Fiscale jurisprudentie Omzetbelasting (voorbeeld)



Dovnload 0.88 Mb.
Pagina1/12
Datum18.08.2016
Grootte0.88 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12



Fiscale jurisprudentie


Omzetbelasting (voorbeeld)

In de inhoudsopgave zijn alle onderwerpen vermeld die in het volledige document te vinden zijn.


Om direct naar de onderwerpen in de inhoudsopgave te gaan, gaat u met de cursor op het betreffende onderwerp staan. Houdt de [Crtl] knop ingedrukt en klik met de linkermuisknop op het onderwerp.
Alleen bij het hoofdstuk over de omzetbelasting functioneert de verwijzing.

Gebruiksaanwijzing: Via de op de volgende bladzijde opgenomen inhoudsopgave kunt u direct naar het juiste onderdeel van de Fiscale Jurisprudentie gaan. Per onderdeel is de jurisprudentie op volgorde van wetsartikel opgenomen. U kunt ook binnen het hele word-document zoeken op trefwoorden via het menu “bewerken”, onderdeel “zoeken”.


Gebruiksaanwijzing: Via de op de volgende bladzijde opgenomen inhoudsopgave kunt u direct naar het juiste onderdeel van de Fiscale Jurisprudentie gaan. Per onderdeel is de jurisprudentie op volgorde van wetsartikel opgenomen. U kunt ook binnen het hele word-document zoeken op trefwoorden via het menu “bewerken”, onderdeel “zoeken”. 2

OMZETBELASTING 4




OMZETBELASTING



Inleidende bepalingen (art. 1 t/m 2a)

Wet op de omzetbelasting 1968


Art. 1 (art. 2 Zr)
Illegale leveringen h.t.l. van amfetamine doen geen OB-schuld ontstaan.

De illegale leveringen, door belanghebbende in Nederland onder bezwarende titel verricht, van amfetamine die geen deel uitmaakte van het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte handelsverkeer t.b.v. gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden hebben geen OB-schuld doen ontstaan.


HR: 7 september 1988, nr. 23.551

BNB 1988/304

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 1 (art. 2 Zr)
Ontstaan OB-schuld. Verkoop van namaakparfums.

Valt de levering van namaakparfums binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn?

HvJ EG: Met een beroep op de arresten van het hof over de verdovende middelen wordt betoogd dat niet aan heffing wordt toegekomen omdat er geen legale markt bestaat voor namaakparfums. De overwegingen van het hof bij verdovende middelen gelden ook bij vals geld. Het gaat daarbij om goederen die door hun bijzondere kenmerken niet in de handel of het economische circuit kunnen worden gebracht. Dat ligt anders bij namaak­parfums. Dat betreft geen goederen waarvan de verhandeling wegens hun aard of bijzondere kenmerken ver­boden is. De transacties maken wel inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten, maar het verbod houdt geen verband met de aard of de wezenlijke kenmerken van de producten, doch met de aantasting van de rechten van derden. Het op de namaakartikelen berustende verbod levert onvoldoende grond op om de producten buiten de werkingssfeer van de BTW te houden.
HvJ EG: 28 mei 1998, nr. C-3/97 (Goodwin en Unstead)

VN 1998, blz. 4890

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 1 (art. 2 Zr)
Ten onrechte toepassing vrijstelling. Beginsel van fiscale neutraliteit.

Het Belgische Transport Servi­ce levert belastingvrij twee voertuigen aan een in Luxemburg wonende koper. De Belgische staat meent dat die levering niet is aangetoond. Volgens haar heeft Transport Service aan Bea Cars BVBA geleverd. Daarom kan geen enkele vorm van BTW-vrijstelling voor de levering van de betrokken voertuigen worden ingeroepen. Transport Service is over de levering BTW verschuldigd. Bea Cars heeft bij de wederverkoop van de voertuigen de verschuldigde BTW aan de Belgische Staat afgedragen. De vraag is of het beginsel van de neutraliteit van de BTW in dit geval verhindert dat een lidstaat kan overgaan tot naheffing van BTW?

HvJ EG: Het beginsel van de neutraliteit van het gemeenschappelijk stelsel van BTW verzet zich niet ertegen dat een lid­staat de BTW navordert van een belastingplichtige die op een levering van goederen ten onrechte een vrijstelling heeft toegepast. Of de belasting over de toe­gevoegde waarde over de latere verkoop van de betrokken goederen aan de eindverbruiker al dan niet aan de schatkist is betaald, is in dat opzicht irrelevant.
HvJ EG: 3 maart 2004, nr. C-395/02 (Transport Service NV)

VN 2004, nr. 18.18


Leveringen en diensten (art. 3 t/m 7)

Wet op de omzetbelasting 1968


Art. 3
Vervaardiging nieuw goed.

Er is slechts sprake van het vervaardigen van een werk in roerende staat indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt, en dat er een nieuw goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.


HvJ EG: 14 mei 1985, nr. C-139/84 (Van Dijk’s Boekhuis)

Wet op de omzetbelasting 1968


Art. 3
Vervaardiging nieuw goed.

Onder vervaardiging van een goed als bedoeld in art. 3, lid 1, letter h, O.B.’68 is te verstaan het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond.

In aanmerking genomen dat het hier gaat om een als monu­ment aan te merken gebouw dat, hoezeer ook in slechts staat van onderhoud en door brand beschadigd, nimmer heeft opgehouden als zodanig te bestaan en waarvan het uiterlijk bij restauratie en reconstructie goeddeels ongewijzigd is gehand­haafd, laten de feiten geen andere slotsom toe dan dat de in opdracht van belanghebbende uitgevoerde werkzaamheden niet en goed hebben voortgebracht, dat tevoren niet bestand.
HR: 17 juni 1987, nr. 23.782

BNB 1987/243

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 3
Verbouwing parochiehuis tot woonappartemen­ten. Voortbrenging van een goed dat tevoren niet bestond?

Belanghebbende heeft in het kader van zijn onderneming een gedeelte van een door hem indertijd gekocht parochiehuis verbouwd tot woonap­parte­menten. Het Hof meent dat de ver­bouwing niet meebrengt dat een goed is voortgebracht dat voor­dien niet bestond. Daarom geen vervaar­di­ging in de zin van art. 3, eerste lid letter h van de Wet OB 1968. De functieverande­ring van het pand doet daaraan niet af.

HR: Een ingrijpende wijziging in de aan­wen­dingsmogelijkheden van een onroerend goed vormt een omstan­digheid die van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of een goed is voortgebracht dat tevoren niet bestond. (Volgt vernietiging en ver­wijzing).
HR: 17 april 1991, nr. 27.076

VN 1991, blz. 1506

BNB 1991/166

Fed 1991/443


Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 4 en 11
Gelegenheid tot verkoop gebruikte goederen. Levering?

X is ondernemer en stelt onder de naam "A" particulieren in staat gebruikte goederen te verkopen. Die goederen worden voor max. 6 maanden ten verkoop geplaatst in een aan "A" ter bes­chikking staande hal. "A" ontvangt een bedrag voor de opslag en -bij verkoop- een percentage van de op­brengst. X gebruikt goederenbonnen waarop gegevens over "A" zijn voorgedrukt; de voor de ver­melding van de verkoper bestelde ruimte wordt nooit ingevuld. X verzekert de goederen tegen brandschade.

HR: X heeft overeenkomsten gesloten op eigen naam, maar op order en voor rekening van de aanbrengers van de goederen. Daarom is sprake van leveringen in de zin van art. 3, vijfde lid. Onverenigbaar met de vastgestel­de feiten is X' stelling dat sprake is van een als dienst aan te merken vorm van bemid­deling. Ook is er geen aan­leiding aan te nemen dat de door X ver­richte prestatie is aan te merken als de ver­huur van on­roerend goed.
HR: 21 november 1990, nr. 26.834

VN, 1991, blz. 148

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 15 en 37
Schijntransactie/levering?

Belanghebbende heeft als tussenbedrijf gefungeerd tussen een in Neder­land geves­tigde leverancier en een in België geves­tigde afnemer. De leverancier zou aan belanghebbende computeronderdelen verkopen en leveren, en belanghebbende zou die door­verkopen en leveren aan de Belgische af­nemer. Belangheb­bende heeft nauwelijks enige bemoeienis gehad met de totstandkoming en de uitvoering van de transacties. De leverancier brengt omzet­belas­ting in rekening, die belanghebbende in aftrek brengt. De verkochte onderdelen blijken waardeloos te zijn.

HR: terecht heeft het Hof vastgesteld dat geen sprake was van reële goederentransac­ties. Geen levering dus. Dit betekend dat de omzetbe­lasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht, uitsluiten verschul­digd is geworden op grond van vermelding ervan op de factuur. Deze belasting komt daarom bij belanghebbende niet voor aftrek in aanmerking.
HR: 19 december 1990, nr. 25.301

Fed 1991/385

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 15 en 37
Schijntransactie/levering

Belanghebbende heeft als tussenbedrijf gefungeerd tussen een Neder­landse leveran­cier en afnemers in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende zou audio- en videobanden kopen van de leveran­cier en deze doorverkopen naar het buiten­land. De door de leverancier in rekening gebrachte omzetbelasting is door belangheb­ben­de in aftrek gebracht. Bij onderzoek blijkt dat de leverancier een keten van schijntransacties heeft opgezet.

HR: Het feit dat de leverancier een keten van schijntransacties heeft opgezet rechtvaardigt niet zonder meer de gevolgtrekking dat in casu geen sprake is van leveringen. Daartoe is vereist dat belanghebbende zich bewust was slechts in schijn een overeenkomst tot stand te bren­gen. Dit is door het Hof niet vastgesteld. (volgt verwijzing).
HR: 6 maart 1991, nr. 26.030

Fed 1991/386

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 15 en 37
Schijntransacties?

Belanghebbende heeft als tussenbedrijf gefungeerd tussen in Nederland gevestigde leverancier en een in België gevestigde afnemer. De leveran­cier zou aan belangheb­bende computeronderdelen verkopen en leveren, en belanghebbende zou die door­verkopen en leveren aan een Belgische af­nemer. Belangheb­bende heeft nauwelijks enige bemoeienis gehad met de totstandkoming en de uitvoering van de transacties. De leverancier brengt omzet­belasting in rekening, die belanghebbende in aftrek brengt. De verkochte onderdelen blijken waardeloos te zijn. In geschil is of in casu schijnhandelingen hebben plaatsgevonden.

HR: Voor het aannemen van een schijnhan­deling is vereist dat beide partijen hebben geweten dat de tussen hen naar schijn gesloten over­een­komst in werkelijkheid niet zou gelden. Het Hof heeft ten onrechte niet aangegeven op grond waarvan het aannam dat belanghebbende slechts in schijn een overeenkomst sloot.
HR: 6 maart 1991, 25.009

Fed 1991/384

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 3
Integratieheffing. Vervaardiging. Ach­ter­wege laten heffing

Belanghebbende, X BV, verhuurt on­roerende zaken. In 1984 koopt X BV de panden a-straat 1 t/m 9, waarvan nr. 3 t/m 7 één bedrijfspand vormen: één grote ruimte met enkele functionele afscheidingen voor kan­toor, kan­tine e.d. In 1985 en 1986 worden de panden 3 t/m 7 zodanig verbouwd dat zes ap­partemen­ten ontstaan, die ieder als woning worden ver­huurd.

HR: Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een ingrij­pende wij­ziging in de aanwen­dingsmogelijkheden van de panden en dat aldus een goed is vervaardigd in de zin van art. 3, eerste lid, onderdeel h. Dit oordeel is niet juist gemoti­veerd. De feiten blijkt dat aan het aan­van­ke­lijk be­s­taan­de bedrijfspand een aantal elemen­ten is toege­voegd van zoda­nige aard en omvang, dat de zo tot stand gekomen on­roerende zaak niet kan worden vereenzelvigd met de daar­voor be­staan­de zaak, zodat een goed is voortge­bracht dat tevoren niet be­s­tond.
HR: 7 april 1993, nr. 28.884

VN 1993, blz. 1749

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3 en 8
Maatstaf van heffing bij eigen gebruik.

Een aannemer koopt een perceel grond; de levering was vrijgesteld. Hij bouwt er een woning op voor hemzelf en zijn gezin. De OB op de goede­ren en diensten benodigd voor de bouw trekt de aannemer af. Voor de aanwen­ding van de woning voor privé vol­doet hij een gelijk bedrag aan OB op aan­gifte. De Inspecteur heft na over de waarde van de grond.

HvJ EG na verzoek HR: art. 5, zesde lid, van de Zesde Richtlijn moet zo worden uit­gelegd, dat wanneer een bouwondernemer grond koopt met geen ander doel dan deze privé te gebruiken, en op die grond in de uitoefening van zijn bedrijf een woning sticht, bestemd voor eigen bewoning, alleen de woning en niet de grond als voor eigen privé doeleinden aan het bedrijf onttrokken in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd. vergelijk­baar met de par­ticulier die grond zonder OB koopt en daarop een huis laat bouwen.)
HvJ EG 6 mei 1992, nr C-20/91

VN 1992, blz. 2095

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 11 en 15
Levering of niet?

Belanghebbende, X, heeft in 1977 zijn bedrijf, m.u.v. het onroerende goed, in­gebracht in een BV waarvan hij directeur en enig aandeelhouder werd. In 1978 bouwde de BV op de aan X toebehorende grond een bedrijfshal. X verhuurde deze hal aan de BV. In 1982 droeg de BV de economische eigendom van de hal tegen een tegenpres­tatie over aan X. Daarbij bracht de BV aan X omzetbelasting in rekening. Kort daarna ging de BV failliet.

Hof: de macht om als eigenaar over de bedrijfshal te beschikken is volledig van de BV overgegaan op X. Er is sprake van een levering in de zin van art. 3, eerste lid aan­hef en sub e, Wet OB 1968. Die levering is vrijgesteld van omzetbelasting, nu zij heeft plaatsgevon­den meer dan twee jaar na de eerste in­gebruikneming van die hal. Er is ten onrechte omzetbelasting in rekening gebracht. De Inspecteur heeft die door X afgetrokken OB terecht nageheven.
Hof Leeuwarden, 20 september 1991, nr. 1263/89 MK 2

BNB 1992/281

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 15 en 31
Aanleg betonweg. Overdracht onderneming. Her­ziening.

Belanghebbende, X, exploiteert een landbouw­bedrijf dat normaal in de heffing is betrok­ken. Hij heeft op zijn landerijen een beton­weg laten aanleggen. De weg ver­bindt het bedrijfsterrein met de landerijen en de landerijen onderling. De ter zake berekende OB volledig in aftrek ge­bracht. X draagt de onder­neming daarna over. In dat verband legt de inspec­teur op grond van art. 13a Uitv.besch OB 1968 aan X een naheffings­aanslag op. In geschil is of de aanleg van de weg als een levering of als een dienst moet worden gezien. Ook wordt de toepassing van art. 31 Wet OB ingebracht.

Hof: Door de aanleg van de betonweg is een goed ontstaan dat tevoren niet bestond en waarvan de functie naar maatschap­pelijke op­vattingen verschilt van de functie die de grond daarvoor had. De weg bezit, ondanks de dienst­baarheid aan de landerijen, vol­doende zelfstandigheid om afzonderlijk te worden bezien. Omdat op de overdracht het bepaalde in art. 31 Wet OB van toepassing is, wordt toch niet toegekomen aan her­ziening bij de overdrage­nde partij. De herziening moet op grond van art. 8 Uitv.Besch.OB 1968 plaatsvinden bij de over­nemende partij, telkens voor een tiende.
Hof Leeuwarden, 4 juni 1993, nr. 92/0052 MK1

VN 1993, blz. 2725

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3 en 8
Maatstaf van heffing. Afname door provincie van elektriciteit.

Belanghebbende, X NV, is een provin­ciaal energiebedrijf. De provincie is enig aan­deelhouder. X NV is daarom voor de toe­pas­sing van de Wet OB onderdeel van de provin­cie (resolutie).

Leveringen van elektriciteit aan provinciale diensten die geen onder­nemer zijn, moeten daarom worden gezien als interne leverin­gen. In ges­chil is of de kosten van distributie en transformatie behoren tot de maatstaf van heffing.

HR: Levering bij de afnemer vindt pas plaats na transforma­tie tot het door de afnemer gewenste span­ningsniveau. X NV brengt voort wat wordt afgenomen (kent geen voorraad), zodat de totale kosten van af­name, inclusief de distributie en trans­for­matie, tot de voortbren­gingskos­ten behoren. X BV beschikt pas over de door haar voortgebrachte elektriciteit op het tijdstip dat ze deze bij de afnemer aflevert. Tot de maatstaf van heffing van de levering aan de provin­ciale dien­sten be­horen daarom de kos­ten van distributie en transforma­tie.


HR: 23 december 1992, nr. 28.706

VN 1993, blz. 505

BNB 1993/80

Wet op de omzetbelasting 1968


Artt. 3 en 15
Interne levering. Aftrek van voorbelasting en ver­zekeringsbedrijf.

X BV vormt voor de OB een fiscale eenheid met A BV, een ver­zekeraar. A BV verricht een interne (3-1-h) levering door een in opdracht vervaar­digd pand in gebruik te nemen. A BV gebruikt het pand alleen voor vrijgestelde prestaties. Van de OB die voor de stich­ting van het pand aan X BV in rekening is gebracht heeft de inspecteur volledige terug­gaaf ver­leend. X BV maakt aanspraak op teruggaaf van 31,7% van de op het pand drukkende voorbelasting van f 183.233.

HR: Dat X BV een belaste interne levering van het pand heeft ver­richt doet niet af aan de vaststelling dat het pand uitsluitend wordt gebezigd voor vrijges­telde prestaties. De inspecteur heeft dan ook de voorbe­lasting die op de stich­tingskosten aan X BV in rekening is ge­bracht in aftrek toegela­ten. Het gebruik van het pand uitsluitend voor vrijges­tel­de prestaties leidt ertoe dat volgens art. 11, eerste lid, onderdeel a van de Uitv.besch. OB 1968 de voorbelasting, waaronder i.c. is te verstaan de door art. 3-1-h verschul­digde belasting, niet voor aftrek in aan­merking komt.
HR: 23 maart 1994, nr. 29.691

VN 1994, blz. 1325

BNB 1994/157
Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 3
Ondernemer. Studentenvereniging. Exploitatie sociëteit.

X, een studentenvereniging, exploiteert een voor ieder vrij toegankelijke discotheek, een eetzaal en een slechts voor haar leden en hun introducés toegankelijke sociëteit. In het kader van de exploitatie van de sociëteit worden tegen ver­goe­ding pres­ta­ties ver­richt, zoals het gelegen­heid geven tot tv kij­ken, biljarten en gebruik van de bibliotheek.

HR: Dat zijn prestaties die X als ondernemer in de zin van de Wet OB '68 verricht. De leden van de vereniging behoren niet tot de eigen kring van X omdat uit de statuten en de huishoudelijke reglementen blijkt dat iedereen, mits voldoende aan de gestelde voorwaarden, lid kan worden. Het bestaan van zo'n kring heeft het Hof op grond van de feitelijke omstandig­heden ook niet aannemelijk geacht.
HR: 21 juni 1995, nr. 30.485

VN 1995, blz. 2319


Wet op de omzetbelasting 1968


Artt. 3 en 8
Levering. Maatstaf van heffing. Zelf vervaardigd complex van winkels en woningen.

X BV is projectontwikkelaar. X BV realiseerde op in 1985 gekochte grond een complex van winkels en bovenwoningen. Die werden ver­huurd in afwachting van verkoop. In 1987 kocht X BV ook grond en realiseerde hierop een ander complex van winkel en bovenwoningen. Die woningen zijn premie-huurwoningen. De complexen zijn door X BV in eigen bedrijf vervaardigd.

H.R.: X BV verdedigde de stelling dat de maatstaf van heffing voor de woningen afgeleid moet worden uit een gedeelte van de leveringen van de complexen, los van de vraag welke maatstaf op de complexen als geheel van toepassing is. Het Hof heeft dat terecht verworpen omdat de in art. 8-4 bedoelde maatstaf van heffing moet worden toegepast op de in eigen bedrijf vervaardigde goederen als geheel. Het Hof heeft noch de maat­staf nog het OB-bedrag voor de complexen vastgesteld. Ook heeft het nagelaten vast te stellen welk deel van de belasting met toepassing van de artt. 11-13 UB OB in aftrek kan komen.
H.R.: 17 januari 1996, nr. 30.707

VN 1996, blz. 555

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 4 en 6
Levering. Dienst. Restaurantverrichting aan boord schip.

Een in Denemarken gevestigde ondernemer verstrekt maaltijden voor consumptie aan boord van een lijndienst tussen Faaborg (Deens) en Gelting (Duits).

HvJ: Om te bepalen of handelingen leveringen van goederen of dien­sten zijn, moeten alle omstandigheden in aan­mer­king worden genomen om daaruit de ken­merkende elemen­ten te halen. De verstrekking van spijzen en dranken voor onmid­del­lijke con­sumptie is het resultaat van een serie diensten. De levering van voedsel is bij een restaurantverrich­ting niet meer dan een onderdeel. Het dienstenaspect heeft de over­hand. Dat is an­ders bij afhaalmaaltijden zonder dien­sten die het nut­tigen ter plaatse in een passend kader moeten veraan­gena­men. Plaats van de dienst is die waar de dienst­ver­richter zijn bedrijf uitoe­fent. Een restauratie­ruimte op een schip is niet een vaste inrichting, zeker niet als de zetel van de exploi­tant een bruikbaar aan­knopingspunt voor de hef­fing vormt.
HvJ EG: 2 mei 1996, nr. C-231/94

VN 1996, blz. 2120

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 3 (lid 1, letter h)
Levering. Maatstaf van heffing. In opdracht vervaardigde woning voor verhuur aan directeur.

X BV (bloemenkwekerij) kocht in 1985 5 ha. grond. Ze betaalde overdrachts­be­las­ting. In 1986 liet X BV op deze grond een woonhuis bouwen dat na oplevering (zakelijk) werd ver­huurd aan haar directeur. De in rekening ge­brach­te ob bracht X BV niet in aftrek. De in­spec­teur heft ob na over de grond.

H.R.: Het woonhuis is in opdracht van X BV vervaardigt onder ter be­schik­kingstelling van de grond zodat het woonhuis met grond een in eigen bedrijf vervaardigd goed is. Als dit goed in zijn geheel van een ondernemer zou zijn betrokken dan zou de erop drukkende ob niet in aftrek kunnen worden gebracht. X BV heeft over dit goed beschikt voor bedrijfsdoelein­den. Aan alle eisen voor toepassing van art. 3-1-h is voldaan. Dit artikel­lid blijft binnen het kader van art. 5-7-a Zesde richt­lijn. Geen vertrouwen op basis van resolutie VN 1979, blz. 1292 want X BV is geen woningcorpo­ratie e.d.
H.R.: 11 juni 1997, nr. 32.334

VN 1997, blz. 2419

Wet op de omzetbelasting 1968
Art. 3
Oplevering. Verzorging, africhting en training van jonge paarden. Stalling en verzorging van paarden.

H.R.: Het hof heeft geoordeeld dat de prestatie van het stal­len van paarden (...) naar haar aard geen levering is in de zin van art. 3-1-c. Het betoog richt zich terecht daartegen. Als een jong paard wordt afgericht en getraind om het geschikt te maken voor gebruiksdoeleinden, zoals b.v. het bezigen als rijpaard, dan ontstaat een nieuw goed, waarvan de functie naar gangbare opvattingen verschilt van de functie die het jonge paard voorheen had. Er kan dan sprake zijn van een oplevering van het afgerichte en getrainde paard.

Verder heeft het hof geoordeeld dat de stalling en verzorging van paarden voor de ob-heffing als een prestatie moet worden gezien, die niet onder één van de in Tabel I post b13 genoemde diensten kan worden gerangschikt en ook niet als diensten van fokinstellingen kan worden gezien. Dat oordeel is juist.

(Belang: bij oplevering geldt het verlaagde tarief.)


H.R.: 17 december 1997, nr. 32.593

VN 1998, blz. 229

Wet op de omzetbelasting 1968
Artt. 3, 8 en 15 (art. 11 UB)
Zelf vervaardigd complex van woningen en winkels. Gebruik.

X BV is projectontwikkelaar. Zij realiseerde in 1985 op eigen grond een complex van woningen en winkels. In afwachting van verkoop heeft X BV ze verhuurd. In 1987 heeft X BV nog een ander complex gerealiseerd. De complexen zijn door X BV in eigen bedrijf vervaardigd (3-1-h). Wat is de heffingsmaatstaf?

H.R.: De verschuldigde omzetbelasting voor beide complexen is door het hof vastgesteld. Het hof heeft verder geoordeeld dat de inspecteur heeft doen blijken dat het werkelijk gebruik van de complexen tot een andere verhou­ding leidt dan die bedoeld in art. 1-1-c, UB OB en dat i.c. moet worden uitgegaan van het werkelijke gebruik. Dat moet worden bepaald aan de hand van de verhuurde vierkante en/of kubieke meters. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voorts verweven met waarderin­gen van feitelijke aard.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina