Faculteit der rechtsgeleerdheid katholieke universiteit nijmegen tentamen inleiding



Dovnload 67.15 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte67.15 Kb.
Inschrijvingsnummer:
FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT NIJMEGEN

TENTAMEN INLEIDING

tot de RECHTSWETENSCHAP I Datum

voor Rechtenstudenten
Naam:
Studentnummer:
I N S T R U C T I E

1. Dit tentamen bestaat uit 15 vragen over de studiestof



Controleer of uw tentamen compleet is en compleet wordt ingeleverd.
2.  Vul eerst hierboven uw naam, voorletters, studentnummer en inschrijvingsnummer in. Zet ditzelfde ook op het ontvangstbewijs.
3. Beantwoord iedere vraag in de opengelaten ruimte eronder. Die ruimte is vol­doen­de voor een goede beantwoording. Formuleer uw antwoorden kort en nauwkeurig.
4. De maximale score van het gehele tentamen bedraagt 500 punten.
5. Het tentamen duurt 2 uur. Die tijd wordt niet verlengd.
6. Na inlevering van de opgaven ondertekent een der surveillanten het bewijs van ont­vangst. Dat bewijs is voor u bestemd.
7. De datum van de uitslag van het tentamen staat vermeld op het be­wijs van ont­vangst. De datum en plaats van inzage wordt tegelijk met de uitslag bekend ge­maakt.
8. Laat uw vragenset ongeschonden.
9. De vragen mogen niet met potlood worden beantwoord.
SUCCES! © Inleiding tot de Rechtswetenschap.

1. Geef aan tot welk rechtsgebied de onderstaande bepalingen worden gerekend.

Vermeld daarbij – indien mogelijk – of de bepalingen formeel dan wel materieel recht bevatten.
a. De partijen bij een geschil waarvan het voortbestaan de handhaving van de internationale vrede en veiligheid in gevaar dreigt te brengen, dienen daarvoor allereerst een oplossing te zoeken door onderhandelingen of andere vreedzame middelen naar eigen keuze.

b. Om tot lid van de Raad van State in buitengewone dienst te kunnen worden benoemd moet men Nederlander zijn en de leeftijd van vijfendertig jaar hebben bereikt.

c. De rechtbank maakt niet ambtshalve gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:47, zesde lid van de Awb.

d. Tenietgaan van de verbintenis door vermenging laat de op de vordering rustende rechten van derden onverlet.

e. De faillietverklaring bij rechterlijk vonnis kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op de vordering van het openbaar ministerie.

2. In een recent uitgevaardigde Algemene Maatregel van Bestuur wordt strafbaar gesteld het overtreden van de in die AMvB neergelegde maatstaf met betrekking tot de reductie van uit te rijden varkensmest. Boer Pork wordt vervolgd terzake van het overtreden van deze bepaling.

In de daarop volgende strafzaak stelt de advocaat van Pork dat de bepaling onverbindend moet worden verklaard.
a. Geef aan waarop de advocaat doelt in zijn verweer.

b. Hoe luidt uw antwoord als er sprake zou zijn van een ministeriële regeling?

Licht uw antwoord toe.

3. De gemeenteraad van Vlissingen heeft in 2002 een verordening vastgesteld waarin het kite-surfen aan banden wordt gelegd. Men mag in de wateren van deze gemeente slechts kite-surfen als men het lidmaatschap kan overleggen van een kitesurfvereniging. In juli 2003 is de Wet op het kite-surfen in werking getreden.

Artikel 2 van de wet luidt: ‘ provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aan zien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels”.
a. Geef aan –onder vermelding van een relevant wetsartikel – welke juridische consequenties de inwerkintreding van de wet heeft voor de gemeentelijke verordening.

b. Zou uw antwoord anders luiden indien er geen sprake zou zijn van een gemeentelijke, maar van een provinciale verordening?

Licht uw antwoord toe.
c. Leg uit waarom in artikel 2 van de wet de Algemene Maatregel van bestuur en de ministeriële regeling niet worden vermeld.

4. Citaat uit een rechterlijk uitspraak:

“Appellant is van mening dat de regels die gelden binnen het kader van premieheffing ingevolge de werknemersverzekeringen slechts binnen dat kader hebben te gelden. In de betreffende belastingregelingen wordt echter een ander begrip loon gehanteerd. Teneinde tot een juiste berekening te komen is het echter volgens appellant noodzakelijk gelijke begrippen te hanteren. Uit de bedoelde wettelijk regelingen ter zake van premieheffing kan worden afgeleid dat een en ander ook de bedoeling van de wetgever is geweest.

De omstandigheid dat de regering voornemens is het premiestelsel te herzien en het begrip loon in dat kader een andere betekenis te geven, doet aan de juistheid van appellants stelling niet af.


a. Van welke twee redeneerwijzen bedient appellant zich achtereenvolgens in dit citaat?

Vermeld de desbetreffende passages.


b. Welke interpretatiemethoden passeren in dit citaat achtereenvolgens de revue?

Vermeld de desbetreffende passages.


5. Geef aan of er in de onderstaande bepalingen sprake is van een overgangsrechtelijk regime en , zo ja, van welk.


a. artikel 106 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek:

b. artikel 117 lid 1 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek:


c. artikel 31 lid 1 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften:


d. artikel 252 lid 4 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek:


e. artikel 302 Gemeentewet:


6. a. Geef – kort maar krachtig – weer wat de Hoge Raad besliste in het arrest Maring- Assuradeuren.


b. Geef – kort maar krachtig – weer wat de Hoge Raad besliste in het arrest Vrouwelijk diaken.
c. Geef – kort maar krachtig – weer wat de Hoge Raad besliste in het arrest Gele streep.

7. Onder het Koninklijk Besluit Ontbinding Tweede Kamer der Staten-Generaal van 1 november 2002 staan drie handtekeningen.


a. Geef aan welke functie de tekenende personen vervullen.

b. In dit Besluit wordt de samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vastgesteld op 30 januari 2003.

Noem maand en dag waarop de ontbinding ingaat.

Vermeld daarbij het relevante wetsartikel.


c. Welk belangrijk verschil is er tussen deze laatste kamerontbinding en de kamer-ontbinding in de kwestie-Mijer?

8. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State inzake een bepaling in een algemene plaatselijke verordening komt de volgende zinsnede voor: ‘Niet is komen vast te staan dat alle affiches uitsluitend handelsreclame bevatten’.
a. Waarom hecht de Afdeling betekenis aan deze constatering?

b. Wat besliste de Hoge Raad terzake in het Posters-arrest?


9. Artikel 5 Wet reductie pluimveebedrijven luidt:

1. In afwijking van het voorafgaande artikel kunnen Wij op voorstel van Onze minister bepalen dat de wet ook op ander bedrijfsmatig gefokte vogelsoorten dan de huishoen en de huishoenachtige van toepassing wordt verklaard.

2. Onze Minister is in dat geval bevoegd desgevraagd ontheffing te verlenen van de eisen, genoemd in het vorige artikel.


Verbeter, indien nodig, de onderstaande stellingen
I. In artikel 5 lid 1 is sprake van subdelegatie van wetgevende bevoegdheid
II. In artikel 5 lid 2 is sprake van delegatie van wetgevende bevoegdheid

III. De in artikel 5 lid 2 bedoelde besluiten kunnen door de Kroon vernietigd worden, de in artikel 5 lid 1 bedoelde besluiten niet.


10. De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek, die artsen onder bepaalde voorwaarden straffeloos maakt bij het beëíndigen van leven op verzoek van de betreffende persoon zelf, wordt geregeld bekritiseerd. Soms wordt daarbij de naam van John Locke en de door hem als grondrechten aangeduide rechten genoemd door de critici.

De voorstanders van de Wet beroepen zich op hun beurt eveneens op Locke.


a. Hoe luidt het argument van de critici van de Wet in deze?

b. Hoe luidt het argument van de voorstanders van de Wet in deze?


11. In een commentaar in het Nederlands Juristenblad komt de volgende passage voor.

“De redactie kan zich niet herinneren eerder door een advocaat onder dreiging van rechtsmaatregelen te zijn gesommeerd een bepaald stuk op een bepaald tijdstip te publiceren. Zij vindt die handelwijze onaanvaardbaar.(........) De redactie is van oordeel dat door de advocaat in kwestie op deze wijze de vrijheid van meningsuiting in de waagschaal wordt gesteld.”
a. Welke werking kent de NJB-redactie het recht op vrije meningsuiting blijkens dit citaat toe?

b. Welk driedeling onderscheidt men in de grondrechten van deze categorie?

12. Welke gerechten zijn absoluut en relatief competent in de volgende gevallen? Beantwoord deze vraag zo volledig mogelijk.
a. Anton Herakles uit Amsterdam heeft bij een ruzie op de tribune in Den Haag Kobus Roda uit Breda zwaar mishandeld. Het openbaar ministerie stelt vervolging in.
b. Kobus Roda is woedend en wil geld zien om zijn geschonden tatoeages weer op te kalefateren. Hij wendt zich tot de rechter.

c. Pierre Haring uit Volendam vraagt aan het college van B&W te Haarlem een vergunning om een viskraam te exploiteren op de Grote Markt. De vergunning wordt geweigerd. Nadat ook het bezwaar van Pieter H. is afgewezen, wendt hij zich tot de rechter.

d. Johnny Vlug –een hardwerkende yup en goed voor € 4000,- ‘schoon’ per maand- uit de Utrechtse grachtengordel vordert van zijn werkgever Simon Bank te Breda achterstallig loon over zes maanden.

13. Welk drie typen van rechtsvinding onderscheidt Wiarda in zijn gelijknamige boek?

Geef van ieder een korte omschrijving.

14. Van de onderstaande stellingen zijn er twee onjuist. Wijs de juiste aan en verbeter de onjuiste. Alle stellingen als juist aanwijzen levert geen punten op.


I. In het Landbouwvliegers-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend kan verklaren op grond van willekeur wanneer het overheidsorgaan in redelijkheid niet tot het desbetreffende voorschrift heeft kunnen komen.

II. In de uitspraak Valschermzweven werd de regeling Valschermzweven onverbindend verklaard omdat de Luchtvaartwet geen wetgevende bevoegdheid attribueert aan de minister van Verkeer en Waterstaat en deze om die reden deze bevoegdheid niet kan delegeren aan de directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst.


III. In het Naaktrecreatie-arrest en het Schiermonnikoogarrest verklaarde de Hoge Raad de algemeen verbindende voorschriften uit de APV’s onverbindend.

15. a. Omschrijf de volgende begrippen
- soevereiniteit

- codificatiegedachte

b. Welke mogelijkheden ter beslechting van het geschil heeft de Hoge Raad wanneer hij de bestreden rechterlijke uitspraak vernietigt?

Antwoorden tentamen A Inleiding rechtswetenschap

1.a. Volkenrecht, internationaal publiekrecht

b. constitutioneel recht ( evt.mat staatsrecht)

c. formeel bestuursrecht

d. materieel privaatrecht

e. formeel privaatrecht
2. a. strijd met de Gw art. 89 lid 2
b. precies hetzelfde, op grond van art.89 lid 4 Grw.
3. a. van rechtswege vervallen, art.122 Gemeentewet
b. neen, dan geldt art 119 Prov.w.
c. doordat het artikel vermeld “ bij of krachtens deze wet ‘, impliceert dit overige centrale wetgeving door delegatie
4. a. a contrario ( slechts binnen dat kader)

analoge ( gelijke begrippen)

b. systematische ( belastingregeling en premieheffingregeling)

wetshistorisch ( bedoelde wettelijke regelingen)

anticiperend ( voornemen premiestelsel te herzien)
5. a. Exclusief

b. exclusief

c. nvt

d. eerbiedigend



e. eerbiedigend
6.a gewoonterecht gaat boven bepalingen van (verouderd) dwingend recht)
b. het niet toelaten van A. door de bisschop is niet in strijd met de WGB, omdat de wet voorziet in een uitzondering voor opleidingen voor geestelijke ambten
c. In het belang van de verkeersveiligheid staat het niet aan verkeersdeelnemers ter beoordeling of een verkeersteken terecht en conform de voorschriften is aan gebracht

7. a. Koning, minister-president en minister van binnenlandse zaken/minister van justitie.

b. artikel 64 lid 3 Grw.: 30-01-2003

c. bij Balkenende was er geen conflict met de Kamer, bij de kwestie Meijer wel.


8. a. voorzover de affiches geen handelsreclame bevatten, mogen ze inhoudelijk niet beperkt worden door de bepalingen van een APV (een lagere wetgever) itt. affiches die wel handelsreclame bevatten, zie art. 7 Grw.
b. de posters van de ventende student werden beschouwd als gedrukte of geschreven stukken, bevatten gedachten en gevoelens en vielen daarmeeonder de bescherming van art. 7 lid 1 Grw. ( en de desbetreffende uitzonderingsbepaling in de APV)
9. a. delegatie

b. delegatie van bestuursbevoegdheid

c. geen der besluiten, zijn niet afkomstig van gedecentraliseerde wetgevers
10. a. Recht op leven behoort in de visie van L. tot de onvervreemdbare rechten. Het recht op leven is iets anders dan het recht op zelfdoding, laat staan op doding door een arts. Ook al gebeurt dit met toestemming van de wetgever.
b. Dit vloeit voort uit het recht op leven, inclusief hulp daartoe.
11. a. horizontale werking

b. vrijheid- politieke en gelijkheidsrechten


12. a. strafsector rb Den Haag. Hof Den Haag en HR

  1. Sector civiel dan wel sector kanton rb Amsterdam, Hof Amsterdam, HR

  2. Sector bestuur rb Haarlem, Afd Best. RvSt

  3. rb Breda, sector kanton, Hof Den Bosch, Hr

13.a, autonome ( rechter is a.h.w. zijn eigen rechtsbron)

heteronome (( rechter als spreekbuis van de wet)

rechtsvinding en de mengvorm van beide (rechterlijk beslissing zijn gebaseerd op rechtspraak en wet en tegelijkertijd zit er een subjectief ( gewetens)element in).


14. I. Juist

II. onjuist. Attributie moet zijn delegatie, en delegeren subdelegeren.

III. in Naaktrecreatie werd niet getoetst, de bepaling was van rechtswege vervallen.
15 a. - Bevoegdheid van elk land de eigen rechtsorde vast te stellen en te onderhouden.


  • opvatting dat alle recht in wetten moet worden opgetekend.

b. verwijzen, terugwijzen en zelf ( ten principale) afdoen











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina