Excursus XI. De erotiek in de leer van plato



Dovnload 227.4 Kb.
Pagina1/4
Datum24.08.2016
Grootte227.4 Kb.
  1   2   3   4





EXCURSUS XI. DE EROTIEK IN DE LEER VAN PLATO

symposion & phaidros
0. INLEIDING
Voor Plato staan eros en mania, verlangen en bezetenheid aan de basis van de filosofie. In het Symposion en de Phaidros doet hij een diepgaand onder­zoek naar de plaats van sexualiteit en begeerte binnen de cul­tuur. Hij komt, zoals ook later Schopenhauer en Freud, tot de conclusie dat de erotiek het gehele menselijke leven be­heerst, van zijn meest primitieve ge­dragin­gen tot de hoogste geestelijke activiteiten.

1

1. HET SYMPOSION
1.1. Vijf lofredes op Eros
1.1.0. Inleiding
(0) Apollodoros vertelt vrienden van een gesprek dat hij voerde met Glaucon. Deze had uit verschil­lende bron iets gehoord van een befaamd feestgelag ter ere van Agathons overwinning in een trage­die-wed­strijd. Maar belangrijker is nog dat hij een oog­getuige kent, Aristo­dem­os, wiens verhaal door Socrates zelf wordt bevestigd. Aristo­dem­os' verslag volgt nu uit de mond van Apollo­doros.
In het Symposion wordt iedere mogelijkheid zich te beroepen op 'gezag' voorko­men. Zo biedt de inleiding een verwarrend spel met verhaalinstanties -het gastmaal werd zestien jaar tevoren gehouden!-, de waarheid wordt verbonden met het getuigenis van een extatische zieneres (een vrouw!), een vreemdelinge, waarvan de afkomst in het duister ligt. Ook wordt in het midden gelaten of Alcibiades de waarheid spreekt over zichzelf en over Socrates: hij is immers smoor­dronken. Plato dekt zich aan alle kanten in tegen de gedachte dat in deze dialoog een vaste, zekere leer wordt verkondigd1, omdat hij ervan overtuigd is dat woorden de zaak van de waarheid niet kunnen uitdrukken. Wat nodig is, is een geregelde omgang en innige vertrouwdheid met het probleem. Dan zal de kennis plotseling in de ziel ontstaan ‘zoals een licht opflikkert uit een plots oplaaiend vuur en dat zich dan van zelf onderhoudt.’
(1) Nadat Pausanias, aldus Aristodemos, heeft voorgesteld de avond op intellectuele wijze door te brengen- de vorige avond hebben ze alleen maar gedronken- oppert Eryximachos dat ieder van de aanwezigen een lofrede zal houden op Eros2, 'een zo oude en zo grote god'. Een uniek onderwerp omdat er bij zijn weten nog nooit eerder over is geschreven en gedicht. Vijf van deze lofredes staan Aristodem­os nog goed bij, die van Phaidros, Pausanias, Eryximachos, Aristofanes en Agathon.

1.1.1. De rede van Phaidros. Eros is een grote zegen voor het men­se­lijk bestaan
Eros, de oudste god, is als liefdesverlangen de grootste kracht in het bestaan. Hij inspireert mensen tot een goed en edel leven, hij brengt geluk ('eudaimonia'), zorgt voor een integere levenshouding ('arete') en zet aan tot dapperheid en zelfopoffe­ring
Zo wordt van vele zijden erkend dat Eros de aller oudste is. Niet alleen is hij de oudste, maar ook voor ons de bron van de groot­ste zegeningen. Want ik kan voor een knaap geen groter weldaad beden­ken dan een trouwe minnaar ('erastes') te hebben vanaf zijn vroeg­ste jeugd, of voor een minnaar om een trouwe geliefde ('er­omenos') te hebben. Want wat gedurende het gehele leven mensen, die edel leven willen, leiden moet, dat kan geen verwantschap zo schoon in ons wekken, geen eerbewijzen, geen rijkdom, niets ander dan de liefde ('eros').
 Pedagogische pederastie: Exc.XI.4.1.
1.1.2. De rede van Pausanias. Eros kan goed en slecht zijn

Zo is ook niet elk liefhebben en elke Eros schoon of prij­zenswaardig, maar alleen die eros die ons aanspoort op schone wijze lief te hebben.


Eros is de helper van Afrodite3, de godin van seks en wellust. Maar er zijn twee godinnen van deze naam: Afrodite Ourania, de hemelse en de bezonnene én Afrodite Pande­mos, de volkse, de bij-de-grondse. Beiden met hun eigen verlangen ('e­ros').
De volkse eros richt zich op het lichaam van de ander en heeft voorkeur voor het zwakke en domme type als lustobject. Deze eros is afkeurenswaard en moet bij de wet worden verboden. De hemelse eros ontbreekt het aan vrouwelijke trekken, is homo-erotisch van aard en richt zich op jonge man-nen. Zijn bedoelin­gen zijn oprecht en hij streeft naar een bestendige relatie. Een waarlijk schone (sexuele) relatie is er ook op uit aretè en wijsheid te verwerven.
 Aretè, de antieke benadering: KCF. 4.1.2.

1.1.3. De rede van Eryximachos. Eros is een kosmische kracht
Eryximachos, arts van beroep, neemt de suggesties van Pausanias over, maar geeft aan de tweevoudige eros een algemene, kosmische betekenis.
Dat de liefde ('eros') tweeledig is, heeft hij, dunkt me, goed onder­scheiden. Maar mijn ervaring als medicus heeft mij, meen ik, geleerd dat de liefde niet alleen optreedt in de menselijke ziel voor schone knapen, maar ook in veel andere dingen en overal elders, in de lichamen van alle dieren en in al wat in de aarde groeit en om zo te zeggen in alles wat leeft, zodat Eros een groot en bewonderenswaardige god is, die alles beïnvloedt zowel in menselijke als in goddelijke zaken.
Niet alleen het lichaam kent tegenstrijdige erotische krachten, die de gezondheid positief en negatief beïnvloeden, maar ook bv de muziek, de waarzegkunst en het weer worden door extremen in bewe­ging gezet. Het is taak van de wetenschap ze in even­wicht te bren­gen.

De aardse, kwade eros is een natuurlijk gegeven, zijn bestaan kan niet worden ontkend. Dit betekent dat deze teugelloze kracht alleen kan worden ingeperkt. Hij moet voorzichtig en met mate worden toegediend, opdat losbandigheid en ziekte worden vermeden (lekker eten mag, als het maar gezond is).



1.1.4. De rede van Aristofanes. Eros is verlangen naar de oorspron­kelijke eenheid
Oorspronkelijk bestaan er menselijke bolwezens, ieder met twee lichamen aan elkaar gekoppeld, ieder met vier handen, benen enz. Deze oermensen waren van het manlijk, vrouwelijk of gemengd ge­slacht. Omdat zij in hun overmoed de hemel wilden bestormen, worden zij door Zeus gesplitst. Als gespleten wezens zijn zij nu op zoek naar de vereniging met hun wederhelft. Eros is meer dan lou­ter sexuele begeerte, hij is verlangen naar de oor­spronke­lijke eenheid.
Sinds zo lange tijd is dus de liefde voor elkander in mensen ingeplant en is Eros de hereniger van onze oorspronkelijke natuur en tracht hij uit twee één te maken en de mense­lijke natuur te genezen.

Zo is ieder van ons het brokstuk van een mens, omdat hij vaneen ge­sneden is, twee uit één, zoals de schollen. Daarom zoekt ieder steeds zijn eigen wederhelft. De mannen die een helft zijn van een geheel dat vroeger manlijk-vrouwelijk heette, zijn minnaars van vrouwen; uit dit geslacht komen de meeste echtbrekers voort en evenzo de vrouwen, die mannen liefhebben en overspelig zijn.

De vrouwen die de helft zijn van een vrouwelijk geheel schenken niet veel aandacht aan de mannen, maar voelen zich meer aangetrok­ken tot vrouwen; uit dit geslacht komen de tribaden voort.

Zij die de helft zijn van een manlijk geheel jagen het manlijke na en zolang zij knapen zijn, beminnen zij, daar zij immers delen zijn van een manlijk geheel, de mannen en is het hun vreugde bij mannen te liggen en hen te omhelzen. Dat zijn de besten onder de knapen en jongelingen, want zij zijn het manlijkst van natuur. Sommigen beweren dat zij schaamte­loos zijn, maar dat is een leu­gen. Want zij doen dat niet uit schaamteloosheid, maar uit kloek­heid en moed en manhaftigheid, het gelijksoortige welkom hetend. Een sterk bewijs hiervoor is dat zij alleen, wanneer zij volwassen zijn geworden, als mannen zich aan de staatsdienst wijden.

Wanneer zij man zijn geworden, beminnen zij knapen en schenken zij van nature geen aandacht aan huwelijk en vaderschap; zij zijn ermee tevreden ongehuwd met elkander te leven. Zo iemand heeft stellig als knaap zijn minnaar lief en als minnaar een knaap, omdat hij zich steeds aangetrokken voelt tot het verwante.

Wanneer nu een knapenminnaar of ieder ander die zijn eigen weder­helft zelf ontmoet, wordt hij wonderlijk ontroerd door vriendschap en vertrouwelijkheid en liefde. Zij willen dan om zo te zeggen geen ogenblik meer van elkander gescheiden worden. Dezen zijn het, die het leven lang samen zijn en niet eens zouden kunnen zeggen wat zij van elkander verwachten. Want niemand van hen zou menen dat dit slechts zinnelijk genot is en dat daarom zij zich zo ijve­rig in elkaars gezelschap verheugen.



1.1.5. De rede van Agathon. Eros is creativiteit en liefde voor het schone

Eros is niet de oudste, maar de jongste god (hij neemt dan ook afstand van alles wat oud is). Eros is ook de schoonste en de beste, hij blinkt uit in jeugdig­heid en tederheid, weelderigheid en beval-ligheid -hij woont te­midden van de bloemen-, in rechtvaardigheid en moed, wijsheid en zelfbeheer­sing, ingetogen­heid en matigheid. Hij is de grote creatieve kracht, die in alles doorwerkt, vooral in de dichtkunst.



Hij ledigt ons van verveling en vervult ons van verwantschap, hij verenigt ons in allerlei samenkomsten: op feesten, bij koren, bij offers onze leidsman; zachtmoedigheid verbreidend, wildheid ver­drijvend, welge-zindheid schenkend, vijandschap bannend; genadig en goed, geëerd door de wijzen, bewonderd door de goden, benijd door de misdeelden, verworven door de rijk bedeelden; de vader van weelde, zachtheid, overvloed, gratie, hunkering en verlangen; bekommerd om de goeden, onbekommerd om de slechten; in moeite, in vrees, in gemis, in het woord een stuurman en soldaat, een voor­treffelijk strijdmakker en redder, het sieraad van alle goden en mensen; de schoonste en beste leidsman; ieder behoort hem te volgen, hem schoon bezingend, instemmend in het lied dat hij zingt, betoverend de geest van alle goden en mensen.
Met de komst van Eros te midden van de goden wordt de liefde tot schoonheid geboren.
Daardoor zijn ook de moeilijkheden in de godenwereld geëffend toen Eros in hun midden verscheen, dat is natuurlijk de liefde tot schoonheid; want het lelijke is Eros niet. Voordien, zoals ik in het begin heb gezegd, gebeurden er onder de goden volgens de overleve­ring veel verschrikkelijke dingen wegens de heerschappij van het Noodlot. Maar toen deze god was geboren, zijn uit liefde tot het schone alle goede dingen ontstaan voor goden en mensen.

Commentaar
'We kunnen nu, voordat we het hoogtepunt -Socrates' rede- berei­ken, even pauzeren om te zien dat de ontwikkeling binnen deze dialoog tot op dit moment door en door dialectisch was. Iedere bij-drage was op eigen wijze belachelijk, leeg en voorlopig - en ieder ervan was op eigen wijze degelijk en toonde eigen kenmer­kende filosofische inzichten. Ieder was gesteld in zijn eigen kenmerkende idioom: populair-hoogdravend, technisch, academisch, komisch, dichterlijk-dramatisch. Kunstzinnig en filosofisch een volmaakte voorbereiding op Socrates' eigen interpretatie’ (Douglas Morgan).
'Alle (eerdere) redevoeringen belichamen algemene meningen ge­kleurd met een spatje filosofie. Zij leveren het materiaal waar­uit Socrates zijn eigen rede maakt en opbouwt, beginnend, zoals op andere plaatsen, bij mythe en alledaagse opinie.

Van Phaidros neemt hij de gedachte over dat liefde sterker is dan de dood, van Pausanias dat ware liefde verwant is aan intellect en politieke activiteit, van Eryximachos dat eros een universeel ver-schijnsel is en de grote kracht binnen de natuur, van Aristof­anes dat liefde het kind is van een gemis en niet louter het verlangen naar het verwante, maar (voegt hij eraan toe) naar het goede, van Agathon dat eros verlangen is naar de geboorte van het schone ‘(Benjamin Jowett).


1.2. Socrates' rede. De leer van Diotima
1.2.1. Eros als verlangen
Socrates4 reageert in eerste instantie op de rede van Agathon en stelt dat eros een verlangen is naar iets dat ontbreekt. Het is een zoeken naar schoonheid. Het is niet die schoonheid zelf, noch de goedheid die daar vaak mee wordt verbonden. Eros is een psy­chologisch, niet een ethisch begrip.
1.2.2. De mythos van Poros en Penia
(1) Verrassend is vervolgens dat Socrates zijn eigen lofrede baseert op de leer van Diotima, een vreemde­lin­ge en zieneres. Deze onderwees Socrates en stelde dat eros, als verlangen, mooi noch lelijk, goed noch slecht, sterfelijk noch onsterfelijk is. Eros is geen godheid, maar een daimon: hij is een bemiddelaar tussen de menselijke en godde­lijke wereld.
(2) Als illustratie een mythos5. Op de geboortedag van Aphrodite verleidt een bedelares, Penia ('de Armoede'), de dronken Poros ('de Overvloed'). Zo wordt Eros verwekt: tovenaar, gifmenger en sofist, nooit arm en nooit rijk, wijs noch onwetend. Het verlangen is als een vindingrijke en levens-lusti­ge vagebond.
Als zoon van Porus en Penia is aan Eros het volgende lot ten deel gevallen: ten eerste is hij altijd arm en lang niet zacht en schoon, zoals de meesten menen; hij is hard en vervuild en onge­schoeid en dakloos, altijd op de grond slapend zonder deken, zich neerleggend voor de deuren en op straat onder de blote hemel; hierin heeft hij de natuur van zijn moeder, levend in gebrek.

Maar naar de aard van zijn vader belaagt hij het schone en goede; manlijk en altijd voortva­rend en heftig; een geducht jager, altijd listen wevend, strevend naar inzicht en vinding­rijk, wijsheid zoekend het gehele leven door; een machtig tovenaar, gifmenger en sofist.

Zijn natuur is noch onsterfelijk noch sterfelijk; op dezelfde dag bloeit en leeft hij het ene ogenblik, het andere ogenblik sterft hij en herleeft weer zodra hij door de natuur van zijn vader weer kracht krijgt. Maar het verworvene ontglipt hem steeds opnieuw, zodat Eros nooit arm en nooit rijk is.
Want de wijsheid is een der schoonste dingen en Eros is lief­de voor/ver­langen naar het schone, zodat het duidelijk is dat Eros een zoeker naar wijsheid is en dat hij als zodanig tussen wijs en onwetend in staat. Ook hiervan is zijn geboorte de oorzaak. Hij stamt van een wijs en rijk vader, maar van een moeder die van wijsheid verstoken en arm is.
(3) Eros is verlangen naar het schone. Hij die het schone verlangt, wenst het ook te verkrijgen, zoals je ook het goede wenst te bezitten6. Dit alles om gelukkig te zijn.

1.2.3. De doorwerking van eros. Het verlangen naar onsterfelijk­heid
(0) Eros is (dus) begeerte naar het goede en naar het geluk. Dit geluks­verlangen uit zich in het hele leven, niet alleen op het gebied van de sexualiteit, dat in het gewone spraakgebruik ge­lijk wordt gesteld aan 'erotiek', maar ook in de sport, de handel en de filoso­fie.
(1) Mensen zijn vruchtbaar en wensen zich, aangetrokken door het schone, voort te planten. Verliefdheid is begeerte naar verwek­king en bevruchting in het schone (nooit in het lelijke). Waarom deze voortplan­tingsdrift? Omdat het eeuwige en onsterfelijke er in liggen opgesloten. Eros is ook het verlangen naar het onster­felijke. Daarom zetten dieren zich in om hun kroost te verzorgen en te beschermen.

Door kinderen te krijgen wordt het oude vervangen door het nieu­we: een teken van eeuwigheid. Dit geldt ook voor de constante ver­nieuwing van lichamelijke, psychi­sche en geestelijke situa­ties.

Ook eerzucht is een vorm van eros: verlangen naar toekomsti­ge, onsterfelijke roem. Daarom alleen al offeren sommigen hun leven op voor anderen.


(2) Lichamelijke scheppingsdrang brengt nakomelingschap voort om zo onsterfelijkheid te bereiken, zij is het terrein van de aard­se, heterosexuele mens. De 'zielen-mens' schept een geestelijke we­reld, hij zoekt in­zicht en deugd ('a­re­te'). Door de geestelijke scheppingsdrang worden kunstwer­ken, poëzie en -als belangrijkste- de inrich­ting van staat en samenle­ving voortge­bracht.

De ziele-mens is pederast. Samen met zijn vriend bezit hij 'scho­nere en meer on­sterfelijke kinderen dan de kinderen die de natuur schen­kt.’ 7



1.2.4. De erotische ladder
Eros is een sexueel verlangen, dat zich, als het goed is, langza­merhand ont­plooit: de erastes wordt verliefd op de schoon­heid van het li­chaam van een jongen, maar gedurende de relatie komt het verlan­gen op naar de schoon­heid van lichamen in het algemeen, vervol­gens naar de schoonheid in gedrag en leefwijze van de men­sen ('aspiraties') en tenslotte naar de schoonheid van de weten­schap in haar vele aspecten.
Wanneer nu iemand, uitgaande van deze verschijnselen hier en door op de juiste wijze knapen lief te hebben, omhoog stijgt en dat schone begint te zien, raakt hij dicht bij het eind­doel. Want dit is de juiste weg om te gaan tot de dingen van liefde ('eros') of door een ander daar heen te worden geleid, om te beginnen bij deze schone verschijnselen, terwille van dat éne schone steeds op te stijgen als langs treden, van één schoon lichaam tot twee en van twee tot alle schone lichamen, van de schone lichamen tot de schone aspira­ties, van de aspiraties tot de schone wetenschappen, en om van de wetenschappen tenslotte te komen tot die wetenschap, die de weten­schap is van niets anders dan van dat éne schone zelf.
Dit alles dus met als uiteindelijke beloning de -plotselinge- aan­schouwing van het ene schone zelf.
Want wie tot zover in de dingen der liefde ('eros') is opgeleid, terwijl hij stap voor stap op de juiste wijze het schone aan­schouwt, zal nu plotseling iets van nature wonderlijk schoons ontwaren, juist dat, Socrates, wat het doel was van alle vooraf­gaande moeite, iets dat in de eerste plaats eeuwig is, dat niet ontstaat of vergaat, dat noch toeneemt noch afneemt, dat verder niet in één opzicht schoon is en in een ander opzicht lelijk, niet nu eens schoon, dan weer niet, niet schoon in verhouding tot het éne, maar lelijk in verhouding tot het andere, niet op de éne plaats schoon, maar op de andere plaats lelijk. Ook zal het schone zich aan hem vertonen niet als een gelaat of als handen of iets anders waaraan het lichaam deel heeft, niet als een woord of een weten­schap, het zal niet ergens zijn in een tweede ding, bijvoor­beeld in een levend wezen of op de aarde of in de hemel of in iets anders, maar op zichzelf met zichzelf steeds eenvormig.
Zo kom je tot een geestelijk zien, tot aanschouwing ('visio') van het schone zelf: zuiver, rein, onver-mengd niet gebonden aan li­chaam, kleur of tooi. Je ziet de ware arete omdat je in aanraking bent gekomen met de waarheid en zo is je onsterfelijkheid bescho­ren, 'als die tenminste voor iemand

is weggelegd’.8



1.3. De lofrede van Alcibiades op Socrates
1.3.0. Inleiding. Alcibiades' binnenkomst
Na de Diotima-rede van Socrates valt een dronken Alcibiades bin­nen. Hij felici­teert Agathon met zijn overwinning en omkranst hem. Wanneer hij daarna Socrates ontdekt, wendt hij diepe jaloezie voor omdat deze naast de jonge en knappe gastheer aanligt. Socrates op zijn beurt speelt diepe wanhoop om de vasthou­dendheid van Alcibiades.

Nadat hij heeft gehoord wat de bedoeling is van dit feest besluit Alcibiades geen rede op Eros maar op Socrates te houden.



1.3.1. Rede van Alcibiades
Socrates lijkt uiterlijk en innerlijk op een bepaald soort Sile­nen-beeld dat, hoewel het van buitenaf gezien lelijk is, van binnen een godenbeeld ver­borgen houdt. Ook heeft hij het uiterlijk van de Satyr Marsyas, evenals Silenus niet een van de meest bevallige en knappe mytho­logische figuren. Zoals deze met zijn bovennatuurlijk fluitspel de mensen betovert, doet Socrates dit met woorden en brengt mensen tot de uitzin­nigheid van de filosofie.

Zijn gedrag is uitzonderlijk. Hoe bood hij niet weerstand tegen zijn, Alcibia­des', doortrapte verleidingskun­sten, toen hij hem als erastes wenste! Een nachtlang kon hij, na een veldtocht, in diep gepeins in de kou doorbrengen om daarna 's ochtends weer rustig aan het werk te gaan. Zijn moed en volharding zijn grenzeloos. Zo redde hij het leven van hem, Alcibiades, en trotseerde de vijand -alleen al door zijn blik en gestalte- op de vlucht uit Delium.


Maar zo een wonderlijk mens als deze is, hij zelf en zijn woorden, zou men, hoe men ook zoekt, bij benade­ring niet kunnen vinden, noch onder de hedendaagse noch onder de vroegere mensen of men moet hem verge­lijken met wie ik al gezegd heb, niet met een der mensen, maar met silenen en saters, hem en zijn woor­den.
Ook zijn woorden zijn Silenenkastjes.
Want als men wil luisteren naar Socrates' woorden, kunnen ze eerst bela­chelijk schijnen. Met zulke namen en termen zijn ze van buiten bekleed als met de huid van een spottende sater. Hij praat over pak­ezels en schoenlap­pers en leerlooiers en hij schijnt telkens met dezelfde woorden hetzelfde te zeggen, zodat ieder onervaren en onverstandig mens om zijn woorden kan lachen. Maar wie ze ziet opengaan en erin doordringt, zal in de eerste plaats ontdekken dat zij alleen van alle woorden wijsheid bevatten, en daarna dat zij zeer goddelijk zijn en een zeer verre strekking heb­ben; of liever: doelen op alles waarop een mens dient te letten, die schoon en goed zal willen zijn.
Met een steek onder water -'houdt Socrates op het gebied van de erotiek in de gaten!'- beëindigt hij zijn lofrede. Deze wordt wegens zijn openhartigheid met instemmend gelach begroet.

1.3.2. Het einde van het gelag
Het feest loopt na een korte rumoerige opleving langzamerhand af, behalve voor Socrates. Dit ontdekt Aristodemus als hij na een korte tussenslaap weer ont­waakt.
Tegen de dageraad ontwaakte Aristodemus, toen de ha­nen reeds kraai­den, en toen hij wakker was, zag hij dat de ove­rigen sliepen of weg waren gegaan, maar Agathon en Aristofanes en Socrates waren alleen nog wakker en dronken uit een grote beker naar rechts om. Socrates debatteerde met hen; het overige wat hij zeide wist hij zich niet meer goed te herinneren, want hij was bij het begin niet aanwezig geweest en dommelde telkens in. Maar de hoofdzaak kwam hierop neer dat Socrates hen dwong toe te geven dat het de taak was van één en dezelfde man om een blijspel en een treurspel te kunnen dichten, en dat hij die van zijn vak treurspeldichter was ook blijspeldichter was. Zij werden gedwongen dat toe te geven, maar zij volgden niet meer oplet­tend en dommelden in. Eerst viel Aristofanes in slaap en toen het reeds dag was, Agathon. Socrates legde hen neer en stond op en ging heen; Aristodemus was, zoals zijn gewoonte was, met hem meege­gaan. Socrates ging daarna naar het Lyceum, waar hij een bad nam; hij bracht de verdere dag door net als anders en tegen de avond ging hij naar huis en naar bed.



2. DE PHAIDROS
2.0. Inleiding. De mythos van Teuth
Het onderwerp van de Phaidros is de retorica en 'Eros' doet dienst als thema in drie stijloefenin­gen. Deze worden als voorbeeld ge­bruikt binnen een discussie over 'wat het kenmerk is van het al of niet schoon schrijven'. In het verloop van de dialoog geeft Socrates aan hoe op de juiste -dialectische- wijze moet worden geargumenteerd. Met een waar­schuwing aan het eind: het geschreven woord doet altijd onder voor het gesproken.
In de Mythos van Teuth vertelt Socrates van de ontmoeting die farao Thanoez (= Ammon) heeft met de uitvinder van het schrift. Deze beveelt zijn vinding sterk aan: 'Dit is een leervak, koning, dat de Egyptenaren wijzer en sterker van geheugen zal maken. Mijn vondst is een heilmiddel voor geheugen en wijs­heid'. De farao reageert negatief: alleen de herinnering, niet het geheugen heeft baat bij het schrift. De wijsheid die het overbrengt is alleen maar uiterlijk ('schijn'). Bovendien roept het de illusie (= schijn) op van alwe­tendheid. Socrates deelt deze opvatting. Belangrijk is ook het argument dat de auteur niet zelf op vragen in kan gaan of zich kan verdedigen, terwijl zijn werk toch zomaar in ieders handen komt9.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina