Financiële exploitatie van de openbare ruimte



Dovnload 0.79 Mb.
Pagina1/8
Datum24.08.2016
Grootte0.79 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8









Financiële exploitatie van de openbare ruimte


Een vergelijkend onderzoek naar de heffing van precariobelasting en reclamebelasting enerzijds en privaatrechtelijke inkomsten anderzijds van grote gemeenten

mr. A.W. Schep
Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden

© ESBL, Rotterdam, april 2007

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

Aan het verzamelen en het verwerken van de gegevens voor deze uitgave is de grootst mogelijke zorg besteed. Iedere aansprakelijkheid voor de gevolgen van activiteiten die op basis van deze gegevens worden ondernomen wordt echter afgewezen.


Inhoudsopgave


Inleiding 5


I. Juridische begrenzing van de financiële exploitatie van de
openbare ruimte door gemeenten 7


  1. Inleiding 7



  2. Onaanvaardbare doorkruising van de regelingen van
    precariobelasting en reclamebelasting 8



  3. Precariobelasting en reclamebelasting van voorwerpen
    en openbare aankondigingen in de openbare ruimte 13

3.1 Inleiding 13

3.2 Reclamebelasting 13

3.3 Precariobelasting 14

3.4 Samenloop precariobelasting en reclamebelasting 16


II. Vergelijking van de belastinginkomsten van de BOGG-gemeenten 17
1. Inleiding 17
2. Precariobelasting 18
2.1 Opbrengsten, aanslagen, perceptiekosten 18
Tabel 1: Begrote bruto opbrengsten precariobelasting 2007 totaal en

gespecificeerd 19



Tabel 2: Aantal aanslagen precariobelasting en gemiddeld aanslagbedrag 20

Tabel 3: Perceptiekosten precariobelasting 21

2.2 Tarieven 22



Tabel 4: Algemene tarief precariobelasting per jaar 23

Tabel 5: Precariobelasting van terrassen per seizoen 25

Diagram 1: Zone- en seizoenstarieven precariobelasting terrassen 26

Tabel 6: Precariobelasting van standplaatsen 28

Tabel 7: Precariobelasting van uitstallingen per jaar 30

Tabel 8: Precariobelasting van bouwmaterialen per jaar 32

Tabel 9: Precariobelasting van reclame-objecten per jaar 34

Tabel 10: Precariobelasting van zonneschermen, ligplaatsen van
woonschepen, verkooptoestellen en evenementen 37
2.3 Motieven en beleid 39

2.4 Uitvoering en handhaving 40


3. Reclamebelasting 42

3.1. Opbrengsten, aanslagen, perceptiekosten 42



Tabel 11: Reclamebelasting: opbrengsten, aanslagen, perceptiekosten 42

3.2 Tarieven 43

3.3 Motieven en beleid 44

3.4 Uitvoering en handhaving 44



4. Beoordeling belastinginkomsten 46

4.1 Eigen beoordeling gemeenten 46

4.2 Beoordeling verordeningen en tarieventabellen 46

III. Vergelijking van de privaatrechtelijke inkomsten van de BOGG-gemeenten 48


1. Inleiding 48
Tabel 12: Contracten voor het in gebruik geven van openbare ruimte 48

Tabel 13: Privaatrechtelijke inkomsten per gemeente 48
2. Opbrengsten en kosten 50
Tabel 14: Totale begrote opbrengst en kosten privaatrechtelijke inkomsten 51

Diagram 2: Verhouding belastinginkomsten en overige inkomsten
in 16 BOGG-gemeenten 51
3. Tarieven 52
4. Motieven en beleid 52
5. Uitvoering en handhaving 53
6. Beoordeling privaatrechtelijke inkomsten 53
IV. Financiële exploitatie van de openbare ruimte in de BOGG-gemeenten 54
V. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 55

Inleiding


Dit onderzoeksrapport is geschreven in opdracht van het Belastingoverleg Grote Gemeenten (BOGG) door het Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden (ESBL)1. Onderwerp van onderzoek vormt de financiële exploitatie van de openbare ruimte door de BOGG-gemeenten. Met deze ruime omschrijving van het onderwerp van onderzoek is bedoeld aan te geven dat zowel de publiekrechtelijke als de privaatrechtelijke inkomsten van de BOGG-gemeenten voor (het toestaan van) gebruik van de gemeentegrond en gemeentewater zijn vergeleken. De publiekrechtelijke inkomsten van gemeenten die een relatie hebben met het gebruik van de openbare ruimte zijn de precariobelasting en de reclamebelasting. De parkeerheffingen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten omdat deze heffingen niet zozeer aansluiten bij het in gebruik geven van openbare ruimte door een gemeente, maar vooral een regulerend karakter hebben. Ook de gebruiks-, genots-, en vermakelijkhedenrechten vallen buiten het blikveld van dit onderzoek. Deze heffingen dienen namelijk een relatie te hebben met door de gemeente gemaakte kosten waarbij niet kan worden gezegd dat het kostenverhaal het karakter heeft van vergoeding voor het gebruik van de openbare gemeentegrond. De privaatrechtelijke vergoedingen voor gebruik van de gemeentegrond maken onderdeel uit van een met bepaalde marktpartijen gesloten overeenkomsten en zijn soms vormgegeven als huur of pacht.
Centrale onderzoeksvraag is op welke wijze grote gemeenten invulling geven aan de financiële exploitatie van de openbare ruimte.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden is onderzoek gedaan naar de fiscale en privaatrechtelijke inkomsten en gehanteerde tarieven en bedragen enerzijds en de kosten die worden gemaakt om deze opbrengsten te realiseren anderzijds. De tarieventabellen precariobelasting en reclamebelasting 2007 van de onderzochte gemeenten zijn op een aantal voor dit onderzoek relevante rubrieken met elkaar vergeleken.

Naast een vergelijking van het cijfermateriaal zijn de gemeenten ook vergeleken op de achter de heffing van de belastingen en het overeenkomen van privaatrechtelijke vergoedingen liggende motieven en beleid en aspecten van handhaving en uitvoering.


Voorafgaand aan de beschrijving van de vergelijking van de belastinginkomsten en de privaatrechtelijke inkomsten van de aan dit onderzoek deelnemende gemeenten, zal het juridische kader worden geschetst, binnen de grenzen waarvan de financiële exploitatie van de openbare ruimte door gemeenten zich dient af te spelen. In dit onderdeel worden het rechtstheoretische leerstuk van de twee-wegenleer en de toepassing daarvan op de financiële exploitatie van openbare ruimte door gemeenten beschreven. Ook wordt een beknopte beschrijving gegeven van de fiscaaljuridische basis van de precariobelasting en reclamebelasting en de wijze waarop deze is uitgewerkt in de jurisprudentie.
Opzet en respons

Ten behoeve van dit onderzoek is onder 37 BOGG-gemeenten een vragenlijst in twee delen verspreid aan door het BOGG geselecteerde contactpersonen binnen deze gemeenten. Deel I had betrekking op de belastinginkomsten en Deel II op de privaatrechtelijke inkomsten. Daarnaast is aan de deelnemende gemeenten gevraagd de verordeningen en tarieventabellen van de precariobelasting en reclamebelasting 2007 te verstrekken en relevante beleidsnotities, voorbeelden van overeenkomsten etc. Ook op deze stukken is dit onderzoek gebaseerd.

De vragenlijsten zijn naar de aangewezen contactpersonen van 37 BOGG-gemeenten verstuurd. 8 Gemeenten hebben in de loop van het onderzoek laten weten om uiteenlopende redenen bij nader inzien niet deel te zullen nemen aan het onderzoek. In 2 gemeenten wordt noch precario- noch reclamebelasting geheven (Ede en Lelystad). De hierna beschreven resultaten hebben voor wat betreft de belastinginkomsten betrekking op 27 van de 37 BOGG-gemeenten waarvan een viertal gemeenten te kennen hebben gegeven hun deelname aan het onderzoek te beperken tot het toezenden van de relevante verordening(en) met tarieventabel(len). 17 van de 37 gemeenten heeft deelgenomen aan het onderzoeksgedeelte naar privaatrechtelijke inkomsten. 16 Gemeenten hebben deelgenomen aan zowel Deel I (belastinginkomsten) als Deel II (privaatrechtelijke inkomsten) van het onderzoek. Een en ander is samen te vatten in het volgende overzicht:


Respons

aangeschreven BOGG-gemeenten

37

niet-deelnemende gemeenten

8

gemeenten zonder precario- en reclamebelasting

2

gemeenten waarvan slechts verordeningen zijn onderzocht

4

gemeenten die Deel I (belastinginkomsten) hebben ingevuld

23

gemeenten die Deel II (privaatrechtelijke inkomsten) hebben ingevuld

16

gemeenten die zowel Deel I als Deel II hebben ingevuld

15



  1. Juridische begrenzing van de financiële exploitatie van de openbare ruimte door gemeenten



  1. Inleiding

Van wie is de gemeentelijke openbare ruimte? Het antwoord op deze vraag bepaalt de discussie over de vraag naar de rechtvaardiging voor het exploiteren van deze ruimte. Door het toestaan van bijzonder gebruik wordt het algemene gebruik, de openbaarheid van de ruimte, immers beperkt. Een gemeente zal een belangenafweging moeten maken tussen de voor- en nadelen van bijzonder gebruik en die van het gebruik door het algemene publiek. Toestaan van bijzonder gebruik brengt voor een gemeente vanuit haar positie van behartiger van het algemene belang ook verplichtingen met zich in de vorm van toezicht op de naleving van vergunningvoorwaarden. Ook aspecten als kwaliteitsbewaking van de openbare ruimte en de voorwerpen die hierin zullen worden geplaatst en (verkeers)veiligheid behoren tot de gemeentelijke taken.

Wordt bijzonder gebruik van de openbare ruimte toegestaan dan mag dat gebruik van de openbare ruimte, welke met publieke middelen is aangelegd en wordt onderhouden, een prijs hebben. De gemeentelijke belastingen die bij deze gedachte aansluiten zijn, zoals eerder aangegeven, de precariobelasting en de reclamebelasting. De precariobelasting kan worden geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De reclamebelasting kan worden geheven terzake van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.

De gemeente is behalve publiekrechtelijk overheidslichaam ook rechtspersoon naar burgerlijk recht en uit dien hoofde ook doorgaans eigenaar van het grootste deel van de gemeentelijke openbare ruimte. Voor het toestaan van gebruik van gemeentegrond kan een gemeente op basis van haar positie als eigenaar in beginsel een (privaatrechtelijke) vergoeding bedingen. De overeengekomen vergoeding wordt soms vormgegeven als huur of pacht. Ondanks het uitgangspunt dat de gemeente dezelfde rechten en verplichtingen heeft als andere rechtspersonen naar burgerlijk recht is de positie van de overheid als contractpartij een wezenlijk andere dan die van een particulier. De overheid wordt nu eenmaal geacht het algemeen belang te behartigen. Voor het privaatrechtelijk handelen van de overheid gelden dan ook andere regels dan voor het handelen van particuliere partijen. Voordat de vraag naar de toepasselijke regels voor het privaatrechtelijke optreden van de overheid kan worden beantwoord, zal eerst moeten worden vastgesteld of, en in welke gevallen de overheid bevoegd is om genoemde contractuele vergoedingen te bedingen. Deze vraag doet zich ondermeer voor in situaties waarin ook de mogelijkheid bestaat belasting te heffen. Stel dat een gemeente een verordening precariobelasting heeft met in de bijbehorende tarieventabel onder andere een tarief voor reclamevoorwerpen bevestigd aan lichtmasten. Staat het de gemeente in dat geval vrij om een vergoeding te bedingen door daartoe een overeenkomst te sluiten met een marktpartij die deze reclame-uitingen bedrijfsmatig verzorgd? In de rechtstheorie probeert de zogenoemde ‘doorkruisingsleer’ of ‘twee-wegenleer’ op deze vraag een antwoord te geven.





  1. Onaanvaardbare doorkruising van de regelingen van precariobelasting en reclamebelasting?

De basis voor de genoemde twee-wegenleer is gelegd in het standaardarrest Staat/Windmill2. De Hoge Raad geeft in dit arrest aan dat eerst moet worden gekeken of de op de situatie betrekking hebbende publiekrechtelijke regeling voorziet in een antwoord op de vraag of van een privaatrechtelijke bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Is dit niet het geval, dan moet worden beoordeeld of door het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheid de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Voor de beantwoording van deze doorkruisingsvraag is een viertal in de jurisprudentie nader ontwikkelde aspecten van belang3:




  1. de inhoud en strekking van de regeling, die mede kan blijken uit de wetsgeschiedenis;
    Standaardarrest over dit criterium is het arrest Vlissingen/Rize, ook wel bekend onder het (Vlissingse) Brandweerkostenarrest4. Het ging in deze casus om verhaal van bluskosten voor het blussen door de brandweer van een schip. De Brandweerwet 1985 bevatte geen regeling inzake kostenverhaal. Uit de Parlementaire Geschiedenis volgde dat de wetgever deze kosten niet aan de burger in rekening wilde brengen. Verhaal van deze kosten zou er toe kunnen leiden dat bij de burger een drempel zou kunnen ontstaan om tot alarmering over te gaan. Bovendien ging het om een kerntaak van de overheid, die van oudsher door haar is uitgeoefend zonder dat kosten in rekening werden gebracht. Nu verhaal langs publiekrechtelijke weg is uitgesloten, zou verhaal langs privaatrechtelijke weg neerkomen op een onaanvaardbare doorkruising van de Brandweerwet 1985, aldus de Hoge Raad.

Ons inziens sluiten inhoud en strekking van de artikelen 227 en 228 van de Gemeentewet (reclamebelasting en precariobelasting) het bedingen van vergoedingen in overeenkomsten voor gebruik van de openbare ruimte voor reclamevoorwerpen danwel verhuur of verpachting van gemeentegrond niet expliciet uit. Het betreft hier immers een situatie waarin juist wel mogelijkheden zijn gecreëerd voor een financiële vergoeding voor gebruik van de openbare ruimte (precariobelasting en reclamebelasting).





  1. een algemeen bestendige praktijk die privaatrechtelijk handelen van de overheid toestaat;

Dit criterium is afkomstig uit het arrest Kunst&Antiekstudio Lelystad5. In deze procedure had de gemeente Lelystad onder bepaalde voorwaarden een gedeelte van een bedrijventerrein verkocht aan Kunst&Antiekstudio Lelystad om daar een bedrijven- en handelscentrum te stichten. In geschil was of het de gemeente vrij staat in een overeenkomst tot gronduitgifte voorwaarden op te nemen die ertoe strekken het gebruik van de uitgegeven grond te beperken of te verbieden, ook als dat volgens het vigerende bestemmingsplan in het algemeen geoorloofd is. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend. Onder vigeur van de voorloper van de Wet op de Ruimtelijke ordening, de Woningwet was het stellen van dergelijke voorwaarden in een overeenkomst in de praktijk gebruikelijk. De wetgever heeft zich, hoewel met deze situatie bekend, bij de totstandkoming en latere wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet uitgelaten over deze praktijk en heeft deze hiermee bestendigd. Een andere opvatting zou er bovendien toe leiden dat een algemeen gebruikelijke, reeds tientallen jaren bestaande gemeentelijke praktijk opeens door de rechter als ontoelaatbaar zou worden bestempeld, hetgeen met het oog op de rechtszekerheid omtrent de rechtstoestand van onroerend goed uitermate bezwaarlijk zou zijn. Het ligt dan ook veel meer voor de hand dat de wetgever deze materie regelt, aldus de Hoge Raad.

Wij achten verdedigbaar het standpunt dat het bedingen van contractuele vergoedingen door gemeenten voor gebruik van de openbare ruimte voor bepaalde voorwerpen een algemeen bestendige praktijk vormt in de zin van voornoemd arrest. De laatste wijziging van de bepalingen van de reclamebelasting en de precariobelasting in de Gemeentewet met de Wet materiële belastingbepalingen geeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever aan deze praktijk een einde heeft willen maken.




  1. de bescherming van de belangen van burgers;

Ten aanzien van dit criterium gold lange tijd het arrest De Pina/Helmond als standaardarrest6. De gemeente Helmond wilde in deze casus een woonwagen (laten) verwijderen van een gemeentelijk terrein via een kort geding in plaats van met behulp van bestuursdwang, waar de toenmalige Woonwagenwet in voorzag. De gemeente diende op basis van de regeling in de Woonwagenwet vóór de beoogde verwijdering aan te geven naar welke legale standplaats de woonwagen versleept zou moeten worden. Deze mededeling en aanspraak op een nieuwe standplaats zouden door gebruikmaking van de privaatrechtelijke weg achterwege kunnen blijven. De Hoge Raad achtte gebruik van de privaatrechtelijke weg in deze situatie een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling in de Woonwagenwet waarin de belangen van de woonwagenbewoners beter werden beschermd.

In het recentere arrest Heerde/Goudsmid, met een vergelijkbare casus, oordeelde de Hoge Raad anders7. In deze procedure had de gemeente Heerde op basis van haar eigendomsrecht een caravan verwijderd. De Woonwagenwet was inmiddels ingetrokken en de regels voor verdeling van standplaatsen zijn ondergebracht in de Huisvestingswet. Alhoewel bestuursdwang ook in dit geval mogelijk was geweest, overwoog de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis van de Huisvestingswet niet valt af te leiden dat het gemeentebestuur tegen het zonder recht of titel innemen van een aan de gemeente in eigendom toebehorende standplaats slechts zou mogen optreden door middel van bestuursdwang.


Hoe werkt dit criterium uit in de situatie van de privaatrechtelijk overeengekomen vergoeding voor gebruik van de openbare ruimte enerzijds en de mogelijkheid van het opleggen van precariobelasting of reclamebelasting anderzijds? Zijn er bijzondere regels van belangenbescherming bij het opleggen van een belastingaanslag, die met het bedingen van een privaatrechtelijke vergoeding onaanvaardbaar worden doorkruist? Zou bijvoorbeeld de regeling van bezwaar en beroep die in het belastingrecht geldt, als een bijzondere regeling in de zin van deze vraag kunnen gelden? Dit wordt door ons betwijfeld. Zij geldt immers voor alle besluiten in het bestuursrecht. Met name kan dit worden betwijfeld in die situaties dat overeenkomsten met marktpartijen tot stand komen in vrijwilligheid en de hoogte van de vergoeding het resultaat is van onderhandelingen. In sommige gevallen kan zelfs worden gezegd dat de belangen van marktpartijen beter beschermd zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst dan door algemene regels van bezwaar en beroep die voor belastingen gelden. Naast een financiële vergoeding kunnen namelijk meer voorwaarden deel uitmaken van een overeenkomst voor gebruik van de openbare ruimte. Zo worden in bepaalde contracten bijvoorbeeld afspraken met de gemeente gemaakt over de risicoverdeling terzake van onderhoud, beschadiging, verlies of diefstal van voorwerpen als reclame-objecten. Ons inziens kan niet worden gezegd dat door af te zien van het opleggen van een aanslag reclame- of precariobelasting en te kiezen voor het sluiten van een overeenkomst, een bijzondere regeling van belangenbescherming wordt omzeild.




  1. of met het bewandelen van de publiekrechtelijke weg een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt; zo ja, dan is dit een belangrijke aanwijzing dat er geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg8.

Dit criterium dat de Hoge Raad in het arrest Staat/Windmill heeft geformuleerd, schept bij de toepassing van de tweewegenleer in de praktijk onduidelijkheid. Dit komt doordat het omgekeerde ook geldt: indien een door de overheid nagestreefd doel niet kan worden bereikt via de publiekrechtelijke weg, is dit een aanwijzing dat een privaatrechtelijke omweg evenmin is toegestaan, aldus de Hoge Raad in het eerder genoemde Vlissingse Brandweerkosten-arrest9.

Uit de arresten Staat/Windmill en Heerde/Goudsmid kan worden afgeleid dat voor de vaststelling of een vergelijkbaar resultaat met de publierechtelijke weg kan worden bereikt, de publiekrechtelijke regeling weliswaar mogelijk moet zijn, maar dat het niet noodzakelijk is dat deze weg ook daadwerkelijk is benut. Uit het arrest Heerde/Goudsmid bleek dat de enkele mogelijkheid om met bestuursdwang de caravan te verwijderen niet in de weg stond aan ontruiming van de standplaats langs privaatrechtelijke weg. Indien de publiekrechtelijke weg wèl in vergelijkbare handhavingsbevoegdheden voorziet, dan dient in zijn algemeenheid te gelden dat handhaving langs privaatrechtelijke weg niet is toegestaan10.

Ons inziens zal ook op basis van dit laatste criterium het bedingen van een privaatrechtelijke vergoeding voor gebruik van de openbare ruimte niet snel tot onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke belastingregelingen komen in de zojuist beschreven gevallen waarin meer wordt overeengekomen dan alleen een vergoeding. In dat geval kan namelijk niet hetzelfde resultaat worden bereikt met de publiekrechtelijke regeling. In andere gevallen kan het oordeel genuanceerder liggen. Bijvoorbeeld indien een gemeente privaatrechtelijke vergoedingen overeenkomt ten aanzien van een bepaald gebruik van de openbare ruimte (zonder aanvullende voorwaarden), terwijl ditzelfde gebruik eveneens als belastbaar feit in een tarieventabel bij een belastingverordening is omschreven. Indien de privaatrechtelijke vergoeding die men verschuldigd is hoger ligt dan het toepasselijke belastingtarief, is een ‘vergelijkbaar resultaat’ beschikbaar in de zin voor dit gebruik van de gemeentegrond ook belastingheffing mogelijk is. In dit geval is voorzichtigheid geboden. Zoals hierna zal worden beschreven is de gemeente bij haar privaatrechtelijk optreden namelijk eveneens gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Met name met het oog op het gelijkheidsbeginsel verdient het aanbeveling om in het omschreven geval zowel de hoogte van de tarieven als de voorwaarden waaronder gebruik van de openbare ruimte wordt toegestaan met elkaar te laten overeenstemmen.
In het kader van de toetsing aan de twee-wegenleer zijn als bijzondere categorie overeenkomsten nog de zogenoemde bevoegdhedenovereenkomsten het vermelden waard. Hiervan is sprake wanneer de overheid in een overeenkomst vastlegt of en op welke wijze zij gebruik zal maken van een publiekrechtelijke bevoegdheid. In de literatuur is onduidelijkheid over de vraag of de tweewegenleer van toepassing is op dergelijke overeenkomsten11.

De overeenkomsten die ons in het kader van dit onderzoek zijn verstrekt, hebben ons inziens niet het karakter van een bevoegdhedenovereenkomst. Het betreffen zuiver privaatrechtelijke overeenkomsten, door de gemeente aangegaan in haar hoedanigheid als eigenaar van de grond. Er is geen sprake van het afzien van louter aan de gemeente toekomende publiekrechtelijke bevoegdheden.


Zoals eerder beschreven, zijn behalve de normale regels van het Burgerlijk Wetboek ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op het privaatrechtelijk handelen van de overheid van toepassing. Deze norm is gebaseerd op artikel 3:14 BW. Dit artikel bepaalt dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Standaardarrest voor de toetsing door de rechter van het privaatrechtelijk handelen van de overheid aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het arrest Amsterdam/Ikon12. De Hoge Raad oordeelde in deze procedure dat een overheidslichaam bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden uit een erfpachtverhouding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen. Het gelijkheidsbeginsel is hierbij het meest voorkomende beginsel waar door burgers een beroep op wordt gedaan. De Hoge Raad komt in het eerdergenoemde arrest tot het oordeel dat het in zo’n geval op de weg van de overheid ligt om aan te tonen dat deze ongelijke behandeling in het concrete geval gerechtvaardigd is.
Resumerend kan worden gesteld dat het de gemeente in beginsel vrij staat om contractuele vergoedingen met marktpartijen te bedingen voor gebruik van gemeentegrond. Deze vrijheid hebben gemeenten zondermeer in die gevallen waarin de gemeente optreedt in de hoedanigheid van eigenaar van de grond (of het water) en er geen vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt via belastingheffing. Ook als er geen afspraken worden gemaakt over het al dan niet afzien van gebruikmaking van publiekrechtelijke bevoegdheden, is bewandelen van de privaatrechtelijke weg mogelijk13. In die gevallen waarin voor vergelijkbaar gebruik van de openbare ruimte een gemeente zowel belasting heft als een privaatrechtelijke vergoeding overeenkomt, is voorzichtigheid geboden. Het privaatrechtelijke optreden dient in die gevallen de toets van het gelijkheidsbeginsel te doorstaan.

  1. Precariobelasting en reclamebelasting van voorwerpen en openbare aankondigingen in de openbare ruimte





  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina