Evangelie van Lucas Aankondiging van de geboortes



Dovnload 63.11 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte63.11 Kb.
Overzicht

Evangelie van Lucas


Aankondiging van de geboortes
Jezus voor zijn zending
Johannes de doper
Test van de duivel
Apostelen
Jezus en de schriftgeleerden
Mirakels
Voetenwassing door de zondige vrouw
Parabels
Jezus met Mozes en Elia (Transfiguratie)
Zending van de 72
Onze Vader
Verdeeldheid en geen vrede
De dag van de mensenzoon
Jeruzalem: Intocht en Tempel
Laatste avondmaal
Proces
Kruisiging
Verrijzenis en Verschijningen

Evangelie van Lucas

In de inleiding van het evangelie verwijst Lucas naar een Teofilus of Theophilus. Er bestaan verschillende theorie over wie deze persoon zou zijn. Het zou zowel kunnen verwijzen naar een jood uit Alexandrië, volgens de koptische traditie, als naar een bekeerde romeinse bestuurder.

Het zou ook kunnen verwijzen naar Theophilus ben Ananus, een hogepriester van de joodse tempel. Wat ook zou kunnen is dat Theophilus naar een fictief persoon. Theopilus is een Latijnse jongensnaam die betekend vriend van God. Lucas zou volgens deze verklaring naar iedere “vriend van God” verwijzen.
Het Evangelie van Lucas is ook het enige evangelie dat spreekt over Zacharias en Elisabet, de ouders van Johannes de Doper, en waar geschreven staat dat Jezus weende toen hij Jeruzalem zag tijdens zijn intocht.

Aankondiging van de geboortes

Aankondiging geboorte van Johannes de Doper (Lc 1, 5-25)

Het Lucas evangelie is het enige van de vier evangelies dat uitwijd over de aankondiging van de geboorte van Johannes en de familiebanden tussen Jezus en Johannes de Doper. De ouders van Johannes de Doper worden omschreven als Zacharias en Elisabet. Beiden stammen af van de lijn van Aäron, de broer van Mozes. Als afstammeling van Aäron betekent dit dus dat Zacharias een priester was in de Tempel van Jeruzalem. In zijn tijd dienden priesters in de Tempel één keer per week en dat tweemaal per jaar, wat neerkomt op 24 verdelingen van priesters. Aäron en Elisabet blijken kinderloos te zijn en al van gevorderde leeftijd.

Wanneer Aäron een reukoffer aan het brengen is verschijnt er hem een engel, het is de aartsengel Gabriël. Deze zegt dat zijn vrouw zwanger zal worden van een zoon die zij Johannes moeten noemen, de naam betekent `God is verzoenend`. Deze zoon zal groot worden in de ogen van de Heer, aan Hem toegewijd; getuige de passage Wijn en sterke drank zal hij niet drinken (Lc 1,15): dit was een teken van de Nazireeërs. Zij mochten bovendien hun haar niet knippen of scheren. Ook mochten zij niet in aanraking komen met een dode of zelfs maar met een overledene onder één dak verkeren. (Nu 6, 1-8). Johannes wordt hier (Lc 1,17) al geïdentificeerd met Elia, de profeet die ten hemel was opgenomen en zou terugkomen naar aarde voor de Messias zelf zou verschijnen (Maleachi 3,22-24)


Omdat Zacharias aanvankelijk twijfelt aan de waarheid van de boodschap van Gabriël, wordt hij met stomheid geslagen tot de geboorte van zijn zoon. Wanneer zij zwanger wordt dankt zij de Heer omdat Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad onder de mensen wegnam.(Lc 1,25) Onvruchtbaarheid werd toen beschouwd als bewijs dat men de zegen van God niet had, m.a.w. zondig was. Het beeld van een ouder koppel dat toch nog kinderen krijgt, komt vaker terug, denk maar aan Abraham en Sarah.


Aankondiging van de geboorte van Jezus (Lc 1,26-38)

De engel Gabriël gaat hierna naar Nazareth en begroet Maria, verloofd met Jozef, en vertelt haar dat God haar heeft uitgekozen voor een speciale opdracht. Zij heeft in de ogen van God genade gekend en zal, hoewel ze nog maagd is, een zoon op de wereld zetten. Dit deel is anders dan in het evangelie van Matteüs 1,20 waar een onbenoemde engel aan Jozef verschijnt nadat deze ontdekt had dat Maria zwanger was. Jozef twijfelde om van haar te verschijnen, maar de engel verklaart alles.

Gabriel zegt Maria ook nog: Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ (Lc 1,31-33)

Dat de Messias uit het huis van David komen zal, valt al te lezen bij 2 Samuel 7.

In Daniel 9:24-27 lezen we ook al een voorspelling over 70 weken en de dood van een gezalfde zonder opvolger (= er komt niemand meer zoals Christus). Uit Lucas 1 blijkt Elisabet al zes maanden zwanger te zijn. Als men daar de zwangerschap van Maria bij telt, plus de 40 dagen rituele onreinheid die vrouwen in het Jodendom ten beurt valt na een bevalling, zou men rond de 70 weken zitten. Dit is rond de periode dat Jezus voor het eerst (h)erkend wordt als Messias in de Tempel in Jeruzalem door een vrome jood, Simeon. (Lc 22-32)

Later zal Maria bij Elisabet op bezoek gaan, wanneer ze elkaar groeten springt de baby Johannes op in haar buik van vreugde en wordt ze vervuld van de Heilige Geest (Lc 1,4041)

Maria bidt dan tot God (Lc 1,46-55) een gebed dat doet denken aan het gebed van Hannah, de moeder van de profeet Samuel (1 Samuel 2:1-10).

Jezus voor zijn zending

Een bepaalde tijd na de geboorte wordt het kind naar de tempel gebracht voor een soort van toewijding. Hij wordt dan in de joodse gemeenschap op genomen.

Wanneer Jezus daar wordt gebracht wordt door zijn ouders is er een rechtvaardige en vrome man, Simeon. Hij pakt Jezus in zijn handen en looft God. Simeon doet dan al een voorspelling dat Jezus omstreden zal zijn in de joodse wereld en dat Maria een zwaard door haar ziel zal krijgen. Hij weet dus dat Maria mentaal zal afzien van wat er met Jezus zal gebeuren.

Er is ook nog een bejaarde vrouwelijke profetes Hanna die Jezus opmerkt en tegen iedereen verkondigt dat de Verlosser gaat komen.




Johannes de doper:

Johannes verkondigd om het goede te doen en doopt mensen (Lucas 3)

Johannes hoorde van Jezus zijn wonderen en stuurde bootschappers naar Jezus. Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?” De bootschappers vertelden wat ze hadden gezien. (Lucas 7)


Johannes de dooper is uiteindelijk onthoofd door Herodes. Hij werd beschouwd als een profeet.

Test van de Duivel:

Toen Jezus 40 dagen had gevast en gebeden in de woestijn, kwam de duivel tot hem.

De duivel zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.’ Maar Jezus antwoordde: “De mens leeft niet van brood alleen.”’ Toen bracht de duivel hem naar een hooggelegen plaats en liet hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, als u in aanbidding voor mij neervalt,’ Maar Jezus antwoordde: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’

De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette hem op het hoogste punt van de tempel, en hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.” En ook: “Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’

Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij hem vandaan.

(Lucas 4)



Apostelen

Door zijn genezingen had Jezus al aardig wat volgelingen. Bij de roeping van de vissers bekeerd hij Simon ( Petrus), Jakobus en Johannes tot leerlingen. Hij stapt in de boot van Simon (Petrus) en geeft de mannen wat les en hij zegt ze hun net nog eens uit te gooien aan de andere kant van de boot. Ze doen dit en vangen wel vis.

Simon (Petrus) zegt, net voor ze de netten uitgooien: “ De hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.”
Hier laat Simon (Petrus) zien dat hij gelooft. Hij gelooft in Jezus en wordt daar voor beloond, ook al zegt hij zelf dat hij al heeft gezondigd.

Na een aantal genezingen en conflicten met Farizeeërs kiest hij 12 apostelen onder zijn leerlingen. De twaalf zijn: Simon, hij werd ook Petrus genoemd (Petrus betekend rots, Jezus zei: “ Jij bent de rots waarop ik mijn kerk bouw.”), diens broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus van Alfeüs, Simon de zeloot, Judas van Jakobus, en Judas Iskariot ( die de verrader is geworden.)



Jezus en de schriftgeleerden



Net zoals in de andere evangelies proberen schriftgeleerden en farizeeën voortdurend Jezus te betrappen op godslastering of het met voeten treden van de wet. Hiertoe vallen ze Hem aan wanneer Hij bijvoorbeeld met Zijn leerlingen aren plukt op sabbat (Lc 6,1-5) of wanneer Hij, ook op een sabbat, een genezing verricht (Lc 6,6-10). Telkens geeft Jezus heen een repliek: eerst door hen te antwoordden Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger kregen? Dat hij het huis van God binnenging en de offerbroden meenam, ervan at en ze ook aan zijn metgezellen gaf, hoewel alleen priesters die mogen eten? De Mensenzoon is ook Heer van de sabbat. (Lc 6,3-5) en dan Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, een leven mag redden of verloren laten gaan. (Lc 6,9)

En soms weigert Jezus zelfs gewoon te antwoorden of antwoordt hij met een tegenvraag zoals in Lucas 20,1-8 :


Op een van die dagen dat Hij in de tempel onderricht gaf aan het volk en de goede boodschap verkondigde, kwamen de hogepriesters en de schriftgeleerden samen met de oudsten op Hem af en zeiden tegen Hem: ‘Vertel ons eens, met welke bevoegdheid doet U dit? Of wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?’ Hij gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen. Vertel Me eens, de doop van Johannes, kwam die van de hemel of van de mensen?’ Zij overlegden met elkaar: ‘Antwoorden we: “Van de hemel”, dan zegt Hij: “Waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken?” Maar antwoorden we: “Van de mensen”, dan zal heel het volk ons stenigen, want ze zijn ervan overtuigd dat Johannes een profeet was.’ Ze antwoordden dus dat ze niet wisten waar die vandaan kwam. Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik dit doe.’

Nog een voorbeeld Lucas 20,27-40:

 Nu kwamen er enkele sadduceeënbij Hem met een vraag. Zij bestrijden dat er een opstanding is. ‘Meester,’ zeiden ze, ‘Mozes heeft ons dit voorgeschreven: als een getrouwd man sterft zonder dat hij kinderen heeft, moet zijn broer trouwen met die vrouw en nakomelingen verwekken voor zijn broer. Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde met een vrouw en stierf kinderloos. Ook de tweede en de derde trouwden met haar, en zo alle zeven, maar ze stierven allen zonder kinderen na te laten. Nadien stierf ook de vrouw. Wiens vrouw zal zij nu zijn bij de opstanding? Ze hebben haar toch alle zeven als vrouw gehad.’ Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, maar zij die waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de andere wereld en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen immers niet meer sterven, want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen van de opstanding zijn het kinderen van God. Dat de doden worden opgewekt, heeft Mozes zelf te verstaan gegeven in het verhaal van de doornstruik, waarin hij de Heer aanduidt als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden maar van levenden, want voor Hem leven ze allemaal.’ Nu namen enkele schriftgeleerden het woord. ‘Meester,’ zeiden ze, ‘dat hebt U goed gezegd.’ Want men durfde Hem verder niets meer te vragen.



In dit laatste voorbeeld hekelt Jezus de schrifgeleerden omdat zij het ware doel van God uit het oog zijn verloren, zij geven alleen nog om de Wet, van uiterlijk vertoon. Hoewel zij langs de buitenkant vroom lijken, is hun binnenkant verdorven geraakt. In het hemelse rijk zijn aardse benoemingen niet van tel, het is een fundamenteel anders zijn,dat we het Koninkrijk van God noemen.


De farizeeën hielden zich strikt aan de joodse wetgeving zoals neergeschreven staat in de eerste Vijf Boeken van de (Hebreeuwse) Bijbel. Daarnaast hielden zij zich aan de mondelinge overlevering (de Misjna). Ze geloofden dat een vroom leven en een strikte navolging van de Wet de mens dichter bij God zou brengen. De farizeeën zagen het als hun taak de gewone mensen te bereiken en om hun kennis aan hen over te dragen. De farizeeën waren bij uitstek een groep die zich identificeerde met het 'gewone volk', dit in tegenstelling tot de verhelleniseerde sadduceeën, de partij van de hogepriesters en hogepriesters.

De Sadduceeën was een politieke en religieuze groepering binnen het Jodendom in de tijd van het Nieuwe Testament. In hun wetsinterpretatie waren ze conservatief: zij aanvaardden slechts de vijf boeken van Mozes zonder enige aanpassing. ( dus geen profeten zoals Jesaja, Jeremia etc.) .Zij waren ook bezorgd om de officiële eredienst in de tempel. Over de priesterlijke voorschriften waakten zij streng. De Sadduceeërs behoorden tot de priesterklasse en de hogere stand onder de leken. In Jeruzalem vormden zij de aristocratie.




Mirakels

Als Jezus in Kafarnaüm komt, drijft Hij een duivel, die in het lichaam zit van iemand in de synagoge, uit. In die zelfde stad geneest Hij de schoonmoeder van Simon en geneest hij nog talrijke andere mensen die met allerlei kwaaltjes Hem komen op zoeken.

Hij reinigde een melaatse en genas een lamme. Bij de genezing van de lamme zegt hij eerst: “Uw zonden zijn u vergeven.” Pas daarna zegt hij: “Sta op, pak uw bed en ga naar huis.”
Verder genas hij nog een man met een verschrompelde hand en hij genas de dienaar van een Centurion. Hij wekt de zoon van een weduwe op uit de dood en dreef een demon uit een stomme man. De stomme man begon terug te praten.

Hij bracht een storm tot bedaren, waarbij hij even een kleine snauw geeft naar zijn leerlingen dat ze niet genoeg geloven als ze bang hebben van de storm.


Hij genas ook een man die bezeten was van demonen in het gebied van de Gadarenen.

Ook genas hij technisch gezien een vrouw met bloedproblemen. De vrouw raakt eigenlijk Jezus aan als hij voorbij loopt en hij voelt de kracht uit hem weglopen. Hij stopt en vraagt wie hem aanraakte, de vrouw bekend maar hij zegent haar en gaat verder. Hij komt dan bij een twaalf jarig meisje dat gestorven is maar laat haar opstaan uit het dodenrijk.



Wanneer de Twaalf terugkeren met zo’n 5000 volgelingen, laat hij hen eten door het vermenigvuldigen van 5 broden en 2 vissen. Hij drijft ook nog de demonen uit een krankzinnig jongen. Verder genas hij nog een vrouw die al 18 jaar krom liep, en een man met waterzucht, zuiverde hij 10 melaatsen en genas Hij het oor van Malchus.


Voetenwassing door de zondige vrouw


In Lucas 7,36-50 lezen dat jezus aanschoof bij een farizeeër om te eten. Toen een zondige vrouw dit hoorde nam ze balsem en ging naar het huis van de man. Ze begon al wenend Jezus’ voeten (volgens Lucas en Johannes, het hoofd volgens Matteüs en Marcus) te wassen en te balsemen erna. Toen de farizeeër dit opmerkte, vroeg hij Jezus of dat Hij wel wist dat Hij door een zondige vrouw werd aangeraakt. Jezus gaf hem als antwoord de parabel van de twee schuldeisers (Lucas 7,41-44)
Een van de farizeeën vroeg Hem om te komen eten. Hij kwam in het huis van de farizeeër en ging aan tafel. In diezelfde stad woonde een zondige vrouw. Toen zij vernam dat Hij aanlag in het huis van de farizeeër, ging ze erheen met een albasten fles balsem. Huilend ging ze achter Hem staan, bij zijn voeten. Met haar tranen maakte ze zijn voeten nat en met de haren van haar hoofd droogde ze die. Ze kuste zijn voeten en zalfde ze met balsem.
Toen de farizeeër die Hem had uitgenodigd, dit zag, zei hij bij zichzelf: ‘Als Hij een profeet was, zou Hij weten wat voor vrouw het is die Hem aanraakt; Hij zou weten dat het een zondares is. ’ Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Simon, Ik heb u iets te zeggen.’ Hij zei: ‘Zeg het, Meester.’ ‘Een geldschieter had twee schuldenaars. De een was hem vijfhonderd denariën schuldig, de ander vijftig. Ze konden het geen van beiden terugbetalen, en daarom schonk hij het hun. Wie van hen zal nu het meest van hem houden?’ ‘Ik
veronderstel,’ zei Simon, ‘degene aan wie hij het meeste geschonken heeft.’ ‘Dat is juist’, zei Jezus.
Daarop keerde Hij zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: ‘Ziet u deze vrouw? Ik kwam uw huis binnen. Water voor mijn voeten hebt u Me niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt u Me niet gegeven, maar zij heeft sinds Ik hier binnenkwam onophoudelijk mijn voeten gekust. Mijn hoofd hebt u niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. Daarom zeg Ik u dat haar vele zonden vergeven zijn, getuige haar grote liefde. Maar wie weinig wordt vergeven, heeft weinig liefde.’ Tegen haar zei Hij: ‘Uw zonden zijn vergeven.’ De andere gasten zeiden toen onder elkaar: ‘Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?’ Tegen de vrouw zei Hij: ‘Uw vertrouwen is uw redding. Ga in vrede.’



In dit verhaal legt Jezus uit dat, hoe groot je zonden (je schulden in het verhaal) ook zijn, door waarachtig berouw te tonen en grote liefde te betuigen God je je zonden zal vergeven. Maar diegenen die geen spijt hebben, al was het maar over de kleinste zonde van allemaal, zal heel weinig liefde hebben. Simon is een farizeeër en zou dus een diepere kennis moeten hebben over de boodschap van God, maar hij neemt zelfs niet de moeite om Jezus echt te verwelkomen (te kussen, voetenwassing) iets wat de zogenaamde zondige vrouw spontaan begint te doen.

Parabels:



Toen de farizeeën en schriftgeleerden kritiek hadden op Jezus omdat hij samen met zondaars en tollenaars at zei Jezus: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel’. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.

(Lucas 5)


Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteeninstortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’

(Lucas 6)


Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaad op de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaad op rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’ Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’
Het zaad is het woord van God. Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. Het zaad dat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen.

(Lucas 8)


Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde.
De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ De man die medelijden met hem heeft getoond.’

(Lucas 10)


Jezus ging eten bij een farizeeër die kritiek had op Jezus omdat die zich niet waste voor het eten.

De buitenkant van de beker en de schotel reinigen jullie, maar jullie eigen binnenkant is vol roofzucht en slechtheid. Dwazen, heeft hij die de buitenkant gemaakt heeft niet ook de binnenkant gemaakt? Geef liever de inhoud van beker en schotel als aalmoes, dan is niets meer onrein voor jullie! Maar wee jullie farizeeën, want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de gerechtigheid en de liefde tot God.

(Lucas 11)

Iemand zegt tegen Jezus: zeg tegen mijn broer om zijn erfenis te delen. Waarop Jezus de volgende parabel vertelde. ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’

(Lucas 12)
Jezus genas iemand op Sabat. Hierop kreeg hij kritiek. Er zijn zes dagen om te werken. Kom dus op die dagen om u te laten genezen en niet als het sabbat is!’ Jezus zei: Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os of ezel los van de voederbak om hem te laten drinken?

(Lucas 13)


Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat. Zei Jezus toen hij iemand met waterzucht genas om Sabbath.

(Lucas 14)

Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.” Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn. Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”’

(Lucas 14)

Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.
(Lucas 15)
Als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.’
(Lucas 15)

Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.

(Lucas 15)


Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van een rijke man, overdekt met zweren. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” de rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

(Lucas 16)

Een farizeeër en een tollenaar gingen naar de tempel om te bidden.De farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’

(Lucas 18)


Het is makkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.
(Lucas 18)
Een aanstaande koning ging op reis om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!” Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. De eerste kwam en zei: “Heer, uw geld heeft het tienvoudige opgeleverd.” Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het bestuur over tien steden.” De tweede kwam zeggen: “Uw geld, heer, heeft het vijfvoudige opgebracht.” Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.” Toen kwam de derde dienaar, die zei: “Heer, hier is uw geld, ik heb het in een doek voor u bewaard. k was bang voor u, omdat u een streng man bent die terugvordert wat hij niet heeft gestort en oogst wat hij niet heeft gezaaid.”Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Geef de honderd drachme af en aan de knecht die het tienvoudige verworven heeft. Ze zeiden tegen hem: “Wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen.
(Lucas 19)


Jezus met Mozes en Elia (Transfiguratie)


Berg Tabor


Jezus gaat samen met de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus (de Meerdere) de berg Tabor op om te bidden. De apostelen vallen in slaap tijdens het bidden, Jezus echter niet. Hij wordt omgeven door een stralend licht,zijn klederen worden wit en Hij verandert van uiterlijk. Ineens waren er twee mannen met hem in gesprek,deze twee mannen zijn Elia en Mozes. Ze spreken met Jezus over zijn rol die Hij moet vervullen en zijn levenseinde. Wanneer de twee profeten vertrekken, wil Petrus hutten voor ze alle drie maken, maar terwijl hij dat nog aan het voorstellen was kwam er een wolk opzetten die hen helemaal omhulde en waaruit een stem sprak: Dit is mijn uitverkoren Zoon, luister naar hem. Toen verdween de wolk en ook Mozes en Elia waren verdwenen.


In de synoptische evangeliën (Matteüs 17:1-9, Marcus 9:2-8, Lucas 9:28-36). komt dit verhaal voor. Het is een mirakel en ook een uniek: het is het enige mirakel dat Jezus zelf overkomt. Thomas van Aquino beschouwde het mirakel als het grootste dat er was: het toonde volgens hem de perfectie van het leven in de Hemel.

Het hele gebeuren wordt door theologen uitgelegd als een punt (berg Tabor) waar de menselijke natuur God ontmoet, de ontmoetingsplaats tussen het tijdelijke en het eeuwige, waar Jezus zelf als verbinding dient, de brug tussen hemel en aarde.


de berg Tabor


Zending van de 72

Lucas 10,1: Hierna wees de heer nog tweeënzeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen waar Hij zelf nog zou komen.




Grieks-Orthodoxe icoon van de 72 leerlingen

De groep van 72 leerlingen of volgelingen van Jezus wordt alleen in het Lucas evangelie genoemd (Lc 10,1-22). In sommige oude tekstfragmenten worden er slecht 70 geteld.


Het aantal kan een verwijzing zijn naar de 70 volkeren vernoemd in Genesis als de afstammelingen van de zonen van Noah (Genesis 10) of naar de 72 vertalers van de Septuagint ( de Griekse vertaling van het Oude testament). Het is ook op te vatten als een verwijzing naar de opdracht van Jezus om de Blijde Boodschap overal te verspreiden.

Het Onze Vader

Het ons welbekende Onze vader wordt in Lucas 11,1-4 genoemd. Jezus zou het als antwoord gegeven hebben toen één van de leerlingen Jezus vroeg om hen te leren bidden zoals Johannes de doper dat leerde aan zijn leerlingen. In Matteüs 6,9-13 wordt het ook vermeld, zij het met minieme verschillen. Daar verschijnt het als deel van de scène van de Bergrede.

Het gebed zelf heeft eigenlijk 2 (of 3) delen:

Dankgebed: Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

Smeekgebed: Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden zoals ook wij onze schuldenaars vergeven. En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade


(Belijdend gebed: Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid Dit gedeelte wordt niet altijd toegevoegd aan het Onze vader)

Verdeeldheid en geen vrede:

Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. Vanaf heden zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’

(Lucas 12, 49-53)


De dag van de Mensenzoon

In deze verzen vragen farizeeën Jezus wanneer het koninkrijk Gods zou komen maar Jezus wijst hen terecht: …Je kunt niet zeggen: ‘ Kijk hier is het of ‘ Daar is het’ ziet U, het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik. (Lc 17,21)
Jezus verwijst naar Oudtestamentische teksten over Noah en Lot. In het geval van Noah deden de mensen gewoon hun dagelijks ding, tot de zondvloed kwam, toen werd alles,buiten Noah vernietigd ( Genesis 6-9). Idem met het verhaal van Lot,de mensen dronken en aten en deden voort met hun leven, tot Lot vertrok uit Sodom, toen regende het zwavel en vuur. (Genesis 11-14 en 19) Volgens Jezus zal de dag dat de Mensenzoon zich openbaart identiek van aard zijn. Aardse dingen doen er dan niet meer toe, en Jezus herinnert zijn toehoorders aan wat er met Lot zijn vrouw is gebeurd : toen Sodom vernietigd werd kon zij het niet nalaten terug te kijken naar de stad, ondanks de waarschuwingen van engelen, en werd zij ter plekke in een zoutpilaar veranderd. (Gen 19,26)

Lot’s vrouw – pilaar op de berg Sodom, Israël

Jeruzalem: Intocht en Tempel

Wanneer Jezus Jeruzalem nadert laat hij 2 van zijn leerlingen erop uit trekken om een veulen voor hem te gaan halen. Jezus weet perfect waar het staat. Het is een maagdelijk, in de zin van niemand heeft er ooit op gereden, veulen maar het heeft wel eigenaars. Jezus laat zijn leerlingen zeggen dat de Heer het nodig heeft en de eigenaars maken er geen probleem van. Dit getuigt van veel geloof in de Heer. Jezus rijdt Jeruzalem binnen op een ezelsveulen.


Wanneer Hij Jeruzalem nadert barst in tranen uit. Hij werd net daarvoor valselijk aangesproken door Farizeeën maar het is niet daarom dat hij weent. Waarom hij juist weent is niet gekend maar het heeft waarschijnlijk iets te maken met de verwoesting van Jeruzalem. Deze tekst wordt voorgelezen op tisja be’av, de dag waarop in het jodendom de verwoesting van Jeruzalem wordt herdacht.

Als hij de tempel binnenkomt ziet hij dat het een verkoopplaats is geworden. Hij zegt: “Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt.”


Hij is kwaad omdat het heilige van een tempel geschonden is. Hij jaagt de kooplui weg en begint er les te geven.


Laatste avondmaal en arrestatie:

Jezus vierde Pesach met zijn apostelen. Tijdens het Pesachmaal wat later het laatste avondmaal genoemd werd, vertelt Jezus dat iemand aan de tafel hem zou verraden, waarop Petrus zei dat hij Jezus overal zou volgen. Jezus zei tegen Petrus: “deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.”.


Toen Jezus die avond nog op de olijfberg aan het bidden was kwam Judas met een horde mensen om Jezus uit te leveren. Jezus werd weggevoerd en Petrus volgde de horde mensen naar waar ze Jezus brachten. Toen ze Petrus opmerkten ontkende hij 3 keer (zoals voorspelt) dat hij bij Jezus hoorde

(Lucas 22)


Jezus’ Proces:

Het volk bracht Jezus bij Pilatus en somde Jezus zijn beschuldigingen op.



  • Hij brengt het volk van het rechte pad

  • Hij weerhoudt het volk ervan belastingen te betalen

  • Beweert de messiaanse koning te zijn en koning der Joden.

Pilatus vond Jezus niet schuldig, dus stuurde hij hem naar Herodes die toen in Jeruzalem verbleef.

Herodes beschuldigde Jezus van zware feiten en spotte met hem. Herodes stuurde Jezus terug naar Pilatus die Jezus wou vrijlaten na hem te hebben gegeselt, omat hij niets had gedaan, waar de doodstraf op stond. Het Volk riep om Jezus te kruisigen, waardoor ze het pleit wonnen.

(Lucas 23)
Kruisiging:

Jezus werd tussen 2 misdadigers gekruisigd. Jezus sprak: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen”.

Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ Maar de ander wees hem terech: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’

Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit

(Lucas 23)
Verrijzenis en verschijningen

Jezus wordt van het kruis gehaald door een zekere Jozef, een goed en rechtvaardig man. Jozef wikkelt de dode Jezus in en legt hem in het graf. De vrouwen die met Jezus uit Galilea waren meegereisd willen met kruiden en balsem naar hem toe gaan. De dag na de Sabbat zoeken ze hem op maar dat is de derde dag en het graf is leeg. 2 witte gedaantes dagen op voor hen en vragen waarom ze de levende bij de doden zoeken. De 2 witte gedaantes wijzen de vrouwen op het feit dat de uitverkorene de derde dag zou herrijzen. De vrouwen gaan naar huis en vertellen het voort.
De apostelen geloven het niet en Petrus gaat naar het graf. Op zich is dit raar omdat ze geen geloof tonen maar er wordt geen gevolg aan gegeven.

de Emmaüsgangers


2 leerlingen zijn op weg naar Emmaüs wanneer ze Jezus tegenkomen. Ze herkennen hem niet, hij is dus niet in zijn normale gedaante en er wordt een gesprek op gestart.
Jezus vraagt wat er de afgelopen dagen is gebeurd en de leerlingen zeggen dat Jezus gekruisigd is en zou moeten herrijzen maar dat hij niet meer in zijn graf ligt en gewoon verdwenen is. Hij is weg en niet teruggekomen. Jezus reageert een beetje kwaad door te zeggen dat ze traag van begrip zijn en wijst hen op het feit dat de Messias zou lijden en dan de heerlijkheid zou beginnen gaan.
De 2 leerlingen herkennen Jezus pas als hij blijft eten en het brood eet. Ze lichten direct de Elf in.
Waarom herkennen ze Jezus als hij het brood breekt? Het is een manier om te zeggen dan Jezus in de kleine, dagelijkse dingen zit. Hij brak het brood op het laatste avondmaal. Het zijn herinneringen. Jezus is aanwezig in het dagelijkse leven.

De 2 leerlingen gaan terug en lichten de Elf in. Wanneer ze dat doen staat Jezus in zijn gekende gedaante voor hen. De leerlingen worden lyrisch maar twijfelen. Jezus laat hen de wonden zien en ze geloven. Hij geeft hen de opdracht om te beginnen met bekeringen. Ze moeten beginnen in Jeruzalem. Na deze boodschap gaat hij naar buiten de stad, naar Betanië, een plaats op de zuidoost helling van de olijfberg, en hij wordt in de hemel opgenomen, de hemelvaart van Jezus.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina