Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina9/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15

Langs de muur stond een eenvoudige bank. Verder niets. Geen ramen. Hoog aan het plafond een buislamp, die het vertrek nog killer maakte dan het al was.

‘Dit is geen gevangeniscel, dit is gewoon een wachtkamer,’ging het door Lievens heen.

Vreemd kalm voelde hij zich. Hij was verwonderd zich zo rustig te weten. Hij was het point of no return voorbij.

Hij wist ook dat het niet lang zou duren voor ze hem hieruit zouden halen: Ze hadden de schijven! Zodra die onderzocht werden, zou uitkomen dat ze leeg waren.

‘En dan zal ik duchtig aan de tand gevoeld worden! Goed, goed, maar wat zal ik dan vertellen? Het zal een verdomd goed verhaaltje moeten zijn!

Zeggen dat ik niet weet dat er iets in die schijven moest zitten? Zelfs als ze me geloven, schiet ik daar niets mee op. Integendeel. Dan word ik een waardeloos blok aan hun been. En als ik zeg dat ik de foto’s ergens verborgen heb? Dan zullen ze die wetenschap met alle middelen uit mij willen persen, desnoods door druk uit te oefenen met Bruno. Daar moet ik iets op vinden!’

Een plotselinge ingeving deed hem opspringen.

‘Fouilleren! Daar zullen ze mee beginnen,’ dacht hij angstig. ‘Ik moet die foto’s zien kwijt te raken, al was het maar tijde­lijk.’ Gejaagd vloog zijn blik de kamer rond. Niets! Geen radiator, geen kastje, geen losse tegel. De bank? De bank was niets anders dan een zware plank waar vier buizen aan vastgeschroefd zaten. Nergens een spleet of aan elkaar geschroefde planken waar hij de foto’s kon tussen schuiven.

De deur? Ook niets.

Dan zag hij naast de deur de lichtschakelaar met een stop­contact.

Gejaagd zocht hij zijn zakken na, maar vond niets waarmee hij de twee kleine schroefjes die het sluitplaatje vasthiel­den, kon losdraaien. De schroevendraaier en de Engelse sleutel uit de Mercedes hadden ze hem al bij de grens afgenomen .

De tijd joeg verder: om de haverklap keek hij op zijn horloge.

En dan zag hij zijn kans: de sluitpin van het riemgespje! Het halfronde gekromde ding paste echter niet in de gleuf­jes. Bovendien eindigde het in een stompe punt, waardoor hij geen vat kreeg op het schroefje.

Hij wierp zich op zijn knieën, schuurde, krabde en vijlde koortsachtig het pennetje in de kleine cementvoeg tussen de vloerstenen.

Nu en dan probeerde hij het schroefje los te draaien. En eindelijk lukte het!

Hij zag dat er ruimte genoeg voor de foto’s was. Zonder aarzelen scheurde hij een haakje in de voering van zijn jas en haalde de foto’s eruit.

Hij moest ze eenmaal vouwen over de lange zijde en toen kon hij ze, gebogen in de vorm van een uitgerekte S, tussen de bedrading en langs het binnenwerk van de schakelaar krijgen.

Het laatste schroefje zat nog maar juist op zijn plaats toen hij stappen in de gang hoorde. Hij bereikte de bank precies op het ogenblik dat de sleutel in het slot knarste en de jongeman in het leer binnenkwam.

‘Hallo, schipper!’

Lievens kon het niet laten de zenuwen even op die kinder­achtige manier af te reageren.

Met de hiel schopte de man de deur achter zich dicht en ging er tegen aanleunen, net of hij al de tijd had.

Ze taxeerden elkaar en Lievens verwonderde er zich opnieuw dat de man er nog zo jong uitzag voor de belangrijke plaats die hij in de Tsjechische spionagewereld innam. De harde lijnen boven en rondom de mondhoeken brachten hem in verwarring. En dan die mond: zo scherp als de snede van een mes!

‘Die kerel heeft toch wel al een en ander meegemaakt.’ dacht Lievens.

‘Waar zijn de foto’s!’ sneed plots de metalen stem. Het was geen vraag, meer een bevel. ‘Geef op!’

Lievens liet zich achteruitzakken tot de rug tegen de muur steunde. Hij moest tijd winnen. Hij moest een overtui­gend verhaal in elkaar timmeren. Hij kon niet zomaar iets uit zijn duim zuigen.

De ogen gesloten, zat hij er bij alsof hij alleen in de kamer was.

De laarzen kwamen nader. Vlak voor hem hielden ze stil.

En plots vlamde een scherpe pijnscheut door zijn scheenbeen: een tik met de laars op de juiste plaats!

De jongeman stond zwijgend voor Lievens, roerloos als een beeld. Op het jongensachtige gezicht lag geen enkele emotie. Geen genoegen over Lievens’ reactie, geen woede over zijn zwijgen. Koud en onverschillig staarden de ogen hem aan.

‘Waar zijn de foto’s?’

Het klonk even onpersoonlijk en metaalachtig als de luid­spreker in een station: ‘Trein X, verwacht op spoor Z, heeft vijf minuten vertraging ...’

Lievens voelde een kriebeling ergens in zijn nek. Zo gemakkelijk liet hij zich niet intimideren.

‘Doe dat niet meer.’ Hij zei het met onverschilli­ge stem, waaruit echter duidelijk bleek dat hij geen tegen­spraak duldde. ‘Ik wil eerst mijn zoon zien.’


Lievens had er zich op voorbereid…

Toen de knie voor hem wat doorboog om de voet vooruit te schoppen, schoot zijn rechterbeen vooruit, de voet haakte net achter de hielen van de man. Hij zette zich af op het linkerbeen en met de rechterhand duwde hij de keel van de verraste man achteruit en plofte hem op de grond.

Hij wrong hem een arm achter de rug en hield de man zo met het gezicht tegen de vloer gedrukt.

Even bleef het stil. Zodra hij tegenstand voelde, verhoogde hij de druk van zijn knie en draaide de arm wat vaster aan.

Een eeuwigheid lang, scheen het Lievens toe, bleven ze in die houding. Hij wist waarachtig niet wat hij moest beginnen. Hij had de man in zijn macht, maar wat kon hij ermee doen?

‘Wat denk je,’ vroeg hij ten slotte. ‘Zullen we het fijn houden? Ik dacht dat de Tsjechen hun gevangenen niet pijnig­den, dat alleen de Russen dat deden!’

Onder zich voelde Lievens een woedende ruk. Verbaasd zag hij de slanke vingers en de smalle pols naast zijn eigen zware knuisten.

‘Wel, schipper, houden we het nog lang zo? Of zullen we in deze combinatie de deur uitgaan en wat door het gebouw wande­len? We zullen allicht wel iemand ontmoeten die me zal zeggen of ik je al dan niet moet loslaten.’ Lievens hoorde hoe bars zijn stem klonk, als van een vreem­de. Het lichaam onder hem ontspande.

‘OK. Laat me los.’

Het gezicht was vertrokken van woede om de vernedering. Zwijgend kwam de jongeman overeind en zonder hem aan te kijken verliet hij de kamer. Lievens hoorde het slot tweemaal klikken.


‘Dommer had ik het niet kunnen aanpakken,’ zuchtte Lievens hardop. ‘Die komt zeker terug met een knokploeg.’

Beduusd zat hij op de bank. Maar er kwam niemand opdagen.

Ergens klopt het niet. ‘In elke westerse staat zou ik nu beslist een derdegraads verhoor ondergaan. En ik zit hier al een half uur zonder dat iemand zich laat zien. Is die man me misschien op eigen houtje komen ondervragen? Is hij zijn boekje te buiten gegaan?’

Opnieuw hoorde hij lichte voetstappen. De jongeman sloot de deur weer met de hiel en bleef er tegenaan leunen.

‘Ik heb geen toestemming gekregen om je vooralsnog bij je zoon te brengen. Eerst de foto’s.’

Lievens zag het strakke gezicht, zonder enig spoor van rancune over het voorval van daarstraks.

‘Beste vriend, die foto’s zijn veilig weggeborgen, want dat zaakje aan de grens vertrouwde ik voor geen cent. En ik weiger elke medewerking zolang mijn zoon niet bij me is.’

‘Gelukkig vertrouwden wij jou ook niet. Maar goed, ik heb met deze zaak niets meer te maken. Laat mij je nog een goede raad geven: gebruik bij de mensen die je nu zullen aanpakken, je hoofd en niet je handen.’


Verbluft stond Lievens nog naar de deur te staren, lang nadat de man met de zwarte jas al verdwenen was.

Hij herstelde zich en trachtte zijn verhaal zo geloofwaardig mogelijk op te bouwen. Daarna zette hij alle feiten op een rijtje en herhaalde als een schooljongen zijn les.

‘De twee foto’s zitten afzonderlijk in een omslag en werden bij mijn notaris in bewaring gegeven. Een omslag is geadresseerd aan Peter Lievens, de andere aan Bruno. De nota­ris heeft opdracht eigenhandig die omslagen aan de geadres­seerden te bezorgen. Bovendien moeten beiden hiervoor samen aanwezig zijn.’

21.
Lievens had geen tijd om iets beters te bedenken, want de deur zwaaide open en twee politiemannen beduidden hem met een hoofdknik hen te volgen. Tussen hen in liep hij de lange gang door, dan de trap op. Twee verdiepingen hoger hielden ze halt voor een deur, met nummer 58. Een der mannen klopte aan en wachtte tot een stem toestemming gaf binnen te komen.

Eerst zag Lievens een bureaumeubel, prachtig bewerkt en gebeeldhouwd, met een eeuwenoud patina in zijn glans.

Achter het bureau zat een gedistingeerd heertje. Met een kaarsrechte scheiding verdeelden de grijze strak gekamde haren de schedel in twee gelijke helften. Achter hem stonden nog twee mannen die Lie­vens aandachtig monsterden. Van hun gezicht was duidelijk het misprijzen af te lezen om de zachtzinnige manier waarop Lievens behandeld werd. Zelfs met de ellebogen kon Lievens uit hun houding de niet te onderschatten waarschuwing aanvoelen: Gaat het niet op een zachtzinnige manier, dan zorgen wij wel voor een meer efficiënte aanpak.

Het heertje had, blijkbaar als inleiding, zijn bril met de randloze glazen van de neus genomen en poetste die omstandig en voorzichtig met een fijn doekje, zonder Lievens ook maar een ogenblik aan te kijken.

Niettemin had hij gezien dat, in weerwil van de omstandig­heden, Lievens’ ogen goedkeurend over het meubel gleden, nog voor ze zich op de personen in de kamer vestigden.

Zijn bril zal pas klaar zijn als hij ook met zijn gedachten klaar is, dacht Lievens glimlachend, niet van plan ook maar een zinnig woord los te laten over de foto’s zolang Bruno niet bij hem gebracht werd.

Eindelijk toonde het heertje zich tevreden over de poets­beurt, schoof de brilveren voorzichtig over de oren en legde dan een dossier twee millimeter meer naar het midden van het bureau.

‘Meneer Lievens,’ het dossier lag blijkbaar nog niet hele­maal juist, want hij verschoof het nog een millimeter, ‘het spijt me ontzettend dat we elkaar onder deze ongelukkige omstandigheden moeten ontmoeten. Ach, excuseert U mij toch,’ hij wenkte naar een der politiemannen, die haastig een stoel bracht, ‘wat ben ik toch een slechte gastheer. Gaat U toch alstublieft zitten. Mag ik iets aanbieden? Koffie misschien?’

‘Ja, graag.’

Een der politiemannen verwijderde zich en kwam even later terug met een kan koffie en een dienblad met kopjes.

‘Meneer Lievens, de omstandigheden hebben tot hiertoe belet dat onze samenwerking de gewenste resultaten zou opleveren. Laat ons daarom de voorgaande kwajongensstreken vergeten en opnieuw beginnen, met een schone lei.’

Hij glimlachte en spreidde de handen op het bureaublad, de palmen naar boven.

Nu zag Lievens geen vriendelijk heertje meer voor zich. Onwillekeurig moest hij denken aan een fijn geslepen beitel, glanzend en haarscherp. En die beitel schaafde nu alle oneffenheden weg, zacht en zoet, zolang Lievens aan de wensen van het heertje tegemoet zou komen.

‘Maar als ik mij verzet, dan zal die beitel kerven en kap­pen, en levensgevaarlijk worden. Ik kan het beste afwachten en trachten zolang mogelijk zijn vriendje te blijven.’ Hij knikte even naar het heertje, als om zijn instemming te betuigen.

‘Wij hebben U hier uitgenodigd, omdat wij aan weerszijden een groot belang te verdedigen hebben. Dit is zo te zeggen een gemeenschappelijke zaak geworden.’

Het heertje wuifde even met de hand en Lievens’ kopje werd weer bijgevuld. De koffie was lekker en Lievens dronk met smaak.

Het heertje had zijn vriendelijk masker weer opgezet en de stem klonk niet meer zo scherp. Het stroeve Hoogduits gleed nu soepeler Lievens’ oren in.

Hij leek wel in een stripverhaal terecht gekomen. Bijna zag hij de woorden huppelend uit de mond van het heertje komen. In gotische lettertekens dan. Lievens glimlach­te en schudde even met het hoofd. Hij kon zich maar moeilijk concentreren op wat hij hoorde en zag. Hij voelde zich blij en uitgelaten, zoals lang geleden toen hij nog een kleine jongen was en met Nieuwjaar zijn brief mocht voorlezen.

Uit de verte kwam een stem. En Lievens zag weer het vriendelijke heertje. Lievens glimlachte. Hij dacht aan Bruno. Eindelijk zouden ze naar huis kunnen.

‘Waar is mijn zoon! Ik wil hem hier bij mij.’ onderbrak Lievens opeens het heertje.

‘Zeker, zeker, meneer Lievens.’ Het heertje zag er nog vriendelijker uit dan voorheen. ‘Dat is volkomen begrijpelijk.

Ons ontbreekt het niet aan goede wil, zelfs zonder enige terughouding, dat merkt U wel. U weet echter hoe dat gaat:

De bureaucratie eist een formulier voor dit en een papier voor dat. We zijn er volop mee bezig om die zaak in orde te bren­gen. Nog enkele uren en het is zover.’

Lievens knikte. Hij was vol begrip en medeleven voor de lasten en zorgen van het heertje.

‘Och ja,’ brabbelde hij ‘- vreemd dat mijn tong zo dik aan­voelt - bij ons in België is dat ook zo. De mensen van de administratie voelen zich alleen maar gelukkig als ze veel papier om zich heen hebben. – eigenaardig… mijn arm… zo zwaar… toch voel ik me goed… mijn stem klinkt raar door de neus, ik heb toch geen glaasje teveel gedronken?’

De stem van het heertje kwam thans van heel ver.

‘ Wat zegt hij? Nog wat koffie? Ja, dat zou mij wel goed doen. Tiens, waarom drinken zij hun koffie niet? Die is toch lekker?

‘en daarom dachten we… misschien enkele inlichtin­gen… dringend nodig… de foto’s… de foto’s… uw zoon…’

‘Waar is mijn zoon? Komt Bruno hier?’

‘Meneer Lievens… Lievens… Lievens… de foto’s… fo­to’s.

‘Ach ja, de foto’s… mag ik niet zeggen… eerst Bruno.’

Lievens zag enkel nog gezichten van de aanwezigen alsof ze in wolkjes zweefden. En vlak voor zijn ogen de ogen van het heertje, heel dichtbij.

‘Grappig toch! Het heertje vraagt altijd maar naar die fo­to’s. ‘Ik heb ze niet meer. Ze zijn weg. Bij Jan. Ja, Jan heeft ze. Die weet er niets van. Niemand krijgt de omslagen. Jan is mijn neef. Hij is notaris… Wat zegt U? Iemand sturen? Nee, niemand, alleen ik… en Bruno… Niemand…’

Steeds ijler en verder, met golven, hoorde Lievens zijn stem en die van het heertje. En er waren telkens enkele seconden tussen het horen van de woorden en het begrijpen ervan. Tot hij er tenslotte niet meer wijs uit raakte, ‘wat was dat toch?’ Dan vroeg hij zich af, het werd werkelijk een alles over­heersend probleem: zat hij nu op een stoel of in een luie zetel? Hij kreeg er maar geen kijk op, hij voelde niets meer.

Hij zag hoe een naald in zijn arm geprikt werd, zonder dat hij er ook maar iets van voelde. Hij zag een duim de spuit leegduwen en was zelfs niet verwonderd dat dit alles gebeurde.

Maar dan kwam er een tinteling in de toppen van zijn vingers en tenen. Steeds sterker. En in zijn achterhoofd. De prikke­ling kroop steeds maar verder over zijn benen en armen, tot heel zijn lichaam een pijngevoel werd, steeds heviger.

Hij kon de kamer weer rondzien en bemerkte de twee politie­mannen die hem roerloos aanstaarden.

Ook de gezichten van het heertje en zijn secondanten ver­toonden niet de minste uitdrukking. Strak keken ze hem aan. De pijn in zijn lichaam werd ondraaglijk. Alsof honderd tandart­sen in honderd zenuwen boorden. Tot in zijn hersenen brandden de vuurtongen. En hij was niet in staat een vinger te verroe­ren.

Tot het tij van pijn keerde en de schurende vloed langzaam wegebde. Uitgeput wiste hij zich het zweet van het gezicht. Wat is er gebeurd, wat heb ik verteld, was de alles overheer­sende vraag die door zijn hoofd raasde. Vaag herinnerde hij zich de injectie. En de koffie. De koffie! Er was iets in die koffie!

Hij schrok, was doodsbang. Met nog meer hevigheid dan daar­net stormde de vraag op hem af: wat had hij gezegd? Het heertje merkte de verandering bij Lievens.

‘Waar zijn de foto’s?’ hakte zijn stem.

‘Ze weten het niet, ze weten het niet!’ jubelde het in Lievens’ borst.

Iemand sloeg een nat, ijskoud doek in zijn nek en ge­zicht. Even moest hij naar adem happen.

‘Waar zijn de foto’s?’

‘In België. Bij mijn notaris.’

‘Geef zijn naam en telefoonnummer. Wij zullen hem oproepen voor u. Zeg hem dat u iemand zult sturen. Geef hem opdracht alles te overhandigen aan die man.’

‘Nutteloos, zo werkt dat niet. De notaris zal alles negeren, zolang ikzelf en Bruno niet voor hem staan.’

Ontzet zag Lievens de gezichten voor hem steeds meer ver­trekken van woede en vertwijfeling. Maar dan besefte hij dat dit een teken van overgave was, dat het hun duidelijk werd dat ze voorlopig niet verder konden. En tezelfdertijd was het een balsem voor zijn gekwetste gevoelens dat hij, Peter Lievens, ook eens de sterkste was geweest, dat hij, eindelijk! een goede zet had kunnen doen in dit schaakspel.

Het heertje blafte tegen de politiemannen. Die trokken Lievens met een ruk van de stoel en sleurden hem de kamer uit, terug naar de cel.


Eindelijk alleen kon Lievens zich met moeite bedwingen even de schakelaar te controleren. De stilte in de kamer gaf zijn zenuwen de kans tot rust te komen.

Het hele gebouw leek wel verlaten. Geen voetstappen, geen deur die geopend of gesloten werd.

Zijn gedachten zweefden naar Schoten, naar het huis dat daar nu al dagenlang verlaten stond. Best mogelijk dat de buren zich daarover al verwonderd hadden en onder elkaar misschien al de gekste veronderstellingen geuit hadden. De dagelijks in en uit lopende vriendjes van de kinderen zouden hun ouders ook al wel ondervraagd hebben over die zonderlinge afwezigheid. Eerstdaags zou de politie daar wel iets van opvangen.

En wat met de Katoen Natie? Daar zou nu wel een stukje gevloekt worden! Wie haalde het nu in zijn hoofd om zomaar, zonder enige afspraak, te verdwijnen, naar waar? Naar zonnige oorden natuurlijk! Lievens moest even glimla­chen, hij kon zich het misbaar van zijn collega’s levendig voorstellen.

Maar dan brak hem weer het angstzweet uit. Hij zag het al in grote letters op de voorpagina staan: ‘Gezin van zeven perso­nen verdwenen!’ En niemand, zeker de politie niet, mocht weten dat er iets met het gezin van Lievens aan de hand was. De Tsjechen moesten de kans krijgen om Lievens en zijn zoon vrij te laten, voordat de Belgische recherche en daarna Interpol in actie zouden komen. Ze mochten geen bewijzen vin­den die de Tsjechen zouden belasten met een schandaal dat in heel de westerse pers weerklank zou vinden.

Lievens sprong op van de houten bank en beukte met handen en voeten op de deur. Hij wilde de Tsjechen ervan overtuigen dat ze snel moesten handelen, als ze al niet zelf tot die slotsom gekomen waren.

Maar de tijd verstreek zonder dat er iets gebeurde en ten­slotte gaf Lievens het op.

De stilte leunde zwaar op hem.

Een ogenblik speelde hij met de gedachte om de foto’s te overhandigen zodra iemand zou komen opdagen, maar hij wist zich er snel van te overtuigen dat ze zijn enige kans op redding waren.

Zolang de Tsjechen die foto’s niet hadden, kon hij er zeker van zijn dat ze hem niet lieten verdwijnen.

Weer bonkte en schopte hij tegen de deur, minuten lang. Drie kwellende uren zat hij nu al eenzaam in deze kamer, die steeds meer op een cel begon te lijken. Steeds verder vraten de zorgen aan zijn weerstand.

‘Wat voeren ze toch uit?’ zei hij hardop tegen zichzelf. Vertwijfeld stampte hij nog enkele malen tegen de deur, gooide zich dan languit op de bank.

In de kamer ernaast knikte het heertje bemoedigend tegen zijn helpers. ‘Nog een half uurtje,’ zei hij, ‘laat hem nog een half uurtje vechten met zichzelf. Dan zullen de zenuwen niet veel meer nodig hebben om af te knappen. Veel zal hij niet meer kunnen verdragen.’

22.


Terwijl hij daar mistroostig op de harde bank lag, ten prooi aan de diepste ontmoediging, ging er langzaam een lichtje op in Lievens brein. De aanvankelijke verwondering over die eenzame en langdurige opsluiting, verwondering die ten slotte omsloeg in paniek, ging geleidelijk over in het besef dat dit nu juist de bedoeling was: hij moest week gemaakt worden, murw, zodat hij lijdzaam hun eisen zou inwilligen.

Die ontdekking was voor Lievens de hefboom waarmee hij zich­zelf weer overeind hielp. ‘En toch zal het niet lang meer du­ren!’

Er lag een bittere trek op Lievens’ gezicht. De urenlange stilte had de indruk gewekt dat dit gebouw zo goed als verla­ten was, hoewel hij zich niet kon voorstellen dat men speci­aal voor hem het leven in zulk groot gebouw zou lamleggen.

‘Of wel horen ze mij en halen mij hier uit, of wel horen ze mij niet en dan wandel ik hier rustig weg!’ grijnsde Lievens, terwijl zijn linkerhand de zware bank in het midden vast greep en zijn rechterhand een houvast vond aan een poot.

De bank was log en moeilijk te hanteren, maar na enig probe­ren wist hij hem zo te zwaaien dat het een prima stormram werd. Hij stelde zich op voor de deur en richtte de ogen vast op het doel: de deurklink.

Bij elke tel zwaaide hij de bank iets hoger en meer vooruit, tellend als vroeger in de gymnastiekles.

Een… achter, twee… achter, drie… achter, NU!

Met alle kracht die hij uit zijn lange lijf kon persen, stootte Lievens de kop van de bank tegen de deurknop. Als een kanonschot sloeg de klap tegen zijn trommelvlies.

De bronzen klink lag afgebroken op de grond. Hij duwde met de hand onderzoekend op het hout rondom het slot. Hij vond met moeite een barst in het deurkader. Verder niets.

Een… achter, twee…

Het lawaai van de slag was ditmaal niet zo hevig, maar zijn oren hadden een gekraak opgevangen.

‘Goed zo,’ prees hij zichzelf. ‘Goed zo. Nog een paar voltreffers en de timmerman kan hier een andere deur ko­men hangen.’

Een… achter, twee…

De deurstijl barstte open, hij zag duidelijk dat de knip uit het slotgat geschoten was. De deur zelf zat echter klem in de deurpost, omdat ze naar binnen openging. Vertwijfeld zochten zijn vingers houvast om de deur open te trekken. Vruchteloos.

Nog maar eens met de bank er tegenaan.

Het hout spleet en kraakte in al zijn nerven.

Toen klonk van de andere kant een stem en een voet trapte bonzend tegen het versplinterde hout. Lievens liet de bank op de vloer vallen.

De deur vloog krakend open en in het deurgat stond de jonge­man met de zwarte vest. De mondhoeken waren iets meer naar beneden getrokken, wat volgens Lievens een grijns moest voorstellen, maar de ogen bleven koud en waakzaam.

Lievens werd weer bij het heertje gebracht. Dat was een heel stuk veranderd. Het zat niet meer achter zijn bureau, rustig de kamer beheersend, maar liep schichtig rond, van Lievens naar de jongeman, dan weer naar het raam, als een opgejaagde wezel. De man was bang, zag Lievens, en terzelfder tijd razend.

De jongeman stond er zelfvoldaan bij, nu en dan iets ant­woordend op het snauwen van het heertje, dat in heftige, rate­lende woordenstroom zijn woede kwijt wilde aan de jongeman.

Ze spraken Tsjechisch. Het enige wat Lievens eruit kon opmaken was dat de jongeman Matchi heette en dat hij waarschijn­lijk van dezelfde rang was als het heertje, wellicht van een andere dienst, wat betekende dat hij onafhankelijk van hem was.

Lievens kon de reden van alle opwinding niet gissen. Het hele gedoe liet wel in zijn brein een sprankel hoop opspringen.

Zouden de Engelsen hem op het spoor zijn? Zou de verlaten Mercedes aan de grens de aandacht van iemand getrokken hebben?

Plots stond het heertje voor Lievens, zo dichtbij dat hij het hoofd achterover moest houden om hem aan te kunnen kijken. Schijnbaar had hij zichzelf weer onder controle.

‘Wij hebben hier een maximum aan knoeiwerk verricht. Wij beiden. Vooraanstaande personen in dit land zijn zeer ontstemd over de… euh… vorderingen die wij gemaakt hebben. Die foto’s moeten wel zeer belangrijk zijn! Maar knoop dit goed in je oren: als ik voor negen uur geen posi­tief resultaat kan melden, moet ik je afstaan aan de centrale. Ik heb het op een zachte manier geprobeerd, maar jij weigerde mee te werken en ik heb dus gefaald. In dit land wordt een mislukking niet zomaar in dank afgenomen… En jij zal nu in een molen terechtkomen waarin men je zal fijnmalen tot er slechts korrels overblijven.



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina