Faculteit sociale wetenschappen departement politieke wetenschappen het federalisme in walloni



Dovnload 0.95 Mb.
Pagina7/15
Datum19.08.2016
Grootte0.95 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15

HST 6. Waarom het federalisme : de Waalse grieven



Het pleidooi ten gunste van het federalisme vond zijn oorsprong in de problemen van Wallonië. De Waalse beweging ontwikkelde tijdens de twee perioden een indrukwekkende lijst van grieven. Men kan een zekere continuïteit vaststellen in de geschiedenis van de beweging zelfs als er belangrijke verschuivingen gebeurden. De uiteenzetting van deze grieven zal niet de oorzaken verklaren van de opkomst van het Waalse federalisme : het is louter een beschrijving van de redenen die de Waalse organisaties zelf gaven voor hun acties, m.a.w. zal er geen aanspraak gedaan worden op de waarachtigheid van deze klachten. De Waalse eisen kunnen in verschillende categorieën ingedeeld worden. Daarvoor kan men de indeling gebruiken van het voorstel Paques in 1961 : federalisme was een noodzakelijkheid omwille van politieke, administratieve, economische, sociale en culturele problemen186. Het criterium hier was de aard van de grieven. In onze behandeling zullen wij een beroep doen op een ander criterium : de oorsprong van de Waalse problemen. Ik heb persoonlijk drie redenen gevonden : het Vlaamse overwicht, het Brusselse centralisme en de Waalse economische teloorgang. Deze hoofdstuk over de Waalse grieven baseerde zich ten deels op de in hoofdstuk 5 uiteengezeten documenten en ten deels op analytische boeken.

6.1. Vlaamse overwicht



Vooral tussen 1938 en 1958 begonnen alle documenten met dezelfde vaststelling : het Franstalige België van 1830 bestaat niet meer. Uit de unitaire staat zijn twee deelgemeenschappen gegroeid : de Walen en de Vlamingen. In dit nieuwe België zijn de Walen een minderheid geworden omwille van verschillende factoren. Vooreerst waren de sociale evoluties, inherent aan alle Westerse maatschappijen (m.a.w. de emancipatie van de massa in het algemeen en het invoeren van het algemeen stemrecht in het bijzonder) verantwoordelijk voor deze gang van zaken. Als men de groeiende Vlaamse bewustwording aan de opkomst van de massademocratie in België koppelt dan namen de Vlamingen hun rechtvaardige plaats in een democratisch en parlementair systeem : de plaats van de meerderheid187. Daarnaast werd een tweede reeks verklaringsfactoren vaak vermeld : de demografische teloorgang van Wallonië. Het rapport van het congres van de Waalse socialisten in 1959 gaf een mooie beschrijving ervan. Tussen 1846 en 1957 groeide de Waalse bevolking met 174 % terwijl Vlaanderen en Brussel een groei van respectievelijk 208 % en 368 % kenden. De Waalse bevolking nam dus toe net zoals de andere landsgedeelten maar in een minder snel tempo. Het demografische aandeel van Wallonië nam dus relatief af : in 1910 waren er voor 100 Belgen 39 Walen, 47 Vlamingen en 14 Brusselaars. Voor 1957 veranderden deze cijfers : 34 Walen, 51 Vlamingen en 15 Brusselaars188

6.1.1. Falen van het parlementaire systeem

Vanuit dit uitgangspunt leiden de Waalse organisaties hun politieke en administratieve grieven af. Het Belgische politieke en administratieve apparaat werd een weerspiegeling van deze situatie en is een instrument geworden voor de Vlaamse belangen. De Waalse beweging oefende kritiek uit op het parlementaire systeem zelf. In 1947 legde Fernand Dehousse dit standpunt uit :

Que l’on nous comprenne bien : il n’entre, dans ces réflexions amères, aucune critique de notre part à l’adresse du suffrage universel. Celui-ci demeure pour nous un principe essentiel de la vie publique. Mais nous pensons, (…), que si le suffrage universel est parfaitement admissible au sein d’une communauté homogène, il devient un leurre lorsque cette communauté comporte des peuples distincts dont l’un est assuré d’avance de la majorité. Le suffrage universel doit s’exercer d’homme à homme, non de peuple à peuple” 189
De Waalse organisaties vielen principieel het parlementaire systeem niet aan maar legden de nadruk op de onaangepastheid van dit systeem aan de Belgische maatschappij. Het louter toepassen van het algemene stemrecht en de wet van de meerderheid, die eruit resulteert, kunnen alleen gerechtvaardigd worden in een homogene samenleving. In een uit duidelijke afgebakende deelgemeenschappen samengestelde land worden zij antidemocratisch t.a.v. de minderheden. Correcties dienen uitgevonden te worden om te beletten dat het grootste landsgedeelte zijn wil oplegt aan de anderen190.

Il faut que dans l’Etat à plusieurs nationalités le principe du pouvoir soit partagé entre la démocratie qui se fonde sur la règle du nombre et les droits particuliers des éléments constitutifs de l’Etat. (…). L’Etat n’a pas le droit de s’inféoder à l’une des nations qui la composent, celle-ci fût-elle la plus nombreuse.” 191


Het ging (nog) niet om een rechtstreekse aanval tegen Vlaanderen of tegen de Vlamingen maar wel tegen mechanismen die de kolonisatie van de politieke en het administratieve apparaat door de Vlamingen toeliet192. Concreet was de Waalse beweging niet tegen de zetelaanpassingen van 1947 en 1961 als in ruil daarvoor Wallonië compensaties kreeg (m.a.w. een staatshervorming).

6.1.2. Een nationaal beleid is een Vlaamse beleid



Dit Vlaamse overwicht werd toch principieel als negatief beschouwd door de beweging. Het beeld van een klerikaal, landelijk en conservatief Vlaanderen werd vaak in de Waalse publicaties tegengesteld aan een Wallonië van industriële en sociale vooruitgang. Vlaanderen werd als een hindernis beschouwd voor de (natuurlijke) sociale vooruitgang van Wallonië193. Het beleid van de nationale regering was het eerste slachtoffer ervan. Zij was vooral uit Vlamingen samengesteld en haar beleid was daardoor ondergeschikt aan Vlaamse belangen. Het buitenlandse beleid werd herhaaldelijk gebruikt door de Waalse beweging : tijdens de eerste periode bekritiseerde zij de Onafhankelijkheidspolitiek. De verschillende regeringen werden beschuldigd een tot mislukken gedoemd beleid gevoerd te hebben t.a.v. Hitler en Wallonië in steek gelaten te hebben : de verdedigingsgordel op de Oostgrens werd niet genoeg uitgerust. Deze elementen zijn volgens de beweging medeverantwoordelijk voor de nederlaag van 1940194. Zoals reeds vermeld waren de Waalse militanten bezig tijdens de tweede periode met internationale actualiteitsvragen : zo waren zij voorstander van de Europese constructie en tegenstander van de Benelux-samenwerking. De minderheidspositie van het Latijnse Wallonië zou nog vergroten worden t.o.v. een omvangrijkere Germaanse meerderheid195.
Andere aspecten van beleid werden ook gezien als een weerspiegeling van de Vlaamse meerderheid. De amnestiecampagne in de jaren ’50 (o.a. door de Vlaamse Concentratie) en de rehabilitatie van incivieken door de verschillende ministers van justitie (gratie van De Bodt en vrijlating Van Coppenolle in 1952 en vrijlating van Elias in 1959) hebben vele reacties in de Waalse pers uitgelokt196. Het imago van een collaborerende Vlaanderen tegen een in het verzet geëngageerde Wallonië dook op. Vele Waalse publicaties (zelfs huidige werken) beweerden dat de reacties van Vlaanderen en Wallonië t.a.v. de Duitse aanval en bezetting anders geweest waren. De afkeuring tegenover een collaborerende Vlaanderen en tegenover een Belgische staat die dat opnieuw permitteerde (na het Activisme van de WOI) leidden bij vele Waalse militanten tot een aanvraag van het federalisme in België. Vooral Wallonie Libre was een hevige voorstander van dit standpunt. Tijdens het Waalse nationale congres van 1945 zou F. Simon (rattachistische voorstel) gezegd hebben :

La volonté du congrès est née des trahisons de la Lys et du Canal Albert . (…). Ceux qui avaient trahi sur le champ de bataille avaient pratiquement déchiré le peu de solidarité qui existait dans la Belgique” 197


De Waalse beweging ging er vaak vanuit dat de Vlaamse regimenten een zwak verzet aangeboden hadden tegen de Duitse troepen en dat het verzet tijdens de bezetting hoofdzakelijk een Franstalig en Waals fenomeen was198.
De nationale regering werd ook beschuldigd van een desinteresse voor de economische problemen van Wallonië : er zijn meer investeringen en openbare werken geweest in Vlaanderen dan in Wallonië. Vooral wat betreft de economische subsidies zijn de ongelijkheden frappant volgens de Waalse socialisten in 1967 : 65,9 % van de nationale investeringen in Vlaanderen tegen 28,6 % voor Wallonië ; in 1964 was deze verhouding 87,5 % voor Vlaanderen en 11,9 % voor Wallonië en in 1965 81,5 % en 17,8 %199. De Waalse organisaties bekritiseerden vooral de ongelijkheid in de herverdeling van de Belgische rijkdommen en de apathie van de regeringen om een oplossing te vinden voor de economische teloorgang (zie verder).

6.1.3. Een Vlaamse kolonisatie




De administratie ontsnapte niet aan deze toestand : de tweetaligheidvereiste voor het verwerven van hoge administratieve ambten lag in het centrum van de Waalse kritieken. Aangezien de Vlamingen in taalproeven beter scoorden kregen zij de belangrijkste ambten. De Waalse beweging heeft altijd een vast standpunt gehad rond de taalproblematiek: de Walen zullen nooit het Nederlands aanleren omdat ze erin geen belang hebben. De beweging pleitte liever voor een eentalige Waalse administratie dan voor het bevorderen van het aanleren van het Nederlands. Een van de hoofdargumenten was dat het collectief aanleren van een andere taal zoveel invloed heeft op de mentaliteiten dat zij het wereldbeeld en de waarden van een volk kan veranderen. Het Nederlands betekent dus een gevaar voor de Franstalige integriteit van Wallonië en de campagne in Vlaanderen voor de tweetaligheid is een duidelijk teken van imperialisme200. Het is nu een andere belangrijke thematiek die aan de orde komt : de vrees voor vernederlandsing en voor kolonisering van Wallonië. Bijvoorbeeld werd de Boerenbond vaak beschuldigd een kolonisatiecampagne van het Waalse platteland uit te voeren door het ministerie van landbouw te controleren201.
Een ander mooi teken van dit denkbeeld “Vlaamse imperialisme” was de problematiek rond de taalgrens. Zoals reeds gezien was de Waalse beweging niet tegen de definitieve afbakening van de taalgrens. Des te meer was deze afbakening een officiële erkenning van de twee deelgemeenschappen en dus een stap naar voor m.b.t. de installatie van het federalisme in België. De beweging pleitte er toch voor dat deze definitieve afbakening volgens recente gegevens zou gebeuren : zij vreesde dat Franstalige bevolking in Vlaanderen ingenomen zou worden. Zij begon na de volkstelling van 1947 een lange campagne voor het publiceren van de resultaten ondanks het verzet van Vlaamse politici en organisaties. Men moest wachten tot de CVP in de oppositie zat in 1954 vooraleer de regering de resultaten van de talentelling publiceerde. Deze cijfers toonden duidelijk aan dat de Brusselse agglomeratie en enkele taalgrensgemeenten verfranst waren. Het weigeren van deze situatie door de Vlaamse beweging (“Wij laten Brussel nooit los !”) werd vaak geïnterpreteerd door een wil van “kolonisatie” van verschillende Waalse en Franstalige gebieden door Vlaanderen. Daarom sprak de Waalse beweging dikwijls van Vlaams imperialisme202.

6.2. Brussels centralisme




6.2.1. Het centralisme als een gevaar



Volgens de Waalse organisaties waren de Belgische structuren onaangepast aan de nieuwe maatschappelijke situatie omwille van twee factoren : zij lieten de dominantie van de Vlamingen toe en zij waren te sterk gecentraliseerd. Tussen de jaren ’50 en ’60 kende België zoals de andere West-Europese landen een forse toename van de rol van de overheid in de maatschappij in het algemeen en in de economie in het bijzonder. Dit was het gevolg van economische en maatschappelijke verschuivingen, die niet tot het onderwerp van deze studie behoren203. De nationale administraties zijn dus gigantische organisaties geworden omwille van deze toenemende rol. Voor de Waalse beweging had deze stand van zaken neveneffecten : de assumptie is bij de nationale ambtenaren gegroeid dat zij alles vanuit Brussel zouden kunnen regelen204.
Tijdens het congres van Charleroi in 1963 zijn de Waalse socialisten zeer duidelijk geweest : om een oplossing te kunnen vinden voor de Waalse problemen zijn er geen andere alternatieven dan het Brusselse centralisme af te breken. De congresdeelnemers wezen af dat een regionaal beleid mogelijk was vanuit Brussel. Uiteraard, hoe kunnen Brusselse ambtenaren specifieke Waalse problemen begrijpen en oplossen ? Het administratieve centralisme had volgens hen verschillende nadelen. Het is ten eerste zeer onaangepast : de enige overheid die de lokale problemen kan schatten en dus oplossen is de gemeente. Gewesten zijn ook dicht genoeg bij de lokale problemen om er een oplossing aan te bieden. Het is ook ondemocratisch : een van de gevolgen van een overgedreven centralisme is dat het de deelname van de bevolking aan het publieke leven en aan de politieke besluitvorming belemmert en zelf onmogelijk maakt. Tenslotte is het politiek gevaarlijk. Omwille van deze inefficiëntie en van dit gebrek aan legitimiteit provoceert het centralisme een veralgemeende ontevredenheid van de bevolking t.a.v. het overheidsbeleid205.

6.2.2. Gevolgen voor de Waalse economie



Niet enkel de administraties waren geconcentreerd in Brussel : het was ook het geval voor de parastatale instellingen zoals de Nationale bank, de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid en het Gemeentekrediet. De concentratie van de publieke financiële instellingen ging gepaard met eenzelfde beweging in de privé-sector (zoals de Société Générale of de Banque de Bruxelles). Deze financiële concentratie veroorzaakte de teloorgang van het Waalse banknetwerk. Alle kleine Waalse banken werden ofwel gekocht ofwel verplicht hun activiteiten te verkopen ofwel verplicht te sluiten. De Waalse familiale bedrijven konden niet rivaliseren met de grote financiële conglomeraten. Zo klaagde de Waalse beweging over de verdwijning van de Crédit Général Liègeois, de Banque de Liège, de Banque Général de Liège et de Huy en de Union du Crédit. Deze stand van zaken had natuurlijk zijn weerslag op de Waalse industrieën. Vooral in de steenkool-, gas en elektriciteit-, vervoer-, chemische, papier- en steensectoren vestigden de Waalse industrieën hun hoofdkantoren in Brussel. Wallonië verloor dus stap per stap de controle over zijn eigen industrie. Brussel kreeg daardoor een grotere aantrekkingskracht (ten nadele van Wallonië) voor de buitenlandse en regeringsinvesteringen : de uitrusting van de Brusselse spoor- en autowegen werd een nationale prioriteit en de uitrusting van Wallonië werd bijna ad vitam eternam uitgesteld. Dit leidde natuurlijk tot de bloei van de Brusselse economie en tot het verhogen van de koopkracht: vele luxewinkels vestigden zich in de hoofdstad, met als gevolg dat vele klanten naar Brussel gingen ten nadele van mogelijke Waalse winkels. Deze bloeiende economie trok ook vele Waalse werknemers aan : Wallonië verloor daardoor een grote set van menselijke krachten om zijn eigen economie te herstellen206.

6.3. De economische teloorgang in Wallonië




6.3.1. De uitrusting van Wallonië



De Waalse beweging heeft altijd zich beklaagd over het gebrek aan aangepaste vervoer- en communicatiemiddelen in de Waalse provincies. Het ging vooral om de spoor-, auto-, water- en de luchtwegen. De grieven waren dikwijls dezelfde : er waren geen investeringen genoeg in Wallonië in vergelijking met Vlaanderen en Brussel en de beloofde werken namen te veel vertraging in beslag. Wat betreft de waterwegen spitsten de Waalse organisaties hun aandacht toe op de modernisering van het al bestaande netwerk vooral qua capaciteit (in tonnen). De meest besproken kanalen waren : het kanaal Charleroi-Clabecq (deel van het kanaal Charleroi-Brussel), het kanaal van het Centrum (tussen Houdeng en Bergen) en het Waalse deel van het Albertkanaal207. Het volledig kanaliseren van de twee grootste natuurlijke waterwegen (Sambre en Maas) was een van de eisen van de beweging : haar bedoeling was de Sambre en de Maas toegankelijk te maken voor boten van respectievelijk 600 T en 1.350 T om het concurrentievermogen van de Waalse waterwegen op peil te brengen (t.a.v. de buurlanden)208. Het problematiek rond de “bouchon de Lanaye” (de stop van Lanaken) was het voorbeeld per uitstek geworden van de Waalse eisen betreffende de binnenvaart. Het Albertkanaal (tussen Luik en Antwerpen) was verbonden met het Julianakanaal in Holland door een heel klein kanaal van 5 km, die het varen van boten van alleen maar 600 T toeliet. Ten einde maken aan deze vernauwing zou toelaten dat schepen van 2.000 T rechtstreeks Rotterdam via Wallonië kunnen bereiken. De economische aantrekkingskracht van de Waalse waterwegen hing voor een grote deel van dit probleem af209. Wegens de concurrentie tussen Antwerpen en Rotterdam kwamen de Belgische regering (tegen werken in Lanaye) en de Hollandse regering (voorstander van het project) pas tot een akkoord in 1957 en de werken werden in 1964 uitgevoerd210.
Qua autowegen was de Waalse beweging ook niet tevreden. Vooreerst beschouwde zij het Waalse wegennetwerk als verouderd en volledig onaangepast aan het moderne autoverkeer. Vervolgens viel zij het feit aan dat vooral Brussel een bijna gelijke behandeling kreeg t.o.v. de regeringsprojecten en de opstelling van het netwerk van autosnelwegen (een autosnelweg moet niet sowieso via Brussel passeren). Daarnaast vroeg zij een heroriëntering van de doelstellingen van het wegenfonds : de verbindingen tussen de grote Waalse centra onderling en tussen de Waalse en buitenlandse steden moesten een prioriteit worden211. Volgens de Waalse socialisten in 1959 waren de verschillen tussen Wallonië enerzijds en Vlaanderen en Brussel anderzijds qua investeringen in autosnelwegen flagrant : tussen 1948 en 1957 zou de regering 106,5 miljoenen BEF in autosnelwegen voor Wallonië geïnvesteerd hebben terwijl zij voor Vlaanderen en Brussel respectievelijk 1.472,9 en 1.396 miljoenen BEF investeerden. De Waalse beweging wou vooral de aanleg van de volgende autosnelwegen : Antwerpen-Luik-Duitsland (snelweg koning Boudewijn), Valenciennes-Bergen-Charleroi-Namen-Luik (Autoroute de Wallonie), Brussel-Bergen, Brussel-Luik, Brussel-Namen-Bastenaak (Autoroute des Ardennes) en Luik-Maastricht212. De aanleg van de Autoroute de Wallonie is vlug de hoofdeis geworden van de Waalse beweging : deze snelweg moest de grote Waalse centra onderling verbinden. De vertraging van een regeringsbeslissing (de werken begonnen in 1964) en van de werken zelf (de snelweg werd in 1972 officieel geïnaugureerd) lokte bittere reacties uit in de Waalse kringen en pers213.
Vervolgens interesseerde de Waalse beweging zich ook over de staat van de spoorwegen in Wallonië. Hier waren de klachten dezelfde : de NMBS gaf te veel aandacht aan Brussel. De beweging vroeg de aanleg van bijkomende lijnen in Luxemburg en in de streek van Doornik en de modernisering (elektrificatie) van de andere lijnen. De bedoeling was, zoals voor de autowegen, een gemakkelijkere verbinding tussen de Waalse steden (lijnen Brussel-Luik-Vervier, Brussel-Namen, Brussel-Bergen, Luik-Namen-Charleroi-Bergen-Doornik en Brussel-Charleroi) en tussen Waalse steden en het buitenland (bv. lijn Luik-Maastricht). Er bestond ook een vrees van Vlaams overwicht bij de werknemers van de NMBS (zoals bij de centrale administraties)214. Wat de luchtvaart betreft viel de Waalse beweging de gunstigere behandeling aan die Zaventem en de Vlaamse vliegvelden (Antwerpen, Knokke en Oostende) kregen. De doelstellingen van de beweging waren dubbel : commerciële en industriële lijnen bij de luchthaven van Bierset (Luik) en van Gosselies (Charleroi) en toeristische vliegvelden in Namen, Spa, Aarlen en Saint-Hubert215.

6.3.2. Veroudering van het Waalse economische apparaat

Vanaf de jaren ’60 was de hoofdreden voor de Waalse beweging voor een federalisering van België de toenemende verslechtering van de economische toestand. Het federalisme was voor de beweging (vooral de socialistische kringen) het middel geworden om zelf een oplossing te vinden aan de economische teloorgang aangezien de centrale staat er niet toe in staat was.


De eerste sectoren die aandacht kregen waren natuurlijk de sectoren die de Gouden Tijden maakten voor Wallonië : steenkool in Henegouwen, staalindustrie in Luik en textiel in Verviers. Nostalgische verwijzingen naar de 19de-eeuwse bloeiperiode kwamen vaak aan bod in de verschillende Waalse documenten. De meeste Waalse analyses over de economische teloorgang situeerden het begin van de recessie na het WO I omwille van verwoestingen aangebracht door de Duitse troepen. In 1967 maakten de Waalse socialisten een triestige balans op. Tussen 1962 en 1967 heeft Wallonië 21 steenkoolmijnen verloren en tussen 1960 en 1967 werden 110.000 arbeidsplaatsen afgeschaft in de Waalse industriële centra216. Het rapport van de C.E.W. in 1947 vond verschillende redenen aan deze situatie : veroudering van de Waalse bevolking, een slechte toegang tot binnen- en buitenlandse havens, de afwezigheid van interesse vanuit de centrale regering, uitputting van de gemakkelijk te exploiteren grondstoffen, het gebrek aan nieuwe industrieën, het te grote centralisme van de financiële sector, de buitenlandse concurrentie, het gebrek aan specialisatie en aan diversiteit van de Waalse industrie en het onaangepaste en verouderde karakter van de industriële en publieke uitrusting217.
De landbouw in Wallonië kende ook een crisis. De Waalse socialisten stelden in 1959 verschillende problemen vast : verdwijning van Waalse specificiteit zoals de tabak en bepaalde soorten van fruit en van geneeskundige planten, zwakke coöperatieve structuur, afwezigheid van een gespecialiseerd onderwijs in Wallonië, afwezigheid van een publieke kredietmaatschappij (zoals de Boerenbond in Vlaanderen) en laag rendement. De verantwoordelijkheden voor deze situatie lagen bij de nationale regering die geen aandacht schonk aan de Waalse landbouw ten voordeel van Vlaanderen 218. Structurele oorzaken waren ook medeverantwoordelijk : versnijding van de velden, gebrek aan werknemers, afkeuring van de Waalse boeren t.a.v. de nieuwe landbouwtechnieken en afwezigheid van een Waalse kredietorganisatie219.

6.4. Besluit

Er zijn nog heel veel andere grieven te vinden in de Waalse documenten. De culturele (afwezigheid van een Waalse identiteit bij de bevolking) en sociale (nadelige effecten van het nationale sociale beleid) luiken werden bijvoorbeeld amper vermeld omdat deze grieven irrelevant waren voor het onderwerp van deze studie. De bedoeling van deze samenvatting van de Waalse grieven was dubbel : ten eerste, een idee aan de lezer te geven tegen wie of wat de verschillende Waalse organisaties zich principieel richten : het gewicht van Vlaanderen in de Belgische staat, de organisatie van de Belgische staat en de teloorgang van hun streek. Omwille van de democratisering en van de demografische beweging die België kende zijn de Vlamingen omvangrijker geworden dan de Walen en hebben zij de Belgische staat gekoloniseerd. Ze zijn nu van plan hetzelfde te doen voor Wallonië. De Belgische politieke en economische wereld bevorderde deze kolonisatie door de centralisatie te Brussel. Het centralisme heeft andere nadelen : Wallonië verloor ermee enige controle over haar toekomst en is niet in staat er iets aan te doen. Deze controle over de toekomst van haar streek was van uiterst belang voor de Waalse beweging : de belangrijkste sectoren, waarop Wallonië zijn economische ontwikkeling baseerde, sloten de ene na de andere. Zonder autonomie kon Wallonië allen maar de schade vaststellen.


Het tweede doel van dit hoofdstuk was het lezen vergemakkelijken van de twee volgende hoofdstukken (over de politieke autonomie en de economische planificatie). Daardoor volgen we hetzelfde denkschema van de Waalse organisaties : ten eerste uiteenzetting van de problemen en daarna voorstellen van mogelijke oplossingen. De beide componenten zijn complementair van elkaar en de ene uitleggen zonder de andere zou totaal zinloos zijn.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina