Film History The Invention and the early years the cinema, 1880-1904



Dovnload 175.88 Kb.
Pagina3/5
Datum22.07.2016
Grootte175.88 Kb.
1   2   3   4   5

The Paramount Decision


 

Sinds 1910 was er in Hollywood een oligopolie, die de filmindustrie beheerste. De regering had al jaren onderzoek hierna gedaan en in 1939 startte het ministerie van financiën een rechtszaak. Ze beschuldigden vijf grote en drie kleine studio’s. De big five bezaten de productie, distributie en vertoning en de little three bezaten geen theaters, maar werden beschuldigd vanwege meewerken aan het buitensluiten van andere bedrijven. In 1948, na jaren van procederen, kwam de US Supreme Court tot te conclusie dat de acht bedrijven schuldig waren aan monopolistische praktijken. De vijf grote studio’s moesten zich afscheiden van hun bioscopen. Verder moesten de acht block booking en ander praktijken afschaffen, dat onafhankelijke vertoners kon schaden. Om verdere procederen tegen te gaan, maakte ze afspraken met de rechtbank. Ze scheiden zich af van hun theaters, maar bleven wel productie-distributie bedrijven. Voordelen van deze uitspraak was dat onafhankelijke bioscopen hadden nu toegang tot meer films. Minder studio’s konden nu big-budget films maken wat de onafhankelijke producten ten goede kwam. Sterren en regisseurs creërden eigen bedrijven. Toch veranderde de structuur weinig. Onafhankelijke producenten konden het niet betalen om hun eigen distributie circuit op te starten, zodat ze bijna allemaal hun films moesten laten distribueren door de gevestigde orde.

 

Changing lifestyles and competing entertainment


 

Een tweede oorzaak voor het verval van het Hollywood systeem kwam door de sociale en culturele veranderingen. Na de oorlog verhuisden veel mensen, die geld hadden gespaard, naar de buitenwijken, terwijl de bioscopen zich in de stad bevonden. Veel mensen met kinderen hadden geen behoefte om naar de binnenstad te gaan om een film te zien. Dus de demografie droeg bij aan het verval. Ook de opkomst van de tv schade de filmindustrie. De levensstijl van de buitenwijken en het tv entertainment, samen met andere vrijetijd activiteiten zorgden ervoor dat minder mensen naar de bioscopen gingen. Als men dan naar de bioscopen ging, was men ook selectiever qua film. Ze kozen nu voor een belangrijke film, gebaseerd op een bekend boek of met een bekende ster. Doordat het publiek meer voor zulke films koos, gingen de grote productiemaatschappijen minder film produceren, waarbij de nadruk juist op de big-budget film lag.

 

Wider and more colorful screens


 

De tv’s van de jaren 50 waren klein en zwart-wit van kleur. De filmindustrie probeerde bezoekers aan te trekken door de look en het geluid van hun films te veranderen. De kleurenfilm was een duidelijke manier om films van de tv te differentiëren. Velen gebruikten Technicolor en later werd Eastman Color ook populair. Toen in 1967 de tv’s ook bijna allemaal in kleur waren, maakte Hollywood alleen nog maar kleurenfilms. De studio’s waren nu afhankelijk van het verkopen van de tv-rechten en de netwerken eisten kleurenfilms. Maar ook de grotere filmschermen hadden iets extra’s wat de tv niet had. Tussen 1952 en 1955 werden de widescreen processen ge(her)ïntroduceerd. Cinerama, een drie projector systeem dat een multi-paneel systeem ontwikkelde, werd in 1952 geïntroduceerd. De CinematoScope (1953) werd een van de meest populaire systemen want het gebruikte conventionele 35mm film en vrij simpele optics. Na 1954 werden bijna alle films vertoond met een groter format dan 1.37:1 (4:3). Veel buitenlandse industrieën ontwikkelde hun eigen widescreen systeem om Amerika bij te blijven. Bredere beelden hadden grote schermen en lichtere projectie nodig met als gevolg modificaties in de bioscopen. Ook wilde de producers magnetische geluidssporen. Maar omdat men dacht dat het publiek meer op het beeld dan het geluid lette, bleven veel bioscopen films vertonen met een optisch geluidsspoor. Ook werden de stereoscopic of 3-D films populair.

 

The rise of the independents


 

Omdat grote studio’s zich meer gingen toespitsen op big-budget films en dus de totale productie van films daalde, konden onafhankelijke producenten dit gat opvullen. Ze huurden personeel voor de film en creëerden een pakket om te laten financieren. Zodra ze een film hadden gemaakt, werd het vaak gedistribueerd door de grote studio’s. De studio’s konden hun kosten drukken door minder acteurs en regisseurs onder contract te hebben. Een van de bekendste onafhankelijke bedrijven was United Artist. Sommige pakketjes waren big-budget films en waren vaak historische gebeurtenissen of adapties van bestsellers. Omdat men in de bioscopen nog vaak twee features vertoonden, wilde men goedkope films hebben. Deze eis kon door de onafhankelijke producenten worden ingewilligd die goedkope exploitatie films produceerde. Door die goedkope films te laten zien konden ook de kosten voor het publiek verlaagd worden. Exploitatie bedrijven maakten vaak goedkope horror, sf en erotische films. Betere exploitatie films werden gemaakt door de American International Pictures (AIP). De exploitatie bedrijven moesten vaak efficiënte markttechnieken gebruiken, zoals films afstemmen op het publiek voordat er een script werd geschreven. Ook deden ze aan saturation booking (een film openen in meerdere bioscopen). Ze adverteerden de films op tv, releasten hun films in de zomer en maakte drive-ins tot first-run revenues. Al deze innovaties werden later overgenomen door de Majors. De exploitatiefilm markt had dus vele genres, zoals de tiener horror, erotische films. Af en toe nam een film een politiek standpunt in, zoals kritiek op de communistische politiek waarbij veel geblackliste filmmakers aan mee werkten. Ook werd de New York School van onafhankelijke producenten populair en maakten vele films.

 

Art cinema’s and drive-ins


 

Door de groei van de onafhankelijken ontstond er een grotere strategie. Veel producenten reageerden op de daling van de bioscoopbezoekers door de films niet alleen voor het familie publiek af te stemmen, maar op delen van de bevolking. Disney, die doelde op de kinderen en adolescenten maakte meer avonturen films, adapties van jeugdliteratuur en fantasie komedies. De tienerfilm, zoals rock and roll musicals, sf- en horrr films, werd populair. Vanaf 1960 werd de tienermarkt voor veel filmmakers een doel. De demografie tactiek creëerde ook nieuwe vertoningen. De art-houses werden steeds populairder. Ook had de filmindustie economische redenen voor het importeren van films. Het importeren van buitenlandse films was een goede manier om winsten legaal naar het buitenland te verschepen. Ook voorzag de art-film kleinere bioscopen van low-budget films. Het sprak vaak de elite aan en deze films hadden ook geen competitie van de tv want die werden niet op tv vertoond. Het aantal art houses steeg enorm. Enkele US onafhankelijke producenten konden hun films vertonen in de art theaters maar het waren meestal Europese films. Vaak behandelde de buitenlandse film meer controversiële onderwerpen, zoals seks. Drive-ins werden populair in de tijd dat er minder bioscopen kwamen, want de eigenaren hoefden slechts een weiland scherm, speakers te bezitten in plaats van een dure gebouw. Weiland waren relatief goedkoop en de goede ligging, vlak bij de buitenwijken en ook nog goedkoop, zorgde ervoor dat mensen eerder naar een drive-in gingen dan een bioscoop in de binnenstad. Hoewel de drive-in zeer weergevoelig was, gingen er veel mensen naar toe.

 



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina