Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina6/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

2. Problemen met de evolutietheorie


Hoewel we in het algemeen kunnen stellen dat de soorten zich ontwikkelen en wellicht zelfs uit elkaar voortkomen, blijven er vele problemen met betrekking tot de mechanismen die de oorzaak zijn van deze veranderingen.



a. De geleidelijkheid van de evolutie

Darwin verdedigde de geleidelijke evolutie van soorten - hij zegt zelf dat zijn theory daarmee staat of valt - 183, maar (ontbrekende) fossielen lijken deze visie vaak helemaal niet te kunnen staven.184 Darwin zelf besteedde 28 pagina’s van zijn Origin of Species aan dit probleem, en hoopte dat er in de toekomst meer vondsten gedaan zouden worden die zijn theorie zouden bevestigen.185 Maar zelfs met een honderdvoudige toename van vondsten, is de problematiek nog even groot als in Darwins tijd.186 Wanneer geleidelijke evolutie een feit zou zijn, dan zou er een heel scala van nauwelijks qua soort verschillende individuen moeten zijn geweest. Dit is echter niet het geval. Integendeel. We vinden hoofdzakelijk zeer duidelijk van elkaar onderscheiden soorten, die zeer vaak miljoenen jaren187 constant188 blijven,189 en maar zeer weinig of geen tussenvormen. Er zijn wel veranderingen ‘gemeten’ in de afgelopen honderdvijftig jaar, maar die zijn zo klein dat ze geen echte species overbruggen.190

Dit betekent niet dat er geen volgorde in de oorsprong van de soorten zou bestaan, maar dat de mechanismen waardoor deze aflossingen gebeuren zeker anders zijn dat de graduele ontwikkeling die Darwin voorstelde. Er is niet slechts een “missing linktussen de aap en de mens, maar ook tussen vele andere soorten!191
Een meer fundamentele vraag die aan dit probleem ten grondslag ligt, is die van het wezen van een soort of soortelijke natuur.192 In de huidige empiristische wetenschap wordt zelfs het zgn. “essentialisme,” het bestaan van soorten überhaupt, betwijfeld.193 Er zijn verschillende opinies met betrekking tot dat wat een species, een soort, constitueert: 1) het klassieke concept, vaak het essentialistische genoemd, volgens welke er een gemeenschappelijke natuur in alle individuen van een bepaalde soort bestaat, 2) het fenetische concept,194 volgens hetwelk bepaalde gelijkende morfologische, ecologische, etiologische, etc. karakteristieken van individuen de soort constitueren, 3) het ecologische soortbegrip, volgens welk een bepaalde set van organismen aangepast is aan een bijzondere, afgebakende hoeveelheid hulpbronnen, 4) de cladistische of monofyletische species, die bestaat uit de lijn van populaties tussen twee fylogenetische aftakpunten op een stam, of de individuen met een gemeenschappelijke afstamming, 5) het biologische soort-begrip, waarin een species de groep van individuen is dat samen broedt en reproduceert, 6) de herkennings-soort, waarin zekere organismen elkaar herkennen als potentiële paringspartners, of 7) het nominalistische of empirische soortbegrip, volgens hetwelk er alleen individuen bestaan, zonder dat ze iets gemeenschappelijk hebben, en de werkelijke betekenis louter “praktisch” is.195 Daarnaast wordt nog wel gehouden dat een soort zelf een individu is.196 Het meest gebruikte concept is echter het biologische, ofschoon er naar een soort van “evolutionair,” “synthetisch,” of “kwantitatief” soortbegrip wordt gestreefd, waarin fylogenetische, fenetische en ecologische aspecten zijn samengevat.197

Het niet-bestaan van vaste soorten lijkt een conditio sine qua non voor de evolutietheorie. Als er geen soorten zijn, houdt niets een gradueel veranderen van de karakteristieken tegen. Het is dus niet verwonderlijk dat Lamarck deze visie verdedigde,198 en ook Darwin zo dacht, ofschoon de titel van zijn boek anders doet vermoeden. Darwin probeerde het verschil tussen de soorten zoveel mogelijk te relativeren, met name in hoofdstuk 9 van de Origin over hybridisering van soorten. Daar probeerde hij een alternatieve uitleg te vinden voor het feit dat nakomelingen van verschillende “soorten” onvruchtbaar zijn. Maar, zoals Gilson opmerkt:

“Hier begint men te voelen dat de wetenschapper in feite een vooropgezette zaak verdedigt. Zijn geest onderhoudt een gunstig vooroordeel over de vruchtbaarheid van hybriden, niettegenstaande de algemene werkelijkheid die eraan tegengesteld is. Alles wat kan bijdragen aan het reduceren van de stabiliteit van soorten is koren op Darwins molen. Men begint zich steeds meer af te vragen, terwijl men zijn bewijs verder volgt, waarom hij er telkens over doorgaat.”199

Moderne biologen erkennen dat de werkelijkheid verschillende soorten bevat. E. Mayr schrijft bijvoorbeeld.: “Degene die, zoals Darwin, ontkent dat soorten niet-willekeurig gedefinieerde eenheden van de natuur zijn, gaat niet alleen het probleem uit de weg, maar zal ook nooit sommige van de meest interessante problemen van de biologie vinden en oplossen.”200

Het lijkt erop dat het ‘eeuwige’ probleem van de relatie tussen individueel en algemeen begrip opnieuw de oorzaak van ook dit probleem is. De scholastieke oplossing, dat nl. de soorten, zoals de universalia, een abstractie zijn met een fundamentum in re, d.w.z. een indeling van zijnden met een basis in de werkelijkheid die uit individuen bestaat, lijkt opnieuw de oplossing te zijn.201 Wanneer we het probleem van een Aristotelisch-Thomistisch standpunt bekijken, moeten we een onderscheid maken tussen accidentele en substantiële veranderingen. Geleidelijke veranderingen van de eerste soort kunnen plaatsvinden in de categorieën kwantiteit, kwaliteit en relatie. Het is echter zeker niet zo dat substantieel van elkaar verschillende soorten slechts gradueel zouden kunnen verschillen.202 De opvatting dat dit laatste wel mogelijk is, leidt onder meer tot de mening dat apen en mensen eigenlijk niet wezenlijk verschillen, zoals b.v. Peter Singer houdt.203 Hogere soorten zijn ook niet slechts een optelsom van eigenschappen van lagere soorten. Het geheel is meer dan de delen.204 Anderzijds moeten we het soortbegrip ook weer niet te eng toepassen: dit kan zelfs racisme in de hand werken.205
Voorbereid door John Ray (1627-1705),206 hebben reeds aan het einde van de vorige eeuw Francis Galton (1822-1911)207 en William Bateson (1861-1926)208 de theorie van het saltationisme verdedigd, d.w.z. het feit dat “de discontinuïteit van soorten voortkomt uit de discontinuïteit van de variatie”.209 Volgens hen zijn bepaalde soorten “treden,” i.e. plotselinge belangrijke veranderingen van karakteristieken in een bepaalde soort, verantwoordelijk voor de overgang van de ene soort in de andere. Een van hun argumenten was de ontdekking door Galton, dat afstammelingen van ouders die van het “gemiddelde” of van de “niche”(nis) van de soort afweken, terugkeren naar het centrum van de nis.210 Het is alsof de natuur a priori slechts bepaalde vormen of soorten toelaat. Nieuwe soorten kunnen zich in deze visie dan ook alleen ontwikkelen door grote sprongen.211

Onder de indruk van de fossielen, die teveel “missing linksvertoonden, hebben Schindewolf212 en Goldschmidt213 reeds in de dertiger en veertiger jaren van deze eeuw gesteld dat een graduele evolutie niet mogelijk is. Soorten blijven miljoenen jaren constant, verdwijnen dan plotseling of geven aanleiding tot duidelijk gelijkende, maar in werkelijkheid specifiek verschillende soorten. Daarbij veroorzaken kleine mutaties nog geen verschillende soorten: ze behoren altijd tot scherp onderscheiden soorten. Alleen grote mutaties leiden tot nieuwe soorten. Zo kon Goldschmidt de theorie van de “hoopvolle monsters” voorstellen. Hedwig Conrad-Martius spreekt in deze context van “aus der Art schlagen.”214

Ook meerdere vooraanstaande moderne biologen, zoals Gould,215 Eldredge216 en Stanly,217 die van “punctuated equilibria” spreken, kijken positief naar de theorie van plotselinge grote veranderingen.218 Deze visie wordt versterkt door vondsten in de zgn. Burgess scale, waar zich in een zeer korte tijd een explosie van nieuwe levensvormen heeft voorgedaan.219 Het blijft een mysterie hoe in de betreffende korte tijd, het pre-cambrium, zo’n 700 tot 800 miljoen jaar geleden, een explosief ontstaan van ongewervelde dieren heeft kunnen plaatsvinden. In de fossiele lagen die ouder zijn is er niets van deze vele soorten te vinden. Bijna alle fossielen van die voorafgaande tijd zijn micro-organismen. Ofschoon er enige feiten worden aangedragen die deze uitbarsting van leven willen verklaren, zoals de verandering van samenstelling van de oceanen, de meer frequente diploïde and genetische recombinaties, de veranderingen in de ecosystemen, etc., is een werkelijke oplossing nog niet gegeven.220

Een andere moeilijkheid is dat er zich in het midden van de soorten een soort attractor, aantrekker, lijkt te bevinden, waarnaar de soort terugkeert wanneer ze wordt overgelaten aan vrije mutatie en selectie. “Fruitvliegen muteren [door bestraling] tot monstruositeiten, maar ze zijn nog steeds Drosophila ... Het maken van een nieuwe soort lijkt het losbreken van een attractor nodig te hebben.”221 En zelfs met geforceerde mutaties, zoals in het geval van fokken, verlaten we de originele soorten niet. Honden blijven honden, paarden paarden en tulpen tulpen. Tussenvormen zijn niet vruchtbaar.


Nog een argument tegen een geleidelijke verandering van soorten is het feit dat deze tussenvormen vrijwel altijd helemaal niet tot individuen leiden die beter, of zelfs maar levensvatbaar zijn. Een oog dat al goed gevormd is, maar nog niet ziet, dient tot geen enkel doel.

Dit betekent niet dat er geen bewijzen zijn voor geleidelijke veranderingen in kwaliteiten en kwantiteiten binnen soorten,222 b.v. in het geval van de vinken van de Galapagos eilanden223 en bij mimicry.224

Modern onderzoek heeft ontdekt dat geleidelijke veranderingen, op kritische punten, plotseling tot discontinue veranderingen in systeemgedrag kunnen leiden.225 De ontdekking van de “homeobox genen”, die belangrijke mutaties tot andere soorten veroorzaken, gaat ook in deze richting.226 Zo kan geleidelijke ontwikkeling niet totaal uitgesloten worden als een mogelijke oorzaak van de oorsprong van de soorten.227 Maar tenminste de theorie van natuurlijke selectie door de mechanismen van graduele mutatie en het overleven van de meest geschikte is wel degelijk onder vuur komen te liggen als het belangrijkste verklaringsparadigma van de oorsprong van de soorten. Vgl. een laatste voorbeeld, met een interessante conclusie:

Walvissen zijn meer dan andere zoogdieren afgeweken van het basispatroon van de zoogdierklasse. Hoe lang zij (of ook zeehonden, dugongs, ichthyosaurussen, vogels en vleermuizen) nodig hadden om zich te ontwikkelen vanuit viervoetige voorouders is niet bekend, maar hun buitengewone specialisatie (zoals die van vleermuizen) moet in zo’n tien miljoen jaar compleet zijn geweest. Het zou minder hebben kunnen zijn, omdat walvissen er al langer zouden kunnen zijn dan hun vroegst bekende botten lijken aan te tonen ... Tijdens deze periode hebben walvissen, behalve het converteren van hun voorpoten tot zwemvliezen en het aangroeien van een lange en krachtige staart, hun neus naar de bovenkant van het hoofd moeten verplaatsen, het ademhalingssysteem moeten modificeren, en aanpassingen moeten maken voor het voeden in de diepte ... Ze hebben op een opmerkelijke wijze nieuwe organen ontwikkeld, zijvinnen en walvisstaart, van huid en bindweefsel ... Daarenboven, voordat ze de achterpoten konden verliezen waarmee ze op het strand kropen, moesten ze in staat zijn om in het water te baren, een proces dat zowel voor moeder als kalf nieuwe instincten veronderstelt, zoals het pompen van melk in de bek van het kalf, waarbij de tepel met een kapje beveiligd moet zijn tegen het zoute zeewater. Het is moeilijk in te zien, hoe dit alles tot stand heeft kunnen komen, tenzij door een opmerkelijke serie van hooglijk gecoördineerde veranderingen.228

Maar ook op microniveau is het niet in te zien hoe e.e.a. een graduele ontwikkeling zou kunnen hebben doorgemaakt. Neem nu het vouwmechanisme van het D.N.A.,229 of de werking van de ribosomen.230 Slechts uiterst zelden wordt een poging gedaan concrete moleculaire en celbiologische mechanismen evolutionair te verklaren. Het lijkt dat bij het ontstaan van nieuwe levensvormen de tussenkomst van een actief aansturings-mechanisme onontbeerlijk is.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina