Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen



Dovnload 339.83 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte339.83 Kb.
  1   2   3   4   5


Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen

De invloed van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht

Promotor: Dr. David Criekemans

Masterproef voorgelegd met het oog op het behalen van de graad van Master na Master Internationale Betrekkingen en Diplomatie

Kelly Hertenweg


augustus 2008


DANKWOORD

Deze masterproef kon slechts tot stand komen dankzij de hulp en steun van familie en vrienden. Hierbij zijn er een aantal mensen die ik in het bijzonder zou willen bedanken voor hun rechtstreekse en / of onrechtstreekse bijdrage.

In de eerste plaats gaat mijn bijzondere dank uit naar mijn promotor, Dr. David Criekemans, voor zijn hulp bij het afbakenen en fijnstemmen van het onderwerp en zijn vlotte bereikbaarheid. Dankzij zijn advies en bemerkingen doorheen de verschillende fases van dit werk kon niet enkel de basis gelegd worden voor de structuur, maar ook voor de verdere uitwerking van het geheel.

Daarnaast verdient mijn goede vriend Tomas een speciale vermelding voor zijn hulp bij het zoeken van een onderwerp, zijn constructieve bemerkingen en zijn grenzeloze geduld en mentale steun over de hele lijn.

Tot slot wens ik ook mijn familie en vrienden, in het bijzonder mijn ouders en mijn zus Debbie, te bedanken voor hun niet aflatende morele steun gedurende het voorbije jaar.



INHOUDSTAFEL

INLEIDING 7

DEEL 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 10

DEEL 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek” 16

.1Aanleiding tot de Uruguyaanse strijd voor de erkenning van het recht op water 16

1.1.Aguas de la Costa 16

1.2.Uragua 19

1.3.De gevolgen van het privatiseringsbeleid in de watersector 23

1.4.Buitenlandse invloeden 24

.1.4.1.Puerto Rico 24

.1.4.2.Argentinië 28

.1.4.3.Brazilië 31

.1.4.4.Bolivia 32

1.5.De economische crisis van 2002 36

1.6.De spreekwoordelijke druppel 43

.2Evolutie van de Uruguayaanse strijd 45

2.1.Verzet tegen het privatiseringsbeleid in de watersector 45

2.2.Het CNDAV 46

2.3.Werkwijze van het CNDAV 53

2.4.Het amendementsvoorstel 56

2.5.De aanloop naar het referendum 62

2.6.Zondag 31 oktober 2004 70

2.7.De nasleep van het referendum 73

2.8.Ontwikkelingen sinds 2005 80

.2.8.1.Het CNDAV 80

.2.8.2.Het DINASA 85

.2.8.3.Water: een handelsproduct of een mensenrecht? 92



DEEL 3 – Internationale impact van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” 93

.1Centraal- en Zuid-Amerika 93

1.1.Colombia 96

1.2.Mexico 99

.2Mondiaal: internationale organisaties 104

2.1.Red VIDA 104

2.2.Blue October 106

DEEL 4 – Het recht op water na 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 108

CONCLUSIE 116

BIBLIOGRAFIE 120




INLEIDING

Zuiver, drinkbaar water is van vitaal belang voor ons bestaan. Bovendien is deze natuurlijke rijkdom niet substitueerbaar: er bestaat immers geen technologische oplossing die een gebrek aan water kan compenseren. Met andere woorden, op is op. Het bruikbare zoet water wordt echter steeds schaarser. Dit is niet enkel een gevolg van de recente klimaatsveranderingen en demografische ontwikkelingen, maar ook van vervuiling en verkeerd en overmatig gebruik en dit voornamelijk door de geïndustrialiseerde landen. Het zijn echter in eerste instantie de ontwikkelingslanden die door deze schaarste getroffen worden. Bovendien beschikt de overheid er vaak niet over de noodzakelijke middelen en knowhow om de waterschaarste tegen te gaan.

In de jaren ’80 en – onder invloed van de zogenaamde Washington Consensus1 tijdens de jaren ’90 kon wereldwijd een ware privatiseringsgolf worden vastgesteld. Vanuit de gedachte dat een doorgevoerd privatiseringsbeleid een oplossing voor de waterproblematiek zou kunnen bieden, werd de deelneming van de private sector in (o.a.) de waterindustrie vanaf de jaren ’90 sterk gepromoot door ontwikkelingsagentschappen en internationale organisaties. Als gevolg hiervan werden tal van publieke watervoorzieningen geheel of ten dele overgenomen door private ondernemingen. Deze beschouwden water echter als een handelsproduct en gingen het bijgevolg commercialiseren. Het winstbejag dat hiermee gepaard ging, leidde tot prijsstijgingen, waardoor voor de armere lagen van de bevolking de toegang tot deze vitale grondstof werd bemoeilijkt of zelfs ontzegd.

Dit alles gebeurde zonder enige raadpleging of inbreng van de bevolking. Als reactie hierop en omwille van de pure noodzaak om toegang te hebben tot drinkbaar water, is de bevolking wereldwijd zich gaan verenigen in een nieuwe vorm van burgerpolitiek, waarmee ze – via zgn. direct democracy – de strijd aangaan voor de erkenning van water als een fundamenteel mensenrecht (Hall, Lobina & de la Motte, 2005: 286-287). Volgens Anil Naidoo, coördinator van het Canadese Blue Planet Project2, vormt Zuid-Amerika momenteel het hart van de beweging die pleit voor het recht op water voor iedereen (IPS, 25/7/2006). Het Uruguayaanse volk heeft hierbij het voortouw genomen door in 2004 een referendum goed te keuren waarmee het recht op water als mensenrecht in de Uruguayaanse grondwet werd opgenomen.3

Hoewel het hier een historisch precedent betreft,4 beperkt het merendeel van de bronnen zich tot de grote lijnen van het referendum zelf en de gevolgen die het sorteerde in Uruguay. Voor een goed begrip van (de draagwijdte van) dit referendum en het historische belang ervan, is het echter cruciaal tevens de elementen te achterhalen die tot dit referendum aanleiding hebben gegeven, evenals de gevolgen die het al dan niet heeft teweeggebracht, niet enkel in Uruguay zelf, maar op het hele Zuid-Amerikaanse continent en in de rest van de wereld.

Om deze redenen heb ik er voor gekozen deze verschillende aspecten te bundelen, ten einde een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de invloed die de Uruguayaanse bottom-up beweging al dan niet heeft (gehad) op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht.

Ten einde het eventuele bestaan en de mogelijke omvang van deze invloed te achterhalen, dient in eerste instantie te worden nagegaan in hoeverre het recht op water reeds internationaalrechtelijk erkend was als een fundamenteel mensenrecht in de periode voorafgaand aan de gebeurtenissen in Uruguay. In deel één wordt daarom de evolutie geschetst die zich van de jaren ’70 tot 2004 op dit vlak heeft voltrokken. Daaruit blijkt dat het recht op water gedurende deze periode niet als een zelfstandig en dus individueel afdwingbaar, internationaal, fundamenteel recht van de mens werd erkend.

Deze vaststelling leidt tot de vraag waarom er überhaupt nood is aan de erkenning van een dergelijk recht. Er bestaat immers ook geen fundamenteel mensenrecht op zuivere lucht. Ten einde deze vraag te beantwoorden, wordt in het eerste hoofdstuk van het tweede deel nagegaan wat de oorzaken waren die het Uruguayaanse volk ertoe hebben aangezet de strijd aan te gaan om de erkenning van het recht op water als een op zichzelf staand mensenrecht in de grondwet te doen opnemen.

Na weergave van de context waarin het Uruguayaanse protest op gang is gekomen, wordt in het tweede hoofdstuk van het tweede deel dieper ingegaan op de invloed die het Uruguayaanse volk heeft uitgeoefend op het politieke proces dat aan de opname van het recht op water in de grondwet is voorafgegaan.

In deel drie wordt vervolgens nagegaan welke impact deze Uruguayaanse burgerstrijd op het Zuid-Amerikaanse continent (hoofdstuk één) en de rest van de wereld (hoofdstuk twee) heeft gehad.

Tot slot wordt in het vierde deel onderzocht of er zich op het internationale vlak sindsdien enige wijzigingen hebben voorgedaan, ten einde te kunnen vaststellen wat de actuele stand van zaken is. Op basis hiervan kan dan de vergelijking worden gemaakt met de situatie zoals deze bestond voor 2004.

De conclusies die hieruit voortvloeien maken het ten slotte mogelijk de terugkoppeling te maken naar de onderzoeksvraag, namelijk wat was en / of is de invloed van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht? Heeft dit (politieke) precedent een impact gehad op de internationale verdrags(rechtelijke)bepalingen hieromtrent? Wat was de invloed op het mondiale debat?

DEEL 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht?

De zorg om het behoud van water en de toegang tot zuiver drinkwater voor alle mensen in de wereld is geen nieuw fenomeen. Gelet op het belang hiervan in het kader van voorliggend onderzoek, wordt in dit deel een chronologisch overzicht gegeven van de initiatieven die hiertoe werden genomen in de decennia voorafgaand aan het referendum in Uruguay. Hieruit zal blijken dat er in deze periode zeker geen gebrek was aan aandacht voor dit onderwerp.

Reeds in de jaren ’70 werden binnen de Verenigde Naties (VN) acties ondernomen, zoals de UN Conference on the Human Environment in Stockholm (1972) en de UN Water Conference in Argentinië (1977). Tijdens deze laatste conferentie werd tevens het Actieplan aangenomen, dat het startsein vormde van het International Drinking Water and Sanitation Decade (1981-1990), het decennium waarin de toegankelijkheid tot drinkbaar water voor het eerst centraal stond. Onder meer deze inspanningen leidden in de jaren ’80 voor bij benadering 1,2 miljard mensen tot een verbetering van de toegang tot drinkbaar water (PROTOS vzw., 2007: 2).

Ook in de daarop volgende jaren werd de strijd voortgezet. Zo werd de periode 1990-2000 tot The International Decade for Natural Disaster Reduction gedoopt, waarin achtereenvolgens de World Summit for Children in New York en de Global Consultation on Safe Water and Sanitation for the 1990's in New Delhi (1990), de UN Conference on Environment and Development5 in Rio de Janeiro en de International Conference on Water and the Environment in Dublin (1992),6 de UN International Conference on Population and Development in Caïro en de Ministerial Conference on Drinking Water Supply and Environmental Sanitation in Noordwijk (1994), de UN Fourth World Conference on Women in Peking en de World Summit for Social Development in Kopenhagen (1995), de World Food Summit in Rome en de UN Conference on Human Settlements7 in Istanbul (1996) plaatsvonden. En hoewel hun focusgroepen verschilden, deelden ze allen één gemeenschappelijk doel: de toegang tot veilig, zuiver drinkwater mogelijk maken (UNESCO – WWAP, 2008).

Al deze initiatieven betroffen echter stuk voor stuk slechts éénmalige evenementen. Uitzondering hierop was het Stockholm Water Symposium dat sinds 1991 jaarlijks georganiseerd werd door het Stockholm Vatten AB, de openbare watermaatschappij van Zweden (zie infra p. 11) (SIWI, 2008).

In 1996 werden vervolgens het Global Water Partnership (GWP)8 en de World Water Council (WWC)9 opgericht.

Het GWP is een internationaal netwerk dat op basis van bilaterale Water Partnerships openstaat voor alle overheden en overheidsinstanties, instellingen, publieke en private organisaties, burgerbewegingen, professionele entiteiten en coöperaties die de Dublin–Rio principes onderschrijven en die zich op één of andere manier bezighouden met Integrated Water Resources Management (IWRM). Het doel van het GWP bestaat erin landen te ondersteunen bij de aanname en de implementatie van IWRM, om alzo tot duurzame en evenwichtige waterbeheersystemen te komen (zie infra p. 39) (GWP, 2008; SAMTAC, 2005: 3-4).

De WWC daarentegen is volgens haar eigen website een internationaal platform dat uit talrijke belangenbewegingen bestaat en opgericht werd door gerenommeerde waterspecialisten en internationale organisaties, met als doel ‘to promote awareness, build political commitment and trigger action on critical water issues at all levels, including the highest decision-making level, to facilitate the efficient conservation, protection, development, planning, management and use of water in all its dimensions on an environmentally sustainable basis for the benefit of all life on earth’ (WWC, 2008). Onder deze belangenbewegingen bevinden zich echter ook vertegenwoordigers uit de private watersector, hetgeen het WWC enigzins controversieel maakt (PROTOS vzw., 2007: 5).

In 1997 werd het Stockholm International Water Institute (SIWI)10 opgericht. Dit instituut zou voortaan de organisatie van de World Water Week (WWW)11 – de opvolger van het Stockholm Water Symposium (zie supra p. 10) – voor zijn rekening nemen, evenals de jaarlijkse uitreiking van de Stockholm Water Prize (1991), de Stockholm Junior Water Prize (1994) en de Stockholm Industry Water Award (2000) (SIWI, 2008).

Datzelfde jaar vond tevens het eerste World Water Forum (WWF) plaats (Marrakech, 1997),12 dat eerder op de UNCED in Rio de Janeiro in het leven was geroepen en sindsdien om de drie jaar heeft plaatsgevonden. De WWC is de organisator van dit evenement, hetgeen vanzelfsprekend de nodige bedenkingen oproept (PROTOS vzw., 2007: 4-5).13

Het tweede World Water Forum dat in maart 2000 in Den Haag doorging,14 werd op de voet gevolgd door de ondertekening van de Millenniumverklaring door alle (op dat moment) 189 lidstaten van de Algemene Vergadering van de VN (september 2000). Onder de hierin opgenomen Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen (MOD’s)15 bevindt zich ook het voornemen om tegen 2015 ‘...the proportion of people who are unable to reach or to afford safe drinking water’ te halveren (AV-VN, 2000: 5).16 Volgens de vzw. PROTOS,17 een in waterbeheer gespecialiseerde Belgische niet-gouvernementele organisatie, zou dit een vermindering tot 550 miljoen mensen impliceren (PROTOS vzw., 2007: 4).

Datzelfde jaar werd in het kader van de UNESCO18 tevens het World Water Assessment Programme (UNESCO – WWAP)19 opgericht, dat toezicht houdt op zoetwaterkwesties ‘ten einde hieromtrent aanbevelingen te formuleren en case studies te ontwikkelen en ten einde de evaluatietechnieken op het nationale niveau te verbeteren en het besluitvormingsproces te kunnen informeren’. Om de drie jaar wordt in het kader van het WWAP en in samenwerking met het WWF het World Water Development Report (WWDR)20 gepubliceerd, dat een uitgebreid overzicht geeft van de actuele staat van de mondiale zoetwaterbronnen (UNESCO – WWAP, 2008).

Het GWP en de WWC (zie supra p. 10), beiden omstreden omwille van hun focus op de private watersector, vormden in de periode 2001-2003 samen het World Panel on Financing Water Infrastructure, ofte het Camdessus Panel, een denktank die oplossingen zocht om de dure investeringen in de watersector te kunnen financieren. Het eindrapport van deze werkgroep werd in 2003 onder de titel Financing Water for All21 op het derde Wereld Water Forum voorgesteld (FWA, 2007; PROTOS vzw., 2007: 5).

Na de International Conference on Freshwater in Bonn (2001), vond in 2002 in Johannesburg de World Summit on Sustainable Development plaats (UNESCO – WWAP, 2008). Deze wereldtop evalueerde o.a. de tien jaar die sinds de UNCED Earth Summit in Rio de Janeiro verlopen waren (Sybesma-Knol, 2007: 45). Ook werden er een aantal watergerelateerde beslissingen genomen. Voor de opvolging van deze beslissingen evenals voor de opvolging van de in 2000 opgestelde MOD’s werd in 2003 – het International Year of Freshwater22 UN Water23 opgericht, dat hiernaast tevens instaat voor de organisatie van World Water Day (WWD),24 dat elk jaar op 22 maart25 doorgaat (PROTOS vzw., 2007: 4-5; UN Water, 2007).



Nog in 2003 nam het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten – het VN-Comité dat over de interpretatie en toepassing van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESC)26 van 1966 waakt – het General Comment No. 1527 aan. Dit document gaat integraal over het recht op water en wordt als het – tot op heden – meest gezaghebbende document terzake beschouwd (Verschuuren, 2006: 427). Hierin wordt bepaald dat: ‘the human right to water entitles everyone to sufficient, safe, acceptable, physically accessible and affordable water for personal and domestic uses’, niet enkel als een middel om het recht op o.a. voedsel, kleding en onderdak na te streven, maar ook als een zelfstandig, onafhankelijk recht (ECOSOC, 2002: 2). General Comment No. 15 verschaft echter louter enkele richtlijnen voor de lidstaten omtrent de interpretatie van artikels 11 en 12 van het IVESC. Het betreft dan ook geen wettelijk bindende “hard law” noch een wettelijk bindende interpretatie van het Verdrag. Deze progressieve interpretatie van het IVESC ondersteunt en registreert niettemin de progressieve ontwikkeling van het internationaal recht in het algemeen en de economische, sociale en culturele rechten in het bijzonder, hetgeen op zijn beurt de ontwikkeling van bindende nationale, regionale en internationale rechtsregels zal beïnvloeden. Dit document mag daarom beschouwd worden als een doorbraak in de strijd om de expliciete erkenning van het recht op water (Sybesma-Knol, 2007: 46).

Het derde Wereld Water Forum dat eveneens in 2003 in Kyoto plaatsvond,28 rondt tot slot dit chronologische overzicht van de periode voor 2004 af (UNESCO – WWAP, 2008).

Aan initiatieven en aandacht voor het onderwerp bestond tot voor 2004 met andere woorden geen gebrek. Deze ‘mijlpalen’, zoals ze op de website van UNESCO worden genoemd, hebben dan ook zeker enige vruchten afgeworpen. Er zijn hierdoor immers tal van (mensenrechten)verdragen, verklaringen, richtlijnen en andere documenten die verwijzingen naar het recht op water bevatten, tot stand gekomen. Desondanks bevatten slechts drie mensenrechtenverdragen een expliciete vermelding van het recht op water. Van deze drie zijn er daarenboven slechts twee in het kader van de VN afgesloten, waardoor enkel deze twee een globale impact hebben. Het betreffen de Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women (1979) en de Convention on the Rights of the Child (1989) (The Right to Water, 2008).29 Beide verdragen focussen zich echter enkel op een welbepaald deel van de wereldbevolking, waardoor een groot deel van de globale populatie niet gerechtigd (b)lijkt op toegang tot de meest urgente basisbehoefte na zuurstof.

Al deze elementen samen leiden tot de conclusie dat geen enkel van de vele initiatieven op het internationale niveau heeft geleid tot een expliciete erkenning van het recht op water als een onafhankelijk, autonoom mensenrecht.

DEEL 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek”

Naar aanleiding van deze vaststelling, kunnen we ons de vraag stellen: ìs er wel nood aan een dergelijk recht? In het eerste hoofdstuk van dit deel wordt daarom nagegaan wat de Uruguayanen ertoe heeft aangezet om de opname van het recht op water in de grondwet te eisen. In het tweede hoofdstuk wordt vervolgens dieper ingegaan op de invloed van het Uruguayaanse volk op het politieke proces dat aan deze opname is voorafgegaan.

.1Aanleiding tot de Uruguyaanse strijd voor de erkenning van het recht op water

Sinds de onafhankelijksverklaring van Uruguay30 in 1828 werd vastgelegd door het Verdrag van Montevideo (CIA, 2008) zijn het steeds publieke bedrijven geweest die in de levering van drinkbaar water voorzagen. Om deze verdeling van drinkbaar water in het hele land op uniforme wijze te laten geschieden, werd in 1952 het overheidsbedrijf Obras Sanitarias del Estado (OSE)31 opgericht (Santos & Valdomir, 2006: 1).

1.1.Aguas de la Costa

Dit veranderde echter toen op 26 november 1989 senator Luis Alberto Lacalle Herrera32 van de centrumrechtse conservatieve Partido Nacional33 de verkiezingen won. Hoewel hij een pragmatische en behoudsgezinde campagne had gevoerd, werden onder zijn presidentschap (1990-1995) structurele economische hervormingen doorgevoerd, waaronder de privatisering van verschillende overheidssectoren en de toetreding van Uruguay tot de Mercado Común del Sur (MERCOSUR)34, dat op 26 maart 1991 – door de ondertekening van het Tratado de Asunción35 door Uruguay, Argentinië, Brazilië en Paraguay werd opgericht (Cockcroft, 2001: p. 705; Mercosur, 2008).

Het economische neoliberale privatiseringsbeleid van Lacalle Herrera leverde hem de steun op van het IMF36, de Wereldbank37 en andere buitenlandse kredietverstrekkers in zijn strijd om de schuldenlast te verlichten. Dit leidde tot een groei van het bruto nationaal product (BNP) van 1% in 1989 (het jaar vóór de eedaflegging van Lacalle Herrera) tot ruim 7% in 1992.38 Ook de inflatie vertraagde, van meer dan 100% in 1991 tot beneden de 60% in 1992 (De Tijd, 15/12/1992). Deze inflatiegraad was echter nog altijd zeer hoog en de vakbonden reageerden hiertegen door niet minder dan vijf algemene stakingen. Maar ook de Uruguayen zelf lieten zich niet onbetuigd: op 5 juli 1992 vond een stemming plaats waarbij werd bepaald dat een referendum omtrent de privatisering van staatsbedrijven zou worden georganiseerd (Atlapedia online, 2008; Cockcroft, 2001: 705; Globalinfo, 2004).39

De regering besloot echter het resultaat van dit referendum niet af te wachten en kende op 11 december 1992, twee dagen vóór het geplande referendum, een eerste kleine40 private waterconcessie toe. Het project had betrekking op een deel van de zuidoostelijke provincie Maldonado, één van de 19 departementen van het land41 en werd verstrekt aan de Uruguayaanse naamloze vennootschap Aguas de la Costa42 voor een periode van 25 jaar (Santos & Valdomir, 2006: 2).

In het referendum, dat dus op 13 december plaatsvond, verwierpen de Uruguayanen echter massaal43 vijf belangrijke onderdelen van de vérstrekkende privatiseringswet die de president wenste door te voeren (Cockcroft, 2001: 705; Santos & Valdomir, 2006: 2). Ondanks dit ondubbelzinnige standpunt van de bevolking, meldde de president onmiddellijk na de bekendmaking van de resultaten van het referendum dat het geplande privatiseringsbeleid hoe dan ook zou worden verdergezet (De Tijd, 15/12/1992). En zo geschiedde: amper een jaar later kon het contract met Aguas de la Costa toch ondertekend worden, doordat de linkse afgevaardigde en voorzitter van het Movimiento de Participación Popular (MPP)44 Helios Sarthou tegen wet 16.361 stemde (La insignia, 2004).45

Nauwelijks vier jaar later – in december 1997 – werden 60% van de aandelen van Aguas de la Costa verkocht aan de Spaanse groep Aguas de Barcelona (Agbar),46 waardoor deze de controle over de activiteiten van het Uruguayaanse bedrijf verwierf (Santos & Valdomir, 2006: 2; Taks, 2008: 18-19). Agbar was op zijn beurt voor 25% in handen van Suez Lyonnaise des Eaux47, de Franse multinational die het resultaat was van een fusie die eerder dat jaar tussen Compagnie de Suez and Lyonnaise des Eaux had plaatsgevonden (Hall, 1999: 11-12) en die tot 2003 de watervoorziening in Zuid-Amerika zou domineren.48

Vanaf de overname van de waterverdeling door Aguas de la Costa schoten de tarieven pijlsnel de hoogte in. Ter rechtvaardiging van deze prijsstijging refereerde het bedrijf naar het geringe aantal consumenten dat onder de concessie viel, waardoor de (onderhouds)kosten slechts door weinigen gedragen werden. Ironisch genoeg betrof het hier hetzelfde argument dat eerder naar voren was geschoven om de gevolgen van het hele project te minimaliseren, namelijk dat het slechts op een 3000-tal gebruikers van toepassing zou zijn (La insignia, 2004). Bovendien ging het bedrijf onmiddellijk na de overname over tot de verwijdering van alle openbare waterbronnen, om zodoende het aantal (betaalde) aansluitingen op het waternet te vergroten (GRAIN, 1/2005).

Het privatiseringsproject bracht ook ecologische gevolgen met zich mee. Zo melden verschillende bronnen dat Aguas de la Costa verantwoordelijk was voor de opdroging van het drinkwaterdepot Laguna Blanca, aangezien het bedrijf aan overexploitatie deed en geen alternatieve bronnen zocht (Amigos de la Tierra, 2004; La insignia, 2004; REDES-AT, 30/11/2004; Santos & Villareal, 2006: 1-2).




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina