Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina4/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

c. De evolutietheorie na Darwin

Ofschoon in de laatste decennia van de negentiende eeuw veel alternatieve theorieën verschenen, die niet algeheel absurd waren binnen de gegeven kennis van de biologie in die tijd,119 verbreedde de aanhang van het Darwinisme zich meer en meer. Toch ontbraken stevige kritieken niet, zoals die van K.E. v. Bear (1792-1876).120 De impact van Darwins theorie was enorm, en wordt wel beschreven als de grootste wetenschappelijke revolutie.121 Ze ontwikkelde zich in vele richtingen.122 Velen maakten evolutie tot het centrum van hun wereldbeeld: Ernst Haeckel populariseerde het tot een monistisch materialisme. Herbert Spencer (1820-1903), in zijn A System of Synthetic Philosophy, 10 vol. (vanaf 1860), probeerde een universeel evolutionair wereldbeeld te bieden. Henri Bergson (1859-1923), met zijn L’évolution créatrice (1917) viel binnen het evolutionistisch denken echter haar materialistische en mechanistische interpretatie aan. En Teilhard de Chardin (1881-1955), met o.a. zijn Le phénomène humain (1955) probeerde de resultaten van de paleontologie en de andere wetenschappen te integreren in de christelijke visie op de mens.123

Wanneer we ons voorlopig beperken tot de biologische theorieën, moeten we echter zeggen dat de wetenschappelijke onderbouwing van de theorie niet zonder meer honderd procent was. Lyell, b.v., ofschoon hij de verandering van soorten accepteerde, kon zonder de feiten te verloochenen, ontkennen dat natuurlijke selectie dé verklaring voor nieuwe soorten zou kunnen zijn. Hij vergeleek de situatie met de drie attributen van de hindoestaanse godheid: Brahma, de schepper, Vishnu, de bewaarder en Sjiva de vernietiger. “Natuurlijke selectie zal een combinatie van de laatste twee zijn,” merkte hij op, “maar zonder de eerste, oftewel de scheppende kracht, kunnen we niet inzien hoe de anderen een functie kunnen hebben.”124 De katholieke George Mivart (1827-1900) vatte veel objecties tegen natuurlijke selectie als een verklarende theorie samen in zijn The Genesis of Species (1871), waarin hij pleitte voor een interne sturende kracht, die de variatie in een bepaalde richting duwt.125 En Louis Agassiz hield tot aan zijn dood dat “de geschiedenis van het leven het vooropgezette plan van het leven volgt, waarin de soorten van een bepaalde periode speciaal zijn geschapen om te passen bij hun bepaalde habitat.”126

T.S. Huxley, aan de andere kant, met zijn fameuze experimenten van 1919, waarin hij amfibische axolotls voedde met thyroid extracten, wat resulteerde in het verliezen van hun kieuwen en andere trekken van hun kikkervisjes-staat, versterkte de positie van de Darwinistische evolutionisten.127

Maar in de tussentijd zou de genetica enige visies van Lamarck en Darwin met betrekking tot de overdracht van aangeleerde karakteristieken corrigeren. Zoals we zagen, hield Darwin de theorie van “pangenesis”. Deze theorie werd aangevallen door F. Galton (1822-1911), die experimenten met bloedtransfusie uitvoerde, en concludeerde dat alleen voorouderlijke eigenschappen werden overgeërfd. Daarenboven ontdekte A. Weismann (1834-1914) het “chromatin” als de erfelijkheidsdragende substantie, en stelde dat ei en sperma beide de helft van het aantal chromosomen bijdraagt aan het nieuwe organisme (The Germ Plasm, 1892). Hij concludeerde uit experimenten (door onder ander de staarten van veel generaties muizen af te snijden), dat verkregen eigenschappen in somatische cellen de nakomelingen die via de kiemcellen ontstaan niet (The Evolution Theory, 1904).128

Een Nederlandse Botanist, H. de Vries (1848-1935) ontdekte in 1899 de wetten van de overdracht van de erfelijke eigenschappen,. Uit literatuuronderzoek bleek hem dat deze ontdekking reeds in 1866 gedaan was door een Oostenrijkse monnik, Gregor Mendel (1822-84). In het licht van de ontdekkingen van Mendel en Weismann konden de Vries en Bateson concluderen dat zich in het kiemplasma erfelijke eenheden bevonden. Ze verwierpen Darwins, Wallace’s en Weismanns theorie van geleidelijke adaptatie en creatieve natuurlijke selectie. Inplaats hiervan stelde de Vries in zijn The mutation theory (1901-3) zijn theorie van plotselinge grote sprongen als gevolg van mutatie.

Maar de visies van Darwin, Mendel en de Vries konden worden verzoend tot een synthese door verschil te maken tussen “genotype” (het totaal aantal genen) en “fenotype” (de lichamelijke eigenschappen van een organisme), door a. zich te realiseren dat mutaties ook van een enkel gen afkomstig kunnen zijn; b. de mogelijkheid open te laten dat er in de komende decennia meerdere tussenfossielen gevonden zouden kunnen worden; c. experimenten met de fruitvlieg Drosophila; d. wiskundig werk over populatie en isolatie en tenslotte door e. het werk van de Russische school van genetici, dat culmineerde in het werk van Dobzhansky: Genetics and the Origin of Species in 1937.129 Ernst Mayr accepteerde deze synthese in 1942 met zijn Systematics and the Origin of Species.130

De kracht van selectie is overduidelijk gebleken: John Endler, in zijn in 1986 verschenen boek Natural Selection in the Wild, kon meer dan honderd soorten opnoemen waarin natuurlijke selectie in veldstudies was aangetoond. Zoals we zullen zien, zijn deze resultaten echter niet wereldschokkend: slechts veranderingen in subspecies zijn waargenomen.131

De ontdekking van de dubbele helix-structuur van het DNA. door Watson en Crick in 1953132 leidde tot een onovertroffen stuk gereedschap voor onderzoek naar genetische stambomen. Omdat het vanaf toen mogelijk was om de precieze onderlinge afhankelijkheid van populaties te achterhalen, kon men zo exact de loop van de evolutionaire ontwikkeling determineren, en paleontologische gegevens corrigeren en aanvullen.

De ontwikkeling van de organische chemie133 en moleculaire biologie134 vergrootte het inzicht in de toenemende complexiteit van levensprocessen,135 maar tot nu toe is er nog geen echte verklaring voor de oorsprong van het leven gegeven. Algemeen worden echter contingente factoren en omstandigheden geaccepteerd als het enige stuurmechanisme van de evolutie. Een modern tekstboek over evolutie stelt dit als volgt:

“We kunnen concluderen dat het beeld van een contingente evolutie, van opportunistische vooruitgang door de tijd, is bevestigd door de resultaten van de wetenschap sinds Darwin. Dit contingente aspect van de evolutie is niet een of ander arbitrair concept, dat ons is ondergeschoven door een speculatieve theorie, maar wordt ons opgedrongen door de naakte feiten van de natuurlijke historie. Dit soort model heeft zin, als natuurlijke selectie belangrijk is in evolutie. Want dan is de richting van de evolutie afhankelijk van de beschikbare variatie op een gegeven plaats en tijd. Hieruit volgt, dat de evolutie een uniek historisch proces lijkt te zijn. Voor zover wij het kunnen overzien, zou ze een andere route hebben kunnen nemen dan degene die ze nu genomen heeft.”136

Ofschoon de evolutietheorie dus steeds genuanceerder wordt, o.a. door de ontdekking van de mogelijkheden van het samensmelten van twee soorten,137 blijft het het hoofdparadigma van de biologie.138

Ook binnen allerlei andere disciplines dan de biologie, zoals de epistemologie,139 psychologie,140 ethiek,141 sociologie142 en zelfs religie143 en theologie144 heeft het biologisch-evolutionaire denken een vaste voet aan de grond gekregen.145



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina