Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina7/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

b. De ‘verklaring’ van adaptatie




1. Probleemstelling

Lamarck, Darwin en de moderne evolutionisten gingen en gaan er vanzelfsprekend van uit dat organismen zich aanpassen aan hun omgeving. Organismen veranderen zelfs door het voedsel dat ze eten.231 Met name in tijden van grote “stress” zijn organismen in staat tot een soort sprongen in de richting van een betere aanpassing.232

Maar hoe en met name waarom doen ze dat? Wat beweegt hen tot aanpassing? Wat beweegt hen, tegen de stroom van vernietiging en uitvlakking in, hun identiteit te handhaven door zich aan te passen? Wat is het aanpassende principe van levende zijnden t.o.v. het louter passieve ondergaan van veranderingen onder druk van krachten van de omgeving in de niet-levende natuur? Waar komen de uitzonderlijk creatieve wijzen van aanpassing vandaan? “Doelgerichte” adaptatie zelf vraagt om een verklaring.233

Om het probleem moderner te verwoorden: de wet van de traagheid, die stelt dat een voorwerp in beweging of rust in die toestand zal volharden tenzij er een kracht op wordt uitgeoefend, lijkt door het leven zelf te worden weerlegd. Of nog anders gesteld: de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat de chaos van een systeem zal toenemen,234 stelt dat de natuur de meest evenwichtige toestand zal innemen, oftewel de polariteiten zal afvlakken en depolariseren, uitvlakken, ja zelfs “degenereren”235. Nu, levende wezens tenderen er juist naar om als polaire éénheid tegenover hun omgeving te blijven functioneren en zelfs deze polariteit te laten groeien en vermenigvuldigen in nakomelingen. Hoewel de toename van de entropie (chaos) inderdaad gewaarborgd blijft indien we ook de omgeving van het levende wezen bij de berekening van de entropie betrekken, blijft het een raadsel waarom het levende wezen zelf zich aan deze wet lijkt te onttrekken door zich zodanig aan te passen dat het grotere kans maakt om als eenheid bewaard te blijven.236 Bovendien, waarom zou een gen, organisme of levend wezen willen overleven? Dat veronderstelt doeloorzakelijkheid.

Overigens is het feit dat de entropie blijkbaar vroeger lager was, zo laag zelfs dat er op een gegeven moment zelfs één pool was tegenover niets (nl. voor de oerknal), op zichzelf al een onverklaarbaar feit.237 In feite is het hele heelal een ‘aflopende’ zaak, als een veer die ontspant.

2. “Toevallige” mutaties

Het enige echte “principe van aanpassing” lijkt voor veel evolutionisten te bestaan in het zgn. “principe van plenitude,”238 volgens hetwelk de natuur door toevallige mutaties alle mogelijke vormen van leven produceert, die dan worden “uitgeselecteerd” door de omgeving.239

Veel evolutionisten denken dat de verschillende “adaptaties” van individuen en soorten slechts door toevallige mutaties van het genetisch materiaal ontstaan.240 Men denkt daarbij de notie van een sturende kracht, doelgerichtheid, teleologie en zelfs vooruitgang geheel niet nodig te hebben,241 ofschoon sommigen wellicht van teleonomie zouden willen spreken, d.w.z. het gestuurd worden door een programma.242 Maar het standaardbegrip dat gehanteerd wordt om de evolutie te “verklaren” is toeval.
Hierbij zijn verschillende vragen te stellen. Allereerst is het nog maar de vraag of de genetische mutaties de oorsprong zijn van verandering van het phenotype.243 Immers, levende wezens met verschillende uiterlijken, kunnen het zelfde DNA bezitten.

Maar bovenal kunnen we ons de vraag stellen of het begrip toeval in deze context zelf eenduidig is.244 Ofschoon men b.v. kan ontkennen dat er in de evolutie sprake is van een ontwikkeling naar een volmaaktere natuur, gebruikt men toch vaak de termen “geschikter” (vgl.: “survival of the fittest...”).245 Verder, zelfs als moderne biologen enige vooruitgang of telos (doel) in de natuur ontkennen, gebruiken ze daarnaast zonder schroom ook nog termen als “selectie” en “adaptatie,” maar ook “functie,” 246 “systeem,” “feedback,”247 “informatie,” “evolutie,” etc., welke impliciet teleologische termen zijn.248 En sommige moderne biologen, die zich tegen teleologie in de niet-menselijke natuur uitspreken, geloven nog steeds in een bepaalde vorm van vooruitgang.249 Ook “overlevings-voorwaarden” 250 en “oplossingen”251 blijven zonder teleologie zinloos; waarom zou overleven in dat geval een grotere waarde zijn dan niet-overleven?

Naast deze terminologische inconsequentie bestaan er ook feitelijke aanwijzigingen dat toevallige mutaties niet het geheel van aanwezig levende wezens kan verklaren. Wanneer we het begin van het heelal, het ontstaan van de aarde252 en met name het geheel van de levende wezens met hun eigenschappen zien, is het zeer moeilijk te geloven (!) dat toevallige, d.w.z. niet anders dan stochastisch met elkaar samenhangende mutaties dit allemaal hebben veroorzaakt.253 De reeds ongelooflijke gecompliceerdheid van één cel van ons lichaam,254 laat staan de structuur van onze ogen en hersenen, om nog maar te zwijgen van ons bewustzijn, kan niet worden verklaard door slechts toevallige veranderingen in een relatief korte tijdsspanne,255 zelfs wanneer er een lange serie van toevallige kleine veranderingen in één richting plaatsvindt – hoezo toeval?, of wanneer er nu maar één van de vele mogelijkheden zou zijn verwezenlijkt – we zien in de werkelijkheid toch helemaal geen overdonderende hoeveelheid mutaties?256

Deze gerede twijfel aan het “principe toeval” rijst in alle stadia van het leven. Reeds op atomair en moleculair niveau zijn de eigenschappen van de materie en de energie die ons huidige heelal vormen ongelooflijk nauwkeurig op elkaar afgestemd. Veel constanten van de natuur hebben een zodanig precieze waarde, dat een miniem verschil reeds het heelal ongeschikt zou maken voor de huidige levensvormen, en waarschijnlijk voor alle vormen van leven, alleen al omdat de temperatuur te hoog of te laag zou zijn, of de tijd zou ontbreken fatsoenlijke levensvormen te ontwikkelen.257 Dit zgn. “Anthropic Principle258 kan mijns inziens blijven staan als een - wellicht louter dialectisch - argument voor het bestaan van een Ontwerper, dat is als een “argument of design”. Vanaf de “Big Bang” moet er in dit geval nl. een sturende kracht aanwezig zijn geweest die de vorming van de (eigenschappen van) elementaire deeltjes, van donkere materie,259 en hun eigenschappen heeft geleid, zodat ze de basis konden vormen van het leven zoals wij dit kennen. De asymmetrie van het beginnende heelal zou reeds een teken van dit “ingrijpen” kunnen zijn. Zelfs de fundamentele quantum-onzekerheid leidt tot speculaties over de bedoeling hierachter.260

Maar ook op een volgend niveau, het gebied van de simpele atomaire en moleculaire processen in levende wezens, het gebied van de organische chemie and biochemie, is de complexiteit van de fundamentele structuren die de basis van het leven vormen zo overweldigend groot, dat een verwijzing naar het zogenaamde “geluk” of “lot” als enige verklaringspoging onhoudbaar lijkt.261 De intelligent design beweging is in dit kader nieuw leven ingeblazen door de biochemicus Michael Behe. Hij gaat uit van het feit dat veel mechanismen in levende wezens slechts functioneren als ze er in hun totaliteit zijn. Hij noemt dat het principe van irreducible complexity.262 Daar deze complexiteit dus niet geleidelijk door toeval tot stand gekomen kan zijn, is het hoogst waarschijnlijk dat er een intelligente oorzaak geweest moet zijn die de onderdelen van het mechanisme in één keer heeft samengebracht. De kans dat toeval dat gedaan heeft, is eenvooudigweg te klein.

Een andere proponent van een vernieuwde aandacht voor intelligent design is William Dembski, die probeert op wiskundige gronden aan te tonen dat de “specified complexity” van de biologische wereld zulk een informatie veronderstelt dat ze niet door toeval kan zijn ontstaan.263 Hij claimt dat, zoals er algorithmen mogelijk zijn die een onderscheid kunnen maken tussen signaal en ruis, zoals bij SETI, search for extraterrestial intelligence, zo is ook de mogelijkheid bestaat chance en design in de natuur te onderscheiden.


Er komen hier ook meer metafysische vragen op. Normaal gesproken nemen we aan dat “Nemo dat quod non habet” (niemand geeft wat hij niet heeft) en “Omne agens agat sibi simile” (elke werker doet iets gelijkends ontstaan). Met andere woorden, iets kan niet overgaan van mogelijkheid (potentie) naar werkelijkheid (act), tenzij door iets dat reeds die werkelijkheid in zich heeft. Daarom lijkt het dat alle dingen hun zijn verkrijgen van iets dat dit zijn reeds heeft. Hogere wezens moeten in zekere al hebben “voorbestaan,” tenminste in de “Geest van Iemand,” voor ze konden verschijnen in de werkelijkheid.
Sommigen voelen wel aan dat toeval alléén erg weinig verklaart. Omwille van de grote verscheidenheid van goed aangepaste soorten vinden sommigen dan ook dat er zelforganiserende krachten aan het werk moeten zijn, oftewel zichzelf richtende adaptaties.264 Maar dit soort zelforganisatie vereist een natuur die zeer fijn is afgestemd op zelforganisatie.265 Echter, ofschoon het bestaan van zulk een natuur een resultaat zou kunnen zijn van een toevallig proces uitlopend in een soort evenwicht van krachten,266 lijkt de uitermate complexe en harmonische geordendheid van het tegenwoordige universum te wijzen op een fundamenteel intern of extern principe dat de richting van dit oerproces heeft bepaald: teleologie.
Ofschoon Darwin een doelgericht ontwerp in de schepping schijnt af te wijzen, is hij zijn hele leven toch terdege bezig geweest met “de extreme moeilijkheid of beter onmogelijkheid om dit immense en wonderbaarlijke universum … als een resultaat van een blind toeval of van noodzakelijkheid te zien.”267 In feite moet hij niet begrepen worden alsof hij een theorie aanhing die zich baseert op louter toevalsfactoren.268 Volgens Wright zou men zelfs kunnen zeggen dat de theorie van Darwin noch finalistisch, noch totaal accidenteel, maar iets op een verschillend niveau is.269 Op een analoge wijze verklaart Gilson dat er in Darwin een “teleologie zonder doeloorzaken,”270 d.w.z. een teleologie zonder vooraf gegeven doelen en interventies (door een Schepper).271 Ook zijn zoon, Francis, en T. Huxley interpreteerden Darwin op deze wijze, waarbij de laatste het concept van een “bredere teleologie” gebruikte.272 Anderen denken dat Darwin een theorie hield van een “niet noodzakelijke, maar algemene” progressieve evolutie, met als “gids voor vooruitgang de externe omgeving,” en dat een totaal niet-teleologische interpretatie slechts een “hinein-interpretieren” door moderne biologen is.273

Inderdaad, Darwin stond sympathiek tegenover Asa Gray, die zijn theorie in finalistische termen uitlegde.274 Hij apprecieerde 275 wat Asa Gray 1874 schreef: “We erkennen de grote dienst die Darwin aan de natuurwetenschap heeft bewezen, nl. door er de teleologie van te herstellen, zo dat in plaats van een strijd tussen morfologie en teleologie er voortaan een huwelijk tussen die twee bestaat.”276

Darwin zelf schijnt dus ambigue te zijn geweest.277

Tot slot kunnen we stellen dat degenen die dogmatisch beweren dat alleen toeval de oorzaak is van het ontstaan van soorten, dit als een onbewezen dogma stellen. Niemand kan immers 5 miljard jaar ontwikkeling van soorten overzien en alle oorzaken aanwijzen.278

Wanneer we alle voorafgaande argumenten samen nemen, lijken we er welhaast niet aan te kunnen ontkomen om in de natuur hogere krachten aan het werk te zien die bepaalde mutaties in een bepaalde richting sturen.279 Wellicht komen we er zelfs toe om, aangezien de wereld als geheel op elkaar afgestemd lijkt te zijn, één hoogste principe aan te nemen, een Schepper, die de wereld in de toename van complexiteit en functionaliteit stuurt. Dit laat het bestaan en de werking van secundaire oorzaken uiteraard onverlet,280 zoals b.v. de natuurlijke selectie en zelfs chaos. Alleen, deze secundaire oorzaken alléén lijken nooit datgene te kunnen voortbrengen wat we elke dag om ons heen zien en meemaken. Er is een organisatie van het geheel, dat de toevallige som van de delen ten ene male te boven gaat. Dit geldt ook en met name voor plaatsen waar er een zekere discontinuïteit optreedt, b.v. bij de sprongsgewijze overgang van de ene naar een andere soort.281

3. Selectie als verklaringsmogelijkheid?


Als evolutionair biologen consequent zijn in het afwijzen van teleologie, moeten ze stellen dat de selectie door middel van interactie tussen eigenschappen van het levende organisme en de omgeving de enige vorm van adaptatie is.282 Maar ook hier is er een moeilijkheid: iedereen zal beamen dat het zo voorgestelde selectieproces zelf niet creatief is.283 Bovendien, waarom zou de natuur bepaalde vormen selecteren? Selectie veronderstelt criteria waarmee geselecteerd wordt. Er kan geen selectie zijn zonder doeloorzakelijkheid. Anders is het woord selectie niet correct toegepast.



4. De overerving van aangeleerde eigenschappen

Er ontstaat trouwens nog een derde probleem, wanneer men zich afvraagt hoe deze verworven aanpassingen aan het nageslacht doorgegeven worden. Darwin zelf accepteerde het Lamarckiaanse principe van het overerven van verkregen eigenschappen, maar deze theorie is in onbruik geraakt door met name Francis Galton, die Darwins theorie van “pangenese” met bloedtransfusie experimenten testte284 en August Weismann (1834-1914), die vond dat

“de embryonale cellen die naderhand uitgroeien tot kiemcellen al vroeg in de ontwikkeling van het individu een aparte plaats krijgen. Deze kiemcellen dragen niet bij tot de groei van de rest van het lichaam, maar vormen een bepaald soort aparte lijn van celdelingen. Dit lijkt de mogelijkheid uit te sluiten dat kenmerken die door het lichaam verkregen zijn via kiemcellen aan volgende generaties doorgegeven kunnen worden.”285

Sommige moderne researchers hebben een middenweg gezocht, door te stellen dat gedrag door imitatie overgeërfd kan worden. Zo gebruikt men in deze context ook wel de term “culturele evolutie”.286 Toch zijn er wel enige aanwijzingen dat ook biologisch verkregen kenmerken overgedragen kunnen worden aan volgende generaties.287 Vooral in het immuunsysteem is er een notoire invloed: goede voorbeelden zijn de bacteriën die resistent worden tegen antibiotica.288






1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina