Expressions clees pour se debrouiller



Dovnload 354.37 Kb.
Pagina2/5
Datum22.07.2016
Grootte354.37 Kb.
1   2   3   4   5


Nog eens – encore une fois
Altijd - toujours
In welk jaar bent u geboren ?
Zonder dank /Graag gedaan – il n’y a pas de quoi
Het spijt me ! - je suis désolé



WAT ? QUOI ?

WAAR ? OU ?

WAAROM ? POURQUOI ?

WELK ? LEQUEL ?

WIE ? QUI ?

HOEVEEL ? COMBIEN ?

HOE ? COMMENT ?

WANNEER ? QUAND ?


WAAROVER ? A QUEL SUJET ?

VANWAAR ? D’OU ?


EXERCISE SUR LES POSSESSIFS

MIJN MINE

JOUW YOUR

ZIJN/HAAR HIS/HER

ONS/ONZE OUR

JOUW/JULLIE YOUR

HUN THEIR
Mijn naam is Jan

Is mijn naam Jan?


- Erik en Anna, wat is jouw/jullie adres ?

- Wij wonen in Mechelen. Ons adres is Kortestraat 5, 2830 Mechelen.

- Anja leest haar krant in de trein

- Jij leest jouw krant in de trein

- De kinderen studeren hun lessen


  • Vader geeft een boek aan zijn kinderen

  • Jan komt uit Amsterdam. Amsterdam is zijn geboortestad

  • We gaan met onze vrienden naar Brussel

  • Waarom drink je jouw koffie niet?

  • Wij renoveren ons huis…onze huisen

  • De directeur geeft me zijn agenda

- Ik ben Marie. Wie ben jij ?

- Mijn naam is Marie. Wat is jouw naam?

- Ik heet Marie. Hoe heet jij?


- Ben jij Tom? Ja, ik ben Tom

- Is jouw naam Tom? Ja mij naam is Tom

- Heet jij Tom? Ja, ik heet Tom.
- Ben jij Gerard? Nee, ik ben Tom.

- Is jouw naam Gerard? Nee, mijn naam is Tom

- Heet jij Gerard? Nee, ik heet Tom.




Drinken jullie nog iets ?

Buvez-vous encore quelque chose?



Je drinkt uit mijn glas !

Tu bois de mon verre



Nee, ik drink niet uit jouw glas !

Non, je ne bois pas de ton verre!



Jawel ! je drinkt uit haar glas

Mais si! Tu bois de son verre



Waar staat het mijne dan ?

Ou est le mien alors?



Dat weet ik niet. Maar de onze staan hier, zie je?

Ça j’en sais rien. Mais les nôtres se trouvent ici, vois-tu ?






Beroep : Ik ben zonder beroep, slager, kruidenier, arbeider, dokter.



Ik heb de Belgische nationaliteit. Welke nationaliteit heb jij ?
Ik woon in Brussel, in de Kerkstraat. Waar woon jij?
Cours de Néerlandais N°4

ZIJN imparfait
IK WAS

JE WAS

HIJ WAS

WE WAREN

JULLIE WAREN

ZE WAREN
Kom binnen – entrez

DE LENTE

DE ZOMER

DE HERFST

DE WINTER
LACHEN rire

IK LACHje ris

Ik glimlach – je souris
Opstaan – être debout
IEDEREEN – chacun
IEDEREEN STAAT VROEG OP

Chacun se lève tôt
VANMORGEN ce matin

DEZEE MORGEN ce matin

VANAVOND ce soir

VANDAAG ce jour
Ramen – fenêtres

Het raam – la fenêtre


De schoonzus – belle sœur
MIJN SCHOONZUS EN IK GAAN VAAK WINKELEN ma belle sœur et moi vont souvent faire les magazins
De winkel is gesloten – le magazin est fermé

KIJKEN NAAR regarder



Meebrengen – emmener avec soi
Ik sta op – je me mets debout
Hij schrijft weer op zijn bank – il écrit de nouveau sur son banc
Kan u herhalen ? pouvez vous répéter?
WAT DOE JIJ HIER ? IK KOOP EEN BOEK VOOR MIJN OUDERS

KUNNEN pouvoir




IK KAN


JIJ KAN

ZIJ/ZE/HIJ KAN

WIJ/ JULLIE KUNNEN

ZIJ
KUN JE

KAN U

KUNNEN JULLIE WE ZIJ
DE GEZONDHEID! santé!

Kampai mon verre est vide (sec) (japonais)


MAAK EEIN VRAAGZIN. INFORMEER NAAR HET ONDERSTREEPTE ZINSDEEL faites une question. Informez vous auprès des phrases soulignées


  • Het is 11 uur. Hou laat is het?

  • We studeren Nederlands – wat studeren jullie? Of welke taal(en) studeren jullie?

  • Mijn oom (oncle) heeft lange tijd (longtemps) in Afrika gewoond – Waar heeft jouw oom gewoond ?



Cours de Néerlandais N°5

MIJN JAS HANGT AAN DE KAPSTOK

Mon veston est penché sur …hatstand/coat peg
IK ZIT AAN TAFEL je suis assis à table/je m’assois à table
De mantel – manteau
Allemaal aan tafel ! A table !
Kan jij jouw naam spellen? Pourrais-tu épeller votre nom?
Straks – tantôt
Ze is een beetje laat – elle est un peut en retard
Ondertussen – entretemps

Meisjesnaam – nom de jeune fille

Ik hou van je – je t’aime

Te laat – trop tard

Met serge gaat het goed – everything’s going pukka with serge.

DE HOBBY



WAT DOE JE MET JOUW VRIJE TUD ?

Que fais-tu pendant ton temps libre ?

WAT DOE JE GRAAG ?

Qu’est-ce que tu aimes bien faire ?
Spelen « sounds like » SPAYLAN
TELEVISIE KIJKEN – regarder la television
IK LEES GRAAG j’aime lire
IN MIJN VRJETIJD LEES IK GRAAG dans mon temps libre j’aime lire
IK HOU VAN LEZEN/SPORT/BOEKEN j’aime lire/sport/livres
IK GA GRAAG NAAR DE BIOSCOOP j’aime aller au cinoche
BIJ VOOR BEELD par exemple
Zwemmen – nager (het zwembad)

Lopen – courir

Joggen – jogging

Koken - cuisiner

Wandelen – ik wandel graag (j’aime me promener, ik hou ook van vanderen)
IK EET GRAAG CHOCOLADE j’aime manger le chocolat
IK FIETS GRAAG j’aime faire du vélo
IK LUISTER GRAAG NAAR MUZIEK

J’aime écouter de la musique


In mijn vrjetijd schrijf ik graag, ik speel graag schaak, ik hou van voetbal kijken, ik win, ik verlies
Graag lit = « volontiers »
Kan je dit opschrijven ?

Peux tu écrire ceci ?


Kan je herhalen alsjeblieft

Pourrais-tu répéter svp?


Liedje – chanson

Zingen – chanter


Heel mooi – beau/belle
Een heel mooi liedje – une très belle chanson
Dat is juist

C’est juste


Het geschenk – un cadeau
Vandervelden - deschamps
Het weer – météo


  • Piet is gelukkigpierre est heureux

  • Els is de zus van Frans – Els est la sœur de Frank

  • Zijn moeder glimlacht – sa mère à lui sourit

  • vader of hij staat vroeg op – papa/il se lève tôt

  • Mijn bed staat in de hoek – mon lit se trouve dans le coin

  • Mijn ouders gaan vanavond uit – mes parents sortent ce soir

  • Je broer en jij zijn mijn vrienden – ton frère et toi sont mes amis

  • De ramen zijn open – les fenêtres sont ouvertes

  • Mijn schoonzus en ik gaan vaak winkelen – ma belle sœur et moi vont souvent faire les magazins

  • Het kind speelt met de pop – l’enfant joue avec la poupée

  • Ik kijk naar de televisie – je regarde la téloche

  • Gaat U met vakantie mijnheer ? vous allez en vacances monsieur ?

  • Werk jij in dat gebouw, Hans ? travailles-tu dans cet immeuble, Hans?

  • Wat doen de kinderen ? Zij luisteren naar de radio – …ils écoutent la radio

  • Ik breng mijn boek meej’emmene mon livrre

  • Komt U vanavond , dames ?

  • Kijk naar Mark. Hij schrijft weer op zijn bank – regardez Mark….

  • Krijg je een geschenk van je ouders voor je verjaardag? - Recois tu un cadeau de tes parent pour ton anniversaire ?

  • Wat doen jullie hier ? we kopen een stripverhaal voor onze kinderen – qu’est ce que vous faites ici. Nous achetons une bande dessinée pour nos enfants

  • Het is een heel mooi liedie – elle est une belle chanson

  • Uw naam is Karel Brecht. Bent U Duister?

  • Mijn naam is Pierre Leblanc, ik kom uit Frankrijk

  • Haar naam is Juanita Martinez. Zij woont in Madrid

  • Je naam is Angelo Fellini. Kom je uit Italië?

  • Je zus en jij hebben een Engelse familienaam. Komen jullie uit Engeland ?

  • Je ouders wonen in Bern. Zijn zij Zwitsers?


Cours de Néerlandais N°6

ROKEN fumer

EEN ROKER fumeur

De ROK la jupe


Roken is verboden

Fumer est interdit


De sigaret(ten)
Wablief ? j’ai pas compris

Ik ben moe – je suis fatigué


Ik ben hier ook – je suis aussi présent

Ook ik ben hier – moi aussi je suis là


IK HEB TALEN GESTUDEERD

J’ai étudié


IK HEB GESTUDEERD VOOR LERAAR

J’ai étudier afin de devenir prof


IK BEN AFGESTUDEERD ALS INGENIEUR

J’ai étudié ‘out of studies’ afin de dévenir ingénieur


WAT HEB JE GESTUDEERD ?
IK HEB FRANS EN EUROPESE INTEGRATIE GESTUDEERD
Scheikunde – art de séparer les atomes (chimie)
Toneelspeelster - actrice
Timmerman – joiner/carpenter

Timmeren – hammering into wood

Boekhouder – comptable

Boekhoudster – femme comptable


van boven naar onder– du haut en bas
Informatica technicus – computer scientist
Metsen – Maçonner… Metser – Maçon.
Journalist(e) – journalist
IK HEB EEN LICENTIE – masters degree
De Reisagent – agent de voyage
Schoon – beau schoonheid – beauté
WILLEN vouloir.

DRUKKEN imprimer appuyer

TEKENEN Dessiner
grote bouwwerken

Grands travaux bâtiments


Gelaatsverzorging – visage/soigner/

Face beautician


IN 2006

IN AUGUSTUS

OP MAANDAG

OP 23/08/2006

OM 8 UUR
IK BEN ER – j’y suis

IK BEN ER AL – je suis déjà là

HIJ IS ER AL – il est déja là

HIJ IS ER NOG NIET? Il n’est pas encore là?

IS HIJ ER AL? - il est déjà là?



IS HIJ ER NOG NIET? - JAWEL! Il n’est pas encore là? Mais oui !
Het is mijn beurt ! – c’est mon tour !
Mijn buur - voisin
Cours de Néerlandais N° 7

het regent – il pleut

de regen – la pluie

er is zon – il y a du soleil

er is geen zon – il n’y a pas de soleil

het weer is slecht – le temps fait mauvais

het weer is goed – il fait beau temps

het is slecht weer – c’est du mauvais temps

het is weer geen weer ! – c’est pas du temps ça !

dat is geen appel – ce n’est pas une pomme

dat is niet jouw stoel – ce n’est pas ta chaise

dat is niet jouw appel – ce n’est pas ta pomme


wie nog ? – qui encore ?… is niet aanwezig ?
we zijn donderdag
Het is de verjaardag van Gaelle

C’est l’anniv de Gaelle


VERTREKKEN partir

UITGAAN sortir
Onmiddellijk – immédiatement
Een rekening – un compte ou facture

Een leverancier – fournisseur/livreur

Een klant – un client
PRATEN parler, papoter
‘s middags – (habituellement) à midi
het is druk – c’est bondé « full »
s morgens in de tram is het altijd druk -

les matins dans le tram il y a toujours beaucoup de monde

‘s morgens in de tram is het altijd druk

‘s avonds in de bioscoop is het soms (parfois) druk

tijdens de vakantie is het soms druk – pendant les vacances il est parfois bondé
op de weg is hetaltijd druk – il y a toujours du monde sur la route
s avonds in augustus is het nooit voetbal op de tv

les soirs en août il n’y a pas de football sur la teloche
dat is niet waar ! c’est pas vrai

dat is wel waar ! de pardon mais oui!
IS HET WAAR ? Est-ce vrai?

T IS WAAR! C’est vrai!


IK GA NIET AKKOORD suis pas d’accord
OP MAANTAG AVONDS OP DE TV…

Les lundis soir sur la teloche

BLIJVEN – rester

Ze blijft – elle reste
AFDELING – departement (dans une entreprise (een deel = part d’une entreprise)
HOE ZEG JE DAT IN FRANS ?

COMMENT DIT ON CECI EN FRANCAIS?
VROEG tôt VROEGER plus tôt

LAAT tard LATER plus tard
HEB JE DORST ? avez vous soif ?
Cours de Néerlandais N° 8

De dingen nemen zoals ze zijn – prendre les choses comme elles sont.


De pet – cap
WAT DOE IK NU ? – qu’est-ce que je fais maintenant ?
Je hangt de pet aan de kapstok – tu mets la casquette sur le…porte-manteau
UITDOEN –

ik doe de GSM uit – j’éteins le GSM

ik doe de GSM aan – j’allume le GSM

ik doe het licht uit – j’éteins la lumière

ik doe het licht aan – j’allume la lumière


IK GA NAAR EEN VERGADERING

Je vais à une reunion
IK WACHT OP EEN VERGADERING

J’attends pour une réunion
IK WACHT OP JOU - je t’attends
(WACHTEN OP – attendre qu qn)
WILL JE EEN ZIN MAKEN ?

Peux-tu faire une phrase?
WIL COLETTE EEN ZIN MAKEN?

Colette peut-elle faire une phrase?


‘s morgens ga ik (niet) naar de les

‘s morgens eet ik soms boterhamen

‘s nachts stel ik een vraag aan mijn buurvrouw

van avond ga ik naar bioscoop – ce soir je vais au cinema

vanavond slaap ik in mijn bed

vandaag is er een probleem met de lift – aujourd’hui il y a un problème avec l’acenseur

vanavond ben ik met mijn zoon thuis – ce soir je suis avec mon fils chez moi

vanavond ga ik uit met mijn vriendin naar de bioscoop

ga ik naar de bioscoop met mijn vriendin

ik ga graag uit met vrienden

morgen is er geen les – demain il n’y a pas cours

overmorgen ga ik naar de winkel on tien uur – l’après demain je vais aux magazins à dix heures
nieuw jaar – oud jaar
wij vieren oud en nieuw – nous fêtons la réveillons
ik vier mijn verjaardag vanavond met de vriendenje fête mon anniversaire ce soir avec les amis
ik word 25 jaar oud – j’aurai 25 ans
ik geef een feest – I’m throwing a party

Maandag gaat Gaelle niet graag naar de les

Lundi Gaelle ne veut pas aller au cour
IK STA STIL
Over drie dagen of weken – en trois jours/semaines

Drie dagen geleden - il y a trois jours

Eergisteren – avant hier

Vijf maanden geleden – il y a cinq mois

LIGGEN – ETRE COUCHE

ZITTEN – ETRE ASSIS



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina