Fatim Naoot Egypte Vertaling: Kees Nijland aaa اللصُّ



Dovnload 362.94 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte362.94 Kb.
Fatim Naoot

Egypte


Vertaling: Kees Nijland

aaa

اللصُّ


لهُ قلبٌ واحدٌ

والنِّسرُ

ينتظرُ هناكَ

فوق الرابيةِ البعيدة .


أنا

أكنسُ الدارَ وأزرعُ القمحَ

لكن

لا أطعمُ الطَّيرَ في حضرتِه



ليظلَّ جائعًا

- ذو المِنقارِ المعقوف -

علَّ قلبًا جديدًا ينمو

في الصَّدرِ المشقوقِ فوق الجبلْ .


الربُّ علَّمني

كيف أمشي كلَّ مساءٍ ،

بوجهٍ جامدٍ وروحٍ مؤجَّلةْ

أصعدُ ،


أمسحُ نظَّارتَه بطرفِ ثوبي

ليرقبَهُ من بعيدْ

النِّسرُ

حادُّ البصرِ ،

أقيسُ خيوطًا حمراءَ

زاحفةً حتى القدمين .

قريبًا

أغزلُها شيئًا دافئًا ،



فالطَّقسُ باردٌ في الأعلى .
لا أتعاطفُ مع لصٍّ

أغضبَ الشمسَ

أنا العاكفةُ على تحقيقِ مشيئتِها

أؤدّي عملي بدقَّةٍ :

بمِشرَطي

أُمزِّقُ الأنسجةَ الناميةَ عند الشَّقِ ،

ثمّ

أتأكّدُ من ولاءِ الرِّتاجاتِ



وثباتِ الأغلالِ حولَ المِعْصَمْ .

هذا نَصُّ العِقابْ .


الحديدُ لا يخون.

تعلَّمَ في جوفِ الأرضِ

أن المعرفةَ مُلكٌ للربِّ وحدَه ،

وتقدَّمَ طائعًا

- بعدَما صاغَه الحدادونَ في صورٍ كثيرةٍ -

لتنفيذِ القصاصْ .


الخائبُ !

ما قوبِلَ بتصفيقةٍ واحدةٍ

كما توقَّعَ

من الشاخصينَ إلى فوق


الذينَ

لا يعلمون .

خطفوا الشعلةَ المسروقةَ من يدِه

أطفأوها في القشِّ

ثم اعتذروا للسماءْ .
سينمو له قلبٌ كلَّ يومٍ

هذا ثابتٌ في الحكاية

- والإغريقُ لا يكذبون -

ليس لأن الجهلَ خليقٌ بالبشرِ

طالما فشلوا أن يكونوا آلهةً ،

ولا لأنني أكرهُه بعمق

حتى أني لا أتأمَّلُ

ـ كل ليلةٍ قبل أن أنامَ ـ

الفستانَ الأبيضَ المخبّأَ في خزانتي ،

ولكن لأنَّها

للآنِ

لم تُعلِّمني



زوجةُ الغائبِ وراءَ البحرِ

كيف أنقُضُ غزلي في الليلِ

فأوشكَ النَّولُ أن يكتمِلَ ،

ثم إني


لا أحبُّ اللونَ الأحمرْ.

DE DIEF
Hij had één hart

en een adelaar

wachtte daar,

boven de heuvel ver weg.


Ik bezem het huis, zaai tarwe,

maar voed geen vogels waar hij bij is,

zodat hij – met zijn kromme snavel –

honger heeft.

Misschien groeit een nieuw hart

in de opengereten borst hoog in de bergen.


God heeft mij geleerd,

elke avond,

met strak gezicht, onaangedaan te lopen.

Ik ga naar boven,

wrijf met de zoom van mijn jurk zijn bril schoon

om van ver

de adelaar te zien

met zijn scherpe blik.

Ik meet de rode bloeddraden

die tot de voeten reiken.

Binnenkort

maak ik er iets warms van.

Het is koud boven.
Ik houd niet van de rover

die de zon ergernis gaf.

Ik houd me bezig met haar wil te doen

en doe dat heel precies:

Met mijn scalpel

snijd ik weefsel af, dat bij de wond groeit.

Dan

controleer ik de sloten



en de sterkte van de boeien

als voorzien door de straf.


IJzer liegt niet.

Het leerde in het binnenste van de aarde,

dat kennis alleen aan God behoort,

en was gehoorzaam.

– nadat smeden het in vormen hadden gegoten –

om de straf te voltrekken.


Tot zijn teleurstelling

kreeg hij geen hand op elkaar,

wat hij wel had verwacht

van de mensen die naar boven keken.


Degenen

die niets wisten,

gristen de gestolen fakkel uit zijn hand,

doofden het vuur in stro

en verontschuldigden zich bij de hemel.
Elke dag zal een nieuw hart bij hem groeien.

Dat is zeker

– Want Grieken liegen niet –

Niet omdat onwetendheid bij mensen hoort,

zolang ze er niet in slagen god te zijn

en ook niet omdat ik een enorme hekel aan hem heb,

denk ik

– ’s avonds voor het slapen gaan –

niet aan de witte jurk in mijn kast,

maar omdat hij

mij

– de vrouw van iemand overzee –



tot nu toe niet geleerd heeft

om het spinnen ´s nachts te staken,

want het weefgetouw is bijna klaar

en verder

houd ik niet van rood.

العمياء

التي أبصرتْ فجأةً

بعد جراحةٍ مرتبكةٍ تمَّتْ على عجلٍ

يناسبُ ارتكابَ الشِّعرِ

في صورتِهِ المحرَّمةْ.
عهدٌ طويلٌ مع الشخوصِ إلى الأعلى

بأحداقٍ فارغة،

سمعتْ خلالها عشراتِ الكُتبِ

لكنَّها


حين راقصتْ "لاما"

عندَ سَفْحِ الهضبةِ،

علَّمها أن صعودَ الرُّوحِ

مرهونٌ بانفصالِها الشَّبكيِّ.


أُميَّةٌ إذن

لأن الألمَ المرسومَ على ملامحِها

لحظةَ الإعلاءِ الجسديّ

أفسدَ النصَّ

فانثنى القلمُ

قبل اكتمالِ الحكاية.


لا سبيلَ للرجوعِ الآن

المعرفةُ في اتِّجاهِها

والجهلُ

فردوسٌ غائب.


لذا

تظلُّ الفكرةُ تُطِلُّ برأسِها

محضَ ذاكرةٍ جافةٍ

كلما راودَها البصرُ.

تسكبُ ظلَّينِ واقفيْن

في عتمةِ ردهةٍ مبهورةِ الأنفاسِ

صامتةْ

كانت تستعدُّ للشاي

عند انتهاءِ المشهدْ .
ظلاَّنِ

أحدُهما يمارسُ مهنةَ التنويرِ

والآخرُ

يجتهدُ أن يقرأَ



لكن

تَحُولُ دهشتةُ العميقةُ

دون اكتمالِ الدرسِ.
القراءةُ لا تحتاجُ إلى عينين

هذا ما تأكَّد لها

حين أبصرتْ فجأةً

ولم تجدْ كتابًا .



BLIND
Ze kon plotseling zien

na een ingewikkelde operatie met een haast

die past bij het maken van een misdadig gedicht.
Ze staarde lang naar boven,

met lege blikken

en hoorde intussen tientallen boeken

maar


toen ze met Lama

bij de heuvel danste,

vertelde hij dat de ziel, bevrijd van het netvlies,

transcendeert.


Ze was ongeletterd

De pijn op haar gezicht,

toen ze zichzelf ontsteeg,

bedierf de tekst,

de pen werd krom

voor het verhaal af was.


Er was geen terugkeer,

kennis kwam

en onwetendheid

was een verloren paradijs.


Daarom

zagen gedachten

een verdroogd geheugen

als haar ogen haar tot zien verleidden.

Stil

schonk ze twee staande schaduwen



in een ademloos donkere hal,

klaargezet voor thee,

na de voorstelling.
Twee schaduwen,

één bezig met verlichting

en de ander

probeerde te lezen

maar kon,

door stomme verbazing,

de les niet voltooien.
Lezen heeft geen ogen nodig,

dat stond voor haar vast

toen ze plotseling kon zien

en geen boek vond.


عبيطةُ القرية


أحتاجُ أن أبكي

نعم


فالبنتُ التي تخلطُ في الشوارعِ

وتخطئُ في العدِّ والحسابْ

البنتُ التي تضحكُ طيلةَ الوقتْ

وتبتلعُ ابتساماتِ المارّة

حين لا تعرفُ أسخريةٌ

أم إشفاقْ

تحمل قِطّتَها فوق صدرِها

تجوبُ طرقاتِ البلدةِ بجلبابِها الرثِّ وشعرها المنفوش

ومن جيب السيّالةِ

يسقطُ قشرُ الفول

وكِسَرُ خبزٍ جافْ

أسنانُها وقعتْ من فرط الضحكْ

فابتلعَتها

لأنْ ليس لها أمٌّ علّمتها طقسَ الشمسْ

"يا شمس يا شموسة..."

ولأن عجوزًا تجلس عند باب الخَلْق

علّمتها أن ابتلاعَ الضِّرس

يُنبتُ غيرَه

لهذا لم تتخلص من الكِسَرِ اليابسة

وأجّلتْ قرضَ أظفارِها الصفراءِ

انتظارًا لموسمِ الأسنانْ.

وحيدةٌ متوحّدةٌ

لا أهلَ لها

لا أصدقاء

وأخفقَ الناسُ في حبِّها

تغنّي


رغم اللثغةِ

ورغم انعدام السِّين والشِّين والثَّاء والصَّاد

صَلَبَها رجلٌ على ساقيةِ البلدة

واستولدها طفلةً

أطعمتْها من خبزِها الناشف

فماتتْ


لا أهلَ لها ولماذا الناسُ يخفقون في حبِّها؟

فكّرَتْ في الأخير أن تبكي

نعم

عبيطةُ القريةِ تحتاجُ الآن أن تبكي



على كتفِكَ أنتْ

أنتَ الذي لا ينهرُها

حين تخطئُ في عدِّ أصابعِها

ولا يتلصّصُ على فخذِها

حين ينحسرُ الثوبُ

بفعل البرودة.



DE DORPSGEK
Ik kan janken,

zeker,


om een meisje dat op straat rondloopt,

niet kan rekenen,

altijd lacht,

bittere lachjes wegslikt

omdat ze geen spot

of medelijden kent

en een kat draagt.

Ze loopt met slonzig haar en een versleten jurk langs de weg

Uit haar zak

valt een bonenschil

en droog brood.

Tanden die ze verloor door hard te lachen,

heeft ze ingeslikt

Ze heeft geen moeder die zei:

‘Pas op voor de zon, zonnetje’

En omdat een oude vrouw bij Bâb al-Khalq1

had gezegd, dat voor elke kies die je inslikt

een nieuwe komt,

deed ze geen afstand van droge brokken

en beet ze graag op haar gele nagels,

in afwachting van het tandenseizoen.
Ze was helemaal alleen,

zonder familie

of vrienden

en niemand hield van haar.

Ze zong

ondanks een spraakgebrek,



waardoor ze geen ‘s’ kon zeggen

Een man greep haar bij de waterput,

maakte haar zwanger van een meisje

dat ze droog brood gaf,

dat stierf.

Ze had geen familie. Waarom hield niemand van haar?

Ik dacht dat ze huilde

zeker,


de dorpsgek moet huilen

tegen jouw schouder

Jij hebt haar niet gewaarschuwd

toen zij haar vingers niet kon tellen

en je hebt niet naar haar dij geloerd

toen door de kou

haar kleren afzakten.

أنفٌ وحيد


صينيةُ الشاي

بفناجينِها الخزفيةِ الكثيرة

بصخبِها وكثيفِ بخارِها

برنينِ الملاعقِ على الحوافِ بعد تقليبِ السُُّكرْ

تختلفُ

عن فنجانٍ صامتٍ



وحيدْ

يجلسُ في فتورٍ فوق حافةِ مكتبٍ عتيقْ

في انتظارِ امرأةٍ واجمةْ

ستأتي بعد برهة.


الأبخرةُ الكثيفةْ

(التي تتقافزُ من الفناجين الكثيرة التي تختلفُ عن الفنجان الوحيد)

تحملُ رائحةَ الأوراقِ الهنديّةِ الشهيّة

التي جمعتها أيادٍ

وجفّفتها أيادٍ

وعلبّتها وشحنتها أيادٍ

لكي تشربَها

أيادٍ كثيرة.


ترتفعُ صيحاتُها

الأبخرةُ


لتعلوَ على صخبِ الأنوفِ الكثيرة

التي تتحلّقُ حول صينيةٍ عريضة

فوق طاولةٍ بيضاويةٍ

في منتصفِ قاعةِ معيشة.


بينما، مِن الفنجانِ الوحيد،

يخرجُ خيطٌ نحيلٌ من البخارْ

ساكتٌ

واهنْ


يبحث في صعوبةٍ عن أنفِ السيدةِ التي

لا أحدَ يزورُها.



EEN EENZAME NEUS
Een theeservies

met veel kopjes,

lawaai en wolken stoom,

en gerinkel van lepeltjes tegen randen na het roeren

verschilt

van een stil kopje

alleen.

Het staat op een oud bureau



Verveeld te wachten op een terneergeslagen vrouw,

die straks zal komen.


Een dichte wolk

(uit een groot aantal kopjes anders dan uit één kopje)

brengt de geur van heerlijke Indische blaadjes

die handen plukken,

drogen,

verpakken en verschepen



opdat vele handen

die drinken.


De kreten van stoom

klinken luid

om boven het lawaai van de neuzen te stijgen

rond het uitgebreide servies

op de ovale tafel

in het woonvertrek.


Intussen komt uit een enkel kopje

een dunne draad stoom

stil,

slap


en moeizaam op zoek naar de neus van een vrouw,

die niemand bezoekt.


حين أغدو إلهةً



سأنزعُ الكُرةَ عن ثوبِها

أنفضُ الخريطةَ

فتسقطُ مخطوطاتُ التاريخِ

وخطوطُ الطولِِ والعرضِِ والحدودْ،

أوزِّعُ الجبالَ والآبارَ

والذهبَ والنِفطَ والطقسَ والغيماتِ

بالقسطْ،

أمرُّ بريشتي

على الوجوه المُتعَبة

فيذوب البياضُ والسوادُ والصُّفرة،

تؤول جميعُها إلى لون المشمش،

ومن الألسنِِ أنتزعُ اللغاتِ واللهجات

وأصهرُ في بوتقتي

معجمًا أبيضَ من غير سوء

مصفىً من مفرداتِ الزعلْ،
وقبل أن أستوي على عرشي

أضبطُ زوايا الشمسِ و خطَّ الاستواءْ،

وأعدِّلُ قانونَ المطرِْ.

سيصفقُ الصحابُ فيما أقصُّ الشَّريط:



سبارتاكوس، جوركي، جيفارا،

وابنة الإسكافي التي فاقَ مَهرُها مَهري،

وفي غمرةِ الفرحِ أتمتمُ:

هندسةُ الكونِ وظيفتي!



وعند بدءِ الحربِ العالميّةِ الثالثة،

أُطرِقُ برهةً



ثم أعيدُ الكُرةَ سيرتَها الأولى.

ALS IK GODIN WORD,
zal ik de aarde uitkleden,

de kaart afstoffen,

Historische manuscripten,

lengte en breedte graden, en grenzen wegdoen.

Ik ga bergen en bronnen

en goud, olie, het weer en de wolken

rechtvaardig verdelen.

Ik ga met mijn plumeau

over vermoeide gezichten,

waardoor wit, zwart en geel smelten.

en abrikooskleurig worden.

Ik haal talen en dialecten van alle tongen

en smelt ze in mijn smeltkroes

tot een schone, blanke woordenlijst

zonder boze woorden.
Voor ik mijn troon bestijg,

pak ik de hoeken van de zon en de evenaar

en verander de wetten van regen.

Als ik het lint doorknip, zullen mijn vrienden klappen:

Spartacus, Gorki, Guevara

en de dochter van schoenmaker, die een grotere bruidschat kreeg

en op het hoogtepunt mompel ik:

De architectuur van het heelal is mijn werk.

Bij het begin van de derde wereldoorlog

sla ik mijn ogen even neer

en zet dan de wereld terug op haar oude koers.

كراسة رسم

عند الأربعين

تَكْبُرُ حقائبُ النساءْ

لتسعَ قُرصَ الضغطِ وقُمعَ السُّكرِ

ونظّارةً

تجعلُ الحَدقةَ أكبرَ

والحروفَ المراوغةَ

أكثرَ طيبةً.


في الجيبِ السريّ

يضعن تذكرةَ داوود

ووصفةً ضدَّ غُصَّةِ الحَلْقِ

التي تناوبُ كلما مَحَقَ القمرْ،

وشمعةً

فالنارُ تحرِقُ العفاريتَ التي



تتسلّلُ في الليلْ

لتجزًّ أعناقَ الحريم،

وفي الجيبِ الأماميّ

وصيّةً:


لا أملكُ سوى آثارِ لونٍ

(عَلِقَ بكفي حين حطَّتْ عليها فراشتان)

وكراسة رسمٍ

وفرشاة،


أهبُها

  • شأنَ كلِّ موحودة-

للوطن.
عند الأربعين

يتسرّبُ الصقيعُ إلى الجواربِ

ويغدو القلبُ صحنًا خاويًا،

لحظةَ هجرةِ الفراشاتِ من البيت

مساءَ الجمعة،

إلى أين تمضي الفراشات؟

تحطُّ على كَتفِ العَمّة الطيّبة

في شرق العاصمة،

والسيدةُ الواجمةُ

تقبعُ في الشرفةِ

انتظارًا لموسم العودة

لياليَ سِتًّا.


وعند الأربعين

تقولُ المرأةُ لجارتِها

عندي صبيٌّ

لا يحبُّ الكلامْ،

والربُّ يُمهلُني

حتى ينطقَ ذات وعدٍ:

يا أمُّ اذهبي!

أنا الآنَ

بخير.

EEN TEKENSCHRIFT
Bij veertig

worden damestassen groter

voor bloeddrukpillen, suikerklontjes

en een bril,

die de blik verruimt

en vage letters

verbetert.
In het geheime vakje

steken ze een kaartje van David,

een recept tegen de hik

bij donkere maan,

en een kaars,

want vuur verbrandt boze geesten,

die ’s nachts rondsluipen

om vrouwen te kelen

In het voorvak

steekt een briefje:

Ik heb alleen: ‘Een beetje kleur’

(dat aan mijn hand bleef plakken toen twee vlinders erop neerstreken),

een tekenschrift,

en een borstel,

die ik

– als elke eenzame vrouw –



aan ons land geef.
Bij veertig

besluipt rijp je kousen

en wordt je hart een leeg bord.

Als de vlinders op vrijdagavond het huis

verlaten.

waar gaan ze naartoe?

Ze gaan in het Oosten van de stad

op de schouder van een lieve oude vrouw zitten,

die zes nachten,

bij het venster,

zonder een woord op hun terugkeer wacht.
Bij veertig

zegt een vrouw tegen naar buurvrouw:

Ik heb een zoon,

die niet van praten houdt.

Moge God mij tijd geven

tot hij op een morgen zegt:

‘Moeder, ga!

Met mij gaat het

goed.’

محطةُ الرمل


إلى كريستينا

التي نسيتُ أن أقبِّلَها


سيموتُ الشيطانُ غدًا

قبل أن يتصفّحَ الجريدةَ على البحرِ

- كعادته كلَّ صبحْ -

بمجرد أن يرشفَ من فنجانِ القهوة،

ويغدو العالمُ مُضجرًا من دونِه،

إذْ


لن أجدَ مبررًا

لأزعمَ أنني أكثرُ طيبةً

من أصدقائي الأشرار!

لكن


سأهمسُ لصاحبي:

بوسعِكَ الآن أنْ ترفعَ إصبَعَك ،

لتمسَّ الورمَ المختبئَ في صدغي،

دون خوف،


فقد ماتْ!

كنَّ يكذبن علينا

بأنه ينامُ تحت أظافرنِا المتّسخة،

أمهاتُنا.


ثم إن كريستينا هي الأخرى ماتتْ

أولَ أمس


دون أن يشعرَ بها أحدٌ

ودون أن تشيّعَها امرأةْ.


ماتتْ قبل أن توقدَ شجرةَ الميلادْ

أمام إطارِِ الأبنوس الذي يحملُ قصيدةً

كتبَها السَّكندريُّ في عينيها

قبل نصفِ قرنٍ،

نعم، نعم!

فالنساءُ يمُتن أيضًا

حتى ولو كُنَّ حبيباتِ كفافيسَ،

بغير ضجيجْ

ولا عصافيرَ تصكُّ الزجاج،

ولا حريمْ،

عِلمًا بأن النساءَ

يصبحن أجملَ في ملابسِ الحداد.


علينا وحسب

أن نجلسَ صامتيْن في مقهى Elite

(الذي في شارع صفية زغلول)

لنحسبَ طولَ الجسدِ وعرضَه

من أجل تابوتٍ يليقُ بالرجلْ

فنحن أرقى من الصيادين الأجلافْ

الذين لا يعبأون بجثامين الأسماكِ

حين يُلقى بها في القُفّة

دون تقديرٍ لجلالِ الموت.
سندبّرُ جِنازًا محترمًا

يليقُ برفيقِ البشرية المزمن،

السيّد

الذي مهّدَ لنا مكانًا فوق الأرض:

سيأتي أبي

الذي أغواهُ الفقيدُ

بالجلوسِ تحت شرفةِ أمي لعامين،

وأمي


التي قبّلتْ يدَ الطبيبةِ

كي تضعَ حرفًا على لسانِ عُمَر،

وعُمَرُ

الذي بنى سفينةَ نوحٍ ثم أغرقَها،



وفاوستْ،

والجبلاوي،

والإسكافيُّ

الذي نثرَ المساميرَ في شارعِنا،

وشارعُنا،

الذي سكنَتهُ عجائزُ اليونان

حول مستشفى السرايات،

أما أنا


فأكون المرأةَ التي تستقبلُ العزاءَ

بوصفي


فعلتَهُ الكبرى.

STATION HET ZAND
Aan Christina die ik vergeten heb te kussen
Morgen zal Satan sterven,

voordat hij aan zee de krant heeft doorgekeken

– zoals hij ’s morgens doet –

bij een kop koffie,

terwijl de wereld zich zonder hem verveelt,

want,


ik heb geen reden

te beweren, dat ik beter ben

dan mijn slechte vrienden,

maar


ik zal tegen mijn vriend fluisteren:

“Je kunt nu je vinger leggen

op het gezwel bij mijn kaak

zonder bang te zijn.”

Hij is dood!

Onze moeders

logen toen ze zeiden,

dat hij onder onze vuile nagels sliep.


Toen stierf Christina,

eergisteren,

zonder dat iemand haar betreurde,

zonder dat een vrouw bij haar begrafenis was.


Zij stierf nog voor zij de kerstboom had aangestoken

bij het gedicht in ebbenhouten lijst,

dat de man uit Alexandrië een halve eeuw geleden

over haar ogen had geschreven.

Ja, ja!

Vrouwen sterven,



zelfs als ze vriendinnen van Kavafis2 zijn,

zonder misbaar,

zonder dat mussen tegen het glas tikken,

zonder vrouwen,

omdat ze

in rouwkleren beeldschoon zijn.


We moeten

stil zitten in café Elite3

(in de Safiya Zaghloel Straat)

om het lichaam te meten

voor een passende kist.

Wij zijn geen ruwe vissers,

die niet om doden malen

en vissen, zonder ontzag voor de dood,

in manden kiepen.
We gaan een waardige begrafenis verzorgen

voor een levenslange mensenvriend,

een heer,

die ons een plaats op aarde gaf.

Mijn vader komt,

de overledene had hem ertoe gebracht

twee jaar onder het balkon van mijn moeder te zitten,

en mijn moeder,

die de hand van de arts kuste

om een amulet op Omars tong te leggen,

en Omar,

die de ark van Noach had gebouwd en liet vergaan,

en Faust,

en Gabalawi4,

en de schoenmaker,

die spijkers in onze straat strooide;

en onze straat,

waar oude Griekse vrouwen

rond het As-Sarayat ziekenhuis wonen,

maar ik,


ik ben de vrouw die de condoleances zal ontvangen

omdat ik


zijn grootste zonde ben.

لا تهدموا الكوخ

أحتاجُ شَبحًا

يرتّبُ خِزانتي

أثوابُ الراحلين في جِهةٍ

و الحِنَّاءُ في جهة.
أحتاجُ شبحًا

ينسِّقُ الكتبَ التي غدرتني:

هذه الكومةُ تستحقُّ القَصاصَ

لأنها نخرتْ طُمأنينتي،

لذلك لن أمانعَ في حشْوِ آذانِها بالقشِّ

والبنزين.
الشبحُ سيفهمُ بهجتي

عند حرْقِ الأغلفةِ

ببرودةِ النازيين،

وفردِ الأوراقِ تحت الدجاجِ المقليّ

من أجل إبقاءِ الصحونِ النظيفةِ

نظيفةً


بعد أن لوَّثَها العنّينون بمجازاتِهم الرديئة.
أحتاجُ شبحًا

ينزعُ الأزرارَ من حاسوبي

ويمرِّرُ الفأرةَ فوق الجلدِ المتكسِّر

لتلعقَ البثورَ والغُبارَ

والعلاماتِ التي رسمَها العاشقُ

فوق ساقِ الحبيبة.


الأشباحُ فضلاءُ

وصامتون


يصوّبون النارَ على الأقزام

الذين يلطِّخون الحوائطَ بدمائِهم

حين ينطحونها بالرأسِ كلَّ سبت

لأنهم بغير ظِلّ

ذاك أن الطائرَ الضِّليلَ

لا يحطُّ إلا على رؤوسِ الشعراء.

والأقزامُ

يمتنعون.
الأشباحُ خفيفون

لا يشغلونَ الأمكنةَ

ويقتصدون في الهواءِ وفي الزمن،

علماءُ

يحجبونَ الشمسَ عن قِصارِ القامة



لأن سيقانَهم المُبتَسرةَ

تُفسدُ لوحةَ النور والظِّلال،

وحكماءْ

تنصتوا على الصَّبيّة والفتى

جوارَ الساقية العجوز

- لو لم يكن بك عليّ غضبٌ لا أبالي!

فقال: بي !

ونهضَ إلى الكوخِ فبكتْ،

أصغرُهم

صالحَها بوردةٍ



ومسحَ على جديلتِها،

وكبيرُهم


رفع السَّبابةَ مُنذرًا:

لا تهدموا الكوخَ

به شاعر.
BREEK DE HUT NIET AF
Ik heb een spook nodig

om mijn kast op te ruimen,

de kleren van overledenen aan de ene,

henna aan de andere kant.


Ik heb een spook nodig

om de boeken die mij hebben verraden, te ordenen.

Deze stapel moet worden gestraft

voor het verstoren van mijn rust..

Ik verbied niet om de oren vol stro en benzine te stoppen.
Het spook zal mijn blijdschap begrijpen

als ik, koud als de Nazis,

stofomslagen verbrand,

als ik onder gebraden kippen papier leg

om schone schotels

schoon te houden.


Ik heb een spook nodig

om de toetsen van mijn toetsenbord weg te halen

en de muis over de kapotte huid te bewegen

om pukkels en puistjes

en kneepjes van de minnaar

in de dij van zijn beminde te likken


Spoken zijn eerlijk

en stil.


Zij schieten op dwergen,

die muren met bloed besmeuren

als zij op zaterdagen met hun hoofd er tegenaan bonzen

omdat zij geen schaduw hebben.

De dwalende vogel5

gaat alleen op het hoofd van een dichter zitten

en dwergen

weren af.


Spoken zijn licht,

nemen geen plaats is,

gebruiken geen lucht en geen tijd,

zijn geleerd.

Zij verbergen de zon voor de kleintjes

omdat hun korte benen

het beeld van licht en schaduw

bederven.

Ze zijn wijs

Ze luisteren naar een jongen en een meisje

bij het waterrad

– als jij niet kwaad op me was, dan kon het me niet schelen –

Hij zei:

Ik ben kwaad, en liep naar de hut.

Het jongste spook

troostte haar met een roos

en streelde haar vlecht.

De oudste hief zijn vinger op en zei:

Breek de hut niet af,

daar binnen is een dichter.


العِفريت

غرَسَ الشوكةَ في خِصرِها



فتحوّلتْ إلى هيأة الجواري:

تجلبُ الماءَ من البئرْ،

وتعدُّ قهوةَ الصُّبحِ

ثم تسوِّكُ أسنانَه من بقايا الفطورِ،

والنساءْ.
تِكْ تِكْ،

يصَفِّقُ،



فتنبسطُ له أرضًا

تُنبِتُ القمحَ والشعيرَ والنارنجْ.


تِكْ تِكْ

فتنتفضُ، كصليبٍ مُشرع وسطَ الحقلْ،

خيالَ مآتة

تُفزِّعُ الطيرَ وتهشُّ الألسنيّينَ واللصوصْ،

ثم تُنقّي ماءَ البِِركةِ من الدَنَس

كي تغسلَ أصابَعها المبتورةِ بسيفِ الخوارجْ



وتُشهِرَ قميصَه فوق صدرِها

ليجفَّ من الدمْ.
تِكْ

فتغدو ناعورةً

تروي أرضَه

وترسمُ فوق صفحةِ القنايةِ

دوائرَ وظلالاً

لزومَ اكتمالِ اللوحةْ.
عند الظهرِْ

يصفّقُ من جديد

فتنقلبُ أبا قردان

يلقطُ الدودَ من التربة

ويُنقّي خطوطَ القطنِ من اللُطعِ،

ثُم سمكةً

تجمعُ الطميَ في بطنِها

لتفرغَهُ في حوضِ الورد الشماليّ.


تِكْ تِكْ تِكْ تِكْ

فتحولّتْ على إثرِها مُهْرةً

امتطاها

ليتفقّدَ بساتينَه الواسعة

وفي يمينِه سوطُ نيتشه:

شيخِ البلد.
الفلاحُ الأشهبُ

تعلّمَ حكمةَ القرويين وطقوسَهم،

روّضَ المرأةَ بقانون العِفريتِ،

ثم اضطجعَ على حافةِ الترعةِ في استراحةِ القيلولة

حدّقَ في عينيها برهةً

فاستوتْ له صبيةً

ضاجعَها


واستولدها طفلةً شهباءَ،

قتلَها.
جميلةً كانت

ولذا

شخبطَ على وجهِها في التصاويرِْ



بطبشورٍ أسودَ

إذ ملاحتُها

تكشفُ قبحَ الرفاقْ.
قبل الغروبِ

جفَّ حلْقُه

فتكوّرتْ له عِلكةً

لاكَها


ثم

بصقَها،


فتمطّتْ على الرملِْ

وتحورّتْ حواءَ،

ولما اكتملتْ أنوثتُها

نامتْ على رجاءِ القيامةِ.


عند المغرب

انتزع الشوكةَ من لحمِها

فتبخرّتْ.
DE DEMON
Hij plantte een doorn in haar zij

waardoor ze slavin werd:

Ze haalt water uit de put,

zet koffie,

reinigt zijn tanden van resten eten

en vrouwen.


Klap, klap

Hij klapt,

ze wordt een lap grond

en levert hem tarwe, gerst en sinaasappels.


Klap, klap

Ze rijst op als een kruis op de akker,

een vogelverschrikker

die vogels afschrikt, en denkers en dieven laat lachen,

daarna zuivert ze water uit de vijver

en wast haar vingers, die door bandietenzwaarden waren gewond.

Ze legt zijn hemd op haar borst

om het bloed te drogen.


Klap

Ze wordt een waterrad,

bevloeit zijn grond,

tekent cirkels en schaduwen

op het water

om het plaatje af te maken.


Op het middaguur

klapt hij weer.

Ze wordt een neushoornvogel,

haalt wormen uit de grond

en ontvlekt katoenen draden.

Dan wordt ze een vis,

eet slib

en spuwt het in de Noorder rozentuin.


Klap, klap, klap, klap

Ze wordt een veulen

dat hij bestijgt

om zijn uitgestrekte tuinen te inspecteren,

met de zweep van Nietzsche in de hand:

De burgemeester.


De oude boer

kende de gezegden en gewoonten van de dorpelingen

en richtte zijn vrouw af naar demonenwetten.

Hij deed een dutje bij het kanaal,

Keek in haar ogen:

Ze werd maagd.

Hij sliep met haar,

maakte haar zwanger van een rossig meisje

dat hij doodde.
Ze was knap.

Daarom bekraste hij haar gezicht op foto’s

met zwart krijt

omdat haar schoonheid

zijn vrienden lelijk maakte
Tegen zonsondergang

was zijn keel uitgedroogd.

Ze werd een kauwgombal,

waar hij op kauwde

en dan

uitspuwde.



De kauwgum liep uit

in het zand

en werd Eva.

Toen ze vrouw was geworden,

ging ze slapen in verwachting van de opstanding.
Bij zonsondergang

trok hij de doorn uit haar vlees

en verdampte ze.

المشاءون


المترفون

ذوو الأقدامْ،

لا مِلْحَ في معاطفِهم،

ولا قذىً

يسحبُ الرؤيةَ إلى الورقْ.


هناك،

حيث الشجرُ يختلطُ بالظلامْ

ينسى الرَّبُ أمتعتَه

داخل الكهفِ،

فيأتي العابرونَ

يلتقطونَ الحياةَ ويمضونْ

بينما الفقراءُ

ذوو العكازاتِ

و النظاراتِ الطبيَّةِ الموبوءةِ بالقراءةْ

ينتظرون الموتَ الذي

دائمًا يتأخر.
بماذا قايضنا على الفرَحْ ؟

حيثُ الكلُّ يخشى الاقترابْ

لأن الشللَ

مُعْدٍ


و العميانَ

يفكرون كثيرًا.


المترفونَ

ذوو الحُلْمْ

يحيكونَ نهاراتٍ واسعةً

تناسبُ شبكاتِ الطُّرُقِ المعقَّدةَ

وتستوعبُ ضجيجَ الكلاكساتْ

التي لا تُغضِبُ أحدًا،

وفي المساءْ

يحوِّلونَ الحُلمَ أجنحةً

وكؤوسَ نبيذٍ

وحواديتَ.


الطفلُ الصامتُ

يعرفُ الأمرَ كلَّه

لأنه استنقذَ مدينتَه من الأمهاتِ المبتسراتِ

ناقصاتِ النموِ

ذواتِ الذاكرةِ الممسوحةِ

و كراسي المقعَدين،

الأمهاتِ اللواتي يقرأن كثيرًا

ولا يُجِدْنَ الطَّهوَ

ولا الجلوسَ إلى التليفزيون،

الطفلُ ذو الحدسِ

رماهُنَّ في المنفى

لأنهن يسقطنَ المشابكَ دومًا

قبل اكتمالِ السطرْ.
المارّةُ المترفون

الذين يخشَون العدوى

تنمو لهم أحداقٌ كثيرة،

و أقدامُهم

تبتكِرُ معانيَ جديدةً

للتوازي والتقاطعِ والتعامدِ

لأن الأرصفةَ

تألفُ الأحذيةَ

وتطمئنُ أكثرَ لملمسِ أقدامِ الحُفاة

لكنَّها


لا تصفحُ عن ذوي العصا

التي تفقأُ بلاطَها

و تجهضُ جنادبَ نشطةً

تتهيأُ للأمومةْ.


الأرصفةُ تستعدُ للثأرِ

وأنا


أفكِكُ الصواميلَ

عن قدمي.


PERIPATETICI
Rijke mensen

goed ter been,

zonder zout in hun jas

en geen vuiltje

trekt de blik naar papier.
Daar,

waar bomen en duisternis mengen,

vergat de Heer Zijn spullen

in een grot

Voorbijgangers komen,

pakken het leven en gaan verder

terwijl arme mensen

op krukken gaan,

met vuile ziekenhuisbrillen

op de dood wachten,

die altijd te laat komt.
Wat zullen wij in plaats van geluk nemen,

wanneer iedereen bang is om dichtbij te komen.

Verlamming is

besmettelijk

en blinden

denken veel.


Rijke mensen,

met dromen,

weven lange dagen

voor ingewikkelde wegennetten

om claxongeloei,

dat niemand deert, op te nemen

en ’s avonds

ruilen zij dromen voor vleugels,

glazen wijn

en verhalen.


Een zwijgend kind

weet alles

om zijn stad te redden van kindmoeders,

achtergebleven in groei,

met gewist geheugen,

en stoelen voor invaliden.

Moeders die veel lezen,

kunnen niet koken,

kijken geen televisie.

Een slim kind

laat ze verbannen,

omdat ze liever in slaap vallen

dan een regel af te maken.
Rijke voorbijgangers

zijn bang voor besmetting,

hebben veel ogen

en hun voeten

geven nieuwe betekenissen

aan parallelle, kruisende en verticale lijnen.

Trottoirs,

gewend aan schoenen,

worden rustig door blote voeten

maar


vergeven niet, dat mensen op krukken

het wegdek splijten

en krekels die zich op het ouderschap voorbereiden,

aborteren.


De trottoirs zijn klaar voor een opstand

en ik


ontdoe mijn voeten

van moeren.


صفقة

كانت في بيتي

تحرِّقُ أصابعَها في الطهوِ

تهدهدُ الدُمى

وتُرضِعُ القططَ

في انتظارِ الصغارْ.


كانت في غرفتي

تمزِّقُ الأناجيلَ

وتخمشُ الصليبَ على صدرِها

لتخرجَ منه المرأةُ

فتفردُ لها المُلاءةَ الزرقاءْ

وترتِّبُ الوسائدْ.


كانت تمشي إلى الجبَّانةِ كلَّ يومٍ

تسرقُ زهرتين

من قبرِ الأمِ والشقيق

تغرسهما على شاهدِ الأبِّ

الذي ليس تنمو عليه زهرة

وتعودُ إليَّ

بأكياسِ الخبزِ والبطاطا

لتحرِّقَ أصابعَها في المطبخِ

من جديد.
كانت في سريري

تقطِّرُ المُهلَ في أنابيبَ يابسةٍ

فيما تقرأ في كتابٍ

ممحوةٌ حروفُه

مُضاءٍ بصرخةٍ عرجاء.

كانت تحبُّ

ولمّا تعلّمتْ أن البُغضَ

فنٌّ لا يخلو من جمالْ

ضاجعتِ "الحُطَيْئةَ"

فاستولدَها جيشًا من الأطفالْ

بسراويلَ واسعةٍ

وبغيرِ رؤوس.


الشيطانُ

شيخٌ طيّب

تحمَّلَ لعناتِنا مليونَ عامٍ

ولم يبصقْ في وجوهِنا

غيرَ مرةْ.

لهذا


كانت الصفقةُ طيّبةْ

حين استبدلتْ بلحمِ الصغار

دفترَ أوراقٍ بيضاء

وخمسةَ وسبعينَ قلمَ رصاصٍ

وكتابًا لجوته.
العسراءُ المشلولةْ

كانت في شرنقتي

ثم طارتْ.

EEN PRIMA DEAL
Zij was bij mij thuis,

brandde haar handen bij het koken,

wiegde de poppen,

gaf de katten te eten

en wachtte op kleintjes.
Zij was in mijn kamer,

verscheurde het evangelie,

kraste een kruis op haar borst

om haar vrouwelijkheid te bevrijden

en voor zichzelf blauwe lakens te spreiden

en kussens te schikken


Ze ging elke dag naar de begraafplaats

om twee bloemen

van de graven van haar moeder en haar broer te stelen

en op de steen van haar vader te zetten,

waar geen bloem groeide.

Dan kwam ze terug

met zakken brood en aardappelen

en brandde zich weer

aan de oven.
Zij was in mijn bed,

druppelde olie in droge buizen

en las een boek

met bleke letters

bij het licht van een kreupele kreet.
Zij was telkens verliefd.

Toen ze wist dat haat

kunst is,

sliep ze met al-Hutaya6

en bracht een regiment kinderen voort,

in slobberbroeken,

zonder hoofd.
Satan

is een aardige oude man,

die om ons een miljoen jaar straf verdroeg

en ons maar één keer

in het gezicht spuwde.

Het was een prima deal

dat zij het vlees van de kinderen

ruilde voor een leeg schrift,

vijf en zeventig potloden

en een boek van Goethe.


De arme, lamme vrouw

was in mijn cocon.

Toen vloog ze uit.

11Fatima Naoot, volledig Fatima Sayyid Mohammed Hasan Naoot, werd op 18 september 1964 in Cairo geboren. Zij studeerde bouwkunde aan de Ein Shams universiteit in Cairo en werkte tien jaar, tot 1997, als architect. Dan besluit zij om zich volledig aan de literatuur te wijden als dichter, schrijfster en verstaalster. Zij wordt hoofdredacteur van het Egyptische blad ‘De Regenboog’ (Qaws Qazah), vertaalt korte verhalen van Virginia Woolf, een bundel Engelse en Amerikaanse poëzie en verhalen van John Ravenscroft en schrijft gedichten. Vanaf 2001 verschenen vier Arabische dichtbundels van haar hand. Het manuscript van haar vijfde bundel werd tijdens het literatuur festival in Hong Kong, 2006, bekroond met de eerste prijs voor Arabische poëzie. Een tweetalige vertaling (Chinees en Engels) van de bundel verscheen na het festival onder de titel A Bottle of Glue.

De tien gedichten in deze bundel gaan in hoofdzaak over vrouwen, over de hulp in de huishouding, de dorpsgek, een eenzame vrouw bij een kopje thee, over ouder worden en over een begrafenis. De onderdrukking van vrouwen krijgt originele dimensies in haar gedicht ‘De demon’. Vrouwenemancipatie kijkt om de hoek in ‘Een Prima Deal’ over een dierbare hulp in de huishouding met het verwerven van kennis als slotthema. Ook de gedichten ‘De Dief’ en ‘Blind’ gaan over het verwerven van kennis. In ‘De Dief’ gaat het over illegaal verworven kennis en in ‘Blind’ het over een andersoortige goddelijke kennis.

Het tijdschrift Banipal noemt Fatima Naoot in de rubriek ‘New Writing in Egypt’ samen met de Egyptische dichters Iman Mersal en Emad Fouad, die respectievelijk in 2003 en 2005 aan Poetry International deelnamen.


Kees Nijland


Publicaties (o.a.):

Finger’s Pat (2001); One Centimeter Away From the Ground (2002); A Longitudinal Section in the Memory (2003); Upon a Woman’s Palm (2004) A Head Split with an Ax (2004); Pockets Weighed with Stones (2005); A Bottle of Glue (2006); The Temple of Roses (2007).

1 Poort van Cairo

2 Konstantin P. Kavafis (1863-1933), beroemd Grieks dichter, die een groot deel van zijn leven in Alexandrië doorbracht.

3 Café in Alexandrië dat Kavafis veel bezocht.

4 Zie: Nadjib Mahfoez, De Kinderen van Gabalawi. Een allegorisch scheppingsverhaal waarin Gabalawi de rol van God vevult.

5 ´Dwalende vogel´ is een verwijzing naar de pre/islamitische, Arabische dichter Imru ´l-Qays, die de ´dwalende koning´ wordt genoemd.

6 Arabisch dichter uit de zevende eeuw, bekend om zijn erotische gedichten, zijn lelijke uiterlijk en zijn mensenhaat.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina