Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina2/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

b. In de richting van een dynamische natuurontwikkeling




1. Denis Diderot (1713-1784)

Deze filosoof van de Verlichting, in zijn gedurfde Le rêve d’Alembert (1769)29, vatte veel ideeën van een niet-statische visie op de natuurlijke geschiedenis als volgt samen:

Verander het Al, en noodzakelijkerwijs verander ik mee. Maar het Al verandert onophoudelijk. Alle wezens gaan in elkaar over- dus ook alle soorten; alles bevindt zich in een eeuwigdurende stroom. Ieder dier is min of meer mens, elk mineraal min of meer plant, iedere plant is min of meer dier. Niets is nauwkeurig afgebakend in de natuur. Dus niets behoort tot het wezen van een afzonderlijk iets. Nee, natuurlijk niet, want er bestaat immers geen eigenschap of ieder wezen heeft er wel iets van in zich. Bent u het niet met mij eens dat alles in de natuur samenhang vertoont en dat er onmogelijk een open plek kan zijn in de keten? Er is slechts één groot individu: het geheel. En jullie praten over essenties, arme filosofen! Hou er toch over op! Wat is een wezen? De som van een bepaald aantal strevingen En wat zijn soorten? Niets anders dan strevingen naar een gemeenschappelijk doel, kenmerkend voor elk van hen. En wat komt het erop aan of men de ene structuur heeft of de andere? Iedere structuur heeft een geluk en een ongeluk die bij de structuur horen: van bladluis tot ontvankelijke levende molecuul, de oorsprong van alles. Er is geen punt in de hele natuur, of het kent pijn en genot.30

2. Jean-Jeacques Rousseau (1712-1778)

Deze filosoof veronderstelde de mogelijkheid tot verandering toen hij schreef:

“Hoe belangrijk het ook moge zijn - ten einde zich een goed beeld te kunnen vormen van de mens in zijn natuurlijke staat, om hem te kunnen volgen vanaf zijn oorsprong, en om hem als het ware te kunnen onderzoeken in de embryonale fase van de soort - ik zal toch niet de opeenvolgende ontwikkelingen in zijn lichaamsbouw nalopen. Ik zal niet stilstaan bij een onderzoek naar het systeem van het dierenrijk, om na te gaan hoe hij in het begin geweest kan zijn, om tenslotte te worden wat hij is. Ik zal niet onderzoeken of, zoals Aristoteles denkt, zijn lange nagels wellicht in het begin gekromde klauwen waren; of hij wellicht behaard was als een beer; of hij wellicht op vier poten liep, de blik gericht op de grond, en het blikveld beperkt tot een horizon van enkele stappen - wat dan zijn stempel zou hebben gedrukt op de aard zowel als de beperkingen van zijn ideeën.”31

3. G.-F. Hegel (1770-1831)

Deze denker moeten we niet vergeten, omdat hij in zijn visie van een zich dialectisch ontwikkelende wereldgeest tot een absolute Geest een intrinsiek dynamisch wereldbeeld voorstond.32



4. De Naturphilosophie

Als een reactie op het rationalistische, mechanistische en reductionistische “Cartesiaanse” denken van de Verlichting, ontwikkelde er zich in Duitsland een tak van de filosofie die Naturphilosophie werd genoemd.33 De algemene idee achter deze stroming was een organische en unificerende kijk op het leven, waarbij veel - soms ver gezochte - analogieën werden gevonden en verwoord. Dit naar eenheid zoeken in de natuur veroorzaakte een speurtocht naar de originele levensvormen en impliceerde een idee van ontwikkeling. Met name de tak van de wetenschap die zich Morphologie noemde,34 welke een sterke invloed had op Darwin,35 was geïnteresseerd in dit type van problemen. Een denker die tot deze theorie aanzet heeft gegeven was allereerst Immanuel Kant (1724-1804), met zijn theorieën over de categorieën en een intellectus archetypus, dat de principes van de organisatie van levende wezens coördineert en dat de waarneming van de eenheid van een organisme veroorzaakt.36 Verder waren het Herder (1744-1803), Oken (1779-1851),37 en Schelling (1775-1854) die dachten dat het eerste zaad van een soort die soort nog niet volmaakt belichaamt, maar dat door de druk van de omgeving de latere individuen de soort steeds volmaakter tot uitdrukking brengen.38 Deze natuurfilosofen spraken veel over ontwikkeling, hetzij als een preëxisterende en ontvouwende potentialiteit, hetzij als een sprongsgewijze oorsprong van nieuwe typen. Velen van hen accepteerden evolutionair denken als de oorsprong van nieuwe soorten, en één van hen, Meckel (1781-1833), die in zijn System der vergleichenden Anatomie (1821)39 stelde dat de variaties van de verschillende soorten een gemeenschappelijk oerorganisme niet uitsluiten,40 noemde zelfs vier mogelijke mechanismen van evolutie: 1. Een frequent voorkomen van spontane generatie; 2. Een innerlijke neiging tot verandering; 3. Een direct effect van de omgeving; 4. hybridisatie.41

J.W. von Goethe (1749-1832) moet ook binnen deze lijn worden gezien. Hij probeerde de “Urtypen” of “Urbilder” van levende wezens te ontdekken.42 Franz Unger, de leraar van Gregor Mendel, zocht naar de “Urpflanze” waaruit alle andere planten zouden zijn ontstaan,43 en hetzelfde geldt voor Geoffroy Saint-Hilaire (1772-1844). Deze laatste zocht naar homologieën44 tussen organen, met als criterium het principe van verbindingen: dezelfde plaats, relaties en afhankelijkheden tussen organen, wijzen op de homologie van structuren, zelfs wanneer deze organen grotendeels zijn getransformeerd.45


5. George Cuvier (1769-1832)

Het waren met name Buffon (1707-88) and Bonnet (1720-93) 46 die impulsen gaven tot het idee van deze genealogische stamboom. P.S. Pallas (1741-1811) vermeldde in 1766 voor het eerst de term “arbre généalogique”. Het was echter de empirisch morfoloog Cuvier die bepaalde principes ontdekte, zoals “de correlatie van delen”, volgens dewelke slechts bepaalde groepen van kenmerken harmonieus kunnen samenwerken. Deze principes zijn gefundeerd op twee nog fundamentelere principes, nl. van a. de voorwaarden voor het bestaan (slechts bepaalde correlaties kunnen geschikt zijn binnen een bepaalde omgeving)47 en b. de ondergeschiktheid van de karakters.48 Als een gevolg van het toepassen van deze principes, toonde hij aan dat er vier basisvormen van dieren bestaan: gewervelden (b.v. vissen en de mens), weekdieren (b.v. mosselen en inktvissen), geleedpotigen (b.v. articulata zoals bijen en kreeften)49 en cirkelvormige dieren (b.v. kwallen en zeesterren). Terecht merkt Young dan ook op: “Het zou nooit meer mogelijk zijn dieren in een lineaire serie onder te brengen.”50 Deze morfoloog legde dus de fundering van de theorie van de gemeenschappelijke afstamming.51 Dit alles leidde tot de interpretatie van de scalae naturae als een soort van familie-stamboom.



6. Robert Hooke (1635-1703) en de fossielen

Deze onderzoeker ontdekte d.m.v. zijn microscoop fossielen die op levende dieren lijken. Dit werd bevestigd door Niels Stenson oftewel Steno (1638-86), 52 die later katholieke bisschop van Noord Duitsland en Denemarken werd en die onlangs zalig is verklaard. De laatste ontdekte dat de lagen waarin fossielen te vinden zijn te beschouwen zijn als geologische tijd-roosters. Deze theorie werd later uitgewerkt door Buffons The Epochs of Nature (1778), Abraham Werners (1749-1786) Short Classification and Description of the Different Rocks (1786), en Huttons (1726-1797) “Theory of the Earth” in de Transactions of 1788.53 Deze uitleg van de fossielen-strata was een voorwaarde voor het onderkennen van de ontwikkeling van de gevonden gefossileerde diersoorten. Belangrijker nog was het feit dat George Cuvier (1769-1832) opmerkte dat er veel fossiele soorten uitgestorven zijn, een gegeven dat hij verklaarde door grote natuurlijke catastrofes.54



7. Charles Lyell (1797-1875): plotselinge revoluties

Een andere belangrijke stap in de richting van een evolutionaire theorie in dit gebied van de geologie werd gedaan door Lyells Principles of Geology (1830-33).55 Daarin viel hij de theorie van de plotselinge revoluties in de geologie aan. Hij stelde dat vóór hem de grote geologische tijdschalen ondergewaardeerd waren. Ook beweerde hij dat de snelheid van veranderingen toen niet anders was dan nu. Hij erkende een geleidelijke verandering van omgeving als een mogelijke oorzaak van uitsterven van soorten. Deze soorten moesten dan vervangen worden door andere, die beter aan de omgeving zijn aangepast.



8. De strijd tussen preformistisch en epigenetisch denken

Een belangrijke impuls voor de evolutietheorie werd gegeven door de controverse tussen “preformisten” volgens welke de ontogenese (individuele ontwikkeling) niets anders is dan een “geleidelijke en natuurlijke evolutie en groei van de delen”56 Dit betekent dat volgens hen een nieuw individu aan het begin compleet is, maar nog niet volgroeid..57 Jan Swammerdam (1637-80), Marcello Malpighi (1628-1694), Albrecht von Haller (1708-1777) en Bonnet waren zogenaamde

In het midden van de achttiende eeuw bestonden er twee soorten preformistische theorieën: de ovisten, zoals Swammerdam, die leerden dat menselijke wezens vóórbestaan in het ei en de spermisten, zoals Boerhaave (1668-1738), die dachten dat het menselijk individu reeds bestaat in het mannelijk zaad.58 Een van de laatste preformistische biologen was Cuvier (1769-1832).

Tegenover dit preformisme stonden Aristoteles, William Harvey (1578-1657),59 Buffon, C.F. Wolff (1734-94) en John Needham (1713-81), die de theorie van de epigenese aanhingen, d.w.z. de geleidelijke formering van organen en lidmaten uit de oorspronkelijke vloeistof. Deze visie werd bevestigd, toen rond de eeuwwisseling (1800) de anatomen begonnen te ontdekken dat bij de ontwikkeling van de foetus niet de expansie van een reeds voorgevormde volwassene van die soort optreedt, maar de stapsgewijze ontvouwing van volwassen vormen van primitievere soorten.

Het gebruik van de term evolutie was tot 1830 algemeen in gebruik voor de ontwikkeling van organen in het preformistische paradigma.60 In de dertiger jaren van de vorige eeuw, toen de theorie van de epigenese de overhand kreeg, werd de betekenis van deze term steeds meer verwant met het dynamische paradigma van de epigenese.

9. De theorie van recapitulatie

De theorie van epigenese vormt de voorwaarde voor de volgende impuls in de richting van een evolutionisme: het embryo lijkt het doorlopen van hiërarchie van de soorten in de ketting van zijnden “beneden het” te recapituleren. Inderdaad, veel geatrofieerde en rudimentaire vormen bestaan in embryo’s, zoals kieuwen in mensen, en zelfs later in volwassenen,61

Het idee van recapitulatie bestond in zekere zin reeds bij Aristoteles, die dacht dat er bij de ontwikkeling van het menselijk individu een opeenvolging is van vegetatieve, sensitieve en menselijke ziel.62 Bonnet, in de achttiende eeuw, is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor het overdragen van de individuele evolutie op de evolutie van de soort, door zijn invloedrijke Considerations sur les corps organisés (1762). Hij geloofde dat tijdens catastrofes de zaadjes worden bewaard, die zich opnieuw kunnen ontwikkelen tot meer volmaakte soorten.63

De eerste die deze theorie echter gehouden heeft, lijkt John Hunter (1728-93) te zijn geweest in 1782.64 In 1793 stelde Karl Friedrich Kielmeyer (1765-1844) hetzelfde, door op te merken dat de wetten die de evolutie van soorten sturen ook de evolutie van de embryo’s regelen.65 J.H. Autenrieth (1772-1835) paste dit principe dan toe op de menselijke foetale ontwikkeling66 en werd hierin gevolgd door Johan Meckel in 1806.67

Ook Erasmus Darwin, de grootvader van Charles, meende in zijn Zoonomia (1794-96) dat de ontwikkeling van de soort analoog is aan de embryonale ontwikkeling. Zoals de foetus in de schoot verandert door gevoeligheden en prikkelingen, zo veranderen ook de soorten omwille van dezelfde reden:

“Uit deze weergave van voortplanting volgt, dat alle dieren een vergelijkbare oorsprong hebben, namelijk uit één enkele levende stam. Het verschil in hun vorm en kwaliteiten is slechts opgekomen vanuit de verscheidene prikkelbaarheden en gevoeligheden, vrijheden of associaties van deze originele levende. Vandaar is het niet onmogelijk, zoals Linnaeus al had vermoed ten aanzien van de plantenwereld, dat de grote variëteit van soorten en dieren die nu op aarde gevonden wordt, hun oorsprong gehad kan hebben in de mengeling van een paar natuurlijke ordes.”68

Tegen de jaren twintig van de negentiende eeuw had het recapitulatie-principe van de Duitse biologen veel weerklank gevonden. In 1821 verklaarde J. Meckel: “De ontwikkeling van het individuele organisme gehoorzaamt aan dezelfde wetten als de ontwikkeling van de gehele dieren reeks; dat wil zeggen dat het hogere dier, in zijn geleidelijke evolutie, wezenlijk door dezelfde permanente organische fasen die er beneden liggen.”69 In 1824 drukte Etienne R.A. Serres (1786-1868) dit idee erg duidelijk uit, toen hij schreef:

“Embryo’s, derhalve, zijn niet, zoals wel eens werd voorgesteld, een miniatuur volwassen dier. Voor ze hun permanente vorm bereiken, doorlopen hun organen een veelheid van vluchtige vormen, te beginnen met de meest eenvoudige. Opmerkelijk is dat de embryonale vormen in de hogere klassen vaak de permanente vormen van de lagere klassen herhalen.”70

Darwin was direct beïnvloed door L. Agassiz, die de theorieën van Meckel and Serres overnam, en breidde de theorie uit tot een parallellisme van ontwikkeling van ontogenese en geologische ontwikkeling: “...de oudste vertegenwoordigers van elke klas mogen beschouwd worden als embryonale typen van hun respectievelijke orden of families onder de levende wezens”.71

Normaal gesproken is deze theorie toegeschreven aan Ernst Haeckel, die met name verantwoordelijk was voor haar popularisering in de vier decennia na 1870. In 1866 publiceerde hij zijn biogenetische wet, volgens welke “ontogenese een beknopte en samengeperste recapitulatie is van fylogenese, geconditioneerd door de wetten van erfelijkheid en aanpassing.”72

K.E. von Bear (1792-1876), echter, was een heftig bestrijder van deze theorie,73 juist zoals Richard Owen vanaf 1837,74 maar beiden hadden invloed op Darwin.75

10. P.L. Maupertius (1698-1759)

Een volgende impuls voor het evolutionaire denken komt van Maupertius, die onder verwijzing naar Lucretius (98-54 v.Chr.) en de Epicureeërs de toevallige spontane veroorzaking van veel soorten en de speciatie van andere door mutatie benadrukte. Zoals voor de oude filosofen de altijd-aanwezige levende “atomen” in staat zijn om in bepaalde gevallen door toeval tot hogere conglomeraten te combineren, zo zouden voor Maupertius massieve spontane generaties en extincties kunnen optreden. Volgens deze visie lijkt het toeval een groot aantal individuen te hebben opgeleverd. Een klein deel daarvan waren zo georganiseerd dat de organen van deze dieren in hun nood konden voorzien.76 Ook Buffon had een dergelijke theorie.77



11. Thomas Malthus (1766-1834)78,

Dit is de man van de theorie van populatie-controle.79 Hij had de invloed op Darwin die de laatste als volgt beschreef:

“In Oktober [in feite 28 september] 1838, dat is vijftien maanden nadat ik met mijn systematische onderzoeking was begonnen, heb ik voor de ontspanning Malthus over populatie gelezen. Door langdurige observatie van de gewoonten van dieren en planten was ik goed voorbereid om de overal bestaande strijd om het bestaan op zijn waarde te schatten. Het trof me opeens dat onder deze omstandigheden de gunstige variaties zouden neigen naar instandhouding, en de ongunstige naar verwoest worden. Het resultaat van dit zou de vorming van nieuwe soorten zijn. Hier had ik dan eindelijk een theorie om mee te werken.”80

Dit idee van de strijd om het bestaan was oud,81 maar populair geworden in de twee decennia voor de Origin.82 Darwin kwam het idee ook tegen in de geschriften van Lyell.83 De natuurlijke selectie84 is een gevolg van de strijd om het bestaan. Het concept van de “survival of the fittest,” nam Darwin in latere edities van zijn Origin over Van Herbert Spencer.85




12. Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829)

De werkelijke doorbraak in de richting van evolutionisme, kwam met deze bioloog,86 die een jaar na de fundamentele verandering in zijn denken naar aanleiding van de studie van fossielen in 1799-1800 in zijn Discours van 1800 de eerste algemene evolutietheorie formuleerde, d.w.z. een theorie met voor het eerst een verklaring van het evolutionaire proces.87 Hij verzoende een soort ontwikkelingstheorie van zijn vriend Buffon, volgens welke bepaalde soorten op een bepaalde manier gevangen zijn in hun omgeving,88 met het idee van de ketting van de zijnden van Bonnet, en een specifieke theorie over de mechanismen van evolutie. Deze theorie is wel het “Lamarckisme” genoemd. Hij construeerde voor de eerste keer een afstammingstafel van de verschillende dieren. In zijn hoofdwerk, de Philosophie zoologique van 1809,89 verklaarde hij de evolutionaire veranderingen (en ook het uitsterven)90 van dieren d.m.v. twee oorzaken: “een geschiktheid om een steeds grotere complexiteit (volmaaktheid) te verwerven” en een “vermogen om op speciale condities van de omgeving te reageren”.91 De eerste oorzaak is intrinsiek aan alle dieren en is afgeleid van “krachten die er door de opperste maker van alle dingen in zijn gelegd.”92 Evolutie vindt volgens twee wetten plaats:

“(I) In ieder dier dat nog niet over de grens van haar ontwikkeling is heengegaan, wordt door een meer frequent en langdurig gebruik van een orgaan dat orgaan geleidelijk sterker, het ontwikkelt en vergroot zich, en krijgt een sterkte die geproportioneerd is aan de tijd dat het gebruikt is; een constant niet gebruiken van zulk een orgaan verzwakt en verslechtert dit orgaan ongemerkt, en na verloop van tijd verminderen haar mogelijkheden, tot het tenslotte geheel verdwijnt.

(II) Alles wat de natuur in de individuen heeft veroorzaakt of verwijderd, als een gevolg van de invloed van omgevingsfactoren waaraan het ras gedurende een langere tijd is blootgesteld en dus door een uitgebreider gebruik of in onbruik geraakt zijn van een bepaald orgaan, wordt door voortplanting overgedragen op nieuwe individuen, op voorwaarde dat de verworven veranderingen gemeenschappelijk zijn aan beide seksen, of aan hen die het jong voortbrengen.”93

Deze ideeën betekenden een doorbraak, maar hadden geen volledige uitwerking tot vijftig jaar later, in Charles Darwin,94 die Lamarck uitgebreid bestudeerde tijdens zijn reis met de Beagle.

13. De opkomst van het naturalisme

In de tussentijd veranderde de reeds genoemde Charles Lyell de nadruk van Lamarcks vage speculaties over voortgang, groeiende volmaaktheid, en andere aspecten van een verticale evolutie, naar de concrete fenomenen van soorten. Ofschoon hij sterk tegen evolutie was, en alleen een verklaring wilde geven voor het uitsterven en ontstaan van soorten tijdens de grote cycli en catastrofen van de wereld, leidde zijn vraag: wat zijn de oorzaken voor het uitsterven van soorten? tot allerlei soorten ecologische problemen. Dezelfde vraag, en die van hoe nieuwe soorten de oudere aflossen, kreeg Darwin voorgeschoteld toen hij Lyell’s Principles of Geology95 las tijdens zijn reis met de Beagle. Als gevolg van Lyell’s geschriften kwamen deze vragen in het centrum van Darwins research programma te staan.96 Ofschoon Lyell’s theorie van “uniformitarianisme,” d.w.z. het principe dat dezelfde oorzaken die in de geschiedenis werkzaam waren ook nu werkzaam zijn, niet rechtstreeks bijdroeg tot de gedachte aan evolutie, hielp het de gedachten los te maken van een goddelijk ingrijpen bij de ontstaansgeschiedenis van de soorten. Het sterkte het naturalisme: alles gebeurt door binnenwereldse oorzaken.97

Wat later, in 1844, veroorzaakte Robert Chambers (d. 1871) anoniem een grote beroering in het Victoriaanse England met zijn Vestiges of the Natural History of Creation. Daarin verwoordde hij de vraag naar louter natuurlijke oorzaken in de processen van veranderende soorten

“Ik ben uitermate ongenegen voor te stellen dat er iets in de natuur is dat we niet zouden mogen onderzoeken... en voel me zelfverzekerd dat ons beeld van de goddelijke oorsprong van de natuur nooit kan worden beschadigd door verdere inzichten in zijn werken en wegen.”98

Ofschoon de oorzaken die hij voorstelde (waarvan de voornaamste was het “Principle of Progressive Development”) niet aan de hoogste wetenschappelijke standaarden beantwoordden, en zijn werk vol vergissingen was, heeft hij toch een enorme impact gehad op de acceptatie van het idee van een geleidelijke evolutie van soorten.99

Dezelfde distantiatie van een goddelijke ingrijpen vinden we in de geschriften van Auguste Comte (1798-1857), die in zijn Cours de Philosophie Positiviste (1830-1842) de drie stadia van wetenschappelijk onderzoek voorstelde: de mythische of religieuze fase, de metafysische fase en de positieve, of wetenschappelijke fase. Alleen de laatste, positivistische fase is werkelijk wetenschappelijk. Ze kent de werkelijke en overal en altijd geldende wetten van natuur, mens en maatschappij. Darwin was zeer onder de indruk van het werk, en aanvaardde haar indeling.100




14. Intelligent design

De hoofdopponent van Darwin wat betreft de doelgerichtheid in de natuur was William Paley, die een behoorlijke invloed uitoefende in het Victoriaanse England met zijn Natural Theology, waarin hij poogde Gods interventies in de natuur te onderbouwen.101 Hij werd hierin voorafgegaan door b.v. Bernard Nieuwentijt ((1654-1718), een Nederlandse filosoof die zocht naar verbintenissen tussen wetenschap en theologie.102



15. Voorlopige conclusie

Wat we na al deze voorlopers in gedachten moeten houden, is dat het “verbreken van de keten van zijnden” nog geen evolutie is. Ook is het zien van verbanden tussen soorten nog geen dynamische interpretatie van hun verhoudingen. Verder moeten we attent zijn op het verschil tussen de feitelijke ontwikkeling van de soorten, en de mechanismen waarmee deze ontwikkeling verklaard werd. Velen voor en na Darwin hebben de graduele ontwikkeling van soorten bevestigd. Maar de mechanismen die er de oorzaak van zijn, zijn op een verschillende wijze gepostuleerd. Lamarck en Darwin zijn er twee voorbeelden van,103 maar ook de huidige non-teleologische verklaring.






1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina