kregen. Dan waren ze allemaal aan hun genade overgele­verd. Niemand wist waar ze waren of waar ze gezocht moesten worden.

Hij stak een sigaret op. Ergens sloeg een klok elf uur. Tweemaal strekte hij de arm uit naar de telefoon en tweemaal aarzelde hij. Kon hij hier echt niemand bij betrekken? Als hij nu eens verbinding zocht met de Russen en hun de foto’s gaf op voorwaarde dat zij vooraf de Tsjechen dwongen Bruno uit te le­veren? Nee. Dan zouden zij eerst Bruno trachten in handen te krijgen en pas dan zouden ze onderhandelen. Dan stond hij er wellicht nog slechter voor.
En als hij nu eens de Engelsen wakker maakte? Hun beroemde Intelligence Service scheen van de hele zaak nog niets te weten, dus was er een grote kans dat die heren maar wat blij zouden zijn als ze door hem met hun neus bovenop het spoor gedrukt werden! Tenslotte was dit ei toch uit hun nest ge­roofd?

Hernieuwde hoop prikkelde zijn zenuwen. Hij ijsbeerde door de kamer en langzaam rijpte zijn plan.

Hij zou de Engelsen alles vertellen. Hij zou hun zijn plan uiteenzetten en erbij vertellen dat hij bang was dat het zou mislukken.

Hij moest de foto’s ergens verstoppen, hier in Duitsland. De Tsjechen kregen de lege schijven aangeboden...

Alleen al de gedachte aan de gevolgen, moest dit bedrog te­ vroeg uitkomen, deed Lievens’ nekharen overeind staan, maar hij dwong zich verder te denken.

Lukte de ruil aan de grens, dan zou hij de bescherming de Engelsen hard nodig hebben. En die bescherming kon hij alleen maar kopen met de foto’s.

Lukte het niet en namen de Tsjechen hem te grazen, dan lag de enige kans op redding weer bij de Britten en hun honger naar die foto’s. Zij, misschien, waren sterk of invloedrijk genoeg om hem en Bruno uit Tsjecho-Slowakije terug te halen.

Hij kon het niet meer uithouden in de kamer en besloot een blokje om te lopen en zich eens te laten uitwaaien.

En daarna zou hij trachten het telefoonnummer van de Britten op te vissen.
‘Wilt u me doorverbinden met de hoogste in rang die nu be­reikbaar is? Liefst iemand van de veiligheidsdienst, als die tenminste bij u bestaat.’

Lievens verbaasde er zich over, dat hij in ogenblikken als deze nog een luchtige toon kon aanslaan.

‘Ogenblikje…’

Als die bij u bestaat… Lievens herhaalde het nog eens, grinnikend.

En dan zag hij plots zijn vrouw met Bruno voor zijn ogen, zo duidelijk dat hij hun aanwezigheid bijna tastbaar aanvoelde. Hun ogen schitterden zo helder voor hem, dat hij er de hoop en het vertrouwen die zij in hem stellen kon uit aflezen.

Een nasale stem rukte hem terug in de werkelijkheid.

‘Hier Dave Drummond. Met wie spreek ik?’

‘Meneer Drummond, ik heb een zeer belangrijke mededeling voor u. Mag ik daarom eerst informeren welke functie u be­kleed?’

‘Met wie spreek ik?’

‘Mijn naam doet er niet toe, ik zou u om het even welke naam kunnen noemen. Wat ik te vertellen heb, is echter van zodanig groot belang dat ik het beslist niet in oren wil fluisteren die er niets mee te maken hebben, laat staan verkeerde oren. Zolang ik die zekerheid niet heb, wens ik onbekend te blijven. Verontschuldig mijn achterdocht. Wat is uw functie?’



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina