Faculteit sociale wetenschappen departement politieke wetenschappen het federalisme in walloni



Dovnload 0.95 Mb.
Pagina5/15
Datum19.08.2016
Grootte0.95 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

HST 3. Een massabeweging : 1959 – 1970




3.1. Inleiding : ruimte voor het communautaire vraagstuk

De binnenlandse politiek van de jaren ’60 werd hoofdzakelijk beheerd door de tegenstellingen tussen Vlamingen en Walen. Dit was te wijten aan verschillende factoren. Vooreerst werd de Belgische politiek gedeconfessionaliseerd. Op 20 november 1958 kwamen de vertegenwoordigers van de drie traditionele partijen tot een overeenkomst, waarin de gelijkheid tussen het vrije en het officiële onderwijs gewaarborgd werd : het zogenaamde Schoolpact. De pacificatie van de confessionele breuklijn maakte dat er ruimte vrijkwam voor de andere breuklijnen86. Vervolgens werd de regering Eyskens-Lilar (CVP-liberaal) aanzienlijk verzwakt door de Congo-crisis. Vooral het sturen van troepen in juli 1960 en de internationale reacties hierop maakten dat de positie van de nationale regering steeds gevoeliger werd87. Tot slot waren de tekens van een economische en demografische stagnatie meer en meer zichtbaar in Wallonië. De welvaartspositie van vele Waalse arrondissementen daalde, terwijl Vlaanderen een algemene stijging kende. Het relatieve loonpeil voor Wallonië daalde langzaam tussen 1950 en 1960. Vanaf dan kende deze relatieve daling een veel sneller verloop. Vanaf 1966 lag het Waalse loonpeil onder het nationale gemiddelde88. In 1955 lag het Waalse BNP 24 % hoger dan het Europese gemiddelde en negen jaar later was die enkel op 86 % van het Europese gemiddelde89.


In zulke omstandigheden kregen de eisen van de Waalse militanten dus meer gehoor bij de Waalse publieke opinie. De Waalse beweging kreeg via nieuwe organisaties, een grotere mobilisatiecapaciteit en veranderde van aard : met de creatie van de Mouvement populaire wallon in 1961 hield de Waalse beweging op een beweging van “White Collars” te zijn. De arbeidersklasse sloot zich hierbij aan en verplichtte de beweging (sociale) structurele hervormingen te eisen. Vanaf dat moment zal het idee van een Waalse gewest onlosmakelijk verbonden zijn met het idee van een economische autonomie. De middenklassen en de kleine bedienden bleven toch afwezig van de beweging90. De nieuwe Waalse beweging werd ook sterk beïnvloed door de ideologie van de directe actie, verdedigd door de “renardistische tendens” binnen het ABVV. Voor André Renard waren arbeidersacties op het terrein belangrijker dan politieke actie91. De Waalse beweging werd dus meer actief op het terrein (zie de betogingen van de Mouvement populaire wallon en de verkiezingsdeelname van de Parti wallon en van de Rassemblement wallon).

3.2. Een nieuwe impuls : 1959-1963




3.2.1. Vlaamse overwinningen vanaf 1959

De periode tussen 1959 en 1963 was rijk aan communautaire conflictpunten die het minderheidsgevoel in Wallonië vergrootten. Het is nuttig hierover een uiteenzetting te geven om op die manier de sfeer af te bakenen waarin de staking tegen de eenheidswet en de relance van de Waalse beweging plaatsvonden. De regering Eyskens-Lilar stond voor de opdracht om op 1 januari 1960 de tienjaarlijkse rijkstelling uit te voeren. Die moest een talentelling bevatten, die, volgens de taalwet van 1932, gevolgen kon hebben op het taalregime van sommige gemeenten (gemeenten aan de taalgrens en Brusselse randgemeenten). De aankondiging van de talentelling wekte vele negatieve reacties op in Vlaanderen. De Vlaamse beweging beweerde dat de talentelling de verfransing van Vlaanderen aanmoedigde en eiste de afschaffing ervan92. Vele Vlaamse personaliteiten waren voor de definitieve vastlegging van de taalgrens. Dit leidde tot een zware “geen-talentelling” campagne in Vlaanderen in 1959, tot het uitstellen van de telling en tot de afschaffing van de talentelling door een wet op 24 juli 1961. De reactie van de Waalse organisaties was zwak gebleven omdat de Waalse beweging geen bezwaren had tegen een definitieve vastlegging van de taalgrens (maar wel volgens recentere gegevens). Op 31 december 1961 vond de volkstelling – zonder talentelling- plaats 93.


In 1959 was de CVP-liberale regering Eyskens-Lilar al van plan om een zetelaanpassing uit te voeren. Op 6 mei 1959 diende minister Lefèvre zelf een wetsontwerp in94. De reacties van de Waalse beweging zullen later uiteengezet worden. De zetelaanpassing was sinds de jaren 50 altijd een Vlaamse eis geweest, maar omwille van het Waalse verzet was er geen nieuwe aanpassing doorgevoerd. Twee jaren later wilde de nieuwe regering Lefèvre-Spaak (CVP-BSP) de zetelaanpassing effectief uitvoeren en op basis van de volkstelling van 1961 de parlementaire zetelverdeling effectief aanpassen aan de nieuwe cijfers. De regering diende een wetsontwerp in op 12 december 1963, waarin het aantal kamerleden en rechtstreeks verkozen senatoren onveranderd bleven (respectievelijk 212 en 106). De verdeling van de mandaten zou veranderen naargelang de resultaten van de toekomstige tellingen. In ruil ervoor belooft Premier Lefèvre aan de Waalse politici een Rondetafelconferentie (zie later) over de grondwetsherziening om een antwoord te geven op de bezwaren van de Waalse beweging en op de minderheidsvrees voor Wallonië. Het ontwerp werd op 25 februari 1965 in de kamer en op 25 maart 1965 in de senaat goedgekeurd. Vlaanderen kreeg drie zetels meer in de kamer (107) en een zetel meer in de senaat (53) terwijl Wallonië vier volksvertegenwoordigers (72) en 2 senatoren (36) verloor95.
Het verschil tussen de regering Lefèvre-Spaak (1961-1965) en de voorgaande regeringen was dat zij zeer bewust was van de communautaire problemen in België. Hij probeerde hierop een antwoord te geven. Dit antwoord bestond uit de drie taalwetten en de Rondetafelconferentie. De Waalse beweging ging principieel akkoord met de bedoelingen van de taalwetgeving, maar was bezorgd over de toekomst van enkele gebieden : de Voerstreek en de Brusselse randgemeenten. Desondanks bleef het Waalse verzet ofwel zwak ofwel inefficiënt. Het probleem rond Voeren had betrekking op de wet op de afbakening van de taalgrens. Op 14 november 1961 diende de minister van binnenlandse zaken Gilson zijn op het rapport van de Centrum Harmel gebaseerde wetsontwerp in. Dit werd grondig gewijzigd in de bevoegde kamercommissie : de streek van Komen en Moeskroen ging naar de provincie West-Vlaanderen terwijl de Voerenstreek naar Limburg overgeheveld werd. Het argument van de Vlaamse leden dat het dialect uit Voeren een Germaanse dialect was leek een voldoende reden voor de Waalse leden. De kamer keurde het gewijzigde ontwerp goed op 15 februari 1962 96. In Luik organiseerde de MPW samen met de provinciale en gemeentelijke overheden het verzet tegen de taalwet op de afbakening van de taalgrens : volksraadplegingen op 24 november 1961 en op 28 oktober 1962 en betogingen in Luik op 15 april 1962 (7 000 deelnemers) en in Charleroi op 24 oktober 1962 (15 000 mensen). Na enkele detailwijzigingen werd het ontwerp op 9 oktober aanvaard, ondanks het verzet van de quasi-totaliteit van de Waalse senatoren 97. Dit belette niet de finale stemming in de kamer op 31 oktober 1962 : de taalwet werd goedgekeurd tegen de wil van de meerderheid van de Franstalige fractie. De stemming provoceerde het ontslag van de socialistische minister J. Merlot 98.
Het lot van de zes Brusselse randgemeenten werd geregeld in de wet op het gebruik der talen in bestuurszaken van 2 augustus 1963. Deze gemeenten behoorden tot het Nederlandse taalregime, maar de Franssprekende minderheid (en soms meerderheid) vroeg taalfaciliteiten voor het bestuurlijke leven. Voor de Vlaamse beweging (en vooral het Vlaams Comité voor Brussel en Taalgrens) betekenden deze eisen een aantasting van het eentalige karakter van Vlaanderen en waren ze dus onaanvaardbaar. Deze zaak creëerde spanning tussen de (Vlaamse) CVP’ers en de (Franstalige) socialisten en leidde bijna tot de val van de regering99. Vergaderd in een politiek conclaaf op Hertoginnendal keurde de regering een compromis goed : de 6 randgemeenten bleven in Vlaanderen, maar taalfaciliteiten werden toegekend aan de Franstaligen. De debatten rond deze taalwet wekten geen grote emoties op in Wallonië en het verzet kwam vooral vanuit Brusselse personaliteiten en organisaties 100.

3.2.2. Premissen van een crisis



Het najaar 1959 was voor de Waalse beweging, een jaar van zeer intense activiteit. De malaise was niet weg, maar de sociale crisis, de verslechtering van de economische toestand in Wallonië en het offensief van de Vlaamse beweging (zetelaanpassing- en tallentellingcampagne) verplichtte de beweging uit haar lethargie te raken. Op aanvraag van Wallonie Libre vond het laatste Waalse nationale congres plaats op 25 en 26 april 1959 in Luik. De congressisten kwamen tot zeer pessimistische conclusies : in 15 jaar bestaan had het CNW geen van zijn doelstellingen verwezenlijkt. Kritieken werden gelanceerd tegen Waalse politici en syndicale leiders (o.a. André Renard). Het congres keerde zich tegen de toekomstige zetelaanpassing, herbevestigde zijn doctrine en veranderde van tactiek : in plaats van het federalisme eiste het congres duidelijkere en meer realiseerbare doeleinden. De congressisten vroegen een geografische senaat . Dit congres zag ook de terugkeer van de Waalse communisten, die zich opnieuw verklaarden ten gunste van het federalisme. Op 10 mei vergaderde de Mouvement des Provinces wallonnes
in Marches-en-Famenne. Hoewel de katholieke beweging (die alle Waalse afdelingen van de CVP verenigde) tegenstander was van het regionale federalisme (hij pleitte voor een sterker provincialisme) vielen de deelnemers de zetelaanpassing aan en eisten een gelijke senatoriale vertegenwoordiging voor Wallonië en Vlaanderen 101.
Bijeengeroepen door het Bureau van de BSP (op aanvraag van de Waalse federaties) vond het congres van de Waalse socialisten in Namen plaats op 6 en 7 juni. De debatten verliepen vooral rond de zetelaanpassing en de hervorming van de partijstructuur (federalisering). De politieke resolutie opteerde voor de vervanging van de senaat door een regionale kamer met een paritaire vertegenwoordiging voor Wallonië en Vlaanderen en “voldoende” kamerleden voor de Brusselse gemeenschap. Het congres richtte een permanent orgaan op : het Comité d’Action des Socialistes wallons. Het had als doel de spreekbuis te zijn van de Waalse socialisten en de sociale acties in Wallonië (samen met het Gemeenschappelijke Actie) te coördineren102. De laatste organisatie die haar aansluiting aan het federalisme en het oprichten van een geografische senaat officieel bekend maakte was de Entente libérale wallonne, vergaderd in Namen op 27 juni103. Men ziet dus dat in de loop van zes maanden, de afdelingen van de socialistische, liberale en communistische partijen voor het federalisme kozen. Samen met de Waalse afdelingen van de CVP eisten zij ook een geografische senaat.
Op het sociale vlak werd 1959 vooral gekenmerkt door de Waals-Vlaamse tegenstellingen binnen het ABVV. Het sociale jaar begon met de staking van de mijnarbeiders van Henegouwen tussen 13 en 25 februari. De klachten waren vooral gericht tegen de sluiting van de koolmijnen in Charleroi, in de Borinage en in de streek Le Centre en tegen de onmacht van de regering om er een antwoord op te geven. Na 13 dagen staking maakte de regering belangrijke beloften ten gunste van de sanering van Henegouwse industrieën. Deze staking had geen communautaire karakter (die werd gesteund door het Bureau van het ABVV), maar de staking vergrootte het gevoel bij de Waalse syndicalisten dat Wallonië zich in een economische noodtoestand bevond. Spijtig genoeg had de strijd tussen L. Major en A. Renard in 1952 sporen nagelaten : de (vaak communautaire) meningsverschillen binnen het Bureau beletten het ABVV concrete acties te organiseren rond de economische toestand van Wallonië. Deze blokkering provoceerde de woede van de Henegouwse centrales tijdens een vergadering van de regionale secretarissen op 12 oktober. Deze verplichtten André Renard en André Genot een betere taakverdeling tussen de Waalse en Vlaamse nationale secretarissen te vragen in het Bureauvergadering van 20 oktober 1959. Het beste voorbeeld van deze tegenstellingen was het statutaire congres van 22 en 23 november. Eén dag eerder had André Renard tevergeefs getracht zijn Vlaamse collega’s van het Bureau te overtuigen van het nut van een 24-urenstaking ten gunste van structurele hervormingen in de Belgische economie. Er werd besloten de beslissing over te laten aan het congres, dat met een meerderheid van 75 % voor de deelname aan de staking koos. Men plande de staking voor 29 januari 1960. Het verzet van de Antwerpse gewestelijke verbond maakte dat de staking enkel in Wallonië gevolgd werd104.
In de loop van het jaar 1960 begon een sterk Waals bewustzijn zich te verspreiden binnen de Waalse gewestelijke verbonden van het ABVV. Tijdens het ABVV-congres van Le Borinage van 17 mei vroeg Robert Moreau Waals syndicale eenheid en de autonomie voor Wallonië. Op 27 juni organiseerden de mijnarbeiders van Wandre (Luik) een staking tegen het sluiten van hun mijn. Twee dagen later organiseerden de Henegouwse gewestelijke verbond een studiedag over de economische situatie van Wallonië. Hun conclusies waren meer dan duidelijk : de socialistische Waalse macht moest zodanig losgemaakt worden dat hij een maximale druk kon uitoefenen voor het realiseren van het socialistische programma. De Waalse gewestelijke verbonden vroegen dus een vereniging van alle sociale krachten uit Wallonië 105.

3.2.3. De staking van de eeuw

Men ziet dus dat de Eenheidswet uit een zeer onrustig klimaat voortkwam. De door de Congo-crisis verzwakte regering Eyskens bereidde sinds augustus 1960 een zwaar saneringsprogramma voor om België in staat te stellen de economische en sociale gevolgen van de onafhankelijkheid van de kolonie te boven te komen. De Eenheidswet “voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financiële herstel” van 4 november bevatte het voeren van een actieve expansiepolitiek, een beperking van de staatsleningen en de overheidsuitgaven en een verhoging van de belastingsopbrengsten106. Premier Eyskens had problemen in zijn eigen parlementaire meerderheid : de linkse strekking van zijn partij was vijandig t.a.v. de vermindering van de sociale uitgaven, terwijl de liberalen en de conservatieve strekking van de CVP tegen de verhoging van de belastingen waren. Gaston Eyskens hoopte dat het bundelen van alle maatregelen in een kaderwet de opposities in zijn meerderheid elkaar zou neutraliseren107. Terwijl dit op parlementair vlak lukte, was dit niet het geval in het land en binnen de socialistische milieus. Vooral in Wallonië versterkten de (economische en communautaire) opposities elkaar zodanig dat zij de indruk gaven dat een grote meerderheid van de bevolking tegen het ontwerp was108.


Het is hier niet de bedoeling om een ganse uiteenzetting van het conflict te geven. De bespreking zal dus zich beperken rond de communautaire kenmerken ervan. Op 9 november besloot het ABVV-Bureau gelimiteerde acties uit te voeren. Op 17 november vergaderden belangrijke afgevaardigden van alle Waalse ABVV-gewestelijke verbonden en trokken de volgende conclusies : een syndicaal organisme voor het verdedigen van de sociale en economische belangen van Wallonië moest opgericht worden, dit organisme moest als hoofddoelstelling hebben de arbeidersklasse bewust te maken van de Waalse problemen en de Gemeenschappelijke Actie moest op het Waalse niveau gecoördineerd worden109. Op 30 november zou dit orgaan opgericht worden en de benaming van Comité de Coordination des Régionales wallonnes (CCRW) krijgen110. Vanaf 14 december kondigden enkele gewestelijke verbonden een 24-urenstaking af. Bij het ABVV-Bureau vochten twee tendensen tegen elkaar : de eerste was tegen ieder gebruik van syndicale middelen voor politieke doeleinden ; de tweede (geleid door André Renard) was radicaler en pleitte voor harde acties. Op 16 december verwierp het Nationaal Comité van het ABVV het principe van een algemene staking. De motie Renard werd afgekeurd wegens het verzet van de Vlaamse gewestelijke verbonden (zonder Gent en Antwerpen) en ondanks de steun van de Waalse syndicalisten (zonder diegene van Moeskroen en Doornik). Vanaf dit moment verloor de ABVV-leiding zijn greep op de basis : de wil bij de basis om te staken was namelijk te groot wegens enerzijds de campagne van de Gemeenschappelijke Actie en anderzijds de activiteiten van de communistische militanten op het terrein111.
Op 19 december braken de eerste spontane stakingen uit in Charleroi en vanaf 20 september veralgemeende de beweging in Henegouwen en in Luik zich. De stakingen waren vooral socialistisch, maar vele katholieke en liberale arbeiders namen er deel aan. Tussen 21 en 27 december verspreidde de staking zich overal in Wallonië en naar Vlaanderen en Brussel toe. Massabetogingen werden in belangrijke steden georganiseerd (Gent, Antwerpen, Luik, Charleroi, Bergen). Het geweld tussen de betogers en de rijkswacht nam ook toe 112. Vanaf 30 december nam het CCRW officieel de leiding van de staking, dit wegens de onmacht van het Bureau om een beslissing te nemen betreffende de gebeurtenissen 113. Vanaf december hadden militanten van Wallonie Libre al in verschillende Waalse steden folders verdeeld met de Waalse haan en de slogan “La Wallonie en a assez !”114, maar het is slechts vanaf begin januari 1961 dat het conflict een echt communautair karakter zou aannemen. Op 2 januari kreeg de staking de steun van de Waalse BSP-federaties, vergaderd in Namen. De federaties stelden het probleem van de politieke structuur van het land vast115. Als reactie op het hervatten van de debatten in de kamer (03/01/61) decreteerde het CCRW 3 januari als een belangrijke dag van socialistische strijd en van Waalse actie116. Tijdens een massabetoging in Ivoz-Ramet lanceerde Renard een Waals federalistisch programma van structuurhervorming, m.a.w. verbond hij federalistische eisen aan zijn planistische doelstellingen. Dezelfde dag kwamen de Waalse BSP-kamerleden bijeen in het parlement en eisten een staatshervorming op117. Op 5 januari kwam Rénovation wallonne uit zijn lethargie en vroeg aan de katholieke kamerleden zich aan te sluiten bij het initiatief van hun socialistische collega’s118.
Na het stemmen van de Eenheidswet op 13 januari vergaderden 400 socialistische mandatarissen in Saint-Servais en antwoordden positief op een vraag van het CCRW van 10 januari door zich bereid te verklaren hun ontslag te bieden en hun mandaat over te laten aan hun partijleiding. Het Bureau van de BSP weigerde dit op 14 januari119. Dezelfde dag publiceerden de Waalse mandatarissen een brief aan de koning waarin zij de grieven van Wallonië uitlegden en voor het federalisme pleitten. Toen de meerderheid van de Vlaamse centrales (behalve binnen de ACOD) de hervatting van het werk voor 16 januari aankondigden keurde het CCRW twee moties goed : de eerste voor het doorzetten van de staking en de tweede voor de hervorming van het ABVV in een confederatie van Vlaamse, Waalse en Brusselse federaties120. Vanaf 16 januari werd de staking exclusief Waals en op 23 januari besloot het CCRW nieuwe vormen aan de strijd te geven door het hervatten van het werk te decreteren voor de nog stakende centrales.
Het onmiddellijke gevolg van een staking die meer dan 700.000 deelnemers en 300 betogingen telde 121 en die schade aanbracht voor een bedrag van 8 miljard BEF122 was een parlementaire actie : als laatste teken van de strijd diende Fernand Dehousse tevergeefs een voorstel tot grondwetsherziening in op 7 februari123. De regering besloot tot de ontbinding van de kamers op 20 februari. De Premier hoopte op een conservatieve reactie van het kiezerskorps op de staking. Dat kwam er niet : de CVP verloor zijn absolute meerderheid in de senaat en was verplicht een coalitie te vormen met de BSP (regering Lefèvre-Spaak)124.

3.2.4. De relance van de Waalse beweging

De staking tegen de Eenheidswet liet veel energie vrijkomen in Wallonië. Dit kon niet zonder gevolgen blijven voor de Waalse beweging : oude formaties werden gereactiveerd en nieuwe organisaties geschapen. Binnen het ABVV waren de communautaire spanningen niet opgelost : het CCRW kreeg officieel de steun van ABVV-militanten in Saint-Servais op 29 januari. Deze militanten eisten ook de hervorming van de vakbondstructuren op. Op 6 februari vroeg het CCRW officieel aan het Bureau het omvormen van het ABVV in een confederale vorm en het oprichten van een paritaire commissie belast met de interne structurenhervormingen. Een dag later kreeg het CCRW antwoord : het CCRW moest eerst ontbonden worden. De weigering van het CCRW belette niet de eerste vergadering van de “commissie van de 18” op 14 februari. In een vergadering van het CCRW op 15 februari vatte A. Renard de eerste resultaten samen : de meeste professionele centrales wilden hun unitaire karakter behouden en de rol van de regionale federaties zou tot een coördinatierol beperkt worden.


Omwille van het toenemende verzet van de Vlaamse deel van het ABVV waren de leden van het CCRW zeer pessimistisch t.a.v. de mogelijke resultaten van de commissie van de 18 en besloten op 22 februari tot de schepping van een Waalse volksbeweging : de Mouvement populaire wallon. Eén dag later nam André Renard ontslag uit zijn ambt van nationaal secretaris van het ABVV 125. De bekendmaking van de beslissing van 22 februari werd tot na de parlementsverkiezingen van 26 maart uitgesteld. Op 6 april werd de schepping officieel aangekondigd in de krant Combat126. De oorspronkelijke grieven van de beweging waren : het familiale beleid, het gezondheidsbeleid, de investeringen en het huisvestingbeleid van de nationale regering zijn zeer nadelig voor Wallonië geweest. De MPW stelde twee oplossingen voor : structuurhervorming (meer geplanifieerde economie) en federalisme. Het federalisme was dus geen doel op zich maar was, voor de MPW, het beste middel om de problemen van de Waalse arbeidersklasse op te lossen. De beweging had niet de bedoeling om de BSP of het ABVV te vervangen. Hij was louter een drukkingsgroepring binnen de socialistische zuil 127.
De stichting van de MPW betekende voor de Waalse beweging een nieuwe impuls. Oude organisaties zoals Rénovation wallonne en Wallonie Libre werden gereactiveerd. Tijdens zijn congressen van 27 mei 1961 en van 13 januari 1962 ontwikkelde Rénovation wallonne een indrukwekkend voorstel tot grondwetsherziening128. Op 13 juli 1961 diende het socialistische kamerlid Simon Pâque een voorstel tot grondwetsherziening in129. Op 23 en 24 september kwamen de Waalse socialisten bijeen in Charleroi. Daar werd een commissie voor de institutionele, politieke en culturele problemen geschapen, die haar rapport over een staatshervorming presenteerde aan een nieuw congres op 17 en 18 maart 1962 in Charleroi. Dit rapport (genoemd rapport Dehousse-Costard) werd daar goedgekeurd behalve het deel betreffende de economische bevoegdheden van de deelstaten. De amendementen stelden sterkere regionalisering voor (dit was vooral te wijten aan de toenemende invloed van de MPW bij de Waalse socialisten)130. Op 30 september 1961 organiseerde de MPW een betoging van 8 000 mensen in Marcinelles. De thema’s van de betoging waren natuurlijk federalisme en structuurhervormingen131. Op 18 en 19 november 1961 vond het eerste MPW-congres plaats. De voorzitter van de politieke commissie, F. Dehousse, maakte een rapport over de handelingen van zijn commissie : de resultaten waren een zeer nauwkeurig afgewerkt project van staatshervorming132.
Hoewel de MPW vlug op de steun van de Waalse BSP-federaties en ABVV-centrales kon rekenen toch verplichtten de kritieken van de MPW tegen de BSP verschillende socialistische personaliteiten vanaf januari 1962 afstand te nemen t.a.v. de MPW. Dat was het geval voor senator Fernand Dehousse en voor kamerlid Lucien Hermegnies, die in januari hun ontslag aanboden aan de leiding van de MPW 133. Twee gebeurtenissen zouden de MPW vervolgens nog verder verzwakken. De eerste was de betoging op 15 april 1962 tegen de aanhechting van de Voerstreek bij de provincie Limburg. De MPW verwachtte meer dan 40.000 betogers en er kwamen slechts 7.000 opdagen. De tweede was de dood van André Renard op 20 juli. De verdwijning van zo’n tribuun en de opvolgingsproblematiek leidden tot een vermindering van de invloed van de beweging134. Dat belette nochtans niet dat de in 1961 gelanceerde dynamiek voortduurde. Op 31 maart vond het derde congres van de Waalse socialisten plaats in minder dan 1 jaar. De Waalse socialisten herbevestigden hun aansluiting bij de federalistische beweging135. In april werd het zogenaamde rapport Sauvy door de CEW gepubliceerd. Dit rapport beschreef de rampzalige demografische en economische situatie in Wallonië en werd vaak gebruikt door de Waalse militanten als legitimering van hun acties. Op 29 mei schiep Fernand Schreurs de Mouvement libéral wallon. De bedoeling was een federalistische drukkinggroepering op te bouwen binnen de pas gevormde unitaristische PLP (zoals de MPW voor de BSP)136. In Luik organiseerde de MPW samen met de provinciale en gemeentelijke overheden het verzet tegen de taalwet op de afbakening van de taalgrens.
Deze nieuwe dynamiek vereiste een betere coördinatie van de verschillende Waalse bewegingen. In februari 1962 werden de comités van Action wallonne (zie punt 2.2.2. over de koningskwestie) opnieuw geactiveerd door het permanente comité van het CNW om tot een betere samenwerking tussen de Waalse organisaties te komen. Op 2 juni werd het centrale comité van Action wallonne (CCAW) opgericht, dat onder zijn naam alle verschillende Waalse organisaties en enkele Waalse afdelingen van de vier traditionele partijen verzamelde 137. Op 23 maart 1963 verenigde het CCAW al deze organisaties in een congres in Namen. Waren vertegenwoordigd : Wallonie Libre, Rénovation wallonne, MPW, PUW, de Avant-garde wallonne, BSP-federaties, ABVV-centrales, BCP-federaties, de Bloc francophone de Bruxelles, etc. De min of meer 1.000 afgevaardigden vroegen de autonomie van Wallonië. Zij richtten ook het Collège exécutif de Wallonie op, waarvan de taak was, ten eerste, de samenstelling van een representatieve Waalse assemblée en ten tweede, het organiseren van een petitie ten gunste van het federalisme. De CCAW organiseerde een betoging op 23 mei in Charleroi tegen de taalwetgeving van de regering Lefèvre (50.000 deelnemers). De petitie (onder leiding van het Collège exécutif de Wallonie) verzamelde tussen 15 oktober en 15 november 645 499 handtekeningen. Die laatste profiteerde niet van dit succes en verdween vanaf maart 1964 wegens interne spanningen. Dit veroorzaakte ook het einde van de CCAW138.

3.3. Reorganisatie binnen de Waalse beweging : 1963-1965




3.3.1. “Coups de crosses”139 : de BSP

De socialistische partij kende tussen 1962 en 1964 een interne crisis door spanningen tussen het centrale apparaat aan de ene kant en de radicale vleugel (verenigd rond de kranten Links en La Gauche) en de pro-federalistische tendens van de partij aan de andere kant (MPW). Deze crisis werd door verschillende incidenten gekenmerkt die tot het BSP-congres van december 1964 en het uitsluiten van de beide dissidente tendensen leidden. De aanval van het BSP-Bureau was vooral gericht op de MPW en was voornamelijk te wijten aan het feit dat de BSP geen greep meer had op de Luikse socialistische organisatienetwerk. Luik was sinds de staking tegen de Eenheidswet het bastion van de radicale stroming geworden. Dit was vooral te wijten aan de invloed van André Renard die vele sleutelposities bekleedde. Al deze ambten werden na zijn dood verdeeld tussen zijn medewerkers. De MPW kreeg dus controle of een aanzienlijke invloed op vele Luikse organisaties : de Luikse federatie van metaalbewerkers, de kranten La Wallonie en Combat, de Luikse ABVV-regionale, de BSP-federaties van Luik en Zinnik en de socialistische mutualiteiten in Luik140. De ABVV-gewestelijke verbond had op zijn beurt vele organisaties onder zijn greep ofwel als electorale reserve ofwel als bijkomende drukkinggroepering141. Men kan ook aannemen dat de invloed van de MPW ook sterk was binnen deze organisaties.


Bij de vorming van de regering Lefèvre-Spaak had de BSP aan de conservatieve vleugel van de CVP moeten beloven dat nieuwe wetsontwerpen op de handhaving van de openbare orde zouden worden ingediend. Dit was een reactie op de staking van december-januari142. Deze ontwerpen vergrootten het juridische wapenarsenaal tegen gewelddadige stakingen en betekenden, volgens de tegenstander ervan, een zware aantasting van het stakingsrecht. Binnen de BSP kwam het verzet voornamelijk vanuit de Waalse federaties. Omwille van dit verzet besloot het nationale Bureau de beslissing over te laten aan een buitengewoon congres op 3 maart 1963. De wetsontwerpen kregen de steun van het congres met een meerderheid van 70.8 % van de stemmen, maar ook met frappante communautaire verschillen : een meerderheid van de Waalse federaties hadden ertegen gestemd maar konden niet rivaliseren met een ruime consensus binnen de Vlaamse federaties en de Brusselse federatie143. Het gevoel van een Vlaams imperialisme kwam opnieuw naar voor bij verschillende Waalse mandatarissen : op 9 april besloten 8 Luikse socialistische volksvertegenwoordigers samen met vier andere Waalse socialistische kamerleden de partijtucht niet te respecteren en onthielden zij zich bij de stemming van de ontwerpen. Op 13 mei maakte het nationale Bureau de straffen bekend tegen de dissidenten: een blaam tegen de Luikenaars en twee maanden uitsluiting van de parlementaire groep voor de anderen144.
Deze tegenstellingen verplichtten de BSP na te denken over de relaties tussen Vlamingen en Walen. Op 13 juli maakte de BSP-voorzitter het “Vergelijk der Socialisten” bekend. De bedoeling was een compromis te vormen tussen de pro-federalistische en anti-federalistische tendensen binnen de partij door het invoeren van een tweezijdige (Waalse en Vlaamse) meerderheid voor kwesties die Walen en Vlamingen verdelen. De Waalse federalisten vonden het voorstel zwak en de kranten La Gauche, Combat en La Wallonie begonnen een zware perscampagne tegen het project. De BSP-federaties van Zinnik en Luik waren er absoluut tegen het project terwijl andere Waalse federaties een gereserveerd standpunt aannamen. Het veroordelen van de petitie van de Collège exécutif de Wallonie door het nationale Bureau op 10 oktober leidde tot een escalatie in de perscampagne145. Op 20 oktober vielen de socialistische kamerleden Simon Paque en Fernand Massart het Vergelijk aan tijdens een congres van Wallonie Libre. Massart werd door de BSP-federatie uit Namen geïnterpelleerd wegens zijn deelname aan dit congres. Het kamerlid bood onmiddellijk zijn ontslag aan bij zijn federatie en werd sinds eind oktober een onafhankelijke kandidaat146. Als reactie tegen deze toenemende bitterheid vanuit vooral Combat (persorgaan van de MPW) hing Léo Collard zware praatjes op tegen de MPW door te beweren in de editie van Le Peuple van 25 oktober dat de MPW een gevaar voor de BSP in het bijzonder en de democratie in het algemeen vertegenwoordigde. Al dit verzet liet nochtans niet toe aan de pro-federalistische tendens een meerderheid (zelf bij de Waalse federaties) te mobiliseren tegen het ontwerp, dat dan ook goedgekeurd werd door het BSP-congres van 16 en 17 november147.
De derde crisis die de socialistische familie kende was het uiteenvallen van de Gemeenschappelijke Actie in Luik. De Luikse ABVV-gewestelijke verbond was altijd zeer zelfstandig geweest t.a.v. het ABVV en de BSP. De toenemende invloed van de MPW versterkte deze trend. De straffen die resulteerden uit de onthouding bij de stemming van de wetten op de openbare orde in het bijzonder en de partijtucht in het algemeen verplichtten de Luikse mandatarissen hun afstand te nemen van de arbeidersbeweging en de MPW. Dit verklaart waarom de Luikse federatie verdeeld was bij het BSP-congres van 16 en 17 november 1963 : een meerderheid stemde toch ten gunste van het “Vergelijk der Socialisten” . Op 22 december steunde de algemene vergadering van de Luikse BSP-federatie de houding van zijn afgevaardigden en het Vergelijk. Op 4 januari 1964 reageerde een buitengewoon congres van de provinciale federatie van metaalbewerkers door te verklaren dat de federatie in deze omstandigheden een eind moet maken aan de ervaring van de Gemeenschappelijke Actie en aan elke steun aan om het even welke partijen. Op het buitengewone congres van de Luikse ABVV-verbond kreeg de federatie van metaalbewerkers de steun van de vakbond van bedienden (SETCA) en van een aanzienlijke minderheid bij de afgevaardigden van de ACOD. Deze crisis veroorzaakte tevens de scheiding tussen de verbond van Luik en de andere Waalse verbonden148.
In zulke omstandigheden werd de scheiding tussen de MPW en de BSP hoe langer hoe meer onvermijdelijk. Verschillende gebeurtenissen versnelden de beslissing van het Bureau van de BSP. Sinds maart 1964 had de MPW aan de socialistische kandidaten een engagementformule (operatie Vigilances wallonnes) voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober voorgesteld i.v.m. zijn beide hoofddoelstellingen : federalisme en structuurhervorming. Het congres van de gemeentelijke en provinciale BSP-mandatarissen veroordeelde op 13 juni de drukking van de MPW. Als reactie nodigde de MPW-leiding zijn afdelingen op 3 oktober uit alleen voor de kandidaten te stemmen die het engagement zouden aanvaarden149. In oktober spraken de Luikse en de Brusselse BSP-federaties uitsluitingen uit tegen dissidente kandidaten, die wel beloften aan de MPW gemaakt hadden150.
Al deze gebeurtenissen verplichtten het BSP-Bureau de orde te herstellen in zijn eigen organisatie. Op 23 november maakte het bekend dat etj aan het volgende partijcongres het probleem zou opwerpen van de onverenigbaarheden tussen de kwaliteit van lid van de BSP en de kwaliteit van medewerkers in La Gauche en Links en tussen de kwaliteit van lid van de BSP en de kwaliteit van leider van de MPW 151. Dit gebeurde op het congres van 12 en 13 december. De overnigbaarheid tussen de BSP en de dissidente kranten werd goedgekeurd met een meerderheid van 769 stemmen op 999. De Vlaamse federaties onthielden zich wat betreft de MPW en verklaarden dat zij de beslissing van de Waalse federaties zouden volgen. De Waalse federaties en de Brusselse federatie verklaarden zich akkoord met een meerderheid van 72,3 %. Enkel de federaties van Luik en Zinnik hadden zich ertegen uitgesproken152. Op 20 december maakten de leiders van de MPW bekend dat zij hun mandaat binnen de MPW bleven behouden en dus dat zij de facto de BSP verlieten153. De scheiding tussen de MPW en de Waalse socialisten was dus volledig.

3.3.2. De PVV en zijn unitaire programma



Als reactie op de verdeling van de conservatieve en progressieve strekkingen t.a.v. de Eenheidswet en op de electorale nederlaag in 1961 begon de oude liberale partij zich te hervormen. De verkiezing van Omer Vanaudenhove in mei aan het hoofd van de partij lokte een proces van grondige hervormingen van de partijstructuur en de hernieuwing van de partij-ideologie uit. De bedoeling was het antiklerikale aspect ervan weg te laten om op die manier de partij te openen voor katholieken. Op 7 oktober werd de liberale partij hervormd in de Partij voor Vrijheid en VooruitgangParti de la Liberté et du Progrès. In de structuur van de nieuwe partij kreeg de voorzitter veel macht en bevoegdheden vooral wat betreft de interne discipline. Op doctrinair vlak werd het programma van de PVV vooral gekenmerkt door de verdediging van de Belgische eenheidstaat. De PVV stelde lichte hervormingen voor zoals decentralisatie, deconcentratie en culturele autonomie154.
Deze nieuwe oriëntering was volledig in strijd met de houding van verschillende Waalse liberalen (waaronder F. Schreurs) die met de Waalse beweging sinds WOII samenwerkten, maar de autoriteit van de nieuwe voorzitter maakte dat hun invloed beperkt bleef. De Mouvement libéral wallon, geschapen in 1962, had enig invloed in Luik en in Namen en was voornamelijk een groepering van intellectuelen. Haar belang was zeker niet te vergelijken met die van de MPW binnen de BSP155. De deelname van de beweging aan de acties van de Action wallonne en aan de petitie in 1963 verplichtte Vanhaudenhove de petitie en de Mouvement libéral wallon te veroordelen op 26 september 1963. De Entente libérale wallonne had sedert het begin van de jaren ’60 veel van zijn invloed verloren. Zij steunde het algemeen programma van de PVV, maar was absoluut tegen de taalwetgeving156. De verzwakking van de Waalse drukkinggroeperingen belette niet dat communautaire geschillen aanwezig waren bij de PVV (rond de taalwetgeving, de Waalse petitie, de Vlaamse marsen op Brussel). De autoriteit van Vanhaudenhove vermeed telkens de splitsing van de partij157.

3.3.3. Een tweede front



In de loop van het decennium hadden beide politieke formaties afstand met de Waalse beweging genomen. De beweging verloor ermee haar enige toegang tot het parlement, hetgeen haar belette haar doelstellingen te verwezenlijken. Deze situatie en de nieuwe actiedoctrine van André Renard maakten voor sommige Waalse militanten vlug duidelijk dat de Waalse beweging rechtstreeks aan het electorale proces moest deelnemen en dat de oude strategie van drukking verlaten moest worden. De veroordeling van de petitie door de BSP en het Vergelijk der Socialisten lokten de eerste reacties uit binnen de Waalse milieus. Op 6 december 1963 kwamen kadersleden van de Action wallonne van Charleroi bijeen. De debatten waren vooral gericht tegen de reacties van de traditionele partijen op de petitie en rond de nood van een nieuwe politieke formatie. Vanaf december 1963 verschenen de logos Front wallon158 en Front d’Action wallonne op de rapporten van een studiegroep van de Action wallonne, geleid door R. Moreau. Dit initiatief veroorzaakte enig frictie binnen de MPW van Charleroi tussen de syndicalisten (voorstanders van de straatactie) en individuele leden (voorstanders van de politieke actie). R. Moreau bood zijn ontslag aan van permanente MPW-afgevaardigde en organiseerde een congres op 19 januari 1964 in Charleroi, waar de partij le Front wallon pour l’Unité et la Liberté de la Wallonie opgericht werd. De nieuwe partij integreerde tegelijkertijd de oude Parti d’Unité wallonne, die nooit electoraal succes geboekt had (de hoogste score werd in 1949 behaald met 5 852 stemmen). De partij verklaarde zich voorstander van het federalisme en volledig onafhankelijk van om het even welke politieke partij of syndicale organisatie. In 1964 hield de partij zich voornamelijk bezig met het voorbereiden van de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1964. In Charleroi boekte zij enige succes met ongeveer 9 000 stemmen. De partij kreeg 6 zetels in Jumet (28,84 % van de stemmen), 2 in Marchiennes-au-Pont en 1 in Montignies-sur-Sambre159.
De tweede aansteker van deze trend was het BSP-congres op 12 en 13 december 1964 over de overnigbaarheden. We hebben al de reactie van de MPW bestudeerd. De medewerkers van La Gauche reageerden niet allemaal op dezelfde manier : sommigen, zoals de kamerleden Glinne en Hurez, kwamen tot een akkoord met de BSP-leiding en reïntegreerden in de socialistische partij in januari 1965; anderen dachten na over de schepping van een nieuwe politieke formatie en op 27 december 1964 vond een nationale assemblee van La Gauche plaats waar er besloten werd een nieuwe socialistische partij (Union de la Gauche socialiste) op te richten die de werkzaamheden van autonome Waalse organisaties zou coördineren. Federaties van de UGS werden in Charleroi en in Brussel opgericht en op 30 januari 1965 kwam de Luikse federatie tot stand onder leiding van F. Perin en P. Bertrand. Die kreeg de naam van Fédération liègeoise du Parti wallon des Travailleurs
. Tijdens het constitutieve congres bleek dat de socialistische tendens (vooral gericht op een planistisch programma) in minderheid was t.a.v. de pro-federalistische Waalse tendens. De partij nam bijna onmiddelijk zijn afstand van de UGS in vorming en verschillende federaties van de UGS (in Namen en Charleroi) hervormden zich in federaties van de PTW160.
Ter voorbereiding van de parlementsverkiezingen van mei 1965 richtten verschillende Waalse politieke partijen de Action commune wallonne op. De organisaties waren : het Front wallon van Henegouwen (zijn lijst, genoemd Rassemblement pour la Défense des Libertés démocratiques, stelde kandidaten in de kieskring Doornik-Ath-Moeskroen), het Front démocratique wallon (lijst die het Front wallon uit Brabant en zelfstandige kandidaten verenigde voor de kieskring Nijvel), de Parti wallon des Travailleurs voor de kieskringen van Luik en Vervier en de Rassemblement démocratique wallon voor de provincie Namen (electoraal kartel geleid door F. Massart tussen de communistische partij, de Front wallon en zelfstandige kandidaten). Het akkoord bevatte het bijeenbrengen van propagandamiddelen rond een gemeenschappelijk programma : gelijkheid van recht en van macht tussen Vlaanderen en Wallonië in een federaal België, recht op referendum voor de bevolking, hervormingen van de economische, sociale en culturele structuren en terugkeer van de Voerstreek naar Luik. Een permanent comité werd opgericht, maar de afdelingen behielden hun autonomie en hun vrijheid van beweging volgens de noden van hun respectievelijke regio161. De Front démocratique wallon had ook een gelijkaardig akkoord voor de provinciale apparentering (provincie Brabant) gesloten met de FDF 162.
Een eerste voordeel van de schepping van de Action commune wallonne was dat de media aandacht aan de Waalse formaties schonken. Dat liet aan de ACW toe niet te negeren resultaten te boeken bij de verkiezingen : de verschillende lijsten kregen 72 080 stemmen voor de kamer (4,25 % van de geldige stemmen bij de Waalse arrondissementen) en 66 215 stemmen voor de senaat (3,93 % van de geldige stemmen). Twee kandidaten werden voor de kamer verkozen : Robert Moreau voor het Front wallon in Charleroi en Francis Perin voor de PWT in Luik. De verkiezingsuitslagen bevestigden de Waalse optie genomen door de ACW, hetgeen een scheiding veroorzaakte binnen de PWT tussen de Waalse tendens en de overblijvende extreem linkse strekking. De Waalse tendens (federaties van Vervier, Hoei en Namen en een meerderheid binnen de Luikse federatie) pleitte voor een fusie tussen de componenten van de ACW163. Dit gebeurde tijdens een congres in Namen op 26 juni 1965. De nieuwe partij kreeg de naam van Parti wallon. Het programma liet iedere expliciete referentie aan de socialistische ideologie wegvallen, om op die manier niet te verschijnen als een louter dissidentie van de BSP. Nochtans bleef het economische programma zeer beïnvloed door de MPW en tot 1968 vertegenwoordigden de socialisten de grote meerderheid van de leden164.

3.3.4. Quid met de oude verenigingen ?



De vorming en het relatieve succes van de nieuwe politieke formaties beletten niet dat andere Waalse associaties hun werkzaamheden op het terrein zelf en volgens de oude drukkingtechniek bleven doorvoeren. Op 4 december 1964 besloten de vertegenwoordigers van de vier belangrijkste drukkinggroeperingen (Mouvement populaire wallon, Rénovation wallonne, Wallonie Libre en Mouvement libéral wallon) de Action wallonne te relanceren. Zij stichtten een permanente overkoepelende organisatie die vlug de benaming kreeg van permanente delegatie van de vier Waalse bewegingen. Dit gebeurde officieel op 21 maart 1965 tijdens een congres in Luik. De MPW (omwille van zijn mobilisatiecapaciteit) bleef de hoofdorganisatie en controleerde vele sleutelposities. De acties van de permanente delegatie waren vooral gericht op actualiteitsthema’s : de Voerstreek, de taalwetgeving en de Rondetafelconferentie. Op 6 januari 1965 publiceerde de permanente delegatie een zeer kritisch document over de werkzaamheden van de Rondetafel (40 000 exemplaren). De permanente delegatie organiseerde ook talrijke betogingen i.v.m. Voeren (21 maart, 9 november, 10 november 1965) die steeds enkele duizenden mensen verzamelden. Een fondsenverzameling werd ook georganiseerd ten gunste van Franstalige scholen in de Voerstreek. In vele Waalse gemeenten kon de permanente delegatie op de steun van de lokale overheid rekenen zoals tijdens de volksraadplegingen die op initiatief van de beweging en met de inmenging van de lokale besluitvormers in 1965 plaatsvonden (op 20 en 21 maart in Rebecq-Rognon, op 24 april in Geest-Gérompont, Petit-Rosière, Mont St-André en Bamal en op 23 en 24 oktober in Ensival). Zelfs als het om zeer intense gebeurtenissen ging bereikten de acties van de permanente delegatie nooit de schaal van de Vlaamse marsen. Het waren meestal dus kleinschalige operaties165.
De banden tussen de permanente delegatie en de Parti wallon waren vooral op individuele banden gegrond. Meervoudige lidmaatschappen waren frequent : Perin, Moreau en Massart voor de MPW en Bologne en Massart voor Wallonie Libre. Francis Perin zat ook in het federale bureau van de MPW als gecoöpteerd lid van de Parti wallon. De schepping van het Front wallon had enige frictie veroorzaakt : het was eerst ontstaan als een dissidentie van MPW-militanten van Charleroi. Hoewel de coöperatie tussen de permanente delegatie en de Parti wallon in de retoriek van de leiders lag is het altijd een principe gebleven166. De enige actie waaraan de twee organisaties samen deelnamen was de solidariteitsdagen tussen Wallonië en Brussel op 9 en 10 november 1965. Het Waals nationale congres nam niet deel aan de permanente delegatie of aan een van deze acties. De beweging overleefde enkel dankzij de energie van zijn secretaris-generaal, Fernand Schreurs en zijn belangrijkste werkzaamheden bleven het sturen van brieven en soms van delegaties aan kamerleden en aan ministers 167.

3.4. Naar een Waalse consensus : 1965-1970




3.4.1. De Waalse socialistische wereld



De electorale nederlaag van 1965 van de BSP had tot gevolg dat de partijvoorzitter Léo Collard enige controle verloor op zijn partij. De partijafdelingen wonnen meer bewegingsvrijheid : dat liet toe aan de federalistische tendens weer naar boven te komen. De Waalse socialisten pleitten voor een dubbele federalisering : die van de staat en die van de partij. De laatste eis was ontstaan door hun ontevredenheid over het verloop van het partijcongres op 25 juli 1965 : de regeringsdeelname werd tegen hun wil goedgekeurd. De leider van de Waalse socialisten, J. Merlot, verdedigde de rechtstreekse toepassing van de artikels 3bis en 38bis van het Vergelijk (bijzondere meerderheid) op de statuten van de BSP. Op 14 oktober 1965 richtte hij een commissie op, die het voorstel verder ontwikkelde. Dit plan werd besproken tijdens het partijcongres van 11 en 12 december. De meningsverschillen tijdens de debatten maakten dat een commissie bevoegd over de interne spanningen tot stand kwam. Het voorstel werd dus gëencommissioneerd168.
Na 1966 kwam de BSP in de oppositie en voor vele Waalse socialisten was het hoog tijd om de Waalse socialistische zuil opnieuw te verenigen. Daarom organiseerden zij twee congressen in 1967. Deze congressen en hun voorbereiding (met een duidelijke federalistische trend) leidden tot een toenadering tussen de gesplitste delen van de socialistische wereld (MPW, BSP, ABVV-Luik). Op 25 februari 1967 kwam de nationale raad van de MPW bijeen: de beweging herbevestigde haar onafhankelijkheid, maar pleitte tegelijkertijd voor een grotere toenadering met andere delen van de Waalse publieke opinie en voor meer realistische doelstellingen (splitsing van sommige ministeries, oprichting van een Waalse raad, schepping van een Waalse investeringsmaatschappij). Twee dagen later organiseerden de Waalse ABVV-verbonden een congres waar de eenheid van de Waalse vakbeweging (tussen de renaridistische en anti-renardistische tendens) hersteld werd. De Waalse verbonden erkenden dat de BSP de beste vertegenwoordiger was van de Waalse arbeidersklasse op politiek vlak. Op 11 en 12 maart vond het eerste congres van de Waalse socialisten in Doornik plaats. De twee rapporten werden sterk beïnvloed door de MPW-vergadering (voor het politieke luik) en door het Waalse ABVV-congres (voor het economische luik). Het politieke rapport verwierp het Vergelijk en de Ronde-Tafelconferentie en erkende de moeilijkheid om het federalisme in de feiten te vertalen. Het plan Merlot werd daardoor gelanceerd : liever federaliserende dan federalistische maatregelen. Het congres pleitte dus voor overgangsmaatregelen. Het congres van Doornik werd door dat van Verviers op 26 en 27 november 1967 gevolgd. Het rapport was bedoeld als een volledige analyse van de toestand in Wallonië (meer dan 300 pagina’s). Het politieke deel is quasi hetzelfde als het rapport van het congres van Doornik169.

3.4.2. De vorming van de PSC



De periode 1965-1968 was zeer cruciaal voor de katholieke partij : deze periode zag de splitsing van de CVP-PSC in twee onafhankelijke partijen. Deze crisis maakte duidelijk voor de Waalse katholieken dat zij hun voorstellen van provincialisme moesten laten vallen en dat België een grondige staatshervorming nodig had. De oorsprong van deze splitsing is terug te vinden bij de terugkeer van het communautaire vraagstuk in het algemeen en bij de Leuvense kwestie in het bijzonder. Vanaf het begin van de jaren ’60 vroegen de Franstalige afdelingen meer autonomie (betreffende de contacten met de militanten) t.a.v. het nationaal comité. De discussies over de Ronde-Tafelconferentie (1963-1964) veroorzaakten de vorming van een Franstalig front. De verkiezingsnederlaag van 1965 versnelde deze trend. Op het congres te Luik in december 1965 kregen de Franstaligen eindelijk hun bewegingsvrijheid. De beide vleugels konden nu ook aparte politieke beslissingen nemen. De besprekingen rond de grondwetsherziening (de kamers waren constituante) blokkeerden vaak het Nationaal Comité van de partij : de Franstaligen conditioneerden hun toestemming van de cultuurautonomie met garanties voor de minderheden (art. 3 bis en art. 38bis). De staatshervorming kwam er niet omwille van de val van de regering Vanden Boeynants-De Clerq rond de kwestie Leuven170.
De Leuvense problematiek vond haar oorsprong in de taalwetgeving van 1932, waar de eentaligheid van Vlaanderen (en van Wallonië) bevestigd werd. De taalwetgeving van 1962-63 legde deze trend vast. De Vlaamse beweging vreesde een verfransing van Vlaams-Brabant (driehoek Leuven-Woluwe-Waver) en de wet op de universitaire expansie van 9 april 1965, de bisschoppelijke aankondiging op 15 mei 1966 (“eenheid van Alma Mater”) en het expansieplan van het Franstalige rectoraat (15 januari 1968) versterkten de Vlaamse beweging in haar eisen171. Het is hier niet de bedoeling om een gedetailleerde uiteenzetting van de crisis te geven, maar de bespreking zal zich beperken rond de gebeurtenissen die tot de splitsing van de partij geleid hebben.
De Franstalige vleugel en de Vlaamse vleugel waren hopeloos verdeeld rond de kwestie Leuven. De onbekwaamheid van het Nationaal Comité om een beslissing hieromtrent te nemen liet veel bewegingsvrijheid aan de verschillende vleugels. Als reactie op de bisschoppelijke beslissing diende Jan Verroken, fractieleider van de Vlaamse CVP op 15 mei 1967 in het parlement een wetsvoorstel in, dat via het eisen van de toepassing van het principe streektaal is onderwijstaal op het hoger onderwijs, de overheveling van de UCL naar Wallonië eiste. Dit werd slecht aanvaard door de Franstalige vleugel omdat de Vlaamse CVP’ers het voorstel indienden zonder hen in te lichten, wat tegen de statuten van de partij was. De weigering van de Vlamingen het voorstel in te trekken en de negatieve stemmen van de Franstaligen brachten onvermijdelijk de partijeenheid in het gedrang. Op 5 november 1967 organiseerden de Vlaamse Leuvense organisaties een betoging in Antwerpen waaraan 35 CVP-parlementsleden deelnamen. Opnieuw reageerde de Franstalige vleugel woedend op het initiatief van de Vlamingen. Op 6 februari 1968 interpelleerde de Vlaamse CVP-kamerfractie de regering over de Leuvense problematiek en ondanks het verzet van de partijleiding tegen een mogelijke splitsing van de partij veroorzaakte het regeringsantwoord een dag later het ontslag van de acht CVP-ministers. Op 8 februari vond de laatste vergadering van het Nationaal Comité plaats en voor de verkiezingen van maart gingen de beide vleugels naar de kiezers met twee aparte lijsten172. Op 25 maart stelde Pierre Harmel het programma van de lijst PSC voor : de idee van een volledige staatssoevereiniteit is achterhaald. Men moet nu plaats geven aan twee bijkomende identiteiten : naast het Belgische patriottisme bestaat nu een Europees en een Waals patriottisme173.

3.4.3. De verkiezingen van 31 maart 1968 en de Rassemblement wallon



De verkiezingscampagne werd natuurlijk beheerst door de Leuvense kwestie en het communautaire vraagstuk. Stap per stap zou het probleem Brussel dit als scheidingspunt vervangen. De Waalse beweging kon er niet ongevoelig voor zijn. Drie dagen na de val van de regering riep de directie van de Parti wallon op tot de vereniging van alle Waalse krachten. Op 21 februari 1968 vond een vergadering plaats tussen de vertegenwoordigers van de vier Waalse bewegingen en van de Parti wallon. Tussen februari en maart opende de Parti wallon zich voor (niet-socialistische) militanten van de verschillende Waalse bewegingen (vooral van Rénovation wallonne). De partij werd Rassemblement wallon genoemd en kreeg de steun van vele Waalse personaliteiten, onder meer ex-premier J. Duvieusart 174. De nieuwe partij vormde snel met het FDF een electoraal kartel om de propaganda te vergemakkelijken en stemverlies bij de apparentering te vermijden175. De Rassemblement wallon haalde 10,5% van de geldige stemmen in Wallonië en stuurde zeven verkozenen naar de kamer. Het FDF kreeg vijf zetels (+2). Deze verkiezingen werden vaak beschouwd als de eerste significante politieke overwinning van de Waalse beweging. Na zoveel jaren mislukkingen kreeg de beweging uiteindelijk een ruime politieke basis om zijn doelstellingen te verwezenlijken. Na de verkiezingen begonnen de twee partijen te onderhandelen voor de vorming van een politieke formatie. Op 21 mei kondigden de twee formaties de schepping aan van een nieuwe politieke partij (de FDF-RW) rond gemeenschappelijke standpunten : vereniging van alle mannen en vrouwen ongeacht hun politieke of filosofische afkomst, de nadruk leggen op de solidariteit tussen Wallonië en Brussel en eind maken aan de Vlaamse hegemonie en aan de eenheidsstaat. Op 23 maart 1969 hield de RW een congres waar hij zijn federalistische eisen verduidelijkte. De rapporten werden opgenomen als de doctrine van het FDF-RW176.

3.4.4. De PVV-PLP

Ondanks het autoritaire voorzitterschap van O. Vanaudenhove werd de liberale partij tussen 1965 en 1968 al vlug het slachtoffer van interne communautaire problemen. Tijdens het congres van Luik in januari 1966 ondertekenden de federaties een taalcompromis : de Vlamingen kregen de homogeniteit van de taalgebieden en de vergroting van het Nederlandstalige onderwijs in Brussel. De toegeving aan de Franstalige zijde bestond uit de terugkeer van de Voerstreek naar Luik, de aanhechting van de randgemeenten bij de Brusselse agglomeratie en het uitbreiden van het regime van taalfaciliteiten aan de 13 gemeenten van het arrondissement Halle-Vilvoorde. Dit compromis is wel een bewijs dat er interne spanningen bestonden binnen de partij. Tijdens de verkiezingen van 1968 ging de partij naar de kiezers toe met een resoluut Belgisch etiket. De gehoopte electorale overwinning kwam er niet : op nationaal vlak verloor de PVV 0,7 % stemmen en een zetel. Op regionaal vlak vertoonden de uitslagen tegenstrijdige tendensen : de Vlaamse federaties gingen achteruit (-0,4 %), terwijl de PVV de tweede partij in Wallonië werd. In Brussel onderging de tweetalige lijst een zware nederlaag (-6,8 %).


Met deze verkiezingen begon het proces van ontmanteling van de unitaire PVV-PLP. Er waren twee redenen voor. Ten eerste verzwakte de electorale nederlaag de positie van Omer Vanaudenhove en maakte zijn autoritaire voorzitterschap minder aanvaardbaar voor de federaties. Het aanstellen van de zwakke P. Descamps als voorzitter in januari 1969 versterkte het gebrek aan centrale gezag binnen de partij. De verschillende electorale wegen van de federaties verplichtten deze laatsten steeds meer zich te richten naar een regionaal kiezerskorps. Alhoewel de federalisten nog een minderheid binnen het Waalse liberalisme vertegenwoordigden zorgde de electorale nederlaag ervoor dat verschillende Waalse liberalen het autoritarisme van Vanaudenhove en het unitaristische programma begonnen te bekritiseren. De Waalse liberalen aanvaardden geleidelijk de idee van een regionalisering van België. Het institutionele programma van de pas geschapen PLPW (PLP wallon) in 1972 was wel expliciet : de Waalse liberalen pleitten voor het scheppen van drie gewesten met rechtstreekse verkozen raden en een ruim panel van bevoegdheden177.

3.5. Besluit voor de tweede periode

Tussen 1959 en 1970 loste de beweging haar twee belangrijkste interne problemen op, die haar acties belemmerden. Ten eerst leed de beweging aan een gebrek aan populaire steun. De maatschappelijke veranderingen (economische crisis in Wallonië en terugkeer van de Vlaamse beweging) maakten de Waalse bevolking meer bewust van haar aparte identiteit. Daarom kregen de Waalse organisaties meer steun van de gewone burger (1959-1963). Het symbool voor deze trend is natuurlijk de staking tegen de eenheidswet. Het electorale succes van de Rassemblement wallon in 1968 is ook een voortvloeisel van deze evolutie. Dit succes belette niet dat de Waalse beweging tegen de partijleidingen en de Waalse mandatarissen botste (1963-1965). Dit was vooral te wijten aan het feit dat de Waalse militanten de elitaire consensus rond het voortbestaan van de eenheidsstaat aanviel. Het afbreken van deze consensus gebeurde via de crisis rond Leuven (1965-1970). De Leuvense kwestie veroorzaakte de splitsing van de CVP-PSC en het begin van de ontmanteling van de PVV-PLP. De Waalse beweging stelden via de congressen van de Waalse socialisten gematigde maatregelen (“plan Merlot”) voor, terwijl de Waalse katholieken en liberalen stap per stap respectievelijk hun decentralisme en unitarisme lieten vallen, m.a.w. de federalisten werden minder federalistisch en de decentralisten en unitaristen werden regionalischer. Ook al is het moeilijk te spreken van een Waalse consensus, toch kan men vaststellen dat de Waalse beweging en de drie grote politieke families in Wallonië zich allemaal richtten naar een regionalisering van België.






1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina