F. C. J. Ketelaar In het archiefwezen meerder leven



Dovnload 61.68 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte61.68 Kb.




F.C.J. Ketelaar
In het archiefwezen meerder leven.
De nationale archiefpolitiek van Bakhuizen van den Brink 1851-1865
Gepubliceerd in: Een vorstelijk archivaris. Opstellen voor Bernard Woelderink (Waanders uitgevers, Zwolle 2003) 190-196.

‘Geraak ik eenmaal aan het Archief, dan moet ik vrijheid hebben daar revolutie te maken’.1 Beroemde woorden van Bakhuizen van den Brink in een brief aan prof. John Bake. De brief, 21 februari 1851 geschreven vanuit het Belgische Ukkel, markeerde het einde van Bakhuizen’s ballingschap, een einde ingeluid door het accoord met Bakhuizen’s schuldei­sers, door de Amsterdamse rechtbank bevestigd op 6 januari 1851.2 Direct daarna was Bake op audiëntie gegaan bij minister Thorbecke, zijn vroegere ambtgenoot. Enige schroom had Bake wel te over­winnen, alvorens aan de meer dan twintig jaar jongere Thorbecke, de maker van de door Bake zo veraf­schuwde grondwet van 1848, een gunst te vra­gen.3 Een gunst: een betrekking voor zijn bijzonde­re leerling Bakhuizen. Thorbecke kende en waardeerde Bakhuizen vroeger,4 maar wilde weten wat er sindsdien van hem geworden was. In het gesprek met Bake vroeg Thorbecke om een état de service, waaruit zou blijken dat Bakhuizen niet in specialiteiten was ondergegaan. ‘Tot welk groot doel leidt uwe werkzaamheid?’ was Thorbecke’s vraag aan Bakhuizen, via Bake, waarop het antwoord kwam in de brief van 21 februari. Bake zond de brief op 9 maart door aan Thorbecke. Twee maanden later kwam Bakhuizen zelf bij Thorbecke op audiëntie.5


Reorganisatie van het archiefwezen stond op Thorbecke’s agenda. Al vroeger had Thorbecke zich geërgerd over de bekrompen geslotenheid van het Rijksarchief.6 Daarin moest verandering komen: ‘ook behoort het Rijks Archief, mijns inziens, het middenpunt te wezen der werkzaamheid aan het regelen en bruikbaar maken der onderscheidene archieven te besteden.’7 Een eerste instrument zou een goed archievenoverzicht zijn, ook als basis voor een archief­beleid voor rijk, provincies en gemeenten waarin ‘het Rijks Archief zich de alge­mee­ne belangen van het archiefwezen meer aantrekke dan dus verre het geval was en zich daartoe in naauwere aanrakin­gen stelle met de provinciale en stedelijke archie­ven.’8
Een dergelijke activiteit verwachtte men niet meer van de Rijksarchivarius jhr. mr. J.C. de Jonge die aanstelling van Bakhuizen overbodig vond.9 Maar Thorbecke drong De Jonge zijn assistent op, met als argument, behalve De Jonge's vele nevenfuncties, dat men het hem toch niet kon aandoen de archieven te ‘gaan onderzoeken, dagen en weken door te brengen in veelal onaan­ge­name vertrekken, in aanraking met ondergeschikte ambtena­ren. Voor iemand van jeugdige leeftijd, nog in geene betrek­king geplaatst en die geene moeite te groot zal achten om zich en de zijnen een bestaan te verzekeren, is zoodanig onderzoek niet te zwaar.’10

Maar er was nog meer tegenstand. Eerst moest Financiën met de niet begrote

personeelsuitbreiding accoord gaan. Toen blokkeerde de Koning de benoeming. Hij wenste

(ingefluisterd door De Jonge?) onderricht te worden over het advies van De Jonge en

wilde verder weten of alle ministers wel hadden ingestemd met het voorge­nomen

onderzoek van de nog buiten het Rijksarchief berustende departementsarchieven. In de

ministerraad op 17 juni ver­kreeg Thorbecke de instemming van zijn ambtgenoten. In het

nader rapport aan de Koning werd uitvoerig ingegaan op de bezwaren van De Jonge.

Thorbecke voegde eigenhandig in het concept nog toe ‘Zal het archiefwezen van ons land

tot een geheel worden gebragt en aan de tegenwoordige eischen beantwoorden, zullen de

bronnen onzer geschiedenis, dáár te zoeken, geopend en toegankelijk worden, de kleine

vermeerdering van personeel, die ik voorstel is zelfs naauwelijks als toereikend aan te

merken.’11
Bij K.B. van 22 juni 1851 nr. 74 kreeg de aanstelling van Bakhuizen aan het Rijksarchief zijn beslag. Aan Bakhuizen - begin mei met zijn gezin in een hotel in Leiden neergestreken12- schreef de minister ‘Bekend gemaakt met uw onlangs ten uitvoer gelegd voorne­men om u weder in dit land te vestigen en met uwen wensch om eenen vasten werkkring te erlangen, heb ik gemeend mij door het vroeger voorgevallene niet te moeten laten beletten in het opdragen eener taak met uw studie over­eenkomstig. Het meest geschikt kwam mij eene plaatsing bij 's Rijks Archief voor, zoo vanwege de rigting van uwen arbeid te Weenen en te Brussel, als omdat ik in het Archief­wezen in ons Vaderland meerder leven wensch te brengen en dat van het Rijksarchief te doen uit­gaan...’.13 Bake schreef direct juichend aan Thor­becke om hem te bedanken.14
Bakhuizen ging op 1 juli aan de slag. Wat er moest gebeuren, dat had hij eigenlijk al in zijn brieven aan Bake aangegeven. Drie weken later diende hij een uitvoerig rapport in bij De Jonge, die het aan de minister zond, voorzien van zijn advies het werk toch vooral ‘met beleid en kalmte’ aan te vangen en niet teveel tegelijkertijd te ondernemen.15 Bakhuizen had inderdaad de wens van de minister om ‘in het Archiefwezen in ons Vaderland meerder leven ... te brengen’,16 letterlijk opgevat: zijn rapport ging veel verder dan een project voor een archieven­overzicht, maar bevatte tal van aanbevelingen om het archief­wezen te veranderen en te verbete­ren.

‘Ons archiefwezen moet geschapen worden,’ meende Bakhuizen17 en daarvoor stelde hij drie voorwaarden: openbaarheid, toeganke­lijkheid en inrichting overeenkomstig de behoeften der weten­schap. Het zou onvoldoende zijn om in het overzicht slechts de archieven op te sommen. Ook zouden de condities voor de dienstverlening moeten worden getoetst: gelegenheid om bezoekers te ontvan­gen, assistentie van ambte­naren, behoorlijke openings­tijden. Goede inventarissen achtte Bakhuizen essentieel. Het ambt van archivaris was voor de meesten een liefhebberij; aan de wetenschappelijke vorming en oplei­ding van archivarissen zou gewerkt moeten worden, meende Bakhuizen, onder verwijzing naar de Franse École des chartes.


In zijn rapport roert Bakhuizen ook de mogelijkheid van nieuwe wetgeving op het archiefwezen aan. Hij bepleit voor het Rijksarchief een grotere betrokkenheid bij en invloed op de zo verwaarloosde Zuid-Hollandse stedelijke archieven. Centralisatie is voor Bakhuizen vooral: concentratie in het Rijksarchief van rijksarchieven. Hij verlangt ‘geenszins de opeenstapeling aller archieven, die te vangen of te grijpen zijn in één hoofddepot. Verplaatsing wenscht hij slechts dan, wanneer de oorkonden blijkbaar en strijdig met hun aard en herkomst misplaatst zijn of wanneer enkele gemeen­ten hoege­naamd geene waarborgen voor de goede bewaring harer oude papieren aanbieden.’
Dat was naar de zin van Thorbecke, die een paar maanden later in de Tweede Kamer over het Rijksarchief zei: ‘Het archief moet zijn, mijns inziens, een centraal depôt, en hoe meer die stukken worden geconcentreerd, des te nuttiger voor het gebruik. Alleen hetgeen streng genomen provinciaal of gemeentelijk is, kan afgezonderd blijven; maar al die archieven moeten in verband worden gebragt met de hoofdverzameling.’18
Na het overlijden van De Jonge op 12 juni 1853 werd Bakhuizen met de waarneming vab het rijksarchivariaat belast door Thorbecke’s opvolger. ‘De nieuwe minister en ik zijn geene vrienden, maar toch heb ik goeden moed.’19 Er meldden zich allerlei sollicitanten. maar het ministerie wilde eerst zien of Bakhuizen het aankon. Bovendien moest zijn archievenoverzicht af. Na een proeftijd van 7 maanden werd Bakhui­zen, bij K.B. van 23 januari 1854 nr. 61, tot Rijksar­chiva­ris benoemd. Nu kon hij zijn programma eerst goed uitvoeren.20 Daarvan getuigt de door Fruin in 1926 uitgegeven kroniek ‘De Gestie van dr. R.C. Bakhuizen van den Brink als Archivaris des Rijks 1854-1865’.
‘De eeuw van geheimhouding moet met mijne aanstelling gesloten zijn, had Bakhuizen gezegd. 21 Openbaarheid en toegankelijkheid der archieven werden gere­geld in het Koninklijk besluit van 26 juni 1856 nr. 79 en in het tege­lij­kertijd afgekondigde reglement voor het Rijksarchief. Deze regelingen waren ontwor­pen door Bakhui­zen van den Brink met zijn medewerker - later zijn opvolger - de vijf jaar oudere L.Ph.C. van den Bergh. Immers, zoals hun beider vriend Fruin later schreef was Bakhuizen ‘geen jurist en had ook niet wat men een juridisch hoofd pleegt te noemen. Hij begreep, dat hij bij het uitvoeren zijner plannen van reorganisatie in het Rijksar­chief....den bijstand zou behoeven van een rechtsgeleerde, die tevens taal- en oudheid­kundige was. Niemand, althans onder ons, vereenigde in zijn persoon deze vereischten in zoo hooge mate als Van den Bergh; hij scheen als geschapen om aan te vullen wat aan Bakhuizen ontbrak’.22

Het K.B. was gebaseerd op ‘de uitmuntende en echt liberale voorschriften’23 van het ministerieel reglement van 4 augus­tus 1829, dat tot dan toe de toegankelijkheid van de archieven had geregeld.24 De teneur van het KB is nog liberaler, zoals Woelderink schreef25, eraan toevoegend dat het reglement voor het Rijks­archief nog duidelijker taal spreekt: ‘Ieder inwoner des Rijks en ieder vreemde­ling heeft toegang tot de Archieven des Rijks. Alleen zulke perso­nen zijn daarvan uitgezonderd, tegen wier toelating gewigtige redenen bestaan.’26


Behalve openbaarheid en toegankelijkheid, was centralisatie een hoofddoel van Bakhuizen's werk. Centralisatie in die zin dat ‘alle archieven zooveel mogelijk binnen het bereik, althans onder het toezigt van den Staat worden gebragt.’27 Die centralisatie verliep langs twee lijnen. In de eerste plaats door concentratie in het Haagse Rijksarchief van alle archieven der departementen van algemeen bestuur van voor 1814. De vele aanwinsten die Bakhuizen, soms na moeizame onderhandelingen, verwierf vormen de hoofdmoot van zijn ‘Gestie’.

Daar­naast streef­de Bakhui­zen naar eenheid in het archiefwezen, gepaard gaande met verbetering van het beheer van de provinciale archieven die hij in een hiërarchisch verband met het Rijksarchief wilde brengen.28 Reeds vroeger was aan enige provinciale archivarissen een jaarlijkse rijkstoelage toegekend, voor het eerst in 1826 aan de archivaris van Gelderland. ‘Dit stelsel, hetwelk nog voor verdere uitbreiding vatbaar blijft, wel verre van de opeenhooping van alle archieven in één lokaal te beoogen, bedoelt slechts zooveel mogelijk alle archieven aan eenheid van toezigt en eenparigheid van regel te onderwer­pen en heeft juist de verplaatsing van vele stukken uit het Rijks-archief naar de archieven der provinciën, waarop zij inzon­derheid betrekking hadden, bevorderd...’29


In het verleden was in een aantal provinciale instructies de openbaar­heid naar het voor­beeld van het ministerieel reglement van 1829 gemodel­leerd30, maar Bakhuizen beijverde zich voor adoptie door de provincies van de liberalere beginselen van het K.B. van 1856.31 Dat was niet makkelijk, met Provin­ciale Staten als die van Noord-Brabant: ‘Van de talrijke veehoudende leden van dat collegie was het gemakkelijk een som op de begrooting te verwerven voor premiën voor stieren enz.; maar het viel moeijelijker hen te overtui­gen van het belang, dat de provincie bij een welingerigt archief hebben kon’.32

Maar Bakhuizen’s politiek had succes: achtereenvolgens werd het archiefwezen in de provincies op een eenparige voet met het Rijksarchief ingericht.33


Het ging in Bakhuizen’s archiefpolitiek overigens steeds om rijks- en provinciale archieven van vóór 1813. De regel werd gevolgd dat ‘alle bescheiden tot op de nieuwe orde van zaken in 1813 van de archieven voor den loopenden dienst gescheiden en als meer van historischen aard aan de zorg en de bearbei­ding der betrokken archivarissen zijn overgedragen’.34 Daar­bij kwam dat de onder de provin­ci­ale besturen berus­tende archieven van voor 1798 als staats­eigen­dom werden beschouwd.35 Over dat zoge­naamde oud-archief strekten zich de zorg en het toezicht van de rege­ring uit36 ‘en in verband daarmede wordt de Rijkstoe­lage toege­staan. Het loopend archief blijft aan den griffier der provin­ciale Staten toebetrouwd en ligt buiten den onmiddellij­ken invloed van het algemeen bestuur.’37
Deponering van rijksarchivalia in de provincies was een ander middel om de eenheid in het archiefwezen te versterken. Niet alleen hanteerde Bakhuizen de archieven als lokmiddel, hij zorgde er ook voor dat de aan de provincies in bruikleen gegeven archivalia onderworpen bleven aan de in het Rijksar­chief gelden­de regels van open­baarheid en toegan­ke­lijkheid.38 Zo kwamen dubbelen van de memorialen van het Hof van Hol­land in het provinciaal archief van Noord-Holland, kopieën van Zeeuwse leenregisters in het provinciaal archief van Zeeland en de door de Hollandse rekenkamer afgehoorde Drentse rekenin­gen in het provinciaal archief van Drenthe.
Ook gemeenten werden zo bedeeld, bijv. Amsterdam, Rotterdam en Leiden, Haarlem en ’s-Hertogenbosch.39 Graag zou Bakhuizen van den Brink ook de oude rechterlijke archieven van voor 1811 hebben willen uitdelen aan gemeenten, onder verplichting van goede bewaring en openbaarheid.40 Maar tot een regeling voor de overbrenging en inbewaringgeving van de rechterlijke archieven kwam het pas in 1879, na Bakhuizen’s dood.41 De gemeen­tearchieven bleven in hoofdzaak buiten Bakhuizen’s gezichtsveld. Hij vervloekte artikel 103 van de gemeentewet (van 1851) dat de gemeentesecretaris belastte met de zorg voor het archief: dat gaf de stedelijke archieven prijs ‘aan den eigendunk van den eersten den besten gemeentesecretaris, dat ik, zoo lang geene goede archiefwet mij wapent, magteloos de veeren moet laten hangen’.42 Bakhuizen’s concept-wet waarin de mogelijkheid tot vereniging van gemeentearchieven en provinciale archieven (welke als delen van het Rijksarchief werden beschouwd - op gelijke wijze als in België) was geregeld, bleef echter in portefeuille.43 Thorbecke zelf nam er nadruk­kelijk afstand van: ‘Er is een stelsel, hetgeen alle archieven, provinciale en gemeentearchieven, ook die van waterschappen, beschouwt als één geheel met het Rijksarchief. Een schoon ideaal; evenwel geloof ik dat men aan ieder van die deelen eene bepaalde zelfstandigheid zal moeten blijven toekennen. ... Ik wil erkennen dat er eenige alge­meene regelen kunnen gegeven kunnen worden, waarbij de zelfstandigheid behouden blijft....Maar die regelen te ontwikkelen tot zulk een druk, als wel eens wordt verlangd door degenen, die het absoluut systema van een volmaakt Rijksarchiefwezen voorstaan, daarin durf ik niet treden.’44
Op 15 juli 1865, overleed Bakhuizen van den Brink, slechts 55 jaar oud.45 ‘Het archiefwezen heeft hij ten leven gewekt,’ schreef zijn vriend Carel Vosmaer.46 En wij, die een langer tijdvak kunnen overzien, stellen vast dat Bakhuizen van de Brink de basis heeft gelegd voor een nationale archiefpolitiek gebaseerd op openbaarheid, toegankelijkheid en eenheid in het archiefwezen.

Curriculum vitae


F.C.J. Ketelaar is hoogleraar in de Archiefwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1989-1997 was hij algemeen rijksarchivaris. In 1970 nam hij, als waarnemend directeur van de rijks archiefschool, het initiatief tot onderwijs in de geschiedenis en de organisatie van het archiefwezen, voor welk vak drs. B. Woelderink als docent werd aangetrokken. Sedertdien hebben zij beiden in velerlei hoedanigheden in het archiefwezen samengewerkt.

Illustraties:


R.C. Bakhuizen van den Brink (naar een foto door M. Verveer te ‘s-Gravenhage, Den Haag, collectie Nationaal Archief).
Gedenksteen aan de gevel van Bakhuizen van den Brink’s woonhuis, Groenewegje 122 te ‘s-Gravenhage, onthuld 20 september 1975 : Gij die voorbij gaat/sta stil/en overdenk/wat voorbij ging/en voorbij zal gaan/en wat zal blijven/Hier woonde van 1852 tot 1856/Dr. R.C. Bakhuizen van den Brink/Rijksarchivaris (foto door de auteur).

Voor de bibliografie



Cerutti en Brekelmans 1975 F.F.X. Cerutti - F.A. Brekelmans, De Bakhuizen-correspondentie van Prosper Cuypers van Velthoven (Groningen 1975) (= Nederlands Archievenblad 79 (1975) afl. 1)
Fruin 1926 R. Fruin, De Gestie van dr. R.C. Bakhuizen van den Brink als Archivaris des Rijks 1854-1865, hoofdzakelijk uit zijne ambtelijke correspondentie toegelicht (’s-Gravenhage 1926)
Hooykaas 1993 G.J. Hooykaas, De briefwisseling van J.R. Thorbecke, IV (’s-Gravenhage 1993)
Hooykaas 2002 G.J. Hooykaas, De briefwisseling van J.R. Thorbecke, VII (Den Haag 2002)
Hooykaas en Santegoets 1996 G.J. Hooykaas - F.J.P. Santegoets, De briefwisseling van J.R. Thorbecke, V (Den Haag 1996)
Hubrecht 1882 P.F. Hubrecht, De onderwijswetten in Nederland en hare uitvoering. Vijfde afdeeling: Wetenschap en Kunst, II (’s-Gravenhage 1882)
Otterspeer 1992 W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest. De Leidse universiteit in de negentiende eeuw (Leiden 1992)
Woelderink 1975 B. Woelderink, ‘De geschiedenis van het archiefwezen in Nederland in hoofdlijnen’, Rijks archiefschool. Verslag en bijdragen 1972-1973, 1973-1974 (Utrecht 1975) 61-90.



1 Universiteitsbibliotheek Leiden, BPL 1892. Gedrukt in: S. Muller Fz., Briefwisse­ling van Bakhuizen van den Brink met zijne vrienden gedurende zijne ballingschap (1844-1851) (Haarlem 1906) p. 330. De meest recente editie (J. Tollebeek - T. Verschaffel - L.H.M. Wessels, De palimpsest. Geschiedschrijving in de Nederlanden 1500-2000. Fragmenten (Hilversum 2002) pp. 125-127) volgt helaas de corrupte tekst in: R.C. Bakhuizen van den Brink, Van Hollandsche potaard. Studiën en fragmenten (ed. A. Eppens [ps. van N. Rost]) (Amsterdam [1943]) p. 231.

2 Nationaal Archief, Binnenlandse Zaken, Kabinet, inv. nr. 74, dossier nr. 139: afschrift vonnis rechtbank Amsterdam verklarende dat de staat van kennelijk onvermogen waartoe Bakhuizen van den Brink bij vonnis van 16 oktober 1850 was verklaard, is opgehouden. Dit afschrift is door Bake aan Thorbecke gezonden: de begeleidende brief van 9 mei 1851 (geadresseerd “Aan het Departement van Binnenlandsche Zaken te ’s-Gravenhage. Voor Zijne Excell. De Heer Minister”), met een aantekening door Thorbecke voor de behandelende ambtenaar, bevindt zich ten onrechte niet in het genoemde dossier nr. 139, maar in het archief-Thorbecke, inv. nr. 61.


3 Bake aan Thorbecke, 3 februari 1851, Nationaal Archief, Thorbecke, inv. nr. 61; P.J. Blok - P.L. Muller - S. Muller Fz., Robert Fruin's Verspreide geschriften, IX ('s-Gravenhage 1904) p. 457; Muller, Briefwisseling, p. XXIII; Otterspeer 1992, pp. 213-215, 344, 359. Twee jaar eerder al was Bakhuizen door Bake in Thorbecke’s welwillende oplettendheid aanbevolen: Hooykaas en Santegoets 1996, p. 214.

4


 Hooykaas 1993, pp. 222, 235.


5 Zie noot Error: Reference source not found; Bakhuizen van den Brink, Studiën, p. 420, 424; Muller, Briefwisseling, pp. 311, 316; Bake aan Thorbecke, 9 maart en 9 mei 1851, Nationaal Archief, Thorbecke, inv. nr. 61.


6 Hooykaas 1993, p. 152; Hooykaas en Santegoets 1996, p. 87.


7 Minister van Binnenlandse Zaken aan de Koning 19 april 1851 (zie noot Error: Reference source not found).


8 Minister van Binnenlandse Zaken aan de Archivarius van het Rijk, 28 maart 1851 (zie noot Error: Reference source not found).


9 R. Fruin, ‘Eene memorie van R.W. Tadama over het archiefwe­zen uit het jaar 1851’, Nederlandsch Archievenblad 34 (1926-1927) pp. 33-35.


10 Minister van Binnenlandse Zaken aan de Koning, 19 juni 1851 (zie noot Error: Reference source not found), herhaald in: Minister van Binnenlandse Zaken aan de Archivarius van het Rijk, 23 juni 1851, in: Nationaal Archief, archief van het algemeen rijksarchief, inv. nr. 12.


11 Minister van Binnenlandse Zaken aan de Koning, 19 juni 1851 (zie noot Error: Reference source not found), geciteerd bij Hubrecht 1882, p. 135.


12 Cerutti en Brekelmans, p. 44; C. en M. Scharten-Antink, Julie Simon. De levensroman van R.C. Bakhuizen van den Brink (Amsterdam 1914) p. 402.


13 Minister van Binnenlandse Zaken aan R.C. Bakhuizen van den Brink, 23 juni 1851, in Universiteitsbibliotheek Leiden, BPL 1930. De minuut van deze brief ten geleide van het benoemingsbesluit heb ik in het archief van het ministerie niet gevonden.


14 Bake aan Thorbecke, 23 juni 1851, Nationaal Archief, Thorbecke, inv. nr. 61.


15 Nationaal Archief, archief van het algemeen rijksarchief, inv.nr. 12, 24 juli 1851; ibidem, ministerie van Binnenlandse Zaken, exh. 13 augustus 1851; gepubliceerd door Hubrecht 1882, p. 137-162.


16 Fruin, ‘Eene memorie van R.W. Tadama,’ p. 34 vond deze woorden getuigen "van weinig waardee­ring voor het werk van zijn chef" en "meer dan zonder­ling". Dit oordeel is echter onjuist: Fruin kende de brief van Thorbecke aan Bakhui­zen van 23 juni 1851 (zie noot Error: Reference source not found) niet.


17 Cerutti en Brekelmans 1975, p. 47.


18 G.G. van der Hoeven (ed.), De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van mr. J.R. Thorbecke... III (Groningen 1903) p. 147.


19 Cerutti en Brekelmans 1975, p. 59.


20 Nationaal Archief, Binnenlandse Zaken, exh. 20 januari 1854 nr. 139 Kabinet Geheim. Met de voordracht tot benoeming werd de Koning ook Bakhuizen’s overzicht aangebo­den (gepubliceerd: Overzigt van het Nederlandsche Rijks-Archief... I (’s-Gravenhage 1854).


21 Cerutti en Brekelmans 1975, p. 57.


22 Blok - Muller - Muller, Robert Fruin's Verspreide geschriften, p. 490.


23 Fruin 1926, p. 57.

24 Voor een tekstvergelijking tussen het reglement van 1829 en het K.B. van 1856 zie A.C. Bondam, ‘De openstelling onzer archieven’, Nederlandsch Archievenblad 6 (1897-1898) pp. 89-117.


25 Woelderink 1975, p. 70.


26 Woelderink 1975, p. 70; Hubrecht 1882, p. 204.


27 Fruin 1926, p. 151.


28 Fruin 1926, p. 105.


29 Fruin 1926, p. 152, vgl. ibidem, p. 96.


30 Er waren echter verscheidene instructies die, volgens Bakhui­zen, blijk gaven van bekrompenheid en achterlijkheid: Fruin 1926, p. 91-92 = [J.M. Romein], Uit de werkplaats van R.C. Bakhuizen van den Brink (Amsterdam-Brussel 1951) pp. 255-256.


31 Fruin 1926, pp. 113, 127.


32 Fruin 1926, p. 119.


33 Fruin 1926, pp. 105, 112.


34 Fruin 1926, p. 158.


35 Fruin 1926, p. 236.


36 Bijlagen Handelingen Tweede Kamer 1850-1851, 131, 169.


37 Fruin 1926, p. 233 vgl. ibidem, p. 125.


38 Fruin 1926, pp. 58, 129, 136, 144-145, 174-175, 211-217, 227.


39 Fruin 1926, pp. 211-215.


40 Fruin 1926, p. 151.


41 Hubrecht 1882, pp. 246-315.


42 Fruin 1926, p. 89, noot 4.


43 Fruin 1926, pp. 89, 92, 105, 236. In zijn eerder aangehaalde brief aan Bake had Bakhuizen gewezen op Belgie, waar de provinciale archieven aan de controle van de “generaal-archivist” zijn onderworpen; zie het Belgische KB van 17 december 1851 (Nationaal Archief, Binnenlandse Zaken, Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. nr. 2310). Het wetsontwerp van Bakhuizen is gepubliceerd in: Verslagen omtrent 's rijks oude archieven 31 (1908) 190-201. Zie verder: S. Muller, ‘De archiefwet van Bakhui­zen van den Brink’, Nederlandsch Archievenblad 17 (1908-1909) pp. 83-101; verkort afgedrukt in: R.C. Bakhui­zen van den Brink, Studiën en karak­ter­schetsen, III ('s-Graven­hage 1913) pp. 445-460. Door Muller werd het concept in 1853 gedateerd; met Fruin (Fruin 1926, p. 89) houd ik het op 1856.


44 J.R. Thorbecke, Parlementaire redevoeringen, IV (Deventer 1869) p. 89-90; Hubrecht 1882, pp. 242-243; Woelderink 1975, p. 72.


45 Thorbecke zorgde ervoor dat Bakhuizen’s weduwe een gratificatie van f 2000 kreeg: Hooykaas 2002, p. 120.


46 De Nederlandsche Spectator, 30 maart 1872; N. Maas, De literaire wereld van Carel Vosmaer. Een documentaire ('s-Gravenhage 1989) p. 65.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina