Fictie 6 Opdracht 1



Dovnload 8.55 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte8.55 Kb.

Antwoorden Hoofdstuk 6 havo/vwo-2 Fictie


Fictie 6

Opdracht 1


  1. B als een heldhaftig avontuur

  2. Bijvoorbeeld: Ik zou voor B kiezen, want Tug wordt beschreven als een dappere held: de vijand is bang ('Help!), maar Tug wil hem niet laten ontsnappen en schiet het vijandelijke vliegtuig ook in brand.

  3. Eigen antwoord. Van ene kant dromen veel jongens (ook meisjes?) ervan piloot te worden, maar in een oorlogssituatie is het misschien minder aantrekkelijk.


Opdracht 2


  1. Het meest waarschijnlijk is: 'nee', want als Adem in gevaar is, zegt Gregor niets. Hij lacht zelfs met een grapje van een andere soldaat over Adem. Wanneer ze hem bedreigen en martelen, zegt hij niets. Hij kijkt zelfs de andere kant uit. Hij protesteert één keer, maar doet verder niets. Maar misschien zeg je: Hij kan ook niet veel doen en protesteert in ieder geval.




  1. Heel realistisch, zelfs gruwelijk. Voorbeelden zijn:

- de soldaat die met het geweer zijn hoofd optilt

- wanneer hij met een soldatenlaars op zijn hand gaat staan

- wanneer de andere soldaat met zijn mes Adems T-shirt opensnijdt

- wanneer ze het kruis in zijn borst gaan snijden.




  1. Je zou kunnen zeggen dat een realistisch verhaal waarschijnlijk ook wel realistisch zal aflopen. Dus niet goed voor Adem en zonder straf voor de soldaten. De oorlog in Kosovo heeft zich ook in het echt afgespeeld. Je kunt ook denken dat boeken niet zo vaak alleen negatief aflopen, zeker jeugdboeken niet.




  1. Het kruis dat de soldaat in Adems borst snijdt, is het 'brandmerk'. Een brandmerk, in de letterlijke betekenis, wordt ook gebruikt voor runderen om ze een merkteken te geven. Daaruit blijkt waar ze bij horen.




  1. 'Brandmerken' heeft ook een figuurlijke betekenis: een slechte naam bezorgen. Voor de Servische soldaten hebben de Albanezen een slechte naam.



Opdracht 3





  1. de 'moffen', een scheldnaam voor de Duitse bezetters

  2. 'Eeuwig' betekent 'altijd'. Omdat de moffen een 'afschuwelijke kop' (gemene ogen, mond waaruit één tand steekt, davidsster op het voorhoofd) op het affiche gezet hebben, willen ze zeggen: 'Zo ziet een jood er altijd uit, zo is een jood altijd'. 'Het is net of hij tegen haar roept: 'Kijk, zo zien wij er nu uit!'.' De ikpersoon kan niemand ontdekken die er zo uitziet.

  3. Bijvoorbeeld:

- de kinderen vinden het leuk etalages te bekijken, maar in winkels binnengaan is voor joden verboden

- de kinderen moeten elke dag langs die enge plaat

- joodse kinderen mogen niet met de tram mee; ze moeten altijd lopend naar school wat voor weer het ook is.




  1. De oorlog wordt realistisch voorgesteld. Twee voorbeelden waaruit dat blijkt:

- Het fragment begint met een aanplakbiljet uit de oorlog, met beperkingen voor joden. Dit aanplakbiljet is echt; het is een letterlijk overgenomen tekst.

- Alle maatregelen die in de tekst staan (dragen van de ster, verbod in de winkels te komen, verbod met de tram te gaan) zijn echt.



Opdracht 4




Opdracht 5











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina