F  ilosofie van de staat Manifestatie voor filosofiedispuut  woensdag 5 september 2001, café Le Monde, Enschede



Dovnload 13.19 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte13.19 Kb.
F

ilosofie van de staat


Manifestatie voor filosofiedispuut 

woensdag 5 september 2001, café Le Monde, Enschede

Inleiding


Wanneer we bij Plato op bezoek komen in de grot zien we daar bij het binnentreden eerst de ideeën, dan kijken we over de richel en zien daar mensen die nog niet verlicht zijn en staren naar de schaduwen die de ideeën afwerpen op een wand, die de wereld vormt voor die mensen. Naast existentialistische vragen als: ‘ben ik ook in die wereld en ben ik er een speelbal van?’, vragen ze zich nu ook af: ‘wie zijn die filosofen die nu opeens in beeld komen? Wie zijn die vage schimmen?’. Welnu, die filosofen zijn wij. Wij zijn namelijk op zoek naar een idee. Wij zijn op zoek naar de idee staat en als we dan toch al in de grot zijn, kijken we eerst ook nog even hoe de mensen in de grot de staat ervaren en welke rol zij daar zelf in spelen.

Van orde naar chaos: de mens als dier


In den beginnne bestond de mensheid nog uit één exemplaar. Er heerste ultieme orde. Het beheer over de gehele aarde viel in handen van één mens. Die mens had alles wat hij nodig had en hoefde zich geen zorgen te maken over zijn fysieke bestaan, hij vormde een autarkische eenheid. Daardoor had hij de mogelijkheid tot direct contact met de metafysische wereld. Het metafysische was voor hem de richtlijn voor zijn bestaan. In feite was het doel van de mensheid op dit punt bereikt. Op een dag echter deed de vrouw haar intrede. Daarmee begon de strijd om de macht. De twee mensen werden verleid tot het loslaten van de metafysische wereld als richtsnoer en de mens nam het recht in eigen handen. Het verschil tussen goed en kwaad, de ethiek, nam hier haar aanvang.

Na de paradijselijke periode zat er voor de mens niets meer op dan zijn doelen te stellen in aardse dingen. De mens is er sindsdien steeds op uit geweest zijn eigen materiële belang te verdedigen. Dat belang is hoofdzakelijk terug te leiden op de zucht naar macht. De mens is er steeds op uit zoveel mogelijk gebied voor zich te winnen, zoveel mogelijk mensen onder zich te scharen en zoveel mogelijk geld of goederen te vergaren. Doordat de wereldbevolking groeide (de sexuele begeerte leidde daartoe) stonden steeds meer mensen constant op voet van oorlog met elkaar. Ieder wilde namelijk de gehele aarde bezitten, maar werd daarin tegengehouden door de anderen, die hetzelfde wilden. Natuurlijk zijn er ook al in dit stadium samenwerkingsverbanden te ontdekken. Kleine groepen vormen samen een autarkische eenheid. Waar echter de mogelijkheden en vrijheden van de ene groep begint, wordt die van de andere groep beperkt. Het is duidelijk dat groepen die elkaar beperken en elkaar in de weg zitten zich niet zullen blijven concentreren op één plaats, maar zich zullen verspreiden over de gehele aarde, zoals moleculen in gasvormige fase in een lege ruimte elkaar afstoten en zich verspreiden. Zo was het natuurlijk ook bedoeld: waarom zou de aarde een oppervlakte van 170 · 1012 m2 hebben als daarvan alleen de hof van Eden gebruikt zou moeten worden? Een klassiek voorbeeld van de verspreiding is het afscheid van Abraham met zijn neef Lot. Samen konden ze niet verder, dus gingen ze elk hun weg.


Van chaos naar relatieve orde: het onstaan van staatsvormen


Op gegeven moment is de aarde gevuld en worden de verschillende mensen of groepen mensen met elkaar geconfronteerd. De één is sterker dan de ander en kan hem dus onderwerpen. Daardoor kan een despotische monocratie onstaan waarin de sterke zijn wil oplegt aan zijn onderdanen. Een andere mogelijkheid is dat de zwakkeren een verbond sluiten om zich samen sterk te maken tegen de andere groeperingen. Zij zien dan in dat het verstandiger is om samen te werken en besluiten hun eigen begeertes ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijke belang en richten een democratie op.

Zo zal er een situatie ontstaan van staten van gelijke kracht. Zal immers een staat sterker zijn dan een andere, dan zou de sterkere staat de andere onderwerpen. Door verbonden te sluiten zullen altijd groepen ontstaan die zich kunnen handhaven tegenover omliggende groepen. Er ontstaan dus georganiseerde staten, waarbinnen een orde heerst, die ofwel gebaseerd is op onderlinge afspraken tussen de bewoners, ofwel bepaald wordt door de macht van de vorst en het respect of vertrouwen dat het volk in hem heeft. De verschillende staten zijn ofwel zelfstandig of met andere staten verbonden door afspraken. Staten die verenigd zijn met andere staten door een verbond vormen eigenlijk een staat van staten, dus is er een situatie van staten, die even sterk zijn. Nu zou een situatie waarbij alle staten even sterk zijn kunnen duiden op een stabiele situatie van vrede. Maar de mensen zijn er altijd op uit om hun macht te manifesteren door omliggende landen te overmeesteren. Dat kan ook altijd doordat staten met een andere staat een verbond aangaan om een derde land te veroveren. Daardoor ontstaat dan een nieuwe staat die drie keer zo groot is als de andere staten, zodat die zich moeten verenigen in grotere staten, zodat er weer een stabiele situatie ontstaat.


Naar eeuwige vrede of naar eeuwige strijd?


Waar leidt deze voortdurende oorlog nu heen? Een extrapolatie leidt tot een situatie waarin twee even grote naties overblijven die ofwel uit verveling kunnen samengaan of zelfstandig naast elkaar kunnen blijven bestaan. Elkaar veroveren is in ieder geval niet mogelijk. Zoals in de koude oorlog Rusland en de Verenigde Staten van America overbleven als supermachten en een oorlog een totale vernietiging van de aarde zou betekenen zou elke oorlog tussen twee gelijkwaardige machten een verloren zaak zijn. Alleen zonder oorlog blijft er een winnaar over, zelfs twee. Maar wat is nu het geval wanneer de staten samengaan, zou het dan allemaal peis en vree zijn? Waarschijnlijk niet. Waarschijnlijk staan er binnen de staat individuen of groepen op, die hun eigen belangen weer stellen boven die van de staat, want in een staat kan nooit aan iedereen absolute macht worden gegeven, terwijl dat wel de wens is van velen. Om de verschillende, strijdige belangen te bevechten ontstaan burgeroorlogen tussen bevolkingsgroepen of ontstaan onafhankelijkheidsbewegingen. Zolang niet iedereen vrede heeft met het bestuur of minderheden onderdrukt worden zal er altijd een intentie zijn om het gezag omver te werpen. Een blijvende staat van oorlogsdreiging dus en dat betekent geen eeuwige vrede.

De ideale staat


Is het dan werkelijk zo slecht gesteld met de mensheid? Is de mens dan werkelijk niet in staat tot vrede en enkel geneigd tot strijd? Zo lang de mens gericht is op zijn eigen aardse verlangens wel. Een situatie van relatieve vrede wordt bereikt doordat de mens uit verstandelijke overwegingen kiest voor het minder kwade: delen met anderen in plaats van zelf over de voet gelopen worden. De rationele mens kiest voor het optimum als het maximum onmogelijk is, maar de zucht naar meer blijft bestaan. Voor de ideale staat is er een andere houding nodig. De mensen moeten niet gericht zijn op hun eigen materiële gebeerten, maar moeten de wijsheid begeren. De mensen moeten gericht zijn op een samenleving van vrede, op een staat van wijsbegeerte. De mensheid moet bereid zijn om samen te werken aan het bereiken van de ideeënwereld. Zoals de Hollandse boeren samenwerkten in de bouw van de Amsterdam voor beter waterbeheer, zo moeten wij samen durven de grot te verlaten, of, zoals in de wereld van Sofie, boven de haren uitklimmen. Daartoe moet de samenleving geregeerd worden door filosofen die in hun wijsheid het beste voor de samenleving kiezen en het volk moet zich aan de filosofie onderwerpen. De metafysica wordt weer de leidraad voor het leven in plaats van de lage begeerten van het vlees. Hoe gaan we die ideale staat bereiken? Ten eerste moet in de fysieke basisbehoeften voorzien zijn en daarin spelen de wetenschap en de technologie een belangrijke rol. Verder moet het volk onderwezen worden in de wetenschappen, de logica en de filosofie, zodat zij inzicht krijgen in de zaken die er werkelijk toe doen. Alleen zo kan de mens afstand doen van zijn ijdel geploeter en kan de mensheid zijn doel bereiken.

Gijs Kant



Literatuur


Aurelius Augustinus, De civitate dei (~426) / Vom gottesstaat, Zürich 1978, Duitse vertaling

Immanuel Kant, Zum ewigen Frieden (1795), Hamburg 1992

Immanuel Kant, Zum ewigen Frieden (1795) / De eeuwige vrede, Kampen 2000, Nederlandse vertaling

Niccolò Machiavelli, Il Principe (1513) / De heerser, Amsterdam 2000, Nederlandse vertaling

Plato, Politeia (~370 B.C.) / Het Bestel, Amsterdam 2000, Nederlandse vertaling

Hans Joachim Störig, Geschiedenis van de filosofie, Utrecht 1998, Nederlandse vertaling

H.E.S. Woldring, Politieke filosofie, Utrecht 1993

Geert Mak, Een kleine geschiedenis van Amsterdam, 2001










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina