Feesten in de Bijbel en in (oud)Israël 1



Dovnload 33.53 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte33.53 Kb.

Feesten in de Bijbel en in (oud)Israël 1




A. DE KALENDER

Als wij op 31 december het laatste blaadje van onze kalender afscheuren en een nieuwe kalender in de plaats van de oude ophangen, realiseren we ons meestal meer dan anders dat de tijd is ingedeeld in jaren, maanden, weken, dagen, uren, minuten en seconden. Deze indeling is geregeld naar de stand van de zon ten opzichte van de aarde. De oude Egyptenaren reeds hebben de tijd op deze manier ingedeeld. Een zonnejaar telt 365 dagen.


Onder oud-Israël echter deelde men de tijd in naar de schijngestalten van de maan. Elke nieuwe maand begon met wat wij noemen `het eerste kwartier' van de maan. En elke maand duurde afwisselend 29 of 30 dagen. Een maanjaar telde 354 dagen. Zo'n maanjaar was dus korter dan het elders in de wereld aangehouden zonnejaar. Van tijd tot tijd werd dan ook deze tijdsindeling volgens de maanstand rechtgetrokken. Men voegde dan een aantal dagen aan een jaar toe. Hoe, is niet bekend. In deze tijd doen de Joden dat door zeven keer in de negentien jaren een schrikkelmaand, tweede Adar, toe te voegen.
Een kalender is van belang voor de landbouw. Voorjaar, zomer, herfst en winter hebben daarin een telkens weerkerende vaste plaats. Maar voor het volk van Israël is het hebben van een kalender ook altijd als een vereiste ervaren, omdat men op vaste tijden de door de HEERE ingestelde feesten wilde vieren. De landbouwkalender was dus tevens een liturgische kalender. Een zaak waarmee vooral de priesters zich bemoeiden.
De hiernavolgende indeling van het Joodse maanjaar geeft aan hoe de maanden werden genoemd (deze namen komen slechts voor een deel in de Bijbel voor) en waar ze in onze kalender zijn te plaatsen. Ook worden hier de belangrijkste feesten gedateerd. Feesten zijn onder oud-Israël nooit puur natuurfeesten. Zij herinneren steeds aan de grote daden van Israëls God in de geschiedenis van dat volk.

B. DE FEESTEN
a. Feest van de sabbat


Jes. 56; Ex. 20 : 9vv ; Deut. 5 : 13vv ;  Jes. 58 : 13


Opgemerkt moet nog worden dat alleen Israël oudtijds de zevendaagse week kende met de wekelijks terugkerende zevende dag als sabbat. Die rustdag, eenmaal in de week, was de heilige instelling van God, waardoor Israël zich onderscheidde van de volkeren. Het Hebreeuwse woord 'sjabbat' wordt wel in verband gebracht met het getal zeven `sjèba' of het Akkadische `sjibbittus', zevental. Het werkwoord `sjabbat' betekent staken, ophouden met werken, rusten.

Hebr. 4 : 9


Een dag om op adem te komen dus. Om zich met de Schepper te verlustigen in het werk van Zijn handen. En om te gedenken aan de grote verlossing uit het slavenhuis van Egypte. Alle dagen van de week worden met rangtelwoorden aangegeven. Maar de zevende dag is de dag met de geweldige naam van `sabbat'. Dan houdt de week op; dan houdt de mens een ogenblik de adem in. Het getal zeven is het heilige getal waarmee God Zelf wordt aangeduid.

Ex. 16 : 29


Dat de sabbat al vroeg in Israëls volksbestaan als een instelling van God is gezien, vertelt ons het verhaal over het manna in de woestijn, dat op de zevende dag niet uit de hemel viel.
Ieder moest op de sabbat op zijn plaats blijven. Wel mocht men een sabbatsreis maken.

Hand. 1: 12


Een sabbatsreis is een afstand van 2000 ellen (= 880 m), de gemiddelde afstand van iemands woning naar de grens van zijn woonplaats. Het is een bepaling van het Jodendom. Binnen die afstand bleef men dus op zijn plaats.

De dag van de sabbat begint bij zonsondergang op vrijdagavond en eindigt bij zonsondergang 24 uur later. Elke nieuwe dag immers begint bij het wegsterven van de vorige.



Luk. 24 : 1; 1 Kor. 16 : 2; Openb. 1 : 10


In het Nieuwe Testament komen we onder de christenen de `eerste dag der week' tegen. Deze dag, ook wel `dag des Heeren' genoemd, kwam langzamerhand in de plaats van de viering van de sabbat. Men legde op die dag een gave apart ter ondersteuning van behoeftigen. Sinds Constantijn de Grote is de zondag de officiële rustdag geworden voor de christelijke kerk (± 325 n. Chr.).

b.. Feest van de nieuwe maan
Naast de wekelijks terugkerende sabbat vierde oud-Israël op de eerste dag van elke maand het feest van de nieuwe maan. Dan werden er brand-, spijs-, pleng- en zondoffers gebracht in de tempel. De plechtige viering van de nieuwe maan blijkt al oud te zijn. Het was een rustdag. Tot op het einde van het Oude Testament is dit ook een feestdag gebleven.
c. Grote verzoendag (Jom Kippoer)

Lev. 16


Verder is tot op de huidige dag in Israël de Grote Verzoendag (`Jom Kippoer') een van de belangrijkste feestdagen, elk jaar weerkerend op de tiende dag van de maand `Tisjri'. Over het ritueel licht ons het boek Leviticus uitvoerig in. Het is een dag van algehele en volstrekte rust, van boetedoening en vasten.
d. Nieuwjaarsdag
E
n dan is er nog de viering van de Nieuwjaarsdag, onder Israël zo goed als onder vele volken. Het Jodendom vandaag viert deze dag (reeds vanaf de zesde eeuw v. Chr.) op de eerste dag van de maand `Tisjri'.
Na deze korte aanduidingen van enkele heilige dagen onder Israël geven we thans een uitvoeriger beschrijving van enkele grote feesten, waarvan de viering dagenlang in beslag nam. In het bijzonder op deze feesten heeft het volk van God de eeuwen door de grote daden van de HEERE in zijn volksbestaan gevierd.
We noemen hier alleen de feesten die we in de Bijbel tegenkomen. En we beginnen met de drie grootste, pelgrimsfeesten genoemd, omdat de Israëlieten ter gelegenheid daarvan optrokken naar de tempel in Jeruzalem, althans in de tijd dat deze bestond.
In de indeling van het Joodse jaar is het Pascha in de maand Nisan (maart/april) het eerst genoemd. Daarna het Pinkster- of Wekenfeest (mei). En als derde grote feest het Loofhuttenfeest (oktober).
Ex. 12 : 1vv

Het Joodse nieuwe jaar begint echter (reeds vanaf de zesde eeuw v. Chr.) in het eind van onze maand september. De volgorde van de zogeheten pelgrimsfeesten, gerekend vanaf de Nieuwjaarsdag is dan: Loofhuttenfeest, Paasfeest, Pinkster- of Wekenfeest.


De maand Nisan (als naam in zwang gekomen na de ballingschap) werd eerst Abib genoemd.
e. Het Paasfeest ('Pesach')

Ex. 12 : 12vv


Het eerste feest in het voorjaar is het Paasfeest, dat zeven dagen duurt. De Bijbel vertelt ons dat het Paasfeest (Pesach) een van Israëls hoge feesten is, ingesteld op uitdrukkelijk bevel van God. Het is een feest van altijddurende herinnering aan de uittocht uit het slavenhuis van Egypte onder leiding van Mozes. Het woord pesach betekent `voorbijgaan'. Dit herinnert aan de nacht vlak voor het vertrek van het volk uit Egypte, toen de engel des verderfs het land doorging. Alle eerstgeborenen van de Egyptenaren stierven. Maar Israël bleef gevrijwaard van het verderf.
Aan de deurposten en bovendorpel van hun huizen was met een bundeltje hysop het bloed gestreken van het lam dat op die dag, de veertiende Nisan, geslacht was. Rakelings langs hen heen ging het verderf voorbij. Maar zij bleven gespaard. Staande aten zij het vlees van het lam, een gaaf dier, aan één stuk gebraden, zonder dat een been was gebroken. Ze aten het gezinsgewijs, met bittere kruiden en ongezuurde broden (massot, matses), in haast gebakken.
Daarbij waren de lenden omgord, had men de wandelstaf in de hand en waren de voeten geschoeid: men was reisvaardig. Aldus moest het volk van God het de eeuwen door onderhouden. Het is een feest voor de HEERE. Een echt huiselijk feest, waaraan vooral ook de kinderen vreugde mochten beleven.

Ex. 12:26


Een van hen moest op de Paasavond altijd vragen aan de vader des huizes: `Wat hebt ge daar voor een dienst?' En dan vertelde vader weer dat oude verhaal van God, Die had omgezien naar Zijn volk in zijn ellende.

In het huidige Jodendom is het de jongste aanwezige die vraagt: 'Waarom verschilt deze avond van alle andere avonden?'


Het Paasfeest is het feest van de grote bevrijding. Het is later tevens verbonden aan het brengen van de eerstelingen van de gerste-oogst in het heiligdom. Op de tweede dag van het feest werd een garve van de oogst als beweegoffer gebracht. Pas daarna mocht iedereen eten van het nieuwe koren.
Ex. 23 : 15; Matth. 26 : 2; Luk. 22 : 1

In het Nieuwe Testament wordt het Pascha ook wel het `feest van de ongezuurde broden' genoemd. Op de Paasavond moest alle zuurdeeg uit de huizen van de Israëlieten verwijderd zijn. De vrouwen waren vóór Pasen dan ook druk met een grote schoonmaak. Zeven dagen lang werd daarna dit feest van Pasen of van de ongezuurde broden gevierd. In die dagen at men alleen massot.



Hand. 20 : 6;1 Kor.5 :6-8


Ook Jezus viert met Zijn discipelen het feest van Pesach in de opperzaal te Jeruzalem, daags voor Zijn sterven. Het is moeilijk vast te stellen hoe precies de `liturgie' voor deze Paasavond eruit heeft gezien. Maar zeker is dat het laten rondgaan van een beker met wijn op de Joodse `seder'avond ('seder' = ordening) gebruikelijk was. In de Joodse Paasliturgie vandaag is het de vijfde rondgang van de beker, die 'de beker van Elia' wordt genoemd (volgens oude Messiaanse verwachtingen zou Elia de heilstijd aankondigen). Ook werd er op de Paasavond gezongen: de liederen van het Groot Hallel (Ps.113-118)).
We lezen in het Mattheus-evangelie: `En als zij (Jezus met Zijn jongeren) de lofzang gezongen hadden, gingen ze uit naar de Olijfberg.'

In het Johannes-evangelie lezen we dat Jezus als het ware Paaslam naar Golgotha's kruis gaat. De Joodse Paasdatum is een vaste datum. Dit in tegenstelling tot het christelijke Paasfeest, dat een herinnering is aan de opstanding van Jezus Christus uit de doden; dit christelijke Paasfeest wordt gevierd op de eerste zondag na volle maan na 21 maart. Het is best een vraag waard waarom de vaste Paasdatum van de Joodse Paasfeest-viering niet is vastgehouden.


f. Het Pinkster- of Wekenfeest ('Sjaboe'ot')

Ex. 23 : 16a; Deut 16 : 9vv ; Lev. 23 : 15vv


Het tweede grote pelgrimsfeest is het zogenaamde Wekenfeest, zo genoemd omdat het aan het eind van zeven weken na Pasen valt. In die weken heeft men de sikkel gehanteerd op het land. Het zijn de weken van de graanoogst, die beginnen met de gerste-oogst en eindigen met de tarwe-oogst. De laatste dag van die periode is dan de feestdag van `sjaboe'ot' (= weken; feest-van-de-zeven-weken), die slechts één dag duurt. Het is een oogst- en dankfeest.

Ps. 118; Ex.34 :22a; Num. 28 :26vv


Op de vijftigste dag na Pasen wordt met de twee beweegbroden een deel van de oogst als eerstelingen (twee beweegbroden) de HEERE aangeboden. Daardoor wordt heel de oogst aan de HEERE gewijd en rust er zegen op het huis. In later tijden werd het boek Ruth de feeststof die op deze dag gelezen werd.
Hand. 2 : 1; 20 : 16; 1 Kor. 16 : 8

In het Nieuwe Testament heet het Wekenfeest Pinksterfeest. Die naam is afgeleid van pentèkostè, vijftigste dag na Pasen. Het is op die feestdag dat de Heilige Geest in de tempel in Jeruzalem wordt uitgestort. Op het feest van de volheid van de zomer komt God met de volheid van Zijn Geest wonen onder Zijn volk.


Lev. 23 : 11-15;

Over de berekening van de vijftigste dag na Pasen is onder de Joden oudtijds verschil van mening geweest. Levïticus 23:11-15 bepaalt dat men moet gaan tellen vanaf `de dag na de sabbat'.

De Sadduceeën dachten dat hier gesproken werd over de zevende dag van de Paasweek. De Farizeeën echter meenden, dat met `sabbat' in Lev. 23:11-15 de eerste feestdag van Pasen was bedoeld. Deze telling is de officiële geworden in het Jodendom.

Ex. 19 : 1


Waarschijnlijk heeft men reeds vóór de tijd van het Nieuwe Testament een verbinding gelegd tussen Pinksteren en de wetgeving op de Sinaï, vijftig dagen na Israëls uittocht uit Egypte. Men las het Hebreeuwse sjaboe'a als sjeboe'ah, dat `eed' betekent: feest van de eden.

De gemeente van Qumran in de dagen van Jezus en de apostelen vierde het Pinksterfeest als Verbondsfeest. Na 70 n. Chr. is zeker het karakter van het Pinksterfeest als feest van de wetgeving sterker geaccentueerd. Pasen is het feest van de bevrijding geworden, Pinksteren het feest van de wetgeving.


g. .Het Loofhuttenfeest (Soekot)
1 Kon. 8 : 2

Het derde grote pelgrimsfeest is het Loofhuttenfeest. Het wordt gevierd in de herfst, in de zevende maand, vlak na Nieuwjaarsdag en Grote Verzoendag. Het is evenals Pinksteren een oogst- en dankfeest. In de Bijbel en ook door de oude rabbijnen is het wel hèt feest genoemd.



Deut. 16 : 13vv; Lev. 23 : 39vv; Ex. 23 : 16


Het is het feest van Soekot. En dat woord Soekot herinnert aan de schamele hutten, gemaakt van takken van loofbomen, die oudtijds wel werden gebruikt als wachthutten in de wijngaarden. Zij boden enige bescherming tegen de zonnehitte. Zij werden op het Loofhuttenfeest door de Israëlieten als een tijdelijk vertrek, vaak op de platte daken, gebouwd. Men woonde dan zeven dagen lang als onder de open hemel. Zo dacht men terug aan het zwerversbestaan dat het volk van God tijdens de veertigjarige woestijnreis onder leiding van Mozes had geleid, toen God in tenten had doen wonen. In het boek Exodus wordt het ook `het feest van de inzameling' genoemd, dat gevierd werd als het werk op het land voltooid was en ook de wijnoogst binnengehaald was.

Joh. 7 : 2, 37vv; Openb. 7 : 9vv


In het Nieuwe Testament komt het Loofhuttenfeest ter sprake in Joh. 7, waar Jezus op de laatste dag van dit feest, `de grote dag' genoemd, opeens alle aandacht vraagt voor Zichzelf. `Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke ...' Op die dag gaan de priesters zevenmaal met wuivende takken, de loelab, in de hand rondom het brandofferaltaar en de hogepriester giet water uit zijn gouden kruik westwaarts van het altaar als een heilig plengoffer, geschept uit de Siloam-bron. Het is een roep om het Messiaanse heil, om water voor de dorstige. `Stromen des levenden waters', zegt Jezus, `zullen uit zijn buik vloeien' (Joh. 7 : 39).
Het Loofhuttenfeest is onder oud-Israël stellig een feest van uitbundige vreugde geweest. Vreugde om Gods heil voor een volk van zwervers op de aarde. Ook daarin moest men worden als een kind. Zeven dagen lang duurde dat feest.

Num. 29 : 12vv;


In het boek Numeri wordt ons te kennen gegeven welke offers tijdens het Loofhuttenfeest moesten worden gebracht. Later moeten andere gebruiken zijn ontstaan, zoals het rondgaan om het altaar met de loelab (wilgen, mirtetakken en palmtak) in de rechterhand en een etrog (een citroenachtige vrucht, ook wel paradijsappel genoemd) in de linkerhand; het aansteken van kandelaars; een fakkeldans; de processie naar de Siloam-bron; het waterscheppen en -plengen; het brengen van een wijnoffer enzovoort. Een Misjna-tractaat zegt: `Wie de vreugde bij de waterprocessie niet heeft meegemaakt, die heeft in zijn leven nog nooit vreugde gezien!'

Zach. 14 : 16


In de rij van de christelijke feestdagen heeft het Loofhuttenfeest geen plaats gekregen. Maar is onze dankdag voor gewas en arbeid niet een uitnemende mogelijkheid om op de toonhoogte te komen van Israëls Loofhuttenfeest, dat ook `het feest van de inzameling' was? Met een hartelijke dankbaarheid aan God, Die zo trouw voor Zijn schepselen zorgt. Met een stille herinnering aan het zwerversbestaan van ons mensen op de aarde. En met een diep heimwee naar de volle openbaring van Gods heil op de aarde: samen met Israël het feest der loofhutten te vieren, zoals Zacharia belooft.

h.. Enkele kleine (latere) feesten

Naast bovengenoemde pelgrimsfeesten zijn er ook nog enkele kleine (in later tijd ingestelde) feesten te noemen.


Esther 9 : 24; Esther 3 : 7


Het Purim-feest.

Het is een herinnering aan de bevrijding van het Joodse volk uit de greep van de Jodenhater Haman, die de Joden wilde vernietigen. Het boek Esther vertelt daarvan. Pur (meervoud purim') betekent lot. `Aller Joden vijand', Haman, had immers het lot geworpen om de dag te bepalen waarop het volk van de Joden in het rijk van koning Ahasveros vernietigd zou moeten worden. Het Purim-feest wordt gevierd op 14 en 15 Adar. De daaraan voorafgaande dag is een vasten- en gebedsdag.


Op het Purim-feest wordt in de synagoge de boekrol Esther gelezen. Op het Paasfeest het Hooglied, op het Wekenfeest Ruth, op het Loofhuttenfeest Prediker. En op de dag waarop de Joden de verwoesting van de tempel gedenken het Klaagliederenboek.

Joh. 10 : 22


Het Chanoeka-feest.

Dit feest herinnert aan het voor de Joden onvergetelijke gebeuren van de herinwijding van de tempel in 164 v. Chr., toen Judas de Makkabeeër de tempel heroverd had op Antiochus Epifanes IV. Deze had de tempel ontwijd en zelfs zwijnen laten offeren aan de Griekse hoofdgod Zeus.


Het eerste boek van de Makkabeeën (4:36vv) vertelt hiervan. Het Chanoeka-feest wordt gevierd op 25 Kislev. In het Nieuwe Testament wordt het genoemd: het engkainia-feest (engkainia = vernieuwing). De Joden vieren dit feest nog steeds, acht dagen lang. Elke dag wordt op de negenarmige kandelaar een kaarsje meer ontstoken; het negende is om de andere aan te steken. Chanoeka is een feest van kandelaren en cadeaus.

Vreugde der Wet.(simchat thora)

Na het Loofhuttenfeest wordt op 23 Tisjri de `Vreugde der Wet', simchat thora, gevierd. Dan herdenkt men dat men in één jaar in de wekelijkse Schriftlezing in de synagoge de gehele Thora heeft gelezen en begint men opnieuw met de lezing ervan. Op deze dag worden onder lofgezang de Thorarollen feestelijk rondgedragen in de synagoge.





1 Deze voordracht is een bijdrage van mijn hand in Oriëntatie in de Bijbelse oudheidkunde (red. I. A. Kole; Zoetermeer; 4e druk 1994); blz.169vv.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina