F. H. N. Bloemink Met band- en penteekeningen van J. Hoynck van Papendrecht



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina1/11
Datum25.07.2016
Grootte0.52 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

De Lotgevallen van

een Garde d’Honneur
(1813 – 1814)
Bewerkt naar gevens uit een familie – archief
door

F. H. N. Bloemink




Met band- en penteekeningen

van


J. Hoynck van Papendrecht




Gouda G. B. van Goor Zonen - 1913



Inleiding

Tijdens de Duitse opstanden werden in het begin van de lente van 1813 de dienstplicht-activiteiten in de Hollandse Departementen, evenals elders in het Keizerrijk, sterk opgeschroefd. Te midden van de dagelijks geplande vertrekken van de verschillende contingenten conscrits (lotelingen) van '1812', kwam het centraal gezag namelijk in het begin van april met de proclamaties van twee Keizerlijke decreten op het gebied van de dienstplicht. Beide waren op 5 april 1813 uitgegeven: de eerste had betrekking op de formatie van de Garde d'Honneur, de tweede op een nieuwe reorganisatie van de Garde Nationale.

Met de Garde d'Honneur, een elite ruiterkorps, hoopte Napoleon de welgestelde families, die zich tot dan eenvoudig door plaatsvervangers aan de dienstplicht hadden kunnen onttrekken, hechter te kunnen binden aan het keizerlijk bewind. In het kort kwam het decreet neer op de formatie van een korps van 10.000 man, dat verdeeld was in vier gelijke regimenten te Versailles, Lyon, Metz en Tours. In ieder departement moesten man schappen voor deze Garde d'Honneur uit de zonen van de rijkste families in de leeftijd van 19 tot 30 jaar worden gerekruteerd. De selectie gebeurde door de prefect, die daarvoor gebruikmaakte van belastinggegevens. De geselecteerden mochten hun opzending niet weigeren. Ook werd hun geen plaatsvervanger toegestaan. Elke prefect moest een minimumaantal gardes leveren. Maar in de praktijk werd van hem verwacht dat hij bij de opzending dit aantal te boven zou gaan. Vanuit de Hollandse Departementen zijn uiteindelijk 435 Gardes op mars gegaan, waarvan 112 'vrijwillig'.

Hoewel de formatie van de Garde d'Honneur in Holland zeker veel stof heeft doen opwaaien, is het toch de nieuwe reorganisatie van de Nationale Garde geweest, die hier te lande de gemoederen het heftigst in beweging heeft gebracht.


Op grond van de gegeven aantallen in het overzicht van de lichtingen die er in Holland zijn geweest, kan het totaal aantal jongens en mannen dat hier in de periode januari 181 1 tot november 1813 naar de onderscheiden leger- en marineonderdelen is opgezonden, dan ook als volgt worden bepaald:
1) Aan de verschillende levées (lichtingen / jaarklassen) van de jaarklassen '1808' tot en met '1813', inclusief de Garde Soldées van Amsterdam en Rotterdam en inclusief de Cohorten Eerste Ban Garde Nationale van 1812 (formeel de échte conscrits): tenminste 22.080 man.

2) Aan de twee levées van de Maritieme Inscriptie: 3.200 man.



3) Aan de levées voor het Regiment van Texel van de Garde Nationale en voor de Garde d'Honneur: 1.635 man.

4) Aan de diverse overige lichtingen: 5.880 man.


De onder 1 tot en met 4 genoemde subtotalen geven vervolgens als totaal resultaat de opzending van 31.595 man in nog geen drie, of vier jaar tijd, als van de gehele periode van inlijving wordt uitgegaan.

Uit “De adelaar en het Lam” door Johan Joor,

uitgeverij de Bataafse Leeuw.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het was de 14de Mei van het jaar 1813.

Al vroeg was ik 's morgens uit Arnhem gegaan en na een stevige wandeling lag ik nu, heerlijk-lui uitgestrekt op de berm van den weg, te genieten van het zonnig-blije voorjaarsweer.

Voor me, heel laag, lag de Rijn, in flauwe rimpeling; een enkel scheepje dreef droomerig-langzaam naar het' westen, de zeilen bijna slap.

Aan de overzijde der rivier strekten zich ver tot aan den horizon de weidevelden uit van hel-frisch groen, met hier en daar een grazend koetje, knus en klein in de wijdte.

Soezerig van dien droonierig-kalmen vrede rondom, lag ik te staren naar de wit-wollige wolkevlokjes, bijna onmerkbaar zwevend langs het porcelein-blauw van den hoogen lentehemel ....

Opeens hoorde ik boven, van den weg, mijn naam roepen. Verwonderd sprong ik op, 't was mijn broer.

Hij daalde voorzichtig de helling af naar mij toe. "Hé, dat is ook toevallige riep ik opgewekt.

Ik vond het gezellig, met hem de wandeling terug te kunnen maken. k Heb je gezocht," antwoordde hij, met vreemden klank in zijn stem.

En, naderbij gekomen, zag ik pas, hoe ernstig-strak zijn gelaat stond.

“Wat heb je?" vroeg ik verbaasd: "Thuis toch niets?"



“Neen,” antwoordde hij, "thuis is er niets, maar. . "Nu, maar, maar .... “


Ik werd angstig-nieuwsgierig.

De vreemdste veronderstellingen vlogen mij door het hoofd.

Mijn broer was zenuwachtig; zijn lippen trilden en het spreken scheen hem mocielijk te vallen van ingehouden ontroering.

"Laten we even gaan zitten," zei hij, "wij moeten samen eens rustig praten."

"Maar zeg het dan toch, zeg het dan toch; wat is er?" viel ik driftig uit.

Doch op hetzelfde oogenblik had ik er spijt van.

"Ja, Ja," zei hij sussend en met deelneming in zijn stem, "maar 't is een verschrikkelijke tijding voor jou. je moet me beloven, kalm te zijn, Frits."

“k Zál kalm zijn," antwoordde ik, popelend.

“k Heb het vanmorgen van den burgemeester gehoord," ging hij op denzelfden meelijdenden toon voort, "je bent, Frits, benoemd .... tot.... eh .... tot garde d'honneur."

“Hè?” riep ik uit, "tot garde d'honneur benoemd? ... Ik ?" "ja," antwoordde hij met een zucht. Even was het doodstil.

Beneden ons neuriede een schipper aan het roer een droefgeestig deuntje, heel zacht ....

"je moet flink zijn, Frits, ook voor vader en moeder," sprak mijn broer toen.

Even flitste het door mijn hoofd: zou hij een grap willen hebben.... ? Doch ik had slechts zijn gezicht te zien,' om die gedachte verre te verwerpen.

En toen stond het een oogenblik helder voor me: tot garde d'honneur benoemd.... onder Napoleons Adelaar trekken naar verre vreemde landen ...

"Maar het is onmogelijk !" riep ik uit, "onmogelijk, het, kán niet waar zijn."

" 't Is verschrikkelijk, verschrikkelijke antwoordde hij, "maar er is geen twijfel aan. Vandaag zal wellicht het bericht van den prefect 1) wel afkomen."

t Kan niet , hield ik vol, "elken dag kan mijn benoeming tot luitenant bij de Nationale Garde 2) afkomen; hoe kunnen ze me nu garde d'honneur maken .... !"

"Och, ze doen net wat ze willen; er is niets tegen te doen." "Dus 't is werkelijk zóo; is het onherroepelijk ?" vroeg ik.

Ik kón het niet in den vollen omvang indenken en gelooven.

"Er is op geen enkele manier aan te ontkomen," antwoordde mijn broer op doffen toon.

Toen was het volkomen zeker in me; ik moest onder Napoleon dienen.
En nu ik me dat in al zijn gevolgen voorstelde, voelde ik me bleek worden.

"Blijf kalm, Frits, nou is het jouw taak, flink te zijn. 't Is toch al zoo'n slag voor vader en moeder."

"ja, ja," stemde ik in, "wat een ontzettende tijding voor hen ook. Hoe zijn ze er onder?"

"Toen ik op weg ging, om jou te zoeken, wisten ze het nog niet. Mijnheer van Berkel zou het hun zoo voorzichtig mogelijk gaan mee- deelen."

“Laten we dan gauw naar huis gaan !"

"Neen, Frits, 'k geloof, dat het beter is, ze thuis eerst tijd te laten om zich den toestand in te denken, vóór jij komt."

"Dat is waar," antwoordde ik.

“ Hoe is 't toch mogelijk, hoe is 't mogelijk !"

1) Hoofd van een departement, ongeveer als na in ons land een commissaris der Koningin

2) Schutterij.

En opeens kwam de drift in mij op.

“Maar moeten we dan maar álles goed vinden; kan Frankrijk dan met ons sollen, als de kat met de muis?"

"Och, wat kan ons land doen. Veel machtiger landen hebben voor Napoleon moeten bukken. Zoolang hij leeft, komt er geen verandering. Neen, 't zal misschien nóg erger worden."

Langzaam liepen we den weg terug naar huis en langen tijd zwegen we beiden.

Nu ik er zelf de dupe van werd, voelde ik pas goed het verschrikkelijke van Napoleons tyrannie, waaronder zooveel volkeren gebukt gingen !

"0, als het toch eens niet waar was," dacht ik telkens, "als. . . ." In de stad leek het me toe, of alle voorbijgangers me er op aankeken met ernstige gezichten, of ze het wisten ....

"Nu ferm zijn, Frits," zei mijn broer, toen we vlak bij huis waren, "rnaak het hun vooral niet moeilijker, dan het al is."

"Neen," antwoordde ik, " 'k zal sterk zijn." Ik hoorde zelf mijn stem beven. Vader deed ons open.

Onmiddellijk zág ik, dat hij het wist.

Stevig drukte hij mij de hand, hield die een oogenblik in de zijne en wilde wat zeggen .... maar hij kón niet.

"Frits," stamelde hij, "Frits...."

De tranen sprongen hem in de oogen.

Schokkend van ingehouden smart liep hij naar boven, naar zijn kamer ....

Moeder was kalmer, maar och, ik zag, wat het haar kostte. Met een diepen zucht drukte zij mij aan haar borst.

Stellig heeft zij dien nacht haar opgekropt verdriet uitgeschreid bij vader .... Mijn zusters konden zich onmogelijk inhouden. Ze grepen schreiend

mijn hand.


Doch moeder wenkte haar, heen te gaan.

Ik zelf was vreemd-kalm. 't Was, of alles een roezige droom was: die vredige rust daar aan het water, de komst van mijn broer, zijn bericht.. .. ik had een gevoel, of dat alles buiten mij omging.

Als ik echter de treurige gezichten zag, tot van de dienstboden toe, dan voelde ik plotseling weer al het ontzettende van de tijding.

Wat deed het mij goed, dat liefdevol meeleven van allen.

Toon, de oude knecht, riep me even apart in het loodsje achter het huis.

, Meheer," zei hij, met tranen in zijn trouwe, blauwe oogen, "meheer, 't is te gek, 't gaat niet .... als U. .... hm .... het niet te... te... hm .... vindt .... zou ik willen zeggen, laat mij .... maar gaan..

Ik drukte hem bewogen de hand.

"Neen, Toon, 'k waardeer het van je, maar dát gaat niet."

"Niet meheer, niet?" En hoofdschuddend ging hij heen, de oude man, gebogen zijn rug, knikkend zijn knieen.... beverig-langzaam zijn gang .... hij wou voor mij gaan!

Misschien heeft Toon nooit geweten, hoeveel moed en kalmte hij, de oude man mij op dat oogenblik gegeven heeft.

De dag ging in vreemde spanning voorbij. Zoolang het bericht van den prefect er nog niet was, twijfelden we nog, hoopten.... zonder het elkaar te zeggen....

Tegen den avond kwam het officieele stuk van den prefect. Vader gaf het mij met bevende vingers.

Hij bleef er niet bij, toen ik de groot-gewichtige enveloppe opende. Hij kón het niet, mijn goede vader, die, zooals ik later hoorde, wanhoopte, me na mijn vertrek ooit weer te zien .....

Trillend van ontroering las ik het zoo ijzig-kalm gestelde bericht, bleef er op staren, heel lang ... las het toen nóg eens, en nóg eens....

Het luidde:



Cabinet.

ARNHEM, 14 Mei 1813.



De Ridder van het Legioen van Eer, Commandeur

in de Keizerlijke Reunion-Orde, Prefect van het

departement van den Boven-Yssel.
Aan den Heer F. KRAMER

te


Arnhem
Ik heb de eer U een afschrift te zenden van mijn besluit van heden, dat U aanwijst voor het aandeel van dit departement voor de Garde d'Honneur.

Van dit oogenblik af maakt U deel uit van dit achtenswaardig corps; lichaamsgebreken alleen kunnen U daarvan vrijstellen.

Ik noodig U diensvolgens uit, Maandag a.s. aan mijn prefectuur te komen, teneinde uw verdere bestemming te vernemen.
Hoogachtend,
ANDRINGA DE KEMPENAER.

Met een beklemd gevoel borg ik het stuk in mijn kast. Uiterlijk heel kalm ging ik naar de huiskamer. "Wel, mijn jongen?" vroeg vader.

“ 't Officieele bericht van den prefect, vader; alleen lichaamsgebreken kunnen reden tot vrijstelling geven."

"Dan is er niets aan te doen,” antwoordde vader geslagen.

"Kom, vader, zei ik toen, zoo gewoon mogelijk, "'k hoef niet naar Rusland. Stel U voor, dat 't een paar jaar eerder was gebeurd. 'k Word dit jaar twintig; 'k zal me er wel in weten te schikken."

Vader antwoordde niet. Hij schudde, als in vertwijfeling, het hoofd, drukte me de hand, en zei:

"Je bent een flinke jongen, een beste jongen, hoor ! ja, laten we den moed niet verliezen. Eens zal er toch wel redding komen voor ons arm vaderland !"
TWEEDE HOOFDSTUK.

Het waren verschrikkelijke dagen voor mijn huisgenooten, tusschen dien nooit te vergeten 14en Mei en mijn vertrek.

Ik zelf kwam meer en meer in een roes, die me het rustig indenken van mijn toekomst belette.

Dagelijks werden wij 1) geoefend in het behandelen van het paard en in het rijden. Voor onze uitrusting en voor een paard werd door de overheid gezorgd; de eerste kostte ons 1500 francs en het rijpaard 800 francs.

Er waren zelfs dagen, dat ik het wel prettig vond, al dat soldatengedoe. Ach, ik was nog zoo jong! Zoo donker als mijn vader zag ik de

toekomst niet in, zoozeer leefde ik in onwetendheid over hetgeen me wachtte. Was ik als garde d'honneur in dienst geweest van mijn eigen vaderland

en niet in dien van den gehaten dwingeland, werkelijk, ik had schik ge- kregen in mijn nieuwe positie!

Mijn uniform stond mij lang niet kwaad, meende ik. En mijn lot- genooten hadden mij onder goedkeuring van den prefect tot brigadier gekozen, een onderscheiding, die me op den rampzaligen tocht vele voordeden bezorgd heeft!

Mijn broer en zusters en vooral mijn arme ouders werden echter met den dag gejaagder.

Mijn vader had dadelijk na mijn aanstelling alle pogingen in 't werk gesteld,

Mijn uniform stond mij lang niet kwaad, meende ik.

1) Ons departement moest 44 Gardes d'Honneur leveren.


om deze nog ingetrokken te krijgen, doch tevergeefs - de prefect was en bleef onverbiddelijk.

Om me teleurstelling te besparen had hij er mij niets van verteld. Ik had het echter al wel vermoed.

En toen hij op een avond neerslachtiger dan ooit thuis kwam, viel hij na lang vragen door de mand en vertelde mij van zijn laatste mislukte poging, om mij vrij te krijgen.

Alle argumenten had hij aan gevoerd, alle middelen beproefd .... maar vruchteloos.

Van andere jongelui had hij gehoord, dat met geld en goede woorden nog wel wat gedaan te krijgen was.

Onze prefect bleef echter op zijn stuk staan.

Er bleef dus niets anders over, dan je in het onvermijdelijke te schikken en te hopen op beter dagen voor volk en vaderland.

Het verloop van mijn aanstelling - die de Fransche overheid nog wel als een bijzondere onderscheiding wilde gewaareer zien ! 1) - is na te gaan uit de volgende stukken, die ik van tijd tot tijd van den prefect ontving.

Dat elk bericht nieuwe ontroering bracht, is te begrijpen.

Voor de eigenaardigheid geef ik ze ook in den oorspronkelijken vorm, als uitvloeisel der inlijving van 1810 alle in de Fransche taal geschreven.

Drie dagen na het bericht van den prefect ontving ik een afschrift van zijn officiéel besluit.

Hiermee was dus de zaak volkomen beslist.

Het luidde:

1) Baron de Stassart, prefect van het Dept der Monden van de Maas, die op zeer tirannieke wijze het Keizerlijk decreet uitvoerde, schreef zelfs in zijn kennisgeving

"Eleyé dans les principes de I'honneur, vous serez fort aise sans doute que la carrière vous en soit ouverte d'une manière aussi flatteuse" ....

("Opgevoed in de beginselen van eer, zal U ongetwijfeld zeer verheugd zijn, dat U hierrnee op een zoo vleiende wijze een loopbaan geopend is" . . . .)



De Ridder van het Legioen van Eer, Commandeur in de Keizerlijke Reunion-Orde, Prefect van het Deparlement van den Boven-Yssel.
Gezien het Decreet van 5 April 1813, betreffende de instelling van de Garde d'Honneur.

Gezien de ministeriëele instructies.

Herzien zijn besluiten van den 11en dezer en den 12en van dezelfde

maand No. 22, zoomede de lijst der notabelen van dit departement.

Besluit.

Art. 1.

Het aandeel van dit departement voor de Garde d'honneur zal worden aangevuld met de hieronder genoemde heeren.

Namen. Voornamen. Datum v. geboorte. Woonplaats. Kramer. Frederik. 14 Sept. 1793. Arnhem.

Art. 2.

Genoemde heeren, Gardes d'honneur, zullen zich Maandag 24 dezer te 12 uur bij den Prefect aanmelden, ten einde gehoord te worden over de bezwaren, die zij mochten indienen, betreffende lichaamsgebreken.

Art. 3.


Afschrift hiervan zal gezonden worden aan de H.H. onder-prefecten, zoowel als aan de heeren Gardes d'Honneur, ieder voor zooveel hem aangaat.

Arnhem, I7 Mei 1813.

De Prefect,

ANDRINGA DE KEMPENAER.


Het volgende bericht kwam na een paar weken de spanning nog vergrooten:

No. 8.


1e Divisie.

Bij het antwoorden verwijzen

naar datum, No. en divisie hier-

boven genoemd.

ARNHEM, 8 Juni 1813.

De Ridder van het Legioen van Eer enz.

Aan den heer Garde d'Honneur KRAMER.

Mijnheer !

Gelieve U Maandag a.s., den 14en dezer maand, alhier aan de Prefectuur te vervoegen te elf uur 's morgens, teneinde de maat te laten nemen voor uw kleeding en instructies te ontvangen betreffende het tijdstip van uw vertrek naar het niet-ver-af-zijnde regiment. Ik verwacht, dat U door niets verhinderd zult zijn 'U hierheen te begeven. Alleen ziekte zal als wettig beletsel aangenomen worden, mits U staven kunt met een bewijs van den dokter, dat zij van dien aard is, dat de reis U onmogelijk is. U zult mij bij uw aankomst doen weten of U óf Uw ouders genegen zijn, de kosten van uitrusting en rijpaard te dragen, hetzij beide of een van de twee.

Hoogachtend ANDRINGA DE KEMPENAER.


Het laatste officieele bericht, dat ik van den prefect ontving, was mijn benoeming tot brigadier (onderofficier), twee weken vóór ons vertrek.

Ze luidde:




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina