Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina8/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   15

‘Tja, ik zou u ook van alles kunnen wijsmaken, maar kom… Ik werk bij de inlichtingendienst. Momenteel plaatsvervangend diensthoofd. De chef is afwezig voor onbekende tijdsduur.’

‘Ik heb hier een telefoonboek van Munchen voor mij liggen. Ik zal u een willekeurig gekozen politiepost opgeven. Bent u bereid daarheen te gaan en u te laten identificeren? Ik zal dan op mijn beurt naar die politiepost bellen om bevestiging.’

‘Maar waarde heer, drijft u het niet wat te ver?’

‘Nogmaals, excuseert u mij. Ik weet echter zo weinig over uw dienst, dat ik geen andere oplossing zie. En bovendien, wat hebt u er bij te verliezen?’

‘OK. OK. Het schijnt menens te zijn. Ik zal meewerken. En om u echt vooruit te helpen, kunt u mij misschien nu al iets ver­tellen waarover het gaat? Een sleutelwoord of een begrip kan naar de geëigende dienst leiden. Als u mij zo dwingend en overhaast wil identificeren, veronderstel ik dat er een drin­gend aspect bij komt kijken. Is dat zo?’

‘Zeker is het dringend! Maar een sleutelwoord? Moet iets zijn dat ook bij u een lichtje doet branden. Ik zal het proberen: Het gaat over foto’s die uit een laboratorium verdwenen zijn. Over de radio heb ik verstaan dat het zou gaan over plannen voor een neutronenbom.’

‘Maar mijn beste meneer! Ik kan u verzekeren dat wij al dagen op zoek zijn naar enig spoor… Iedereen is er mee bezig. En of ik er iets van afweet! Ik zal u zo snel als mogelijk in contact brengen met de meest bevoegde persoon. Waar kan ik u bereiken?’

‘Prachtig. Maar ik wens onbekend te blijven. Haal er uw man bij, ik zal wel even wachten.’

‘Dat kan niet zo direct, die man zit in Londen. Maar ik kan van hieruit een rechtstreekse verbinding maken. Geef me de tijd om hem op te sporen, het zal echt niet zo lang duren!’

‘Ja, dat is goed. Maar toch blijf ik er op staan dat u zich eerst naar die politiepost begeeft.’

‘OK. OK. Naar welke politiepost moet ik gaan?’

Op zijn wandeling deze morgen had Lievens er een gezien in de straat van het hotel.

‘Ulmstrasse 18. En alstublieft, treuzel niet te lang! Nog deze nacht moet ik contact opnemen met de dienst van een ander land. Alstublieft geloof me, het is belangrijk en dringend. Ik telefoneer naar die politiepost binnen een half uur.’ Snel verbrak Lievens de verbinding.
Hij wist verdomd goed dat die identificatie weinig zou uithalen, indien die Drummond achteraf toch dubbel spel speel­de. Wie kon hij nog vertrouwen? Was Drummond geen dubbelspion? Begon hij nu werkelijk overal spoken te zien?

Zou het niet beter zijn, voor alle zekerheid, alles op pa­pier te zetten en dit over te maken aan de Amerikaanse MP? Hij herinnerde zich maar al te goed die potige kerels die om de haverklap met hun jeep de uitgangsbuurt van Munchen binnenvie­len. Alle dancings kamden ze uit, op zoek naar Amerikaanse soldaten.

Als zo een brief in de handen kwam van een officier, zou de CIA de heer Drummond snel op het matje laten roepen en zich terstond zelf met de zaak bemoeien.
Een plots besluit deed Lievens de telefoon grijpen.

‘Meneer Drummond alstublieft. Dave Drummond.’

‘Hallo, ja, met Drummond.’

‘Meneer Drummond, ik heb me bedacht. U hoeft niet naar die politiepost te gaan. Geef me het nummer van die meneer, ik zal direct contact opnemen met hem. Maar ik geef straks een brief met alle gegevens, ook uw naam, aan een officier van de Ameri­kaanse MP.’

‘Jezus! Ik ben er niet zo zeker van dat een goed idee is. Is dat absoluut nodig? Maar goed, wil alstu­blieft nog enig geduld oefenen. Ik heb al gebeld met Londen en ik ben er zeker van dat ze daar nu hun uiterste best doen om meneer Cohen op te sporen en bij de telefoon te krijgen.

Meneer Leonard Cohen. Dat is de man die u voor deze zaak heb­ben moet. En doe mij het genoegen, alstublieft, eerst met hem te spreken, vooraleer u er anderen bijhaalt.’

Het was voor Lievens een raadsel hoe die man, Cohen, hem vanuit Londen behulpzaam zou kunnen zijn. Hij voelde echter dat hij op de ingeslagen weg moest voortgaan, zoniet zou hij geen morzel vaste grond onder de voeten hebben.

Een half uur later riep Lievens nogmaals de Britten op. Via Drummond wachtte Lievens op de verbinding met Londen. Na het ‘good luck’ van Drummond heerste er enkele ogenblikken vol­maakte stilte in de hoorn en Lievens was enigszins verrast toen hij na een enkele korte klik met een helder ‘Hallo’ be­groet werd. Het was nu zover en eindelijk kon hij zijn verhaal kwijt, hij dwong zich ertoe om zijn ziel bloot te leggen voor die onbekende Cohen. Zowat alles wat hij wist en meegemaakt had biechtte hij op.

Vanaf het ogenblik dat de Hollander die drie kisten kwam ha­len tot het plan voor de ruil.

Hij verzweeg echter angstvallig waar en wanneer die ruil zou plaatsvinden. Ook liet hij niet los waar hij zich op dit ogenblik bevond. Aan de andere kant van de lijn had Leo­nard Cohen met stijgende verbazing het verhaal gevolgd, maar toen Lievens ten einde gekomen was, staarde hij perplex naar de hoorn als wilde hij er zich van overtuigen dat hij niet droomde.

Hij drong erop aan dat Lievens eerst naar hem zou terugbel­len alvorens met de Tsjechen contact op te nemen. Hij beloofde alles in het werk te stellen om de juiste personen voor deze zaak te pakken te krijgen.

‘...en voor u terug contact opneemt met de Tsjechen, bel eens met ons, wellicht kunnen we u hulp bieden…’

‘Goed. Het is nu bijna middag, laat ons afspreken om kwart voor drie. Dan hoort u nog iets van mij.’

18.
Het eerste tollen en botsen van een loskomende steen boven ­aan een berghelling kan er de oorzaak van zijn dat een donde­rende lawine in het dal neerploft.

Zo ongeveer was het effect van het telefoongesprek tussen Lievens en Cohen.

Door de vele dienstjaren en via bevorderingen was Cohen het echte werk te velde ontgroeid. Zijn huidige status voelde hij aan als een beletsel om de neus in de frisse lucht te steken, om buitendienst te verrichten in plaats van het aanleggen van dossiers en lijsten met namen zonder levende gezichten. Toen hij de opdracht gekregen had om de oude mijn om te bouwen tot een zwaar beveiligd onderzoekscen­trum, was hij dan ook niet weinig tevreden het papierwerk goedendag te kunnen zeggen en had zich vol overgave op zijn nieuwe taak gestort.

En plots was daar de catastrofe met de gefotografeerde ge­heimen. Op een wel zeer brutale manier werd zijn gezapig le­ventje verstoord.

Uiteraard was hij zeer begaan met die geschiedenis en voelde hij zich persoonlijk geraakt, daar hadden zijn chefs ook wel hun steentje toe bijgedragen, maar hij betrapte er zich op dat hij in zijn diepste binnenste niet rouwig was om de gevolgen voor hem, voor het soort werk waar hij nu hals­overkop in gedropt was.

Nu kwam zijn opleiding en de opgedane ervaring met bureel­werk uitstekend van pas. Hij was zich gaan thuis voelen in het onoverzichtelijke netwerk van die reuzenspin: de British Intelligence Service, Foreign Office.

Hij wist aan welk draadje hij moest trekken om de juiste stenen aan het rollen te brengen. Een half uur en ettelijke telefoontjes later, na zijn gesprek met Lievens, was een lawine op gang gekomen van nog meer telefoon- en spoedberich­ten in codevorm.

Van Berlijn tot Washington en van Londen tot Frankfurt wer­den in vele oren instructies geblazen. Ook naar Praag vertrok een lang codebericht, als onderdeel van de reusachtige, goedgesmeerde en geruisloze machine die op gang werd gebracht.

Evenals bij een visser die dagenlang op een reuzensnoek loert en uren na elkaar het viswater bestudeert: alle opgekropte spanning barst los als de dobber verdwijnt! Hij heeft de vis aan de lijn!

Op het bureau van Drummond werd alles in gereedheid gebracht voor het telefoontje van Lievens om kwart voor drie.

Drummond zou Lievens opvangen en aan de praat houden, dan doorgeven aan Cohen, die hem ook zo lang mogelijk zou bezig houden. Niet alleen om zoveel mogelijk bijkomende inlichtingen los te peuteren uit Lievens, maar ook om de plaats te lokali­seren vanwaar die zou telefoneren.

Cohen vond het bijzonder vervelend dat de chef in Munchen onbereikbaar was en juist deze nacht onverwacht vertrokken was naar een onbekende bestemming. Dat laatste had een verbaasd gesnuif en enig wenkbrauwfronsen teweeg gebracht bij Cohen, maar hij was er niet verder op in gegaan, hij had wel andere katten te geselen. Onmiddellijk na het eerste telefoongesprek van Cohen met Lievens liet hij een helikopter in gereedheid brengen en een kwartier later al was hij op weg naar Munchen. Om tweeëntwintig voor drie landde de helikopter en om twintig voor drie kreeg Cohen van Drummond een plastic beker gloeiend hete koffie aangereikt.

Kwart voor drie.

‘Lievens terug. Wilt u me doorverbinden met meneer Cohen?’

‘Meneer Lievens, ik kan u voor het ogenblik nog niets con­creets aanbieden, ik verwacht elk ogenblik een telefoon daar­over. Ondertussen zou ik u graag nog enkele vragen stellen’

‘Nee, geen vragen meer. Ik heb alles verteld wat ik voor het ogenblik kwijt wil. Een half uur voor de ruil plaatsvindt, althans indien de Tsjechen op mijn voorstel willen ingaan, breng ik u op de hoogte. So long!’

Op het bureau van Drummond keken de mannen elkaar verslagen aan. Het gesprek was van te korte duur geweest om ook maar het geringste spoor te pakken te krijgen.

De vis was ontsnapt!
Drie uur.

Lievens duwde zijn sigaret uit en belde de Tsjechen.

Ze lieten hem zijn voorstel uiteen zetten, maar konden niet dadelijk antwoord geven. Ze vroegen hem een uur later terug te bellen.

Hij smakte de hoorn op de haak. Dit telkens opnieuw slechts met horten en stoten verder geraken begon hem danig de keel uit te hangen. Kwam daar nog die kerel met zijn geitenkreetje bij. Hij hield het niet meer uit op de kamer en liep met driftige passen enkele huizenblokken rond.

Aan een kraampje slokte hij een pak frites met worst naar binnen en liet nog een worst inpakken om mee te nemen. Dan haastte hij zich terug naar het hotel.
Vier uur.

Lievens was op van de zenuwen toen hij de Tsjechen belde.

Zij stemden in met zijn voorstel, wat de hoofdzaken betrof. Zorgvuldig noteerde hij de details van de opeenvolgende punten van de ruil.

Het was zover!

Kreunend liet hij zich op het bed neerploffen. Hij dwong zich zijn spieren een voor een te ontspannen: tenen… voeten los… kuiten… Hij wist dat hij niet helemaal volgens de regels van de kunst bezig was, maar toch voelde hij zich er goed bij en hielp het zeker om wat te ontspannen.

Dan wipte hij op, graaide zijn spullen bij elkaar en betaal­de de hotelrekening zonder ze na te zien. Bijna dromend stuurde hij de Mercedes van de parkeerplaats.

Bij een benzinestation liet hij de tank volgooien en kocht een wegenkaart van Duitsland. Aandachtig bestudeerde hij die en besloot over Regensburg te rijden. Dat was 121 km. Dan nog 70 km tot Amberg. Van Amberg naar Hirschau. En dan richting Pilsen, tot Waldhaus. Daar lag zijn doel: de grenspost Rozvadov.

Hij wou nog een bed vinden in Waldhaus, ofschoon hij vreesde dat van slapen niet veel zou in huis komen. Een paar uur rust zou hem echter ook al goed doen. Hij wilde morgen niet met een versufte kop rondlopen.


Enkele kilometers voor Waldhaus liet hij de Mercedes uitlo­pen en bracht hem tot stilstand onder een groepje bomen. In de snel vallende duisternis zat hij onwezenlijk om zich heen te kijken naar het omringende landschap. Niets van wat hij zag drong werkelijk tot hem door. Hij voelde zich meer en meer bevangen door een onbestemde angst, die groeide naarmate hij de grens naderde. Een soort spijtreactie. Hij had gisteren plannen zitten maken, mooie plannen, waterdichte plannen. Hij had daarna het besluit genomen ze ten uitvoer te brengen, de goede afloop was verzekerd, omsluierd door een vage roes. Nu de roes opgelost was, opgeslokt door de realiteit, bleef slechts de onrust en de onzekerheid.

Hij wilde die vrees overmeesteren door nog eens, stap voor stap, de actie van morgenvroeg door te nemen.


‘s Nachts was de grens gesloten. Om acht uur werd ze weer opengesteld voor het overigens weinig drukke verkeer. Dus was voor acht uur normaal niemand in het gebied tussen de twee posten: het niemandsland.

Hij zou om zes uur dertig de auto parkeren aan de Duitse post. De twee metalen schijven zou hij verbergen onder zijn hemd. Dan zou hij de wagen verlaten en wat rondlopen.

Na enkele tijd, als de wachters hem geen aandacht meer schonken, zou hij in een grote boog om het bureeltje heen lo­pen. Zo zou hij wat verder, voorbij de kromming, weer op de weg komen, maar nu in het niemandsland.

Hij moest er zijn om zeven uur.

Midden op de weg zou een graszode liggen, op ongeveer drie­honderd meter van de sperpaaltjes, waar hij moest wachten.

Die driehonderd meter was hardnekkig door de Tsjechen bedon­gen. Waarom? Lievens had eerst vijfhonderd, later vierhonderd meter voorgesteld, maar had zich ten slotte bij driehonderd meter moeten neerleggen. Zij hadden daarvoor geen reden opge­geven, zoals altijd. Lievens kon enkel gissen dat zij hem in het directe bereik van de torens wilden hebben.

‘Ze zijn bang dat ik er vandoor ga met de schijven en met Bruno,’ dacht hij grimmig, toch ergens bang dat hij zich maar wat wijsmaakte.

Hij moest zijn ruilwaar vijf passen voorbij de zode op de grond leggen en dan terugkeren naar de zode. Op dat ogenblik zou een man met Bruno van de Tsjechische grenspost naar hem toekomen.

Ze hadden hem gewaarschuwd dat Bruno’s voeten met een touw verbonden zouden zijn, dat hij kleine stappen dan zou nemen.

De man zou met Bruno tot aan de schijven lopen en daar stil houden om ze te inspecteren. Als ze goed bevonden werden, zou Bruno naar Lievens toe mogen gaan. Maar beiden zouden moeten wachten tot de man minstens dertig meter teruggelopen was. Pas dan en nadat hij hen een teken zou gegeven hebben, mochten ze ver­trekken: ‘God sta me bij!’

Lievens zei het luidop, kroop uit de wagen en riep het nog­maals naar de kruinen van de bomen.

En plots flitste het door zijn hoofd dat hij Waldhaus niet mocht binnenrijden om te overnachten!

Hij was er van overtuigd dat ze hem daar verwachtten en zouden opsporen. Om de Mercedes te doorzoeken en hem de kost­bare metalen schijven afhandig te maken.

Hij startte de wagen en stuurde hem een kleine asfaltbaan op die enkele honderden meter verder in het bos verdween. Daar zou hij de nacht doorbrengen. Terwijl hij op de worst uit Munchen zat te kauwen, kwamen zijn vrouw en de kinderen zijn gedachten stormenderhand over­meesteren. Het kneep hem zo de keel toe, letterlijk en figuur­lijk, dat ze pijn deed van het geweld waarmee hij het vlees doorslikken moest. Met moeite beheerste hij zijn tranen.

Hij liep een eind het baantje op om de stramheid van de lange rit uit zijn lijf te verdrijven.

De knieën opgetrokken installeerde hij zich daarna zo goed en zo kwaad mogelijk op de achterbank. Door zich om de minuut iets naar links of naar rechts te wringen, kon hij het daar bijna een uur volhouden, dan joegen kou en ongemak hem weer een poosje terug naar de kleine asfaltbaan.

Vier uur in de morgen.

Hij werd zo onrustig dat hij de kou niet meer voelde. Hij was klaarwakker, maar vreemd genoeg dwaalden zijn gedachten steeds weg van het onmiddellijke gebeuren naar gebeurtenissen van vroeger.

Nu eens was hij aan het voetballen en herinnerde hij zich, met een onwezenlijk licht overgoten, sommige doelpunten die hij scoorde. Dan weer stond hij in de ring bij de padvinders te boksen of judogrepen in te oefenen. Zonder overgang van het een naar het ander, stond hij dan seconden lang met gespannen boog te vechten met zichzelf en de wind, om de lichte pijl negentig meter verder in het kleine doelwit te jagen.

Tot een boerentractor, met melkkannen op de kleine aanhan­ger, de schuilplaats voorbij rammelde en hem met zijn geraas terug in de werkelijkheid schudde.

Wat ook zijn zinnen beneveld had, die roes was voorbij. Een koele vastberadenheid kwam over hem.

Rustig startte hij de wagen, liet de motor een poosje in vrijloop draaien en gleed dan langzaam de schuil­plaats uit.

Het gevecht om zijn zoon was begonnen.

19.


Tien voor zes.

Lievens stopte aan de Duitse grenspost.

Een vaag gezicht vertoonde zich enkele seconden achter het raam van het wachthuisje. Dan een tweede.

Lievens zag de mond in die bleke figuren even bewegen, waarna ze zich terugtrokken.

Alles was weer doodstil.

Zes uur.


Lievens verliet de auto, controleerde snel of de schijven wel goed onder zijn hemd zaten en liet het portier met een smak dichtvallen. Hij wou zijn aanwezigheid nadrukkelijk demonstreren. Hij rekte zich en zwaaide enkele malen de armen als iemand die een lange rit achter de rug heeft, en loerde ondertussen naar het wachthuisje.

De bleke tronies achter het raam kwamen weer te voorschijn, maar schoven dan weer weg, blijkbaar gerustgesteld. Achteloos wandelde hij weg van zijn wagen. Als ze hem nu nog eens zagen zou hij hun nieuwsgierigheid niet meer opwek­ken.

Hij fixeerde het bureautje een wijl en luisterde: in de wijde omtrek was niets te zien of te horen.
De onmiddellijke omgeving was tamelijk dicht bebost, wat hem een goede dekking zou verschaffen. Maar Lievens waagde het niet om diep het bos in te gaan, omdat hij voorzag dat daar de grens afgesloten was met prikkeldraad.

Naast het bureautje bemerkte hij een verharde plaats, zowat dertig meter breed, langs de grenslijn. En daarop aansluitend een soort hangar of garage.

Met een onverschillig air schoof hij in die richting. Eenmaal achter de garages versnelde hij de pas, zich beschut wetend door het bos, en kwam zo enkele minuten later tussen de bomen uit, net voorbij de kromming van de baan, in het nie­mandsland.

Een blik op zijn uurwerk stelde hem gerust: het was zes uur vijf en veertig.


Traag, machinaal bijna stapte hij, op de ballen van zijn voeten lopend, naar een zwarte vlek, enkele honderd meter verder in het midden van de weg.

Zijn brein registreerde dat hier het bos helemaal weggeveegd was, tot ver voorbij de torens van de Tsjechische post. Het was een braakliggend open gebied.

Roerloos bleef hij staan bij de graszode.

Hij voelde zich naakt, onbeschut voor een ontzag­lijke dreiging die hem van alle kanten besloop.

Het werd zeven uur.

Zeven uur vijf… zeven uur tien…

Hij voelde de grond wiegen onder zijn voeten. Zouden ze komen?

Hadden ze dit rendez-vous enkel geaccepteerd om hem te kunnen volgen en overmeesteren op een plaats waar zij dat ongestoord konden doen? Waar zij zichzelf of hun land niet in directe opspraak zouden brengen?

Met flarden, verspringend van regel, schoten oude gebeden door zijn hart.

Lievens kreunde.


En plots knikte hij bijna door de knieën, met moeite hield hij zich overeind: hij had niet getelefoneerd met de Britten!

Lievens kokhalsde. Hoe had hij zich zo kunnen laten verraden door de zenuwen! Een bodemloze afgrond gaapte voor zijn voeten en deed zijn onderbuik samentrekken, alsof er met duizend naalden in geprikt werd. En ook de Amerikanen wisten niet waar hij zich bevond!

Maar toen zag hij voor zich iets bewegen in de verte bij de torens. Hij kwam los uit zijn roerloosheid, deed met stijve gang vijf stappen voorwaarts, legde de ronde metalen platen op de grond en keerde terug naar de graszode.

Twee figuren maakten zich los uit de achtergrond.

‘Het is gelukt! Het is gelukt! Daar zijn ze!

Een opspringende hoop maakte zich van hem meester. Alles in hem wilde juichen.

Met uitgerekte hals stond hij op zijn tenen om beter de twee verre figuurtjes te onderscheiden. Hij onderkende dribbel­pasjes…

‘Dat is Bruno!’ raadde hij, ‘hij loopt zo wegens dat koord.’

Hij zag nu dat de begeleider zijn hand tegen de rug van Bruno hield zonder deze ook maar eenmaal los te laten. ‘Zouden de Tsjechen nu werkelijk zo bang zijn dat Bruno gaat lopen, met koord en al?’

Maar dan bemerkte hij de reden waarom die man Bruno steeds maar vasthield: Bruno was geblinddoekt van haar tot kin.

Enigszins ongerust vroeg Lievens zich af waar dat nu goed voor was. En hoewel hij zijn zoon kleine passen zag nemen, kon hij het koord niet onderscheiden waarmee Bruno’s benen gebon­den waren.

Eindelijk kwamen ze op de plaats waar de schijven lagen.

De man, steeds met de hand op Bruno’s rug, stond stil, keek seconden lang spiedend naar Lievens, hem van kop tot teen aftastend met de ogen, alsof hij hem aan een lijfonderzoek onderwierp op zoek naar een verborgen wapen.

Lievens staarde terug, niet wetend of hij nu iets moest zeggen of niet. Zwijgend wees hij naar de schijven. De man knikte en haalde zijn hand achter de rug van Bruno vandaan.

Een pistool, een buitengewoon groot pistool kwam te voor­schijn en werd op Lievens gericht.

De adem stokte in Lievens’ borst.

Dan rukte Bruno de blinddoek voor zijn ogen weg.

Het bloed stolde in Lievens’ aderen: dat was Bruno niet!

Voor hem stond een vreemde in de kleren van Bruno en toverde eveneens een pistool te voorschijn.

Met uitpuilende ogen zag Lievens dit alles gebeuren, niet in staat ook maar een vinger te verroeren.

Het pistool kwam iets hoger en hij zag duidelijk hoe een vinger zich rond de haan spande.

Een flits, een droge knal... Lievens voelde een nijdige ruk aan zijn schouder.

Nog juist zag hij daar een klein buisje, toen nog zo iets tegen zijn borst open spatte.

Dan sprong het beton van de baan naar hem omhoog.

20.
Toen Lievens uit zijn verdoving ontwaakte zag hij met ver­wondering het plafond van een auto. Hij wilde rechtop gaan zitten, maar een ruk aan zijn pols weerhield hem. Opeens bemerkte hij de fijne stalen ketting aan een ring in de vloer en de boei rond zijn pols.

In alle hevigheid viel de realiteit over hem heen: ze hadden hem te pakken. En hoe!

De smeerlappen! Ze hadden hem toch te grazen genomen. En hoe kinderlijk eenvoudig! Hij was zichzelf op een blaadje komen presenteren.

Bruno! Wat nu met Bruno!

Plots hoopte hij vurig dat ze zouden samengebracht worden. Wat moest er de laatste dagen al niet door die jongen zijn hoofd gegaan zijn!

Boven de rugleuning van de voorbank zag hij zwartleren schouders en tamelijk lang haar met daarop een zwartleren pet. Hij richtte zich op voor zover de ketting het toeliet en zag dat twee kille ogen hem gadesloegen in de spiegel.

‘Goedemorgen, Herr Lievens!’

Lievens schrok op, maar sloot de ogen terwijl de stem verder ging. ‘Wees gerust, die lichte hoofdpijn zal weldra voorbij zijn. Tegen die tijd ben je al bij je zoon en kunnen we eens rustig praten.’

Lievens bleef stom. Hij rukte enkele malen aan de ketting.

‘Doe geen moeite. Die kan niemand stuk krijgen. Je kunt beter jezelf de pijn van gekneusd vel besparen. En mocht je toch van plan zijn iets te wagen om mij te overvallen, weet dan dat nog een wagen ons volgt. Ik reken er op dat je je verstandig ge­draagt, daarom heb ik je linkerhand en voeten vrijgelaten.’

Waarmee hij zeggen wil dat het ook anders kan, dacht Lie­vens.

De man zag er erg jong uit. Voor zover hij kon zien was de huid op het jukbeen en de kin nog ongewoon glad en niet ver­weerd. Toch was hij verwonderd een diepe groef te zien, van de neusvleugel naar de mondhoek, toen de jongeman even het hoofd wendde om hem aan te kijken.

Vanwaar hij lag kon Lievens de baan niet zien, maar hij zag wel het bovengedeelte van huisgevels voorbij de ramen schui­ven.

Hij voelde zich onverschillig en moe, alsof het hem niet aanging, alsof alles buiten hem om gebeurde. Hij liet zich zover in zijn moedeloosheid wegzakken dat hij ten slotte in slaap viel, wellicht geholpen door een restje van de verdo­ving.

Hij werd pas wakker toen iemand zijn pols greep om de ket­ting los te maken. De jongeman in de leren jas beval hem uit te stappen. Hij werd naar een kamer gebracht, zonder stoel of tafel.



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina