Expressions clees pour se debrouiller



Dovnload 354.37 Kb.
Pagina4/5
Datum22.07.2016
Grootte354.37 Kb.
1   2   3   4   5
Cours de Néerlandais N° 9

PROFICIAT ! – félicitations !


Ze is laat – elle est en retard

Op straat – dans la rue


Lisa is een vriendin van Frank
KUISEN nettoyer
Poetsvrouw – femme de ménage
Zijn tanden poetsen – se laver les dents

Ik poets mijn tanden – je me lave les dents


Ik ben marketing manager bij een firma in Brussel.
Hoofdstad – ville en tête ou capitale

Hof – cour, jardin.


Versta je wat je leest ? – comprends tu ce que tu lis ?
Windstreken –Les points cardinaux

noord, west, oost, zuid.

In het zuiden van Spanië – le sud de l’Espagne
Gelukklig – content

Vrijgezel - celibataire


Wat zijn hun voornaamen – quelles sont leurs prénoms.
Er is geen taart meer

Er zijn geen stukken taart meer


Suiker, boter, bloem; ei (eieren)
Vier smaken

ZOUT sale, ZOET sucré (sweet), ZUUR acide (sûr), BITTER amer


De kast staat tegen de muur – le placard est à côté du mur.
Ik heb niets –je n’ai rien

Ik heb niets tegen jou – j’ai rien contre vous


Tegenover – en face
ER UIT ZIEN – avoir l’air (seems)
De tafel ziet er zo klein uit

Jij ziet er zo groot uit


IK HEB MIJ HELAAS VERGIST je me suis trompé hélas

VALLEN tomber



Cours de Néerlandais N° 10

de Werkwoorden – « des mots qui travaillent » (verbes)


het werk, het woord, het werkwoord
STEKEN – mettre/placer

Ik leg mijn boek op de tafel


OVERSTEKEN traverser

ik steek de straat over – je traverse la rue.


‘s morgens sta ik op – je me lève le matin.
UITDOEN - enlever

Je doet jouw jas uit een je hangt jouw jas aan de kapstok – tu enlèves ton veston et tu pends ton veston sur le pose veston

SPREKEN parler

Ik spreek

Je spreekt

Hij spreekt
LEVEN vivre

Ik leef


Je leeft (pas de v à la fin d’un mot néerlandais)

DOEN faire (quch pratique répétitive)

Ik doe mijn huiswerk – je fais mon devoir

PRATEN parler

Ik praat nederlands

Jij praat nederlands

Hij praat nederlands

SLAPEN dormir

De beer slaapt – l’ours dort
BLIJVEN rester, demeurer

We schrijft, die blijft – on écrit, ça reste


KIJKEN regarder

Ik kijk naar jou – je te regarde

Je kijkt naar me – tu me regardes

Ik kijk in het boek – je regarde dans le livre

Ik kijknaar het boek – je regarde vers le livre
LEZEN lire

Ik lees een boek – je lis un livre

Je leest het boek – tu lis le livre
Verhaal – histoire
Vanmorgen lezen we de krant van vandaag in het Nederlands – ce matin nous lisons le journal de ce matin en néerlandais.
Ik wandel in het park – je erre dans le parc
Ik wandel alleen – je me promène seul.
ZIEN voir (sans direction)
LUISTEREN NAAR écouter
WEGVEGEN éffacer
Wie ben je ? Schrijf een korte tekst…
Goede morgen! Mijn naam is Paul Reynolds. Ik ben vier een veertig (44) jaar oud. Ik kom uit Groot Britannie. Ik ben geboren in Londen, de hoofdstad van Groot-Britannië. Ik heb een vader, moeder en en een broer.
Vandaag woon ik in Brussel in België maar ik heb in vier Europese staten gewoond. Ik spreek drie talen een ik studeer Nederlands in een talenschool op de Bergensesteenweg in Brussel. Ik ben niet getrouwd maar ik heb een schone Belgische vrouw ontmoet.
In mijn vrije tijd hou ik van schaak spelen. Ik ga graag naar de bioscoop een ik hou van koken. Ik hou ook van voetbal. Ik ga naar Paris volgende week. Ik heb kaarten voor het spel Frankrijk – Italie.



www.wablieft.be - journal simple à comprendre.
Een, ketnet 20:30 FC de Kampionen




DOEN

MAKEN
Ik doe de afwas – je fais la vaisselle (une action physique)

Ik maak mijn huiswerk – je fais mes devoirs (plus intellectuel)

Ik doe boodshappen – je fais des courses

Ik doe mijn oefeningen – je fais mes exercises

Ik maak mijn oeferingen – exercises intellectuelles en classe
Ambtenaar – fonctionnaire
Ze will niet trouwen – elle veut pas se marier (won’t)

Hij mag niet trouwen – il n’a pas le droit de se marier (may not)

Hij moet naar huis – il doit rentrer

Ik moet weg – je dois partir


Cours de Néerlandais N°11, 12, 13

Manqués
Huiswerk
Ik zit naast mijn vriend.

Je suis assis à côté de mon ami.


Hij zit onder de boom

Il est assis en-dessous de l’arbre


De leerling zit op de stoel

L’élève est assis sur la chaise


Hij springt over de muur

Il saute au-dessus du mur


De kast staat tegen de muur

L’armoire se trouve contre le mur


De bakkerij is tegenover de bank

La boulangerie est en face de la banque



Cours de Néerlandais N° 14
het lichaam – le corps

het deel – une partie

het lichaamsdeel – parties du corps
het hoofd – tête

het oog, de ogen – un œil, des yeux

de neus – nez

de oren – oreilles

de kin – menton

de mond – bouche (mondeling = orale)

de tong – langue

de tand(en) – dent(s)

de keel - gorge

de nek - nuque


de buik - estomac
de voet – pied

de teen – orteil

de nagels - ongles

de knie - genou

de hand – main

de vinger – doigt

de elleboog – coude

schouder – épaule


DAAROM ! = parce que ! (because it is !)

OMDAT – parce que
Het voetpad – le trottoir

De voetganger – le pieton


Mijn …. Doet pijn ! = j’ai mal au…
Ik heb buikpijn – j’ai mal à l’estomac

Ik heb pijn aan mijn knie


Je moet hem schriven – tu dois lui écrire
Af en toe moet je met je elleboogen werken !

De temps en temps tu dois faire travailler les coudes = put some elbow grease into it.
De slager verkoopt vlees – le boucher vend de la viande.
Tellen = compter

Toestemming = approbation


Ik moet mijn nagels klippen

Je dois me couper les ongles


Ik moet mij scheren – je dois me raser.
WAT IS JOUW VRAAG ? - C’est quoi votre question?
WAT WIL DAT ZEGGEN ? qu’est-ce que ça veut dire?
Dromen – rêver

Verbergen - cacher


IK HEB HET JE GEZEGD ! – JE TE L’AI DIT !
Heeft hij je dat boek gegeven? Est-ce qu’il t’a (re)donner ce livre?
Ik wil graag whiskey zonder eis.
TELT JOUW MENING OOK? Ton avis compte aussi ?



LE REJET i.e. le verbe « rejeté » à la fin de la phrase. Omdat… sujet… verbe
Waarom kom je niet morgen ?

Iomdat k met vakantie ben ou

Omdat ik een afspraak heb



Een trein kan een andere trein verbergen – un train peut en cacher un autre
Soyez prudent ! voorzichtig !

Je moet voorzichtig zijn - tu dois être prudent !


Je moet voorzichtig zijn omdat een trein een anderer trein kan verbergen (les deux verbes à la fin).
Ik begrip U niet mijnheer !
Ik wacht tot zeven uur – j’attends jusqu’à sept heures

Jan staat tussen Els en An – Jan se trouve entre Els et An.

Hij neemt een kopje uit de kast – il prend une tasse de l’armoire.

Het boek van Jan ligt daar – le livre de Jan se trouve là.


Ik ga de trap op – je monte les escaliers

Ik ga de trap af – je descends les escaliers


Waar waren we ? where were we?
Het mes – couteau
Het is bij na half een – il est preque midi et demie
Met de belgische staat gaat het slecht – l’etat belge ça va mal.
Cours de Néerlandais N° 15

05/09/2006
Hoe is ‘t ? comment ça va?

Wat heb je gisteren gedaan ?

Zweden ligt naast Noorwegen – la Suède se trouve à côté de la Norvège.




Sujet…moeten…dokter…omdat…sujet…verbe
Ik moet naar huis omdat mijn jongen ziek heb

Ik moet naar de dokter omdat ik pijn heb aan mijn vinger

Ik heb buikpijn

Ik moet naar de dokter omdat ik pijn heb aan mijn buik

Ik moet naar de dokter omdat mijn buik pijn doet

Ik moet un pintje drinken omdat ik dorst heb

Ik moet naar huis omdat mijn hoofd pijn doet

Hij moet naar de tandarts omdat zijn tanden/tand pijn hebben/heeft doet/doen

De hoeveelste zijn we? On est quelle date? Lit le « combientième »


Doe zo voort – faites le continuellement « make it so »
Ik heb mijn bril vergeten – j’ai oublié mes lunettes
Ik ben boos – je suis en colère

Heeft vader buikpijn ? – papa a-t-il mal au ventre?

U bent Belg, nietwaar ? – vous êtes Belge, n’est-ce pas ?

Heb je een potlood ? – as tu un crayon ?

Wie dekt de tafel ? - qui met la table ?

Je werkt te vlug ! tu travailles trop vite !

Luister ! De klok slaat drie uur. – écoutez, l’horloge sonne pour 3 heures

Aan wie schrijft U die brief ? A qui écris tu la lettre?

Neemt U een taxi ? - tu prends un taxi?

Grootvader leeft van zijn rente – grand père vit sur ses rentes

Wacht je op de bus ? – tu attends le bus ?
NIET OF GEEN ?

Niet = précis, détermine, défini

Geen = imprécis, indéterminé, indéfini
Hebben ze veel tijd ? nee, ze hebben niet veel tijd!

Is er boter in de koelkast? Nee, er is geen boter in de koelkast.

Moet ik nu al gaan slapen? – nee, je moet nu nog niet gaan slapen (dois-je maintenant déjà aller dormir? – non, tu ne dois pas encore (et maintenant) aller dormir

Heb je nog honger ? Nee, ik heb geen honger meer (as tu encore faim? – Non, je n’ai plus faim)

Regent het vandaag ? Nee, het regent niet vandaag

Is er al koffie? (y a t-il déjà du café?) – nee, er is nog geen koffie – non, il n’y a pas encore du café

Zijn de groeten vers ? les légumes sont elles fraiches – nee, de groeten zijn niet vers

Staat er zuot op de tafel ? Nee er staat geen zout op de tafel.

Vertrekt hij morgen naar Griekenland? Nee, morgen vertrekt hij niet naar Griekenland.
Cours de Néerlandais N° 16
schone handen les mains propres
ik koop het huis, ik koop het huis niet
VANDAAG ETEN DE KINDEREN NIET OP SCHOOL, MAAR MORGEN WEL – aujourd’hui les enfants ne mangeront pas à l’école mais demain ils y mangeront.
MORGEN KOM IK NIET NAAR SCHOOL MAAR OVER MORGEN WEL – demain je ne vais pas aller à l’école mais le surlendemain j’y irai.
Vanmorgen ga ik niet naar ikea maar deze narmiddag ga ik wel.
Ik ben bij ikea – je suis à ikea
Ik ben bij mijn ouders – je suis chez mes parents
Om je beter te kunnen zien !

All the better to see you with !


Ik krijg geen bloemen van mijn vader (recevoir)
Ik geef geen geld aan mijn broer – je donne pas d’argent à mon frère
Ik hang mijn schoenen niet aan de kapstoek
Ik heb weinig geld – j’ai peu d’argent



NODIG HEBBEN avoir besoin de
Dat heb ik niet nodig – de ça j’en ai pas besoin
Ik heb jouw geld niet nodig – de ton argent j’en ai pas besoin.
Ik heb een pauze nodig – j’ai besoin d’un pause






ZIJN + AAN HET + INFINITIF – être en train de
Ze zijn aan het eten – elle est en train de manger.
Rachel is aan het schrijven – Rachel est en train d’écrire.

Louis is frans aan het spreken – Louis est en train de parler le français.

Ik ben aan het luisteren – je suis en train d’écouter.
Ik ben aan het luisteren naar Joseph

Ik ben aan het luisteren naar wat je zegt – je suis en train d’écouter ce que tu dis.


Wat ben je aan het doen ? – qu’est-ce que vous êtes en train de faire ?
Ik ben woorden aan het lezen – je suis en train de lire des mots
Ik ben ann het luisteren de leraar – je suis en train d’écouter le prof.
Ik ben nederlands aan het leren
Ik ben naar het bord aan het kijken – je suis en train de regarder vers le tableau.
Hij is zich aan het scieren – il est en train de se raser.

Hij is zich aan het wassen – il est en train de se laver.

Hij is zich aan het kammen – il est en train de se peigner.

Klaas is in de badkammer een douche aan het nemen – Klaas est dans le salle de bain en train de prendre une douche.



Het sinaasappelsap – jus d’orange

Het perziksap – jus de pêche

Det aardappel – pommes de terre


Opbellen – entamer une conversation

Bellen – telephoner
GSM’en – telephoner par GSM

Groupe system mobile

Ik heb geGSM’st – I have GSMed…
Jullie zijn in de auto op jullie ouders aan het wachten – vous êtes dans la voiture de vos parents en train de les attendre.
Zich wassen – se laver

Zich scheren – se raser

Zich vergissen – se tromper

Zich pijn doen – se faire mal/se blesser

Zich interesseren – s’intéresser



Zich wassen – se laver
Ik was me (sounds like « meuh »)

Je wast je

Hij wast zich

We wassen ons

Jullie wassen je

Zij wassen zich


Zich vergissen – se tromper
Ik vergis me

Je vergist je

Hij vergist zich

We vergissen ons

Jullie vergissen je

Zij vergissen zich



Jullie doen je pijn – vous vous blessez

Ze kennen elkaar sinds twee jaar – il se connaissent l’un et l’autre depuis…
Ik herinner me – je me souviens

herinner je je me ? tu te souviens de moi?


Zich aankleden – s’habiller

Zich uitkleden – se déshabiller


Ze staat op en ze kleedt zich ze aan – elle se lève et elle s’habille
Ze kleedt zich aan, maar ze was zich niet – elle s’habille mais elle ne se lave pas.
Cours de Néerlandais N° 17 en 18
het gaat goed – ça va bien

met mij gaat het goed – ça va avec moi.

Hoe zeg je in het frans

Ik ben ???


Ik wil graag schaak spleen met de witte stukken

Ik schaak op de school met een schoon schaakboord
Mijn knie doet pijn. Ik ben naar de dokter aan het gaan. Hij heeft in zijn bureau veel rode bloemen. De kapstok groen (sounds like “oooonne”) in de hoek is nog niet ???
De zwarte kast staat tegen de mur – le placard noir se trouve à côté du mur.
Een rood boek

Het rode boek

De rode boeken
Je moet stoppen voor het rode licht – tu dois t’arrêter pour les feux rouge
Ik moet op en wit blad schrijven – je dois écrire avec une feuille vierge.
Tekenen – dessiner
Mijn moeder vraagt me een tekening te maken voor mijn grootvader voor zijn verjaartijd
Langs vaderskant – « le long du côté de mon père »
Tijdens de herfst zijn de bladeren aan de bomen geel, oranje en bruin – pendant l’automne les feuilles sur les arbres sont jaunes, orange et brun.
De Be Ha – « tenir les seins » = soutien-gorge


OM …. TE + VERBE afin de …
Ik ben in Belgie om te werken

Je suis en Belgique afin de travailler


Ik ben hier om nederlands te studeren

je suis ici afin d’étudier le néerlandais


Ik ben nederlands aan het leren om werk te zoeken – je suis en train d’apprendre le néerlandais afin de trouver un travail.

Ik ben werk aan het zoeken om geld te verdienen

Je suis en train de chercher du travail afin de gagner de l’argent


Ik ben geld aan het verdienen om op vakantie te vertrekken

Je suis en train de gagner de l’argent afin de partir en vacances


Ik ga op vakantie om te rusten

Je vais en vacances afin de me reposer


Ik rust om goed te studeren

Je me repose afin de bien étudier


Ik werk om geld te verdienen

Je travaille afin de gagner de l’argent.





Ik denk dus ik ben – je pense donc je suis…



A VERIFIER
Ik … pas…. Venir de
Ik ben pas getrouwd – je vien de me marier



Ik heb nog geen kinderen - je n’ai pas encore d’enfants

Ik heb nog geen werk – je n’ai pas encore de travail

Ik heb geen werk meer – je n’ai plus de travail

Ik zoek nog geen werk – je ne cherche pas encore de travail

Ik sprek nog niet goed nederlands – je ne parle pas encore un bon néerlandais.

Het is nog geen tijd – c’est n’est pas encore le moment.
Ik herinner me je niet – je ne me souviens pas de toi.



IK HEB ZIN avoir envie

Ik heb zin een koffie



Waar kom je van daan ?

D’ou viens-tu ?
De eerste zet – premier coup

Je begint het spel
Huiswerk
Piet is gelukkig. Els is de zus van Frans. Zijn moeder glimlacht (sourit). Vader staat vroeg op (se lève tôt). Mijn Bed staat in de hoek. Mijn ouders gaan vanavond uit. Je broer en jij zijn mijn vrienden. De ramen zijn open (les fenêtres…). Mijn schoonzus en ik gaan vaak winkelen. Het kind speelt met de pop.
Ik kijk naar de televisie. Gaat U met vakantie, mijnheer ? Werk je in dat gebouw (immeuble), Hans ? Wat doen de kinderen? Zij luisteren naar de radio. Ik breng mijn boek mee. Komt U vanavond, dames? Kijk naar Mark . Hij Schrijft weer (de nouveau) op zijn bank. Krijgen (recevoir ‘sounds like krayhen’) jullie een geschenk van je ouders voor je verjaardag? Wat doen jullie hier ? We kopen een stripverhaal voor onze kinderen. Het is een heel mooi liedje (belle chanson). Nog eens. Wat doe je hier? Ik koop een … voor mijn ouders. Wat doet het kind. Het luistert naar de radio. Bouwen – construire.
Dat is Wim Steen. Hij is Nederlander. Uw naam is Karel Brecht. Bent U Duitser?. Dat is het huis van de eerste minister. Het is heel mooi, vind je niet ? Dat zijn de kinderen van mijn zus. Zij zijn 10 en 8 jaar oud. De buurvrouw is thuis. De jas (hij) hangt aan de kapstok. Het boek ligt op de tafel. De kinderen spelen op straat. Mijn vriendin en ik gaan naar het concert. Hij maakt zijn huiswerk niet vaak (pas souvent). Heb je het woordenboek bij je ? We ontmoeten (rencontrer) onze vrienden in het café. Ik zet mijn fiets bij het station.
Ik geef mij vriend een geschenk. Hij kijkt (regarde) met zijn buren naar de televisie. Jan speelt met zijn broer. Lies schrijft haar zus een brief. Ik hoor moeder in de keuken. Ik begrijp mijn ouders niet. Mia koopt de kranten voor haar vader. Hij leest graag boeken . Ik vind jouw schoenen mooi. Ze koopt bloemen voor moeder.
Roep je vrienden en geef hen iets te drinken. Ik wacht op Lies. Ik ga met haar boodschappen doen. Waar is mijn auto? Ik zie hem niet. Dag mijnheer de directeur. Mag ik U even spreken ? Is Jan er al? Ik heb een afspraak met hem (rdv). Jouw broer heet Karel. Ik ken hem. Mijn auto is oud. Ik wil hem verkopen. Waar zijn de lepels? Ik vind ze niet (je ne les trouve pas)
Boer Hans is thuis. Hij werkt vandaag niet want het is Zondag. Zijn vrouw Anna zit naast hem in hun grote woonkamer. Hans neemt de krant en begint ze te lezen. Zijn vrouw kijkt door het raam (regarde à travers la fenêtre) : Het is open omdat het vanmiddag heel warm is (verbe à la fin).Ze ziet hun (ses) kleinkinderen in de tuin spelen. Ze zien er zo gelukkig uit (elles ont l’air d’être si heureux). Plotseling staat ze op, pakt (elle prend) haar fotoestel en maakt een foto van hem….
Ik heb me helaas vergist (je me suis trompé). Hij vroeg mij dat document voor hem te bewaren (il m’a demandé de garder ce document pour lui). Mijn vakantie is in het water gevallen. Wil je even een boodschap voor mij doen?
Ik heb het je gezegd (je te l’ai dit). Jouw beurt komt nog wel (your time will come). Gaat U zitten – asseyez vous. Waarom wilt U uw toestemming niet geven ? (pourquoi tu donnes pas ton accord?).
Ik heb het hen al gezegd (je le leur ai déjà dit).

Ik heb mijn bril vergeten. Wij verkopen ons huis (vendre notre maison). Uw bedrijf is failliet. Wat gaat u nu doen?
Vader scheert zich in de badkamer. Vlug kinderen! Jullie moeten je haasten. Herinnert U zich me niet meer ? (vous ne vous souvenez pas de moi?). Waarom moeten we ons haasten ? pourquoi nous devons nous dépêcher ? ik vraag me af waarom je vertrekt (je me demande où tu vas). Ze kleedt zich uit en gaat naar bed (elle se déshabilles et vas au lit). Ik kan me niet beheersen (je ne peux pas me contrôler). Ze kunnen zich de titel van de film niet herinneren. Ils pouvaient pas se souvenir du titre du film.
Ann en Lies kennen elkaar al lang – il se connaissent l’un et l’autre depuis longtemps. We ontmoeten elkaar heel vaak in de stad. Ik herinner me niet waar het restaurant is. Ze wassen zich niet en hun moeder is boos op henm. (Ils ne se lavent pas et leur mere est en colère contre eux). Met Kerstmis geven we elkaar geschenken.
Wie dekt de tafel? – qui met la table?

Je werkt te vlug – tu travailles trop vite.

Luister de klok slaat drie uur – Ecoutez,…

Deze jurk past niet ! – ça va pas cette robe !

Grootvader leeft van zijn rente

Wacht je op de bus ?





NEGATIE
IK KOOP GEEN HUIS

IK KOOP GEEN BLOEMEN

IK HEB GEEN DRIE ZUSSEN

IK KOOP DAT HUIS NIET

IK LOOP NIET SNEL

MIJN ZUS IS NIET GROOT

IK GA NIET NAAR SCHOOL

IK KAN MORGEN NIET KOMEN

HIJ HEEFT NIET GEWERKT

HIJ STAAT NIET OP



Heb Je iets moois gezien?

Nee ik heb niets moois gezien.
Ken je iemand in het bedrijf?

Nee ik ken niemand in het bedrijf.


Ga je ergens naar toe?

Nee ik ga nergens naar toe.


Koop je brood altijd in de supermarkt?

Nee, ik koop mijn brood daar nooit


Ben je al klaar met je verslag? (rapport)

Nee, ik ben nog niet klaar (pas encore prêt)


Heb je hier al olifanten gezien ?

Nee, ik heb er nog geen enkele gezien (pas encore any)


Is het al twaalf uur?

Nee, het is nog geen twaalf uur. (pas encore)


Is er al iets op de televisie?

Nee er is nog niets op de televisie.


Is er al iemand gekomen om te helpen? Y a t-il quqn qui vient afin de t’aider?

Nee, er is niemand gekomen – non il n’y a personne qui vient.


Ben je al eens in Amerika geweest ?

Ne, ik ben daar nog nooit geweest I’ve never yet been there


Kan je nog even komen?

Nee, ik kan niet meer komen (je ne peux plus venir)


Wil je nog een koekje ?

Nee ik wil geen koekje meer

je n’en veux plus…
is dit brood nog goed ? …still good?

Nee dit brood is niet goed meer - …n’est plus bon


Wilde je nog iets vragen? …encore quch à

Nee, ik wilde niets meer vragen…plus quch


Ga je nog wel eens naar de schouwburg ?

Vas-tu bien encore au théâtre ?


Nee, de laatste tijd ga ik nooit meer.

Non, ces derniers temps, j’y vais plus jamais


Gisteren heb ik een interessant programma gezien
De supermarkt is ver van het station… est loin…
MICHIEL IS IN DE TUIN MET JORIS AAN HET VOETBALLEN

BART IS IN DE KEUKEN AN TAFEL AAN HET ZITTEN. HIJ IS TEE AAN HET NEMEN

TIM IS IN DE BADKAMER ZIJN TANDEN AAN HET POETSEN

TIM IS IN DE BADKAMER ZIJN BAARD AAN HET SCHEREN

KLAAS IS IN DE BADKAMER EEN DOUCHE AAN HET NEMEN
GERT IS IN DE WOONKAMER DE KRANT AAN HET LEZEN
LIEVE IS OOK IN DE WOONKAMER NAAR DE RADIO AAN HET LUISTEREN
JAN IS IN DE KELDER EEN FLIES WIJN AAN HET DRINKEN
KAREL IS IN DE TUIN AAN HET FIETSEN
PIET IS IN DE TUIN ACHTER DE BOOM ZIJN VRIEND AAN HET GSMEN
NEGATIVE
HEBEEL ZE VEEL TIJD? NEE ZE HEBBEN NIET VEEL TIJD

IS DE BOTER IN DE KOELKAST? NEE ER IS GEEN BOTER IN DE KOELKAST

MOET IK NU AL GAAN SLAPEN? NEE JE MOET NU NOG NIET GAAN SLAPEN
HEB JE NOG HONGER NEE IK HEB GEEN HONGER MEER
REGENT HET VANDAAG NEE HET REGENT NIET
IS IERLAND EEN RUSTIG LAND?

NEE IERLAND IS GEEN RUSTIG LAND


IS ER AL KOFFIE? NEE ER IS NOG GEEN KOFFIE
STAAT ER ZOUT OP DE TAFEL

NEE ER STAAT GEEN ZOUT OP DE TAFEL


ZIJN DE GROENTEN VERS?

NEE DE GROENTEN ZIJN NIET VERS


Cours de Néerlandais N° 19
sac à main – handtas
ik belde je op gisteren – je t’ai téléphoné hier.
LANG ZAL ZE LEVEN elle vivra longtemps
HET IS ERG c’est grave
Het vertrek, deaankomst (depart, arrivée)
BESTAAN = exister

BESTAAN UIT = composer, consister.


Ik will niets meer – je n’en veux plus

Ik will nog een beetje taart – je prendrai volontiers un peu tranche de gateau.



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina