Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina1/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

Fout! Alleen hoofddocument.

Evolutietheorie

Mgr.dr. E.J. de Jong (2007)



Inleiding 2

1. Historisch overzicht van opinies over de evolutie van soorten 2

a. Een vrij statische kijk 2

1. De oudheid 2

2. De Middeleeuwen 3

3. De moderne tijd 4

4. Linnaeus 4

b. In de richting van een dynamische natuurontwikkeling 5

1. Denis Diderot (1713-1784) 5

2. Jean-Jeacques Rousseau (1712-1778) 5

3. G.-F. Hegel (1770-1831) 6

4. De Naturphilosophie 6

5. George Cuvier (1769-1832) 7

6. Robert Hooke (1635-1703) en de fossielen 7

7. Charles Lyell (1797-1875): plotselinge revoluties 8

8. De strijd tussen preformistisch en epigenetisch denken 8

9. De theorie van recapitulatie 8

10. P.L. Maupertius (1698-1759) 10

11. Thomas Malthus (1766-1834), 10

12. Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829) 11

13. De opkomst van het naturalisme 12

14. Intelligent design 12

15. Voorlopige conclusie 13

b. Charles Darwin 13

c. De evolutietheorie na Darwin 15

d. De huidige staat van paleologisch en archeologisch onderzoek met betrekking tot de evolutie van de mens 18

2. Problemen met de evolutietheorie 21

a. De geleidelijkheid van de evolutie 21

b. De ‘verklaring’ van adaptatie 26

1. Probleemstelling 26

2. “Toevallige” mutaties 27

3. Selectie als verklaringsmogelijkheid? 33

4. De overerving van aangeleerde eigenschappen 33

c. De mens en zijn doel: ethiek en sociaal gedrag 34

3. God en evolutie 38



Inleiding

De graduele ontwikkeling van soorten, tot en met de soort homo sapiens sapiens, behoort inmiddels tot de vrijwel onomstreden paradigmata van de natuurwetenschappen.1 De vraag is echter of alle consequenties van de geopperde verklaringsmodellen van deze ontwikkeling voldoende zijn doordacht om deze modellen met zo’n vanzelfsprekendheid te poneren. Binnen deze denkkaders lijkt het b.v. uiteindelijk onmogelijk een ethiek op meer dan totaal toevallige feiten of conventies te grondvesten, wat haar normativiteit niet lijkt te kunnen garanderen.

Om een genuanceerd beeld te krijgen van de feiten en theorieën, zullen we in een eerste deel van dit artikel in een historisch overzicht geven van de pre-darwinistische opvattingen over het ontstaan van soorten, om dan, via Darwins theorie en haar verdere concretiseringen naar de moderne synthese van deze theorie over te gaan.

In een tweede deel zullen we dan de verschillende moeilijkheden die de geboden verklaringsprincipes, zoals deze nu door de meerderheid van de biologen gehouden worden, opleveren aan de orde stellen.


1. Historisch overzicht van opinies over de evolutie van soorten




a. Een vrij statische kijk

In het algemeen kunnen we stellen dat het wereldbeeld tot aan de negentiende eeuw de verschillende soorten levende wezens statisch naast elkaar plaatste. Er zijn echter enige filosofen en wetenschappers geweest die kleine openingen boden naar een meer dynamische opvatting.



1. De oudheid

Empedocles (483/2-423 v.Chr.) hield dat de aarde in het begin allerlei soorten wezens zonder orde voortbracht.2 In dat proces hebben echter bepaalde schepselen op een toevallige wijze zekere lichaamsdelen verworven die het meest waardevol bleken te zijn om te overleven: een vaag prototype van natuurlijke selectie.3

Aristoteles (384-322) kende het planten- en dierenrijk4 en het mensdom als drie grote afzonderlijke klassen levende wezens. Binnen deze drie rijken bestaat er een vanzelfsprekende ordening van geslachten en soorten. Hij is de grondlegger van het begrip teleologie (doelgerichtheid).5 Tevens kende hij reeds het begrip Scala Naturae,6 het feit dat de verschillende koninkrijken in een lineaire continuïteit van soorten aan elkaar grenzen.

Hij sloot echter een verandering van de ene soort in de andere niet uit. Éen van de mogelijkheden is, dat de mensheid en de viervoeters spontaan gezamenlijk uit een larve zijn ontstaan, waarna ze later tot de ons bekende soorten zouden zijn ontwikkeld. Hij zag ook nieuwe diersoorten ontstaan door hybridisatie.

Ook interessant voor de geologie en paleontologie is zijn opvatting dat rivieren en zeeën er niet altijd geweest hoeven te zijn, en dat gebieden die nu droog zijn vroeger nat kunnen zijn geweest.7

De Stoa kende de Logoi Spermatikoi,8 rationele zaadjes of levenskiemen die overal zorgen voor ontwikkeling. Deze leer bereikte via Plotinus (204/5-270)9 ook Augustinus (354-430): volgens deze kerkleraar is de vorm van de soorten van levende wezens in aanleg aanwezig in elementaire factoren, de rationes seminales.10 Zo sloot ook hij een bepaalde vorm van evolutie van soorten niet uit.



2. De Middeleeuwen

Het feit van een ontwikkeling van soorten kan bij St. Thomas van Aquino (1225-1275) niet geheel worden uitgesloten. Zo had God zelf een betere wereld kunnen scheppen,11 waarin ook het fysieke kwaad niet zou hebben hoeven te bestaan.12

“Overeenkomstig zijn oneindige macht zou God te allen tijde iets beters kunnen scheppen. Toch heeft Hij in zijn oneindige ijsheid en goedheid uit vrije wil een wereld willen scheppen ‘in staat van op-weg-zijn’ naar haar uiteindelijke volmaaktheid. Dit wordend karakter brengt in Gods heilsplan met zich mee dat met het verschijnen van bepaalde wezens het verdwijnen van andere gepaard gaat, met het volmaaktere ook het minder volmaakte en met de opbouw in de natuur tevens afbraak.”13 Volgens Thomas gaat, in de orde van het natuurlijke ontstaan, de natuur voort van het onvolmaakte naar het volmaakte,14 hoewel in het begin de dingen in hun volmaakte staat zijn geschapen. “In de natuurlijke orde gaat het volmaakte vooraf aan het onvolmaakte, zoals de act (dat is: de verwerkelijking) aan het vermogen voorafgaat.”15 Deze twee ideeën gecombineerd leidden voor hem tot de conclusie dat God de levende wezens in een volwassen staat schiep, met name ook omdat Hij hen met de eeuwigheid van de soort in gedachten in het bestaan riep, wat de mogelijkheid van voortplanting insloot.16

Een andere aanwijzing voor de ontwikkeling van soorten is het feit dat dingen volgens Thomas willen lijken op de dingen van een hogere klasse.17 Lagere soorten bevatten in zich de potentialiteit tot de hogere.18

St. Thomas van Aquino kent en accepteert ook de theorie van de rationes seminales, volgens welke hogere wezenheden in potentie (lett. als zaadjes) aanwezig zijn in lagere zijnden.19

Ook erkende hij de in de middeleeuwen algemeen gangbare theorie van de generatio spontanea, het feit dat uit levenloze stof levende wezens voortkomen door inwerking van het zonlicht en andere kosmische factoren.20

Wel is in ieder geval zeker dat voor St. Thomas de mens, met zijn geestelijke natuur, niet uit lagere soorten voortkomt.21

In hoeverre de filosofie van Thomas van Aquino echter te verzoenen valt met de gedachte van ontwikkeling van soorten is nog omstreden. Wel lijkt het dat André22 erg ver gaat als hij Thomas’ materie-vorm leer in de evolutionaire hypothese verwerkt.



3. De moderne tijd

Hoewel René Descartes (1596-1650) een statische visie op de soorten had, dacht Leibniz (1646-1716) echter, in zijn Protogaea (1693), waarin hij vondsten van fossielen beschreef, dat hoewel de ketting van zijnden temidden van haar uiterlijke veranderingsprocessen innerlijk (qua monaden) identiek blijft, 23 deze monaden op de rationes seminales lijken: ze bevatten de hele ontwikkeling reeds vanaf hun aanvangsstadium.24

Een uitgebreide versie van de scala naturae, de “getrapte orde,” werd in de achttiende eeuw populair in de Duitse “Naturphilosophie,” waarover straks meer. De Fransman George Louis Leclerc, Comte de Buffon (1707-1788), sloot de mens in zijn 36 volumes tellende Histoire naturelle générale et particulière nog van deze orde uit,25 maar de Zwitser Charles Bonnet (1720-1793) gaf de mens een plaats in de ketting van zijnden en plaatste hem naast de orang-oetang. Bonnet kende18 hoofdstadia in de ongebroken, graduele overgang in de natuur van de mens, via viervoetige dieren, vogels, vissen, slangen, schelpen, insekten, planten, fossielen, stenen, zouten, metalen, halfmetalen, aarde, water, lucht, naar vuur en nog subtielere zaken.26 Maar deze scalae waren nog statisch.


4. Linnaeus

Even statisch denkend, maar tegelijk een voorwaarde sine qua non gevend in de richting van dynamisch fylogenetisch is C. von Linné (Linnaeus 1707-1778), de fameuze bioloog die de biologische soorten van planten en dieren systematiseerde (Systema Naturae, 175810) in vier niveaus: klassen, orden, genera en species.27 Zo heeft hij het conceptuele raamwerk voor een wetenschappelijke studie van de evolutietheorie gelegd.28 Zijn werken zijn symptomatisch voor de zich in die tijd voltrekkende algemene tendens van een statische naar een min of meer dynamische kijk op de hiërarchie van levende zijnden. Ofschoon Linnaeus de overgang van de ene soort in de andere ontkende, en het niet-graduele van soorten beklemtoonde (twee perfecte essentialistische concepten), stemde hij later toch in met de mogelijkheid van hybridisatie bij het ontstaan van soorten.





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina