Examenvragen gerechtelijke geneeskunde



Dovnload 271.27 Kb.
Pagina1/7
Datum16.08.2016
Grootte271.27 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
EXAMENVRAGEN GERECHTELIJKE GENEESKUNDE
1. Bespreek het begrip “de dood”: definitie, verklaring, criteria.
Definitie
Onomkeerbaar verlies van het functioneren van de mens als geheel als organisme. De mens als biologisch organisme houdt op te bestaan.
Verklaring
Er is het stervensproces en er is het proces van ontbinding, en de dood is het gebeuren dat aanduidt wanneer het stervensproces eindigt en het ontbindingsproces begint, dit is de somatische dood.

Stervensfase stopt als functieverlies compleet en onomkeerbaar is. Dit duurt normaal enige tijd, behalve bij plots overlijden (= acute dood). Na het overlijden blijven een aantal cellen nog actief, ook al wordt er geen zuurstof meer toegevoerd. Wanneer alle cellen kapot zijn dan is er cellulaire dood. Met bepaalde technieken kan men het stervensproces nog wat rekken, maar men stelt zich de vraag of dit nog wel zinvol is. Men kan bijvoorbeeld doormiddel van antibiotica een longontsteking nog genezen van iemand die in de stervensfase zit. Nu verlengt men de stervensfase dikwijls niet meer. Dit is geen euthanasie want men laat gewoon het stervensproces in werking treden in tegenstelling tot bij euthanasie waar men het stervensproces versnelt.


Criteria
Ten eerste zijn er de cardiorespiratoire criteria, hierin onderscheidt men de ademhalingsstilstand, de circulatiestilstand en de uitval van het zenuwstelsel.

De ademhalingsstilstand: Als de hersenen 3-5 minuten geen zuurstof krijgen dan is er onomkeerbare schade aan de hersenstam. In de hersenstam bevindt zich het ademhalingscentrum en het bewustzijnscentrum. Als er dus geen zuurstof in de hersenstam komt dan vallen deze centra uit en is er dus na 3-5 minuten onomkeerbare schade aan beide centra’s. Als deze centra uitvallen is er dus in het geval van het ademhalingscentrum een ademhalingsstilstand en in het geval van het bewustzijncentrum een bewustzijnsverlies.

De circulatiestilstand: De longen bestaan uit longblaasjes en longhaarvaatjes. Bij inademen van zuurstof vullen de longblaasjes zich met O2 en dat wordt opgenomen in het bloed via de longhaarvaatjes. Zuurstof gaat dan via bloed naar de linkerhartkamer (=grote bloedsomloop). Via hart wordt zuurstofrijk bloed over het hele lichaam verspreid. Zeer belangrijk zijn de halslagaders want deze zorgen voor zuurstoftoevoer naar de hersenen. Het zuurstofarme bloed verzamelt zich in de aders en gaat zo naar de rechterhartkamer en dan naar de longen die ervoor zorgen dat we zuurstofarme lucht uitademen. Elke storing, dus elke stilstand in deze circulatie, in dit proces kan fataal zijn en kan leiden tot onze dood.

De uitval van ons zenuwstelsel: Als dit gebeurt dan reageren we niet meer op licht en andere bronnen van prikkels.

Opmerking!!: Als de waarneembare levenstekens/criteria niet meer aanwezig zijn is er een kans dat de persoon dood is MAAR opletten voor schijndood: In bepaalde gevallen kan het dat iemand nog in leven is en toch geen waarneembare levenstekens vertoont (onderkoeling, vergiftiging, verdrinking, elektrocutie, epilepsie, schedel-/hersentrauma). Dus als er geen zekere doodstekens zijn dan moet er altijd gereanimeerd worden.

Het tweede criteria is het criteria van de hersendood. Als men reanimeert moet men na 30-40 minuten stoppen als het hart niet terug op gang komt. Als hart wel terug op gang komt en er is beademing door de machine dan houd men de persoon kunstmatig in leven en kan men de cardiorespiratoire criteria niet testen. Dan moet men kijken of de hersenen niet onomkeerbaar beschadigd zijn. Als er onomkeerbare schade is dan is de persoon, bij wie dit is vastgesteld ,hersendood. Volgens de transplantatiewet is men toegelaten organen te verwijderen bij hersendoden wiens lichaam nog intact is (= stilzwijgende toestemming), tenzij de hersendode tijdens zijn leven kenbaar heeft gemaakt dat hij dit niet wil. Vaststellen van overlijden van een hersendode moet gebeuren door 3 artsen (urgentiearts, neuroloog en neurochirurg) onafhankelijk van elkaar en ze moeten dit vaststellen aan de hand van de hersendoodcriteria die gelden op de dag van vandaag. Indien er spraken is van verdacht/gewelddadig overlijden mogen geen organen worden weggenomen tenzij er toestemming is van de PdK.



2. Geef een chronologisch overzicht van de lijkverschijnselen. (van dit antwoord ben ik niet zeker)
In de eerste 3 dagen na het overlijden is er sprake van de vroegtijdige lijkverschijnselen. Men heeft de lijkvlekken (verschijnen normaal pas 30 minuten na het overlijden), lijkstijfheid (verschijnt ± 3 uur na overlijden) en lijkafkoeling. De 2 eerste zijn zekere doodstekens maar lijkafkoeling niet. Andere vroegtijdige lijkverschijnselen zijn: supravitaliteit (mechanische spierreactie), uitdroging (van oogbol bijvoorbeeld), verplaatsing inhoud van holle organen, bloedveranderingen en biochemische veranderingen. Wat ook nog onmiddellijk na het overlijden begint is de autolyse (= enzymatische zelfoplossing). Autolyse is een proces dat thuishoort bij de ontbindingsfase. Een ander proces dat ook nog thuishoort bij de ontbindingsfase, maar dat pas ongeveer 3 dagen na overlijden start, is de rotting (= bacteriële ontbinding). De ontbindingsfase wordt gekenmerkt door volgende processen: Groene buikvlek (± 2-3 dagen na overlijden), marbrering, huidloslating, uitlopen van rottingsvocht en gasvorming (opblazen van lichaam(sdelen) , tête de nègre). Het kan zijn dat rotting voorkomt in combinatie met mummificatie, diervraat en adipocire (= vetverharding). Ook kan er skeletering optreden.

3. Bespreek de vroegtijdige lijkverschijnselen
De vroegtijdige lijkverschijnselen vinden plaats in de eerste drie dagen na het overlijden. We onderscheiden hierin de lijkvlekken, de lijkstijfheid en de lijkafkoeling. Verder zijn er ook nog een aantal minder belangrijke vroegtijdige lijkverschijnselen.
De lijkvlekken( = zeker doodsteken):

Principe van de zwaartekracht: Op het ogenblik dat bloed niet meer pompt staat het stil en is het onderhevig aan de zwaartekracht en zakt het naar de laagstgelegen zone. In het begin blijft het bloed staan in de bloedvaten en dit zorgt voor een blauwrode verschijning, die weggedrukt kan worden, op de huid. Maar wanneer de bloedcellen stuk gaan sijpelt het bloed eruit en zet het zich vast in de huid en op dit moment kunnen de lijkvlekken niet meer weggedrukt worden, ze zijn gefixeerd. Ze verschijnen normaal pas 30 minuten na het overlijden. Kan toch gebeuren dat er al lijkvlekken zijn tijdens de stervensfase als de persoon slechte doorbloeding heeft.

Principe van kleurstof hemoglobine: Als veel zuurstof vastgebonden zit aan hemoglobine (= stof die zich bevind in de rode bloedlichaampjes) geeft dit een vuurrode kleur, als weinig dan een blauwe kleur. Klassieke lijkvlekken hebben een blauw-rood-paarse kleur.

Verplaatsbaarheid & wegdrukbaarheid: Tussen 2 en 6 uur vloeien ze samen en zijn ze gemakkelijk wegdrukbaar. Binnen 6 uur zijn ze volledig verplaatsbaar. Tussen de 6 en 12 uur blijft er steeds meer achter. Tot ± 20uur zijn ze nog wegdrukbaar met de vingertoppen, nadien gefixeerd. Lijkvlekken ontbreken op de drukplaatsen omdat hier de bloedvaten worden dichtgedrukt.

Intensiteit: Ze kunnen soms ontbreken in het geval van bloedarmoede of ingeval van inwendige verbloeding die aan de buitenkant niet zichtbaar is. De kleur kan ook verschillen. Ze hebben bijvoorbeeld een bloedrode kleur bij koolstof- en cyanidevergiftiging (dus de kleur kan soms iets zeggen over de doodsoorzaak). Ook kan het dat er bloedinkjes optreden in de lijkvlekken.

Geeft informatie over: Aan de hand van de verplaatsbaarheid en wegdrukbaarheid kan men iets zeggen over tijdstip van overlijden. De kleur van lijkvlekken kan soms iets zeggen over de doodsoorzaak.
Lijkstijfheid ( = zeker doodsteken):

Principe van de spierverslapper ATP: Men moet spierspanning hebben om in houding te blijven. Wanneer men dood is heeft men geen spierspanning meer. Zolang spierverslapper in de spiercellen gaat deze ervoor zorgen dat de spier verslapt. Dit is een scheikundig proces waarbij warmte vrijkomt. Spierverslapper wordt aangemaakt zolang er zetmeel in de cellen zit en zodra deze op is (± 3 uur na overlijden) eindigt spierverslappingsproces en begint spierverstijving.

Tijdsverloop: Begint dus ± 3 uur na overlijden. De lijkstijfheid is aanwezig in alle gewrichten na ± 6uur. Indien de lijkstijfheid binnen de eerste 8 uur verbroken wordt dan komt de lijkstijfheid naderhand terug maar minder extreem. Als lijkstijfheid doorbroken wordt na 8 uur dan komt deze niet meer terug. In ieder geval, ook wanneer men lijkstijfheid niet doorbreekt, verdwijnt deze uiteindelijk wanneer de spiercellen kapot gaan, dit is normaal na 2-3 dagen. Lijkstijfheid treedt eerst op in de kleine gewrichten en dan pas in de grote en begint bovenaan het lichaam en gaat zo naar beneden.

Beïnvloedende factoren: Lijkstijfheid is afhankelijk van de spiersterkte, bij kinderen en ouderen is deze minder dus minder lijkstijfheid.

Wanneer men juist voor het overlijden enorme inspanning heeft geleverd, heeft men reeds veel zetmeel opgebruikt en treedt lijkstijfheid sneller op



Er kan ook eventueel sprake zijn van kadaverspasme, maar wel van partieel kadaverspasme (onmiddellijk kadaverspasme bestaat waarschijnlijk niet), bijvoorbeeld bij persoon die verdronken is vind men nog gras van de oever. Kadaverspasme is het feit dat na het overlijden onmiddellijk lijkstijfheid optreedt

Geeft informatie over: Overlijdensduur, lichaamshouding. Kan ook eventueel informatie verschaffen over omstandigheden voor het overlijden, bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van partieel kadaverspasme van de hand die haar van de dader vastheeft.
Lijkafkoeling (geen zeker doodsteken):

Belang: Via de rectale temperatuur van het lijk kan men het best het tijdstip van overlijden bepalen. De laboratoriumthermometer thermometer wordt hierbij dan 8 cm diep in het rectum geplaatst om de lijktemperatuur te kennen. Men moet ook steeds de omgevingstemperatuur meten. Als men overlijdt neemt het lichaam de omgevingstemperatuur aan en dit kan weergeven aan de hand van een S-curve: Er is een afbuiging bovenaan en onderaan: in de afbuiging bovenaan neemt de temperatuur maximaal een halve graad per uur af en dit ligt aan het feit dat de warmte van de binnenkant nog naar buiten moet. Kern van het lichaam koelt pas af als koude aan de binnenkant geraakt. Bovendien is er in het begin nog warmteproductie van de cellen. Als koude van buiten eindelijk naar binnen kan en warmteproductie van cellen voorbij is (dit is wanneer cellen dood zijn), gaat de temperatuur constant naar beneden totdat het verschil tussen lijktemperatuur en omgevingstemperatuur kleiner wordt. Hier zit men dan in de afbuiging onderaan waar de temperatuur weer langzamer afneemt.

Bepalen van tijdstip van overlijden (blijft altijd een schatting): Hiervoor bestaan er twee methodes. De eerste is de vuistregel van Moritz, deze regel is eerder een zeer ruwe schatting. Men neemt de rectale lijktemperatuur en deze trekt men af van 37 °C en hier telt men dan drie bij. De tweede methode is die van Henssge: deze houd rekening met allerlei anderen factoren en aan de hand van deze factoren laat hij zien wat voor een afwijking er kan zijn van de geschatte temperatuur.

Beïnvloedende factoren: Lijkafkoeling wordt beïnvloed door tal van factoren. Als men dikke kledij draagt, koorts heeft, in een warm klimaat leeft of zwaarlijvig is er tragere afkoeling. Aan de andere kant is er snellere afkoeling als men in een koud klimaat woont of als men zeer mager is. Dus de lijkafkoeling wordt beïnvloed door persoonsgebonden factoren.
Andere vroegtijdige lijkverschijnselen

Supravitaliteit: mechanische spierreactie als men na het overlijden met een reflexhamer op spier klopt. Indien er nog mechanische spiereactie is dan is de persoon pas 6-8 uur dood.

Uitdroging: Men heeft de uitdroging van het oog waarbij de oogbal niet meer gespannen staat ( = teken van Tonely). Als uitdroging van openstaande ogen kan het oogwit ook verkleuren ( = tache noir), dit is dus niet gevolg van bloedingen in het oog. (met deze tekens kan men niet tijdstip van overlijden bepalen) Als nog vocht in oog dan kunnen ze aan de hand van kalium in vocht het tijdstip van overlijden bepalen, maar er zijn hierbij ook andere beïnvloedende factoren. Er is ook uitdroging van de huid, deze wordt perkamentachtig.

Verplaatsing inhoud holle organen

Bloedveranderingen

Biochemische veranderingen

4. Bespreek de ontbinding van een lijk.
Bij de ontbinding onderscheiden we autolyse (= enzymatische activiteit) en de rotting (= bacteriële activiteit):

Autolyse: Dit is de enzymatische zelfontbinding en dit proces vangt onmiddellijk na het overlijden aan (= zelfoplossing van cellen). Onze alvleesklier produceert spijsverteringssappen die we nodig hebben tijdens ons leven. Als we dood gaan zijn dan sterft de alvleesklier af en dan komen deze spijsverteringssappen terecht in ons lichaam en begint dan van alles af te breken. Ook de wand van de galblaas wordt doorlaatbaar en daardoor groene verkleuring van darm en lever.

rotting: Dit is de bacteriële activiteit waarbij de bacteriën, die tijdens ons leven in controle worden gehouden, vrij spel krijgen in ons lichaam omdat er geen afweersysteem meer is. Dit treedt begint ongeveer 3 dagen na het overlijden. Ons lichaam verkleurt hierbij, eerst groen en daarna zwart. Bij dit proces keren we terug tot vocht (= rottingsvocht) en gas (= CO2, H2S, NH3, CH4).
Verschijnselen die optreden bij de ontbinding:

Groene Buikvlek: Dit treedt op ± 2 – 3 dagen na het overlijden. Waar de appendix ligt en de dunne darm overgaat is de plaats waar de rotting begint en waar deze plek optreedt

Marbrering: bloed dat door de gasvorming naar de oppervlakte geduwd wordt. (vb. aan dijen)

Huidloslating (= epidermolyse) (haren en nagels) + rottingsverschijnselen: Als je aan de haren trekt en ze lossen dan is de persoon ± 8 dagen dood. Als je aan de nagels trekt en ze lossen dan is de persoon ± 10 dagen dood. Ook kunnen er rottingsblaren verschijnen.

Uitlopen van rottingsvocht: Na ± 3 dagen kan rottingsvocht door alle openingen van het lichaam naar buiten komen.

Gasvorming: Na ± 1 week kan het lichaam opzwellen door de gasvorming die vrijkomt tijdens het rottingsproces. Uiteindelijk eindigt men zwart (= tête de nègre).
Processen die samen kunnen optreden met ontbinding:

Diervraat: Wonden die veroorzaakt zijn door dieren na het overlijden. Bijvoorbeeld door maden, knaagdieren, vogels, honden, katten, vossen, … . Men kan het soort dier dat voor de wonden heeft gezorgd identificeren door bepaalde kenmerken die de wond heeft, bijvoorbeeld typisch voor knaagdieren is de gekartelde rand van de wonde. De belangrijkste diervraat die bij ons voorkomt wordt veroorzaakt door vliegen die hun eitjes in de wonden leggen en waar dan maden uitkomen die beginnen te vreten. Aan de hand van in welke fase de cyclus men zit kan men (entomologie) het tijdstip van overlijden vaststellen.

Mummificatie: Dit is een proces dat voorkomt op droge en warme plaatsen. Hierbij blijven alle uitwendige vormen bewaard. Ook wonden kunnen soms nog gezien worden.

Adipocire (= vetverharding): Dit is een proces dat vaak optreedt in vochtige en luchtdichte omstandigheden. Bijvoorbeeld bij waterlijk.

Skeletering: Hierbij speelt diervraat een rol. Of de skeletering van het lichaam snel of traag gebeurt is afhankelijk van verschillende factoren. Is het winter of zomer?, draagt het lijk kleren?, soort grond?. Deze factoren weten we op voorrand niet. We kunnen wel te weten komen of het een menselijk of dierlijk skelet is, maar hoe oud is kunnen we moeilijk zeggen. We kunnen wel zeggen als de botten vochtig en glibberig zijn dat overlijden minder dan 30 jaar geleden gebeurt moet zijn. Als ze droog zijn dan langer dan 30 jaar geleden.
Beïnvloedende factoren: Bij warme temperaturen gaat de ontbinding sneller want dan zijn de bacteriën actiever. Ook moet men wonden veroorzaakt door dieren niet verwarren met trauma’s van tijdens of voor het overlijden. Ook de ruimte waar lijk ligt is van belang.

5. Welke zijn de oorzaken van ontbinding? – Bespreek.
Bij de ontbinding onderscheiden we autolyse (= enzymatische activiteit) en de rotting (= bacteriële activiteit):

Autolyse: Dit is de enzymatische zelfontbinding en dit proces vangt onmiddellijk na het overlijden aan (= zelfoplossing van cellen). Onze alvleesklier produceert spijsverteringssappen die we nodig hebben tijdens ons leven. Als we dood gaan zijn dan sterft de alvleesklier af en dan komen deze spijsverteringssappen terecht in ons lichaam en begint dan van alles af te breken. Ook de wand van de galblaas wordt doorlaatbaar en daardoor groene verkleuring van darm en lever.

rotting: Dit is de bacteriële activiteit waarbij de bacteriën, die tijdens ons leven in controle worden gehouden, vrij spel krijgen in ons lichaam omdat er geen afweersysteem meer is. Dit treedt begint ongeveer 3 dagen na het overlijden. Ons lichaam verkleurt hierbij, eerst groen en daarna zwart. Bij dit proces keren we terug tot vocht (= rottingsvocht) en gas (= CO2, H2S, NH3, CH4).

6. Welke vormen/types van ontbinding kent u? – Bespreek.
Autolyse: Dit is de enzymatische zelfontbinding en dit proces vangt onmiddellijk na het overlijden aan (= zelfoplossing van cellen). Onze alvleesklier produceert spijsverteringssappen die we nodig hebben tijdens ons leven. Als we dood gaan zijn dan sterft de alvleesklier af en dan komen deze spijsverteringssappen terecht in ons lichaam en begint dan van alles af te breken. Ook de wand van de galblaas wordt doorlaatbaar en daardoor groene verkleuring van darm en lever.

rotting: Dit is de bacteriële activiteit waarbij de bacteriën, die tijdens ons leven in controle worden gehouden, vrij spel krijgen in ons lichaam omdat er geen afweersysteem meer is. Dit treedt begint ongeveer 3 dagen na het overlijden. Ons lichaam verkleurt hierbij, eerst groen en daarna zwart. Bij dit proces keren we terug tot vocht (= rottingsvocht) en gas (= CO2, H2S, NH3, CH4).

Diervraat: Wonden die veroorzaakt zijn door dieren na het overlijden. Bijvoorbeeld door maden, knaagdieren, vogels, honden, katten, vossen, … . Men kan het soort dier dat voor de wonden heeft gezorgd identificeren door bepaalde kenmerken die de wond heeft, bijvoorbeeld typisch voor knaagdieren is de gekartelde rand van de wonde. De belangrijkste diervraat die bij ons voorkomt wordt veroorzaakt door vliegen die hun eitjes in de wonden leggen en waar dan maden uitkomen die beginnen te vreten. Aan de hand van in welke fase de cyclus men zit kan men (entomologie) het tijdstip van overlijden vaststellen.

Mummificatie: Dit is een proces dat voorkomt op droge en warme plaatsen. Hierbij blijven alle uitwendige vormen bewaard. Ook wonden kunnen soms nog gezien worden.

Adipocire (= vetverharding): Dit is een proces dat vaak optreedt in vochtige en luchtdichte omstandigheden. Bijvoorbeeld bij waterlijk.

Skeletering: Hierbij speelt diervraat een rol. Of de skeletering van het lichaam snel of traag gebeurt is afhankelijk van verschillende factoren. Is het winter of zomer?, draagt het lijk kleren?, soort grond?. Deze factoren weten we op voorrand niet. We kunnen wel te weten komen of het een menselijk of dierlijk skelet is, maar hoe oud is kunnen we moeilijk zeggen. We kunnen wel zeggen als de botten vochtig en glibberig zijn dat overlijden minder dan 30 jaar geleden gebeurt moet zijn. Als ze droog zijn dan langer dan 30 jaar geleden.

7. Omschrijf doodsoorzaak – aard van overlijden – mechanisme van overlijden.
Doodsoorzaak:

Als men het heeft over doodsoorzaak dan heeft men het over het feit (de aandoening of de uitwendige factor) dat geleid heeft tot het overlijden. Hierbij onderscheid men dan nog eens de onmiddellijke doodsoorzaak en de oorspronkelijke doodsoorzaak. Bij een acuut hartinfarct is de onmiddellijke doodsoorzaak dit acuut hartinfarct, maar de oorspronkelijke doodsoorzaak kan verkalking van de kransslagader zijn. En deze verkalking heeft geleid tot het acuut hartinfarct. Bij een hoofdschot is de onmiddellijke doodsoorzaak een hersentrauma en de oorspronkelijke doodsoorzaak is de schotwonde in het hoofd.


Aard van overlijden:

Verklaart de omstandigheden waarin de doodsoorzaak tot stand is gekomen. Hierbij onderscheid men het natuurlijk overlijden (dood is hierbij het gevolg van een inwendige afwijking) en het onnatuurlijk overlijden dood is hierbij het gevolg van externe oorzaken). Deze laatste wordt nog eens ondergebracht in 3 categorieën: ongeval, zelfdoding en doding. Bij doding maakt een wetsarts hierbij geen onderscheid tussen moord, doodslag of slagen en verwondingen met de dood als gevolg en is ook geen juridisch begrip waar men dit onderscheid wel maakt. Bij het acuut hartinfarct zoals besproken bij de doodsoorzaak is de aard van overlijden ‘natuurlijk’. Bij het hoofdschot is de aard van overlijden in ieder geval onnatuurlijk. Het valt nog te bezien of het een ongeval, zelfmoord of doding was.


Mechanisme van overlijden:

Het mechanisme van overlijden is het middel waarmee de aandoening of het letsel een dodelijk effect uitoefent. Dat er een mechanische fout is opgetreden in het lichaam en die heeft geleid tot overlijden. Dit mechanisme kan bij een acuut hartinfarct bijvoorbeeld hartfalen of ritmestoornissen zijn geweest. Bij het hoofdschot kan dit hersendestructie zijn of bloedaspiratie (inwendige bloedingen die ervoor zorgen dat we stikken in ons eigen bloed omdat we als we buiten bewustzijn zijn niet meer kunnen slikken) zijn. Zo’n mechanisme van overlijden zorgt ervoor dat ons lichaam niet meer kan functioneren.



8. Bespreek de wettelijke bepalingen omtrent vaststelling en aangifte van overlijden.
De arts is als enige bevoegd om iemands dood vast te stellen en de ambtenaar van burgerlijke stand is de enige die iemand uit het register kan uitschrijven door middel van overlijdensakte.
Bij vaststelling van overlijden is de arts als enige verplicht en bevoegd formulier, model 3C (model 3D als de overledene jonger dan 1 jaar was), in te vullen en dit gebeurd onder de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken. Probleem hierbij is dat elke arts overlijden kan vaststellen en zo kan een arts die een moord pleegt bij zijn eigen slachtoffer het overlijden vaststellen.
Model 3C:


Strook C: Dit eerste blad is het belangrijkste blad waarop de doodsoorzaak en de aard van overlijden wordt ingevuld door de arts. Dit gebeurt anoniem, dus zonder vermelden van de naam van de overledene, want is medisch geheim. Men moet deze strook invullen op moment dat men overlijden vaststelt en dit geeft problemen omdat men de doodsoorzaak pas zeker weet wanneer er een autopsie gebeurd is. Dit heeft als gevolg dat de arts er vaak naar moet raden en dat er dus in veel gevallen een niet correcte doodsoorzaak wordt ingevuld. Deze strook wordt gebruikt bij de opmaak van statistieken.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina