Faculteit sociale wetenschappen departement politieke wetenschappen het federalisme in walloni



Dovnload 0.95 Mb.
Pagina9/15
Datum19.08.2016
Grootte0.95 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15

7.2. Algemene beginselen




7.2.1. Interne gebiedsafbakening



Volgens de Waalse documenten is een van de eerste problemen, waarmee het toekomstige federale België te maken zou hebben, de duidelijke afbakening tussen de verschillende deelstaten. Wat de taalgrens betreft was de Waalse beweging duidelijk : de grens tussen Vlaanderen en Wallonië moest blijven evolueren zolang geen formele afspraken gemaakt werden betreffende een staatshervorming. De beweging verwierp het argument van de Vlaamse beweging dat de verfransing een diefstal van gebieden betekende aangezien Vlaanderen nog geen officieel bestaan had zolang België geen federaal land was geworden. Eens dat het geval zou zijn dan sprak de Waalse beweging zich uit voor het definitieve karakter van de grens tussen de beide (deel-)staten225.
Op de vraag hoe deze afbakening concreet moet gebeuren stelde de beweging twee oplossingen voor. De eerste deed beroep op de laatste talentelling. De resultaten zouden als basis gebruikt worden om de definitieve aftekening van de taalgrens te kunnen bepalen226. In geval van twijfels zou de federale overheid een referendum (op aanvraag van ten minste 30 % van de kiezers van de gemeente) organiseren. De uitslagen ervan zullen geldend zijn227. De tweede oplossing werd voorgesteld in 1961 door de MPW en liet het gebruik van de talentelling wegvallen (hoogstwaarschijnlijk omwille van de Vlaamse campagne ertegen). De Waalse Volksbeweging stelde het oprichten van een paritaire commissie voor tussen Vlamingen en Walen, belast met de afbakening van de taalgrens. Als onenigheid zou blijven bestaan dan is de organisatie voorstander van het organiseren van een referendum bij de betwijfelde gemeenten228. Bij de twee oplossingen waren de verschillende Waalse organisaties het eens betreffende de aard van het referendum. Vooreerst was de Waalse beweging voorstander van het hertekenen van de gemeentelijke grenzen als de uitslagen laten blijken dat er een omvangrijke minderheid binnen de gemeente leeft. Vervolgens moest het referendum geen betrekking hebben op het taalgebruik maar wel op de wens van de kiezer in welke deelstaat ze zouden willen leven229.
De doelstellingen van de beweging waren hier dubbel : Vlaamse kolonisatie vermijden door het definitieve karakter van de taalgrens aan te vragen en vermijden dat Waalse bevolking tegen hun wensen zich zouden terugvinden in Vlaanderen door soepelheid te eisen bij de definitieve afbakening. De Waalse beweging was dus bevredigd door de definitieve afbakening van de taalgrens in 1962 maar het feit dat Franstalige gemeenten (vooral de Voerstreek) in Vlaanderen geplaatst werden, veroorzaakte harde reacties bij de Waalse militanten.
Over Brussel erkende de Waalse beweging dat het probleem gevoeliger was. De beweging eiste dat het derde gewest (of het federale gebied) ten minste de 19 gemeenten van de Brusselse agglomeratie zou omvatten : het ging om de gemeenten Anderlecht, Brussel, Elsene, Etterbeek, Evere, Ganshoren, Koekelberg, Oudergem, Schaarbeek, Sint-Agatha-Berchem, Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Oode, Sint-Lambrechts-Woluwe, Ukkel, Vorst en Watermaal-Bosvoorde. Een referendum kan in elk van de aangrenzende gemeenten van de agglomeratie ingericht worden op aanvraag van ten minste 30 % van de kiezers230. De MPW pleitte voor het oprichten van een paritaire commissie van Vlamingen, Walen en Brusselaars231.

7.2.2. Nationaliteitsproblematiek



Bij geen van de geraadpleegde documenten vonden we een afwijzing van de Belgische nationaliteit. De Waalse beweging pleitte vooral tijdens de eerste periode voor het inrichten in het Belgische recht van een regionale subnationaliteit. De beweging erkende drie subnationaliteiten : één voor de Walen, één voor de Vlamingen en één voor de Brusselaars. Deze subnationaliteit zou, met als criterium de woonplaats, toegewezen worden vanaf de inwerkingtreding van de federale grondwet. Alle Belgische inwoners zouden het recht krijgen deze subnationaliteit voor een paritaire commissie in vraag te stellen binnen de 6 maanden na de inwerkingtreding van de federale grondwet. De aan deze subnationaliteit verbonden rechten zijn het recht kiezer en kandidaat te zijn bij regionale verkiezingen, het recht lid te zijn van de regionale regering en het recht binnen de regionale ambtenarij te treden232. Deze regeling was ook bedoeld voor de Belgen in het buitenland (en in de koloniën) en voor iedere aanvrager van de Belgische nationaliteit. Ieder conflict betreffende de nationaliteitsproblematiek zou geregeld moeten worden door het Opperste Gerechtshof (een soort Supreme Court, zie verder)233. Over de mogelijkheid van afwisseling van subnationaliteit na de overgangsperiode werd niets gevonden. De bedoeling van de beweging was ongetwijfeld deze subnationaliteit onveranderbaar te maken.
Tijdens de gesprekken met de Vlaamse beweging (voor de akkoorden Schreurs-Couvreur in 1952) werd er een variant uitgevonden. Het gemeenschappelijke manifest legde maar twee subnationaliteiten vast : een Vlaamse en een Waalse. Wat Brussel betreft voorzag het manifest twee gevallen : diegenen die in Wallonië of in Vlaanderen geboren waren zouden respectievelijk de Waalse of de Vlaamse subnationaliteit moeten bekleden ; de anderen zouden zelf hun subnationaliteit moeten kiezen. Deze regeling was ook bedoeld voor de Belgen die in het buitenland of in de koloniën wonen234. Tijdens de tweede periode sprak de Waalse beweging zich niet uit over de kwestie.

7.2.3. Gebruik der talen



Vele Waalse documenten doen beroep op de taalvrijheid : het gebruik der talen in België moet vrij zijn behalve in rechterlijke zaken en in de betrekking tussen de overheid en de burger235. De Waalse organisaties herbevestigden ook het eentalige karakter van Wallonië en Vlaanderen en de tweetaligheid van Brussel (ongeacht het statuut dat zij aan Brussel gaven). De Waalse beweging beschouwde dit als een definitieve verworvenheid : deze taalverdeling van het land moest vermeld worden in een federale wet na de inwerkingtreding van de federale grondwet en dus daarmee de plaats van de taalwetgeving innemen236. De federale wetgever moest ook bevoegd worden voor het statuut van de federale ambtenaren en voor het gebruik der talen in de federale administraties, in de federale parastatalen, in het leger en in de federale instituties (zoals de NMBS en de Nationale Bank). De deelstaten moesten het gebruik der talen in de regionale, provinciale en gemeentelijke administraties regelen237. Brussel kon dus zelfstandig worden hieromtrent maar bij de akkoorden Schreurs-Couvreur maakte de Waalse beweging een concessie t.a.v. de Vlaamse beweging door te aanvaarden dat het taalgebruik in Brussel een federale aangelegenheid moest zijn. Dit standpunt had voornamelijk te maken met het statuut dat de akkoorden aan Brussel zelf toegaven : Brussel werd geen zelfstandig gewest238.
De Waalse beweging was nog niet gerustgesteld met deze taalregeling. Zij wou nog meer zekerheden krijgen voornamelijk t.o.v. een mogelijke vernederlandsing van de ambtenarij. Daarom bepaalden vele Waalse documenten de organisatie van de regionale en federale administratie. Ten eerste eiste de beweging dat de rekrutering bij de regionale administraties op regionale basis gebeurt239, dit zeker om te vermijden dat een burger van een andere gewest een ambt kan bekleden. M.a.w. wou de Waalse beweging vermijden dat Vlamingen administratieve ambten zouden kunnen bekleden in Wallonië. Wat de federale administratie betreft voorzag de beweging een hele reeks maatregelen om een Vlaams overwicht te vermijden. Zij eiste een splitsing van de federale administratie in Vlaamse en Waalse vleugels. Geen talenkennis kon als aanwervingvoorwaarde in aanmerking genomen worden bij de rekrutering voor om het even welk ambt. Bij de directies vroeg de beweging de taalpariteit en bij de uitvoerende diensten moest het evenwicht Vlamingen/Walen schommelen naargelang de noden van de diensten240. De betrekkingen tussen de federale overheid enerzijds en de regionale, provinciale en gemeentelijke administraties en de burger anderzijds moest in de taal van het gewest gebeuren241. Men ziet hier duidelijk de vrees van de Waalse beweging omtrent een vernederlandsing van gans België en een Vlaamse kolonisatie van Wallonië.

7.3. Bevoegdheidsverdeling tussen Wallonië en de federatie




7.3.1. Residuaire versus toegewezen bevoegdheden



Meestal plaatsten de Waalse organisaties de soevereiniteit bij de gewesten. De federatie kreeg alleen soevereiniteit in de zin dat zij uit te oefenen bevoegdheden kreeg van de gewesten. De gewesten zouden dus over de residuaire bevoegdheden beschikken : de bevoegdheden die niet uitdrukkelijk door de federale grondwet toegewezen werden aan de federatie zouden verondersteld zijn tot de gewestelijke materies te behoren. In geval van twijfels zou men de primaat van de gewesten moeten hanteren242. De Waalse socialisten begonnen vanaf 1961 deze primaat in vraag te stellen. Tijdens het congres van 1961 vroegen ze de residuaire bevoegdheden voor de federatie maar een jaar later werd een compromis gevonden : deze kwestie was niet meer van belang. Het belangrijkste was de bevoegdheden waarover Wallonië kon beschikken. Dat de residuaire bevoegdheden al dan niet bij de deelstaten berusten was niet belangrijk zolang Wallonië zijn problemen zelf kon oplossen243. De verslechtering van de economische situatie legde misschien deze verschuiving uit.

7.3.2. Exclusieve bevoegdheden van Wallonië en van België

Toch vonden de Waalse organisaties, die voorstander waren van de residuaire bevoegdheden voor Wallonië dit onvoldoende : zij noemden uitdrukkelijk verschillende gewestelijke materies en eisten dat deze ook door de federale grondwet vermeld worden. Dat kan tegenstrijdig lijken met het beginsel van residuaire bevoegdheden. Uiteraard als het gewest en de federatie respectievelijk de residuaire bevoegdheden en als opgesomde toegewezen bevoegdheden krijgen dan is het onnuttig de gewestelijke bevoegdheden op te sommen. Deze onduidelijkheid is misschien van strategische aard : de opgesomde gewestelijke materies kunnen als minimale eisen beschouwd worden. Als de institutionele gesprekken rond gewestelijke residuaire bevoegdheden slecht verlopen dan beschikt de beweging over een uitweg om de onderhandelingen verder te voeren. Bovendien was deze kwestie niet meer van belang volgens de Waalse socialisten (na 1961) zolang Wallonië over belangrijke bevoegdheden zou beschikken. De hier uiteengezeten materies zijn dus de bevoegdheden die de beweging sowieso aan Wallonië wou toevertrouwen ongeacht het feit dat de gewesten de residuaire gewesten al dan niet krijgen.


Men kan eerst de exclusieve bevoegdheden onderscheiden, dit zijn de materies waarvoor maar één overheid bevoegd is244. Vijf belangrijke sets van exclusieve gewestelijke bevoegdheden kunnen onderscheiden worden. De Waalse organisaties eisten eerst culturele materies. Het ging om de schone kunsten (regionale musea, regionale bibliotheken, cultuursubsidies, etc), volksopleiding (bevorderen van regionale cultuur), radio- en televisieomroep, sportbeleid, toerisme, vrije tijdbesteding en jeugdbeleid245. Het Waalse gewest moest ook de welvaart van zijn burgers kunnen waarborgen en moest dus daarvoor kunnen beschikken over de sociale en bedrijfswetgeving, de huisvesting, de volksgezondheid en de ordehandhaving (controle over de politie en de rijkswacht inbegrepen) in haar materies246.
Vervolgens vormde het onderwijs het derde luik van de Waalse bevoegdheden. De Waalse organisaties waren het allemaal eens het Waalse gewest bevoegd te maken voor het dagelijks organiseren van het onderwijs, het studiebeurzensysteem en de subsidiëring van het vrije onderwijs. Wat het hoger onderwijs en verschillende bepalingen van het Schoolpact betreffen bestonden enige twijfels (zie verder)247. De economische bevoegdheden vertegenwoordigden natuurlijk het hoofddeel van de Waalse eisen. Daartoe behoorden de economische wetgeving, de landbouw, het energiebeleid (o.a. het beheer van de mijnsector) en de economische statistieken en planificatie. Daarnaast zou het Waalse gewest over de nodige instrumenten moeten beschikken om zijn taken adequaat te kunnen vervullen. Ze konden hun administratie zelf regelen en kregen ook een eigen fiscaliteit248.
De federatie zou over weinige exclusieve bevoegdheden beschikken. Haar voornaamste rol zou zich op het internationale toneel situeren. Uiteraard moest het buitenlandse beleid volledig in handen blijven van de Belgische overheid. Daarenboven kreeg zij de landsverdediging tot haar bevoegdheden. Op nationaal vlak moest zij voor de nationaliteits-, emigratie- en immigratieproblematiek zorgen. Zij moest ook de godsdienstregeling en de persvrijheid waarborgen. Voor de rest zou zij haar bevoegdheden moeten verdelen met de gewesten.


7.3.3. Afwijkingen : gedeeltelijk exclusieve, parallelle en concurrerende bevoegdheden



Vlug leek het systeem van totaal van elkaar afgescheiden bevoegdheden onvoldoend voor de Waalse organisaties. De nood aan coördinatie enerzijds en de aard zelf van de materies anderzijds verplichtten de Waalse beweging na te denken over een systeem waarin de federatie en de deelstaten voor bepaalde problemen samen bevoegd zijn. In deze gevallen spreekt men van parallelle en van concurrerende bevoegdheden. De parallelle bevoegdheden hebben betrekking op de materies waarvoor verschillende overheden bevoegd zijn maar elk voor hun grondgebied. Volgens de Waalse documenten vormde het gebruik der talen het voorbeeld bij uitstek : zoals in punt 7.2.3. beschreven zou de federale overheid verantwoordelijk zijn voor het gebruik der talen in de federale administratie terwijl de deelstaten het voor de regionale, provinciale en gemeentelijke publieke diensten zouden regelen249. Voor de openbare werken en de vervoer- en communicatiemiddelen gold dezelfde regeling. De federale overheid zou bevoegd zijn voor de interregionale en omvangrijke vervoer- en communicatiemiddelen : beheer en aanleg van autosnelwegen en interregionale wegen, beheer van de luchtwegen en van de luchthaven in Zaventem, beheer van de zeevaart en van de verschillende zeehaven en spoorwegen. Het gewest zou voor het regionale luik van het vervoer zorgen : lokale en regionale wegen, regionale luchthavens en vliegvelden, binnenvaart, bussen en tramways250. Toch pleitten sommige organisaties (o.a. de RW) voor de volledige federalisering van het vervoer251. Daarnaast was de justitie ook een parallelle materie : de federatie moest federale rechtbanken oprichten terwijl elk gewest over haar eigen rechtbanken beschikte. We gaan hier niet verder op in want dit onderwerp zal in punt 7.7. behandeld worden. De federatie was ook bevoegd voor het opstellen van verschillende takken van het recht zoals het burgerlijke recht en het strafrecht252.
De concurrerende bevoegdheden hebben betrekking op materies waarover verschillende overheden wetten kunnen opstellen maar waarin de federale wetgeving voorrang heeft op de regionale wet. In de Waalse documenten werden uitsluitend oneigenlijke concurrerende bevoegdheden gevonden. In deze gevallen stelt de federatie enkel de basisregels op. De deelstaten kunnen deze regels invullen naargelang hun noden zolang ze geen tegenstrijdige wetten maken met de federale wetgeving. De Waalse beweging pleitte dat dit het geval moest zijn voor de materies m.b.t. het onderwijs. Zoals al aangehaald zouden de gewesten bevoegd zijn voor het dagelijkse organiseren van het onderwijs, het studiebeurzensysteem en de subsidiëring van het vrije onderwijs. Sommige Waalse organisaties pleitten er voor dat de federatie de basisregels opstelt voor het organiseren van het officiële en vrije onderwijs en voor de subsidiëring van het vrije onderwijs253. De ruimtelijke ordening is hier ook een voorbeeld van : terwijl de algemene conceptie federaal was zou de deelstaat het urbanisme, de opbouw en beheer industriële zoning, de huisvesting en de grondbelastingen regelen. Eén van de materies waarin de federale staat naast de gewesten kon handelen betrof de economie. In de Waalse documenten kreeg de Belgische staat niet te negeren bevoegdheden : het slaan van de munt en het opstellen van het basisreglement van de economie o.a. het eigendomsrecht en de algemene sociale verplichtingen voor de bedrijven. Op juridisch vlak moest de federatie de waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechters en de basisbeginselen van het recht in haar grondwet neerschrijven254.
De derde vorm omvat de gedeeltelijk exclusieve bevoegdheden. Het gaat om materies waarvoor de deelstaten bijna volledig bevoegd zijn. De federale overheid kan alleen maar handelen in welomschreven en uitzonderlijke gevallen: het betreft meestal de controlefunctie van de federatie. Zo gaven de Waalse socialisten in 1961 de mogelijkheid aan de federatie om het gewest te vervangen indien de deelstaat de federale basisregels betreffende het onderwijs niet respecteert. De rol van de federatie kan ook een coördinatiefunctie zijn. Nog steeds m.b.t. het onderwijs bepaalden de Waalse socialisten dat de federatie de taak kreeg de inspanningen van het hoger onderwijs (o.a. betreffende het wetenschappelijke onderzoek) te coördineren. Bij het economische beleid kreeg de federatie twee specifieke taken : coördinatie van het regionale beleid (o.a. qua vervoerbeleid, controle op financiële sector en energieplanificatie) en het voeren van onderhandelingen voor en het tekenen van internationale verdragen namens de gewesten255.

7.3.4. Als besluit : wie krijgt wat ?

Zoals in de huidige Belgische staatsvorm, vormden de regels rond de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende overheden een zeer moeilijk onderwerp. Daarom is het nodig een kleine samenvatting te maken van deze kwestie. De deelstaten beschikten over de residuaire bevoegdheden. De gewesten kregen uitdrukkelijk de cultuur, de welvaart, het onderwijs, de economie en de interne autonomie. Zij moesten ook de taalregeling en de openbare werken binnen hun grondgebied behandelen. Tevens werden zij ook belast met organiseren van de justitie. De federatie had welomschreven taken : het buitenlandse beleid en de defensiepolitiek, het organiseren van de federale rechtbanken, het opstellen van bepaalde takken van het recht, en het slaan van de munt. Taalregeling bij de federale administratie en interregionale communicatie- en vervoermiddelen moesten door de Belgische staat geregeld worden. De federale staat diende ook de basisbeginselen van de economie, het recht en het onderwijs te regelen. De federatie bekleedde daarenboven een rol van controle t.o.v. en van coördinatie tussen de gewesten voornamelijk wat het onderwijs en de economie betreft.



7.4. De politieke instellingen van Wallonië




7.4.1. De Waalse wetgevende macht



Een van de grootste vraagstukken waarmee het Waalse federalisme zich bezig hield was de kwestie rond de organisatie van een toekomstig Waals parlement, o.a. de vraag of het monocameraal of bicameraal moest georganiseerd worden. De Waalse organisaties bleven verdeeld omtrent deze problematiek : de klassieke Waalse drukkingsgroeperingen (Wallonie Libre, het CNW, Rénovation wallonne) waren voorstander van een regionale kamer terwijl de organisaties die tot de RW leidden (MPW, Front wallon en Parti wallon), zich voor twee kamers op regionaal vlak uitspraken. Het verschil lag in feite niet in de vraag over het aantal kamers maar wel over de aard en het nut van de tweede kamer. In alle documenten werd er gepleit voor het oprichten van alleen maar één legislatieve kamer. Deze zou door verkiezing ontstaan met toepassing van het algemene stemrecht. De Waalse organisaties kozen voor het proportionele systeem en voor een ambtstermijn van vier jaar. Toch lieten zij de vrijheid aan de toekomstige assemblée om zelf zijn electoraal systeem te kunnen bepalen256. Het aantal regionale kamerleden schommelde te sterk om één aan alle documenten gemeenschappelijk aantal te kunnen geven. Daarom werd het ook meestal aan de goede wil van het Waalse parlement overgelaten. Om kandidaat te zijn werd bijna altijd de woonplaats gehanteerd als criterium (samen met de meerderjarigheid) : de Waalse beweging vroeg dat de toekomstige kamerleden een bepaalde periode doorgebracht zouden hebben in Wallonië vooraleer zich kandidaat te kunnen stellen (tussen 6 maanden en 5 jaren naargelang de documenten)257.
De akkoorden Schreurs-Couvreur van 1952 bepaalden dat uit de 140 Waalse kamerleden 15 uit Brussel moesten komen, dit omwille van het speciale statuut van Brussel258. Deze variant blijft een uitzondering voor de Waalse beweging. Een andere variant was de formule van het congres van de Waalse socialisten op 25 en 26 november 1967. De Waalse socialisten vonden de rechtstreekse verkiezing van de regionale kamerleden fundamenteel maar wezen tevens de onmiddellijke toepasbaarheid ervan af. Daarom stelden zij een overgangsoplossing voor. Het eerste Waalse parlement zou samengesteld moeten zijn uit alle nationale parlementairen afkomstig uit de Waalse kieskringen (gecoöpteerde senatoren inbegrepen), uit vertegenwoordigers van de provincieraden en uit vertegenwoordigers van de actieve bevolking259. Deze oplossing lijkt heel veel op de regeling hieromtrent die de gewestelijke en gemeenschappelijke raden toepasten tot de Sint-Michielsakkoorden.
De tweede kamer kreeg volgens de Waalse documenten die deze kamer vermelden, altijd een consultatieve functie. Tijdens de eerste periode ging het meestal over een politiek orgaan, die als reflectiekamer zou moeten functioneren. Deze kamer zou geen macht hebben omtrent het regionale wetgevingsproces en het vertrouwen aan de regering (o.a. tijdens de investituur). Zijn functie zou vooral de parlementaire controle op de regering en het adviseren op regionale wetsontwerpen en –voorstellen zijn. In de tweede periode kon men een verschuiving vaststellen : de tweede kamer werd een sociale en economische raad. Hij zou uit vertegenwoordigers van de actieve bevolking (werknemers- en werkgeversorganisaties) samengesteld zijn en zijn taak zou voornamelijk omvatten het goedkeuren van het economische plan (besluitvormingsfunctie) en het adviseren over economische regionale wetsontwerpen en –voorstelen (raadgevende functie) omvatten260.
De bevoegdheden van de legislatieve kamer zijn die van een klassiek parlement. Het toekomstige Waalse parlement zou eerst de taak van wetgever vervullen. De regionale wet zou dezelfde juridische kracht hebben als een federale wet. De regionale kamer kreeg daarvoor een ganse reeks klassieke parlementaire instrumenten : initiatiefrecht, amenderingsrecht en de plicht elk voorstel of ontwerp artikel per artikel te stemmen. Hij kreeg ook de bevoegdheid zijn interne reglement zelf te bepalen en de interpretatie van de regionale wet moest exclusief via het Waalse parlement gebeuren. De tweede taak van het Waalse parlement zou de controle op de Waalse regering zijn. Hij beschikte hiervoor over het vragen- en interpellatierecht, het onderzoeksrecht, het vorderen van aanwezigheid van de regionale ministers en de ministeriële beschuldiging261. Wat de parlementaire controle betreft stelden de Waalse socialisten in 1967 de verplichting voor de Waalse regering een jaarrapport over haar activiteiten op te stellen, die door het Waalse parlement diende goedgekeurd te worden262. De Waalse parlementsleden kregen nog bijkomende bescherming om hun taak goed te kunnen vervullen : parlementaire onschendbaarheid en financiële vergoeding (ten koste van de regionale staat)263.

7.4.2. De Waalse uitvoerende macht



De Waalse organisaties waren het minder eens over de kwestie rond de samenstelling en de bevoegdheden van de toekomstige Waalse regering. Het eerst betwistbaar punt betrof de al dan niet aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het centrale gezag in de deelstatenregering. Tot 1961 was de beweging van plan dit te vragen. Dit ambt kreeg de benoeming van Gouverneur général of Commissaire royal. Hij zou benoemd worden door de centrale regering op voordracht van de (legislatieve) regionale kamer. Zijn taak was niet duidelijk omschreven maar de verschillende documenten lijken deze gouverneur te beschouwen als een vervanger van de koning op regionaal vlak. Hij was politiek onverantwoordelijk : al zijn officiële daden moesten ondertekend worden door regionale ministers. Daarenboven werd zijn belangrijkste taak de bekrachtiging en de aankondiging van de regionale wet264. Hij zou de regionale ministers benoemen op voordracht van de regionale kamer265. In vele documenten kreeg hij andere bevoegdheden maar de verwoording van deze documenten lijken op de verwoording van de huidige grondwet wat de koningsbevoegdheden betreft : de koning kreeg veel macht maar die wordt feitelijk door de federale regering uitgeoefend. De bedoeling van de meerderheid van de Waalse documenten was zeker de feitelijke uitoefening van de gouverneursbevoegdheden over te laten aan de deelstatenregering.
Vanaf het congres van de Waalse socialisten in 1962 verloor deze kwestie aan belang. Men pleitte gewoon voor een Waalse regering. De regionale regeringsvorming zou op regionaal vlak gebeuren. De formateur zou door de regionale kamer benoemd worden. Na de samenstelling van zijn regering zou hij voor de kamer moeten verschijnen voor de investituur 266. De Waalse regering kreeg de gewone bevoegdheden van een parlementaire regering : zij zou de verordeningen moeten maken en de besluiten moeten nemen die voor de uitvoering van de gewestelijke wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te kunnen schorsen of van hun uitvoering te ontslaan, m.a.w. werd zij belast van de uitvoering van de regionale wetten267. Zij kreeg bijkomende taken : opstellen van het regionale beleid (dus wetgevende initiatief), Wallonië vertegenwoordigen tegenover de federatie, de andere deelstaten en het buitenland en het controleren van de (economische) gespecialiseerde instellingen (zoals het regionale planningsbureau, zie verder)268. Tussen de regionale kamer en de regionale regering werd hetzelfde machtsevenwicht gezocht als op Belgische vlak : tegenover de parlementaire controle werd het recht van ontbinding van de regionale kamer geplaatst. Dit recht bleef nochtans beperkt : de kamer zou zijn positieve mening moeten geven vooraleer de ontbinding effectief wordt269. Tijdens het congres van Verviers in 1967 stelden de Waalse socialisten een alternatief voor aan de parlementaire (of politieke) regering: de economische en sociale regering. Dit is te herleiden tot de theorie rond de democratische economie en zal dus aan bod komen in hoofdstuk 8.


7.5. De federatie en de mechanismen ter bescherming der minderheden

Het doel van de federalisering van België was de mogelijkheid bieden aan Wallonië zijn problemen zelf op te lossen. Daarvoor waren verschillende voorwaarden vereist zoals de autonomie van Wallonië. Een andere voorwaarde was de politieke gelijkheid tussen Vlaanderen en Wallonië, dit om de minorisering van het Waalse volk te vermijden. Dit diende natuurlijk op federaal niveau gerealiseerd te worden.



7.5.1. De federale wetgevende macht



De Waalse beweging was bewust dat deze voorwaarde een hervorming vereiste van de samenstelling van de nationale wetgevende macht. Haar eisen concentreerden zich op de pariteit in zetels tussen de Waalse, Vlaamse en Brusselse uitverkozenen. De meningen verschilden toch rond de vraag hoe dit concreet georganiseerd moest worden en voornamelijk of men een mono- of bicameraal systeem moest inrichten. Bij de studie van de Waalse documenten werden er drie soorten systemen gevonden. Tijdens de eerste periode pleitte de beweging voor twee federale kamers : de Kamer van volksvertegenwoordigers (of Nationale Raad) zou de emanatie zijn van de ganse Belgische bevolking terwijl de Senaat (of Statenraad) de beschermer van de rechten van de gewesten zou zijn270. De pariteit in zetels zou van toepassing zijn in de Nationale Raad en in de Statenraad maar Brussel zou minder zetels krijgen bij de Kamer dan Wallonië en Vlaanderen. De Kamerleden zouden door de bevolking verkozen worden terwijl de senatoren aangeduid zouden worden door de drie regionale raden271.
Tijdens de tweede periode vochten twee voorstellen tegen elkaar. Het eerste werd door de Waalse socialisten en de klassieke Waalse drukkingsgroepen ontwikkeld. Het ging om een bicameraal systeem met een demografische Kamer en een geografische Senaat. De Senaat zou paritair samengesteld zijn met een gelijk aantal verkozen senatoren voor de Waalse en Vlaamse arrondissementen. Brussel kreeg minder senatoren en de pariteit tussen Franstaligen en Nederlandstaligen zou ook van toepassing moeten zijn onder de Brusselse senatoren272. De Kamer zou de demografische kamer vormen zoals de huidige Kamer. De Waalse organisaties hadden toch enkele bezwaren tegen het louter bestaan van een demografische kamer. Bij een pluralistisch federaal land (zoals de U.S.A.) vormde dit geen probleem maar in een duaal systeem zoals België, waar een volk zeker is de meerderheid te hebben stelde een demografische kamer problemen. Daarom vroegen zij dat mechanismen ter bescherming van de minderheden (zoals bijzondere meerderheid) gebruikt werden in de Kamer der Volksvertegenwoordigers. Een andere voorwaarde tegen de minorisering was dat de beide kamers dezelfde bevoegdheden krijgen273. Het derde alternatief werd door de RW en zijn voorafgaande organisaties verdedigd. Deze associaties pleitten voor een monocamerale wetgevende macht. De kamer zou paritair en uit verkozen volksvertegenwoordigers samengesteld zijn 274.
Een ander mechanisme ter bescherming van de Waalse minderheid lag bij de werking van de federale kamers. Verschillende documenten hadden betrekking op het mogelijk gebruik van bijzondere meerderheid bij een enkele of de beide assemblées. Deze bijzondere stemprocedure kon verschillende vormen aannemen. De besprekingen binnen de Waalse beweging vonden eerst plaats rond de betrokken kamer : bij een monocameraal systeem was deze stemprocedure altijd van toepassing en bij twee federale kamers kreeg enkel de senaat deze verplichting. Vervolgens discussieerde men over de vereiste voor een bijzondere meerderheid. Bij het éénkamersysteem was het voor alle materies en als een senaat nodig was moest deze kamer de bijzondere stemming toepassen enkel voor bijzondere aangelegenheden zoals de bescherming der minderheden of de goedkeuring van belangrijke internationale verdragen. Uiteindelijk vormden de toe te passen voorwaarden het laatste discussiepunt : meestal pleitte de Waalse beweging voor een gewone meerderheid bij de Waalse en Vlaamse parlementaire groepen maar soms werd een 2/3 meerderheid vermeld275.

7.5.2. De federale uitvoerende macht



De eerste eis van de Waalse beweging betreffende de federale regering was natuurlijk zijn paritaire samenstelling. Het aantal Waalse en Vlaamse ministers zou gelijk moeten zijn en Brussel zou een gewaarborgde vertegenwoordiging krijgen. Er zou ook een wisseling kunnen gebeuren tussen Vlaamse en Waalse politici voor het bekleden van het ambt van Premier276. Over de regeringsvorming spraken de Waalse organisaties zich meestal uit voor de traditionele procedure maar de MPW vond in de regeringsvorming een mogelijke waarborg voor de Waalse minderheid : de Vlaamse en Waalse toekomstige ministers zouden aangeduid en benoemd worden door hun eigen parlementaire groep (de Waalse ministers door de Waalse verkozenen en de Vlaamse ministers door de Vlaamse verkozenen)277. De Parti wallon was ook voorstander van een dubbele meerderheid voor de federale regering (één in Wallonië en één in Vlaanderen) door aan te vragen dat de regering uit de dominante politieke tendens uit Wallonië en uit de dominante politieke tendens uit Vlaanderen samengesteld zou zijn278.
De Waalse beweging interesseerde ook zich aan de interne en externe werking van de federale regering. De beweging was voorstander van de collegialiteit van de regeringsbeslissing, maar vreesde dat zulke regeling de regering zou kunnen blokkeren. Daarom stelde de MPW de 2/3-meerderheid voor als interne procedure. De organisatie legde een bijkomende voorwaarde vast : er zou geen beslissing komen als het geheel van de Waalse of Vlaamse ministers ertegen waren. Deze maatregelen moesten de ministers verplichten overleg te plegen vooraleer een beslissing te nemen en vermijden dat een beslissing genomen wordt tegen de wil van de Walen. Tijdens haar congres van 1961 vond de MPW nog bijkomende originele waarborgen voor Wallonië uit : het wetgevende initiatief zou enkel tot de federale regering behoren omdat een regeringsinitiatief onderhandelingen vereist tussen de Vlaamse en Waalse ministers terwijl een parlementair initiatief zich enkel op een Vlaamse meerderheid kan baseren. Daarenboven zouden de ministers enkel verantwoordelijk zijn t.a.v. hun eigen regionale parlementaire groep, m.a.w. konden geen Waalse ministers afhankelijk zijn van de Vlaamse meerderheid in het federale parlement. Dit is te herleiden tot het systeem van de dubbele meerderheid279.

7.5.3. De herziening van de federale grondwet



De Waalse beweging leek er niet zich van bewust te zijn dat de procedure voor een staatshervorming een waarborg van groot belang kon vormen om de zogenaamde Vlaamse suprematie te dwarsbomen. De Waalse organisaties vreesden dat het toevoegen van bijkomende voorwaarden de procedure tot grondwetsherziening zou compliceren en bijna onmogelijk maken280. Dat zou tegen hun belangen indruisen aangezien zij jarenlang tevergeefs een staatshervorming vroegen. De slechte ervaringen van de Waalse beweging met de poging tot staatshervorming in het midden van de jaren '60 liggen zeker aan de basis van deze desinteresse.
Toch besteden verschillende teksten aandacht aan deze kwestie. Tijdens de eerste periode vond de Waalse beweging het systeem van de 2/3-meerderheid (2/3 aanwezig en 2/3 ja-stemmen) een voldoende waarborg. Voor de tweede periode vermeld enkel één tekst deze problematiek : het politieke rapport van het MPW-congres in 1961. De Waalse Volksbeweging interpreteerde de Belgische staat als een associatie tussen drie entiteiten. Als er veranderingen nodig zouden zijn dan moest de mening van deze entiteiten gevraagd worden. Een staatshervorming moest op federaal niveau blijven maar samen met een gewone meerderheid bij het ganse federale parlement moest men een gewone meerderheid bij de Vlaamse, Waalse en Brusselse parlementaire groep vinden. Als de Vlaamse of Waalse parlementaire groep tegen een hervorming zou zijn dan wordt deze gewoon verworpen. Als de blokkering bij de Brusselse groep berust dan moet een tweede lezing gebeuren waar een gewone meerderheid in het parlement en in de Vlaamse en Waalse groep vereist is281.


7.6. Specifieke gebieden




7.6.1. Brussel

Zoals in deel 1 gezien bestond er geen éénsgezindheid binnen de Waalse beweging over de plaats van Brussel in het toekomstige federale België. De discussies verliepen rond twee vragen : het statuut van Brussel (al dan niet een deelstaat) en de eraan gekoppelde bevoegdheden.


Betreffende het statuut van Brussel stonden twee theorieën tegenover elkaar : het federalisme met twee (Wallonië en Vlaanderen) en het federalisme met drie (met Brussel als derde gewest). De voorstanders van het federalisme met twee waren het talrijkst. Hun voornaamste argument was dat het inrichten van een Brussels gewest de macht van Brussel nog zou vergroten. De Brusselse bevolking vormt geen volk en natie zoals Vlaanderen en Wallonië en kan dus het statuut van deelstaat niet krijgen. Een minderheid stopte haar redenering hier en vroeg dat Brussel via de instellingen van de agglomeratie de gemeentelijke bevoegdheden zou uitoefenen en dat de federatie met de deelstaatbevoegdheden belast zou zijn282. Dat was het geval voor de afgeleide organisaties van de RW. Het federalisme met drie werd verdedigd door de Waalse socialisten tijdens de eerste periode. Brussel moet het statuut krijgen van een volwaardige deelstaat. Brussel heeft volgens hen een regulerende rol in de Belgische politiek en het niet-inrichten van een derde gewest zou Wallonië en Vlaanderen tegenover elkaar plaatsen. Dit zou tot gevaarlijke situaties en zelf tot de splitsing van België kunnen leiden. De Waalse socialisten erkenden dat Brussel geen natie was maar toch een gemeenschap van burgers met dezelfde rechten als de Waalse en Vlaamse burgers. Zij hebben dus het recht hun zaken zelf te regelen en niet ondergeschikt te worden aan een andere gemeenschap van burgers283. De Waalse socialisten wilden ook het ontstaan van een Franstalige politiek en van Franstalige politieke partijen vermijden waarin de Franstalige Brusselaars een te grote invloed zouden krijgen. Het laatste voordeel was dat een Brussels gewest met volwaardige rechten nuttig voor Wallonië kon zijn. Samen met het Waalse gewest zou Brussel een front kunnen vormen tegen Vlaanderen en dus een compensatie bieden voor de demografische teloorgang van Wallonië284.
Het tweede vraagstuk over de bevoegdheden was natuurlijk nauw verbonden met de kwestie rond het statuut van de federale hoofdstad : een volledige en volwaardige erkenning van Brussel door de federale grondwet impliceert meer bevoegdheden voor de stad. Toch was deze band niet absoluut. De meerderheid van de Waalse organisatie koos voor een compromis tussen de twee vormen van federalisme. Zij gebruikten daarvoor de argumenten van de twee voorstellen : Brussel is geen natie dus kreeg niet het statuut van gewest maar omdat de Brusselse bevolking een gemeenschap van volwaardige burgers was, moest het Brusselse gewest over ruime bevoegdheden beschikken285. Het verschil met een absoluut federalisme met twee was een grotere set van bevoegdheden : het ging meestal om de culturele autonomie en meer middelen voor het beheer van de stad (water, openbare werken, onderhoud van wegen, gas en elektriciteit, openbaar vervoer, sociale diensten, brandweer en ordehandhaving)286. Vaak pleitte de Waalse beweging ervoor dat Brussel (territoire fédéral genoemd) dezelfde bevoegdheden kreeg dan de volwaardige deelstaat. Brussel zou ook een verkozen parlement en een parlementaire regering (met pariteit) krijgen.
Het verschil met het federalisme met drie ging verder dan louter de benaming van Brussel : Brussel zou een kleinere vertegenwoordiging in de federatie (federale regering en geografische senaat) hebben en zou voor “gevoelige” materies afstand moeten doen van zijn bevoegdheden ten voordele van een andere overheid. Het ging meestal om de taalregeling in Brussel en het bedrijfs- en economische beleid. Wat de eerste betreft wou de Waalse beweging de Vlamingen uit Brussel geruststellen om misbruiken vanuit de franstalige meerderheid te vermijden. De akkoorden Schreurs-Couvreur stelden de oprichting voor van een paritaire commissie belast met controle op de taalwetgeving in Brussel287 terwijl de MPW voorstander van een federale controle was. Wat het economische en bedrijfsbeleid betreft wou de Waalse beweging vermijden dat omdat de grote financiële en industriële conglomeraten in Brussel gevestigd waren, het Brusselse gewest daarmee controle kreeg op het Waalse economische beleid. De beweging pleitte dus voor een federale controle288. Deze tussenoplossing is niet te verwarren met het rapport van het Waalse nationale congres van 1946 in Charleroi. Het hier uiteengezette federalisme was een compromis tussen de theorieën van federalisme met twee en van federalisme met drie terwijl het rapport van het CNW duidelijk tot de theorie van federalisme met twee behoorde. Het Waalse nationale congres verdedigde de oprichting van twee gewesten en van een federaal gebied (met zwakke bevoegdheden) maar liet de vrijheid aan de Brusselaars om zelf via een referendum te kunnen bepalen of zij een Brussels gewest wensten289.

7.6.2. De provinciale en gemeentelijke autonomie



De Waalse beweging was niet tegen het behoud van de provinciale indeling binnen een federale België. Integendeel pleitte zij soms voor de versterking van de provinciale bevoegdheden omwille van de intrinsieke kenmerken van de institutie. Ten eerste vormt de pluraliteit van de instituties een intellectuele rijkdom volgens de beweging. Door het dichte karakter van de provincie wordt de participatie van de bevolking aan het publieke leven gemakkelijker en haar beleid meer legitiem. Haar beleid wordt ook effectiever omdat, omdat de Waalse provincies sociaal en economisch verschillend zijn, de provinciale instellingen meer aangepast zijn aan de lokale noden. Vervolgens beantwoordt de provinciale autonomie aan de lange traditie van decentralisatie naar de lokale overheid toe. Tot slot wordt de lokale autonomie als een verworven recht beschouwd door de bevolking omwille van deze lange traditie. Dit ontnemen zou dus beschouwd worden als een serieuze inbreuk op de rechten van de burgers290.
De provinciale indeling zou dus behouden worden maar met toch enkele veranderingen : de provincie Brabant zou in twee verdeeld worden, Vlaams en Waals Brabant en Brussel zou onttrokken worden aan de provinciale indeling291. De provinciale wet zou een regionale wet worden en het gewest zou een grote vrijheid krijgen om dit te regelen. Toch moesten enkele basisregels vermeld worden door de federale grondwet : het behoud van de provinciale indeling, de afbakening van de provincies, de directe verkiezingen van de leden van de provincieraden, de provinciale bevoegdheden (alles wat van provinciaal belang is), de openbaarheid van vergaderingen, de openbaarheid van begrotingen en van rekeningen en het gewestelijke wettigheidtoezicht. De provinciegouverneur zou door de gewestelijke regering benoemd worden292.
Wat de gemeentelijke autonomie betreft vonden de Waalse organisaties het onnuttig die te verdedigen aangezien het voortbestaan van de gemeenten zo evident leek voor de Waalse militanten. De gemeentewet moest gewestelijk worden en de Waalse beweging wou dat dezelfde waarborgen als voor de provincies, vermeld zouden worden in de federale grondwet. Daarenboven zouden de gemeenten hun exclusieve bevoegdheid op het gebied van het opmaken van akten van de burgerlijke stand behouden. De burgemeester zou door de gewestelijke regering benoemd worden293.

7.6.3. De Oostkantons



De Oostkantons vormden volgens de Waalse beweging een aparte en homogene taalgemeenschap met een eigen taal en cultuur. Daarom zouden die een speciaal statuut krijgen in de federatie. Toch was de beweging tijdens de eerste periode niet van plan veel autonomie te geven aan de Duitstaligen. De beweging was er voorstander van dat Malmedy en haar omliggende Franstalige gemeenten aangehecht zouden worden door het Waalse gewest. De steden Eupen en Sint-Vith en duitstalige gemeenten rond Malmedy zouden een verregaande gemeentelijke autonomie krijgen en onder de federale bevoegdheid vallen. Een raadgevende kamer zou verkozen kunnen worden. Speciale vertegenwoordiging in het federale parlement was uitgesloten294. Tijdens de tweede periode vertoonde de beweging meer begrip voor de rechten van de Duitstaligen. Zelfs als zij de aanhechting van Malmedy bleef steunen voegde de beweging er bij dat de afbakening via een referendum (gemeente per gemeente en ook buurt per buurt) moest gebeuren295. De Oost-kantons zouden een administratieve en culturele autonomie met een eigen verkozen parlement en regering en een gewaarborgde vertegenwoordiging in het federale parlement (ten minste een per kamer) krijgen. Voor de andere materies zouden zij vrije keuze krijgen of zij onder de Waalse of federale bevoegdheid vielen296.

7.7. De rechterlijke macht




7.7.1. De Lage rechtbanken



De Waalse beweging leek voorstander te zijn van een federalisering van de justitie. Het rechterlijke apparaat zou tot en met het Hof van Beroep georganiseerd worden door de regionale wetgeving. Deze scheiding moest het eentalige karakter van de Waalse en Vlaamse rechtspraak waarborgen. Voor Brussel diende het tweetalig te zijn. Er kon daardoor geen taalvereiste gehanteerd worden bij de benoeming van Waalse rechters297. Deze scheiding moest ook uitgedrukt worden in het bestaan van vijf Hoven van Beroep : twee voor Wallonië (Luik en Bergen), twee voor Vlaanderen (Gent en Antwerpen) en een in Brussel. De rechtsgebieden mochten nooit de regionale grens overschrijden. Dit moest ook het geval zijn voor de andere rechtbanken : hun respectievelijke rechtsgebieden moesten zodanig aangepast worden dat zij met het regionale gebied samenvallen298.
De federatie zou toch belangrijke bevoegdheden behouden betreffende de organisatie van de lage rechtbanken. De federale grondwet moest de waarborgen bevatten van de onafhankelijkheid van de rechter : de rechter wordt levenslang benoemd, hij kan niet overgeplaatst worden zonder een officiële nieuwe benoeming en zonder zijn toestemming. Hij kan tevens niet van zijn plaats ontzet of geschorst worden dan via een vonnis. Hij mag ook geen betaald administratieve ambt bekleden. De basisbeginselen van het recht moesten ook door de federale grondwet vermeld worden : de gewone rechter is bevoegd zaken te oordelen rond burgerlijke rechten en ook rond politieke rechten die een regionale wet aan een administratieve rechtbank niet uitdrukkelijk toegeeft. Geen buitengewone rechtbank kon ingericht worden en het opstellen van een rechtbank kon enkel via een (regionale of federale naargelang de bevoegdheden) wet gebeuren. De terechtzittingen zijn openbaar, de rechtspraak dient gemotiveerd te zijn en jury moet opgesteld worden voor misdaden en politieke en persmisdrijven299.

7.7.2. De Hoge rechtbanken



De hoge rechtbanken zijn de rechtbanken die boven het hof van beroep in de rechtshiërarchie liggen300. In het huidige Belgische recht gaat het om de Raad van State, het Arbitragehof en het Hof van Cassatie. Deze hoven vervullen een belangrijke controlefunctie in het Belgische recht. Daarom was het onmogelijk voor de Waalse beweging de functies die zij vervullen, niet af te staan aan een of een andere Hof.
De eerste functie is deze van het huidige Hof van Cassatie, d.w.z. de waarborg van de eenheid van het recht. Volgens de Waalse documenten betekende het concreet dat het hof over de eenheid van toepassing van de regionale en federale wetten moest zorgen. Het Hof zou ook bevoegdheidsgeschillen tussen twee verschillende rechters beoordelen. De beweging vreesde toch dat Vlaamse en Waalse rechters vaak van mening zouden verschillen en daardoor de rechtspraak van het Hof blokkeren. Ter oplossing stelde de beweging twee hypothesen voor. De ene pleitte voor het oprichten van drie regionale Hoven van Cassatie (een per gewest). De andere was voorstander van het behoud van een uniek Hof (onder federale bevoegdheid). Voor de geschillen betreffende alleen maar Waalse of Vlaamse wetten zou het Hof bijeenkomen respectievelijk in een Waalse of Vlaamse kamer. Als federale of Brusselse wetten erbij betrokken zouden zijn dan zou de gemengde kamer belast worden van de zaak301.
Vervolgens onderzochten de Waalse organisaties de regeling van geschillen tussen de overheid en de burger. De Waalse beweging stond niet vijandig t.a.v. het behoud van de Raad van State. De bespreking verliep rond de vraag of Waalse administratieve akten door een federaal hof beoordeeld konden worden. De Waalse organisaties waren niet van plan dit te aanvaarden. Zij pleitten dus voor de volgende regeling : een federale Raad van State voor de geschillen tussen de burger en de federale overheid en drie regionale Hoven van Administratieve Contentieux voor de geschillen tussen de regionale regering en de burger302. Gevoeliger was de discussie rond de geschillen tussen overheden (tussen het gewest en de federatie en tussen de gewesten onderling). Aangezien het Arbitragehof nog niet bestond moesten de Waalse organisaties een nieuwe instantie bedenken. Zij noemde dit nieuwe hof Cour Suprême fédéral (Federale Opperste Gerechtshof). Zijn voornaamste doel zou het in stand houden zijn van de goede harmonie tussen de federatie en de gewesten en tussen de gewesten onderling. Zijn functie zou het regelen van bevoegdheidsgeschillen tussen overheden, de regeling van geschillen tussen rechters van twee verschillende gewesten en de interpretatie van samenwerkingsakkoorden tussen gewesten omvatten 303. Het Hof zou paritair samengesteld zijn uit Walen, Vlamingen en Brusselaars en enkel politieke instanties (federale en regionale regering en parlement) zouden een beroep tot vernietiging kunnen instellen. Gewone burgers zouden deze mogelijkheid alleen krijgen als zij kunnen bewijzen dat de omstreden akte een persoonlijke schade heeft aangebracht. De juridische kracht van zijn arresten zou deze van een nietigverklaring zijn : ze zouden ex tunc en erga omnes gelden, d.w.z. dat de vernietigde akten geacht zijn nooit bestaan te hebben en dat het arrest niet enkel van toepassing is voor de besproken zaken maar ook voor de andere zaken met hetzelfde probleem304.
Er bestond minder eensgezindheid binnen de Waalse beweging rond de problematiek van het grondwettelijkheidtoezicht. Het toetsen van federale maar vooral regionale wetgevende akten aan de grondwet zou een inbreuk zijn op de voorrechten van de regionale kamer (eigen interpretatierecht). De beweging vreesde daarmee dat de rechters via zulke arresten in de politieke debatten zich zouden kunnen inmengen. De vrees van een Gouvernement des Juges dook op305. Toch verwierpen enkele Waalse documenten dit argument en gaven deze bevoegdheid aan het Opperste Gerechtshof306. De laatste controlebevoegdheid van Hoge rechtbanken is het veroordelen van ministers in functie of van politici voor daden die zij tijdens hun ministerschap gepleegd hebben. Het Opperste Gerechtshof kreeg meestal deze bevoegdheid zowel voor federale als voor regionale ministers. De inbeschuldigingstelling en het dagvaarden voor het Opperste Gerechtshof van federale en regionale ministers zou respectievelijk door de federale senaat en de regionale kamer gebeuren. De gevallen van verantwoordelijkheid, de straffen en de procedure zouden door een federale wet geregeld worden307.

7.8. Speciale materies




7.8.1. Fiscaliteit en financiën



Het is vanzelfsprekend dat de Waalse beweging voorstander was van een fiscale autonomie voor het Waalse gewest. De ganse vraag betrof de omvang die de Waalse militanten aan deze autonomie wilden geven. De beweging wou zoveel mogelijk belastingsbevoegdheid geven aan Wallonië308. Als men deze formulering omdraait dan moest de federale fiscaliteit zoveel mogelijk ingeperkt worden. De meest extreme documenten gaven zelf geen belastingsbevoegdheden aan de federatie : de federale inkomsten zouden op de douanerechten en op jaarlijkse dotaties door de gewesten berusten. Deze dotatie zou door een federale wet vastgesteld worden en evenredig zijn met de regionale begroting en het aantal regionale inwoners309. Deze hypothese werd tijdens de eerste periode ontwikkeld. De Waalse organisaties vonden na 1959 het dotatiesysteem achterhaald en pleitten voor een aparte federale fiscaliteit. De federatie kreeg de bevoegdheid belastingen vast te leggen maar deze belasting moest door de regionale administraties geïnd worden. De federatie kreeg ook een coördinatie- en verzoeningsrol tussen de gewesten als een regionale belasting neveneffecten in een ander gewest zou hebben 310.
De vastlegging van belastingen werd dus een parallelle bevoegdheid : de omvang van deze bevoegdheid moest evenredig zijn en afgestemd op de bevoegdheden die de federatie en het gewest concreet zouden uitoefenen. Toch vermeldden de Waalse organisaties sommige soorten belastingen die sowieso onder de bevoegdheid van een of andere politieke instantie zouden vallen. De federatie zou alvast de douanerechten bij uitvoer, invoer en doorvoer krijgen evenals de onrechtstreekse belastingen (B.T.W. en accijns). De schuld van de eenheidsstaat zou ook door de federatie gedragen worden. De deelstaten zouden de registratie- en successie rechten en de circulatietaks regelen. Wat de inkomstenbelastingen op personen en bedrijven betreffen moest een verdeling gebeuren evenredig met de respectievelijke bevoegdheden. Het principe van maximale belastingbevoegdheid voor het gewest bleef ook tijdens de tweede periode van toepassing311.
Het belastingssysteem werd dus moeilijker in vergelijking met het systeem binnen de eenheidsstaat. Daarom diende de controle verstrengd te worden. De Waalse beweging herbevestigde het voorrecht van de wetgevende macht voor het vastleggen van belastingen. Geen belasting kon geïnd worden zonder uitdrukkelijk te berusten op een (federale of regionale) wet. De regionale en federale belastingwetten moesten jaarlijks hernieuwd worden. De regionale en federale kamers zouden jaarlijks de regeringsbegroting en –rekeningen vaststellen en goedkeuren. Alle ontvangsten en uitgaven van de federatie of van de deelstaat zouden hierin vermeld worden312. Voor de controle van de begroting en van de rekeningen was de beweging voorstander van het behoud van het Rekenhof. Om werkoverlast te vermijden en de autonomie van het gewest te eerbiedigen stelde de beweging voor dat regionale Rekenhoven opgericht konden worden. Deze Hoven zouden bevoegd zijn voor de controle van de regionale financiën en van de financiën van de ondergeschikte besturen313. Hun taak bleef hetzelfde als onder het unitaire regime : nazien en vereffenen van de rekeningen van de besturen en van hun rekenplichtigen en zorgen dat geen artikel van de uitgaven van de begroting overschreden wordt en dat geen overschrijvingen geschieden314.

7.8.2. De gewapende macht



Dit thema had betrekking op de veiligheid van Wallonië en de vroege herinnering van WO II maakte dat dit onderwerp voornamelijk tijdens de eerste periode behandeld werd. Er werd al in hoofdstuk 6 gezien dat de Waalse beweging de Belgische staat ervan beschuldigde gefaald te hebben in haar taak van verdediging van de Waalse gebieden. Daarom vroegen de Waalse organisaties garanties betreffende de veiligheidsproblematiek. Een federale wet zou de organisatie van het leger en het statuut van de militairen bepalen. De toepassing ervan zou een regionale bevoegdheid zijn315. Het leger zou uit gewestelijke contingenten samengesteld zijn waarvan de grondslagen jaarlijks door het federale parlement vastgelegd zouden worden. De rekrutering zou regionaal gebeuren en door een regionale wet georganiseerd worden. De gewestelijke contingenten zouden in hun oorspronkelijke gewest gekazerneerd worden en ieder van hen zou aan het hoofd een gewestelijk uitvoeringsorgaan hebben van de Generaalstaf van het leger316.
Op geen enkel niveau van de militaire hiërarchie zou een talenkennis geëist kunnen worden. Het leger zou dus volledig eentalig werken in Wallonië en in Vlaanderen terwijl de Brusselse contingenten in Franstalige en Vlaamse regimenten verdeeld zouden worden. Bij de Generaalstaf zou er geen taalvereiste gevraagd worden. Er zou ook daar pariteit tussen Vlamingen en Walen moeten ontstaan317. Het leger zou niet in een gewest ingezet worden voor de handhaving van de orde tenzij op aanvraag van het betrokken gewest en de Generaalstaf zou enkel contingenten van dit gewest mogen gebruiken tenzij de gewestelijke regering uitdrukkelijk de inzet van contingenten uit een ander gewest vraagt. De militaire rechtbanken (oorlogsraden en Militaire Hof) vielen onder de bevoegdheid van het gewest (zie punt 7.8.1.) en het Militaire Hof zou verdubbeld worden in een Waals en Vlaams Hof 318.
Bij de meerderheid van de federale staten behoort het leger exclusief tot de bevoegdheden van de federatie. De reden waarom de Waalse beweging zulke hervormingen vroeg is te wijten aan de slechte ervaring met het Belgische veiligheidsbeleid van het Interbellum en van de 18-daagseveldtocht. Als Duitsland opnieuw een aanval zou uitvoeren tegen België en als de Vlamingen zouden weigeren tegen Duitsland te vechten (wat in 1940 volgens de Waalse beweging gebeurd is) dan kon Wallonië toch over een leger beschikken met voldoende Waalse officieren (aangezien er geen taalvereiste was). Het Waalse leger zou al over algemene structuren (regionale contingenten) en een commandostructuur (uitvoeringsorgaan van het Generaalstaf) beschikken. De Waalse beweging wou dus de eenheid van België in stand houden door een federaal leger te vragen, maar behield voor Wallonië de mogelijkheid vlug een Waals leger te kunnen vormen in geval van crisis.

7.9. Besluit

Kan men na de bovenstaande uiteenzetting besluiten dat er consensus bestond over een algemeen federaal model binnen de Waalse beweging tussen 1938 en 1969 ? Als men aandacht schenkt aan de verscheidenheid van de Waalse documenten dan is het antwoord zeker negatief. We stelden voor dat voor vele problemen hevige discussie rees tussen de Waalse organisaties. Toch is het mogelijk om de grote lijnen van een federaal model uit de teksten te achterhalen.


België werd in drie verdeeld : twee gewesten (Wallonië en Vlaanderen) en een federaal gebied (Brussel) dat bijna dezelfde bevoegdheden als de gewesten en een eigen verkozen parlement kreeg. Het territorialiteitsbeginsel is van toepassing, d.w.z. dat de grens tussen de gewesten onderling en tussen het Vlaamse gewest en het federale gebied na een overgangsperiode definitief vastgelegd zou worden en dat de overheden hun bevoegdheden enkel binnen hun grondgebied zouden kunnen uitoefenen. Deze regeling moest de eentaligheid van Wallonië en Vlaanderen en de tweetaligheid van Brussel waarborgen. De gewesten zouden over een eigen parlement en regering beschikken. De federatie kreeg een demografische kamer en een geografische senaat, waarborg voor de rechten van de gewesten. De regering moest ook paritair samengesteld worden. De gewesten zouden ten hoogste de residuaire bevoegdheden hebben en ten minste de taalregeling binnen het gewest, de cultuur, het onderwijs, de welvaart, de justitie en de economische en sociale wetgeving. De federatie werd bevoegd voor de buitenlandse betrekkingen, de taalregeling binnen de federale administratie, de organisatie van de federale rechtbanken, de grondbeginselen van het recht, het slaan van de munt en de economische basisregeling. Elke overheid kreeg ook fiscale autonomie en zou dus over voldoende financiële middelen en juridische bevoegdheden beschikken om haar beleid uit te voeren en haar administratie te organiseren.
Men ziet dus dat er toch eensgezindheid bestond rond enkele basisbeginselen van het gewestmodel. De vraag is nu na te gaan of dit model de staatshervorming van 1970 beïnvloed heeft. Dat zal de taak zijn van deel 3 van deze verhandeling. Toch is het Waalse federale model niet volledig. Daarvoor is het van belang het economische luik van het Waalse model uiteen te zetten.



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina