Fout! Alleen hoofddocument. Evolutietheorie



Dovnload 365.37 Kb.
Pagina9/12
Datum22.07.2016
Grootte365.37 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

3. God en evolutie


Allereerst zij opgemerkt dat het verwijzen naar God niet noodzakelijkerwijze a priori een “schadelijk circulair en onwetenschappelijk argument” is, zoals een standaardwerk over evolutie ons wil doen “geloven”.335 Wat zijn dan de argumenten om een God aan te nemen, die de evolutie heeft gestuurd?

Om te beginnen lijkt het onomstotelijk vast te staan, dat niets een ander zijnde bepaalde eigenschappen kan verschaffen, tenzij dit veroorzakende zijnde deze eigenschappen zelf bezit. Immers, niets gaat van slechts mogelijkheid naar werkelijkheid, van potentia naar actus, tenzij door een ander zijnde dat reeds in actu is. Dit is de basis van het Aristotelische godsbewijs van de onbewogen beweger,336 en enkele godsbewijzen van Thomas van Aquino.337 Met name in de overgang van aap naar mens is een rechtstreeks ingrijpen van de Schepper nodig, daar immateriële geesten niet door lichamen kunnen worden voortgebracht.338

Het goddelijk ingrijpen houdt echter geen occasionalisme in, d.w.z. dat God overal rechtstreeks de oorzaak van is.339 Secundaire oorzaken kunnen zeker grote rollen spelen.340 God gebruikt immers zoveel mogelijk zijn - hogere - schepping om de - lagere - schepping te verbeteren. Neem alleen al het voorbeeld dat zovele individuen immers sterven als voedsel voor anderen. Zoals Arthur Peacocke zegt, “Hij speelt muziek op de noten die Hijzelf heeft gemaakt.”341 En, Hij schrijft zelfs recht op de kromme lijnen van de door de mens verwonde schepping.

Een ander argument voor een sturende kracht in de natuur is het feit van de teleologie in en tussen organismen. Vanuit het erkennen van een doelgerichtheid in niet-bewuste wezens en naturen, kunnen we concluderen dat er een geest moet zijn geweest die deze teleologie erin gelegd heeft. Deze redenering vinden we b.v. bij Thomas van Aquino in zijn vijfde godsbewijs.342

Met betrekking tot de openbaring en de bovennatuur, zijn er zijn interessante pogingen gedaan om bijbels scheppingsgeloof343 en evolutie-theorie te combineren.344 Zo is er b.v. de these van Gerald Schröder345, die de tijdschalen van de ontwikkeling van de aarde met die van Genesis vergelijkt. Of het echter de bedoeling van Genesis was om in letterlijke zin mededelingen te doen over de volgorde van schepping, is maar de vraag.346 Creationisme is helaas te vaak verward met een simplistische aanname van bijbelse gegevens.347 Immers, schepping en evolutie hoeven elkaar helemaal niet uit te sluiten, omdat beide op een ander niveau spreken, t.w. metafysisch en fysisch.348 God kan een evolutie op aarde geschapen hebben. In God bestaan ook alle ideeen van zijn schepping “vooraf”. God is echter niet zelf de vormoorzaak van het heelal - dan zou het heelal ‘bezield zijn’ door God, maar zorgt wel voor de “vormen,” de “mallen” van zijn schepping.349 God kan dus de evolutie wel degelijk ‘op afstand’ besturen, maar om Hem in het proces van evolutie op een soort Hegeliaanse of Whiteheadiaanse350 wijze een plaats te geven, lijkt te ver te gaan. Als God volmaakt is, kan Hij niet veranderen.

Wellicht is een van de geschiktste wijzen om over God en evolutie te spreken, de wijze waarop Karl Rahner het uitdrukte: God “drukt” voortdurend tegen de schepping aan.351 In ieder geval is Hij - wie anders? - het geweest die in de schepping een soort innerlijke drang tot complexificatie heeft gelegd, een “Counter Agency” (A. Whitehead (1861-1947)), of “propensity” (K. Popper) tegen de neiging van toename van entropie.352 Onderdeel van deze drang is de convergentie van eigenschappen die tot de ontwikkeling van soorten leidde.353

Kortom, het is alsof er in de elementen van deze wereld een kracht aanwezig is, die niet ophoudt het leven te organiseren, tot ze, zoals het Tweede Vaticaans Concilie het mooi uitdrukt, haar hoogste uitdrukking vindt in de mens, die zijn Schepper verheerlijkt.354 Inderdaad, in de mens roepen “de stenen” (Lc. 19,40) Gods lof.



Concluderend zouden we met betrekking tot de verhouding tussen wetenschap en geloof kunnen zeggen, dat we aan de keizer moeten geven wat van de keizer (d.w.z. de schepping) is, en aan God wat van God is (Mc. 12,17).355

1 Vgl. de overzichten van Mark Ridley, Evolution (London: Blackwell, 20043); Scott Freeman, Jon Herron, red., Evolutionary Analysis (Upper Saddle River: Pearson Education, 2004); Mary Jane West-Eberhard, Developmental Plasticity and Evolution (Oxford: Oxford University Press, 2003); M. Stickberger, Evolution (Sudbury: Jones & Bartlett, 19962); P. Skelton, red., Evolution. A Biological and Palaeontological Approach, (Wokingham: Addison-Wesley, 1993); D. Futuyama, Evolutionary Biology (Sunderland, Mass.: Sinauer Associates, 19983);

2 Plutarchus, De placitis philosophorum, V,5

3 Vgl. Aristoteles, De anima 198B,16-32; Vgl. R. Richards, The Meaning of Evolution (Chicago: University of Chicago Press, 1992), p. 63, n. 1

4 Vgl. Aristoteles, On the Parts of Animals, James Lennox, transl. and com. (Oxford: Oxford University Press, 2002)

5 Vgl. Monte Ransome Johnson, Aristotle on Teleology (Oxford: Oxford University Press, 2005)

6 Vgl. voor een overzicht van dit concept: A.O. Lovejoy, The Great Chain of Being [1937](Cambridge: Harvard University Press, 1970)

7 Vgl. zijn Meteorolgogie 351a19-353a28. Het commentaar van Thomas van Aquino is hierbij tekenend: “Dit veronderstelt dat de wereld en de tijd eeuwig zijn, wat een vergissing is (erroneum) en vreemd aan het geloof (alienum a fide). Ook bewijst hij deze stellingen niet.” In meteorologicorum Boek I, Lect. XVII, nr. 138 (ed. Marietti, 1952)

8 Vgl. Cicero, De natura deorum, 81; vgl. B. Inwood, L. Gerson, Hellenistic Philosophy. Introductory Readings (Indianapolis: Hackett, 1988), p. 112; Arius Didymus, fragment 20, in: Inwood, Gerson, Ibid., p. 124

9 Vgl. Plotinus, Enneaden II,3,13-14, 16-18; II,4,2

10 Vgl. St. Augustinus, De genesi ad litteram 6,1,2. Vgl. Confessiones, XIII,4; De Trinitate, VI,7-8; Vgl. A. Mitterer, Die Entwicklungslehre Augustins (Wenen, 1956)

11 Vgl. S.Th. I,25,6

12 Vgl. S.Th. Summa contra gentiles III,71

13 Geciteerd uit de KKK, de Catechismus van de Katholieke Kerk (Utrecht: Secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, 1995 Vgl. http://www.rkdocumenten.nl/index.php?documentid=1), nr. 310, een tekst die met de twee voorafgaande voetnoten van Thomas van Aquino is voorzien.

14 Thomas van Aquino, De Potentia. 4,2 ad 33. Andere teksten die een graduele kijk op ontwikkeling mogelijk lijken te maken zijn: In XII Metaphysica, lect. 2: “Licet enim materia prima sit in potentia ad omnes formas, tamen quodam ordine suscipit eas. Per prius enim est in potentia ad formas elementares, et eis mediantibus secundum diversas proportiones commixtionum est in potentia ad diversas formas: Unde non potest ex quolibet immediate fieri quodlibet, nisi forte, per resolutionem in primam materiam.” De Veritate. 5,3: “Perfectibile enim non unitur formae nisi postquam est in ipso dispositio, quae facit perfectibile receptivum talis formae, quia proprius actus fit in propria potentia: sicut corpus non unitur animae ut formae, nisi postquam fuerit organizatum et dispositum.” Vgl. N. Luyten, “Evolutionisme en Wijsbegeerte,” in: Idem, Ordo Rerum (Freiburg: Universitätsverlag, 1969), pp. 151-177.

15 Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles I,44

16 Vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologica I,94,3

17 Thomas van Aquino, In II De anima, lect. 7; S.C.G., III,23

18 Thomas van Aquino, S.Th. I,70,3

19 Vgl. Thomas van Aquino, In II Sent., dist. 12, q. 1, a. 2; S. Th. I,115,21

20 Vgl. Thomas van Aquino, S.Th. I,91,2 ad 2; In II De anima, lect. 7; vgl. H. Harris, Things Come to Life. Spontaneous Generations Revisited (Oxford: Oxford University Press, 2002)

21 Vgl. V. Brezik, “The Descent of Man According to Thomas Aquinas,” in: Idem, uitg., Thomistic Papers I (Houston, Tx: Center for Thomistic Studies, 1984), pp. 83-108

22 P. André, Urbild und Ursache in der Biologie (München/Berlin, 1931). Vgl. B. Steiner, Theorie der Vererbung (Leipzig, 1935); Idem, Stilgesetzliche Morphologie (Innsbruck/ Leipzig, 1937)

23 Vgl. E. Mayr, The Growth of Biological Thought (Cambridge, Mass.: Belknap, 1982), pp. 326-7

24 Vgl. G.-F. Leibniz, Monadologie, 1714

25 George Louis Leclerc, Comte de Buffon, Histoire naturelle générale et particulière, pp. 1749 e.v.

26 Vgl. F.M. Wuketits, Grundriss der Evolutionstheorie (Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1982), pp. 15v.

27 De categorie familie is pas later in de achttiende eeuw toegevoegd. Vgl. D. Young, The Discovery of Evolution (Cambridge: Cambridge University Press, 1992), p. 58. Tegenwoordig is de volgorde: Rijk, Stam, Klasse, Orde, Familie, Geslacht en Soort. Vgl. J. Aitchison, De sprekende aap. Over oorsprong en evolutie van de menselijke taal (Utrecht: Spectrum, 1997), pp. 65-67

28 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 340v.; Wuketits, Grundriss, p. 19

29 D. Diderot, De droom van D’Alembert (Meppel: Boom, 1980)

30 Ibid., pp. 63-64; E. Mayr, Growth, p. 338

31 J.-J. Rousseau, Vertoog over de ongelijkheid (1755) (Meppel: Boom, 1983), p. 57

32 Vgl. G.-F. Hegel, Phenomenologie des Geistes (1807) (Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1983)

33 Vgl. A. Cunningham, N. Jardine, red., Romanticism and the Sciences (Cambridge: Cambridge University Press, 1990); H. Snelders, Wetenschap en intuïtie. Het Duitse romantisch-speculatief natuuronderzoek rond 1800 (Baarn: Ambo, 1994); Vgl. Richards, The Meaning of Evolution (Chicago: University of Chicago Press, 1992), pp. 21vv.

34 Vgl. voor een overzicht: R. Riedl, “The Role of Morphology in the Theory of Evolution,” in: M. Grene, red., Dimensions of Darwinism. Themes and Counterthemes in Tentieth-Century Evolutionary Theory (Cambridge: Cambridge University Press, 1983), pp. 205-240

35 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 455; Richards, The Meaning, p. 50

36 Vgl. I. Kant, Kritik der Urteilskraft [1790], in: Kants Werke (Berlin: Walter de Gruyter, 1968), V,408, regel 19

37 Vgl. Richards, The Meaning, pp. 39-42

38 Vgl. F.W.J. Schelling, Erster Entwurf eines Systems der naturphilosophie, 1799

39 J.F. Meckel, System der vergleichenden Anatomie, 7 vol. (Halle: Rengersche Buchhandlung, 1821)

40 Vgl. Richards, The Meaning, p. 54

41 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 388

42 Vgl. Goethe, Die Metamorphose der Pflanzen (1790). Vgl. W. Zimmermann, Evolution. Geschichte ihrer Probleme und Erkenntnisse (Freiburg: Alber, 1953); Wuketits, pp. 18.25; Richards, The Meaning, pp. 31-38

43 Vgl. zijn Attempt of a History of the Plant World (1852)

44 Voor deze term, zie H.-C. Martius, Abstammungslehre (München: Kösel, 1949), pp. 273vv.

45 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 462f

46 Vgl. zijn Contemplation de la nature (1764), Wuketits, p. 18

47 Vgl. Richards, The Meaning, p. 52

48 Vgl. Mayr, Growth, p. 460

49 Vgl. ook Richards, The Meaning, pp. 50v.

50 Young, Discovery, p. 90

51 Cfr E. Mayr, Growth, pp. 464vv.

52 Vgl. M. Bierbaum, A. Faller, J. Träger, Niels Stenson. Anatom, Geologe und Bischof 1638-1686 (Münster: Aschendorf, 19893), pp. 36 vv.; vgl. Young, Discovery, pp. 41 vv.

53 Vgl. Young, Discovery, pp. 66 vv.

54 Vgl. Young, Discovery, pp. 72vv., 89; Vgl. M. Rudwick, Georg Cuvier, Fossil Bones, and Geological Catastrophes: New Translations and Interpretations of the Primary Texts (Chicago: University of Chicago Press, 1997)

55 In beknopte versie uitgegeven bij (Penguin, London: 1997)

56 Deze tekst is van een anonieme boekbespreking uit 1670 (sic!?) van Swammerdams Historia insectorum generalis (postuum uitgegeven in 1685), die voor de eerste keer de term evolutie gebruikte. Geciteerd in: Richards, Meaning of Evolution, pp. 8, n. 6

57 Vgl. Richards, The Meaning of Evolution, pp. 5-16; C. Pinto-Correia, The Ovary of Eve: Eggs and Sperm and Preformation (Chicago, University of Chicago Press, 1997)

58 Vgl. Richards, The Meaning, p. 8

59 Harvey maakte een onderscheid tussen twee manieren van individuele verandering: per metamorphosin, waarin de reeds ontwikkelde organen totaal veranderen (b.v. de rups die in een vlinder verandert) en per epigenesin, wanneer uit een ongedetermineerde, homogene vloeistof een concreet, gearticuleerd heterogeen individu ontstaat. Vgl. Richards, The Meaning, pp. 6-7

60 Vgl. Richards, The Meaning, p. 5

61 Vgl. S. Shostak, Embryology, New York: Harper Collins, 1991, pp. 696vv.

62 Vgl. Aristoteles, De generatione Animalium 733b 1-10; 736b 13-14. Vgl. S.J. Gould, Ontogeny and Phylogeny, Harvard: Belknap, 1977, pp. 15v.

63 Vgl. Ch. Bonnet, Considerations..., pp. 253-55; vgl. ook zijn Palingénésie philosophique. Vgl. Richards, The Meaning of Evolution, p. 10v.

64 Vgl. Richards, The Meaning, p. 18; Gould ontkent dat Hunter het eerste was: Ontogeny and Phylogeny, p. 16v.

65 Vgl. Richards, The Meaning, pp. 18v.

66 Vgl. J.H. Autenrieth, Supplementa ad historiam embryonis humani, Tübingen, 1797

67 Vgl. Johan Meckel, Abhandlungen aus der menschlichen und vergleichenden Anatomie und Physiologie, Halle: Hemmerde und Schwetschke, 1806, p.294

68 Erasmus Darwin, Zoonomia or the Laws of Organic Life, 2d ed., London: Johnson, 1796, I:502 Gec. in Richards, Evolution, p. 94

69 J. Meckel, System der vergleichenden Anatomie. 7 vol., Halle: Rengersche Buchhandlung, 1821, vol I, p. 345, gec. in Mayr, Growth, p. 471

70 Etienne R.A. Serres, Anatomie companée du cerveau, 2 vols., Paris: Gabon, 1824-27, 1:xvxvi,” gec. in: Richards, The meaning, p. 15; vgl. E. Mayr, Growth, p. 471v.

71 Vgl. L. Agassiz, “Essay on classification,” in: “Contributions to the Natural History of the United States, vol. 1, Boston: Little, Brown & Co., 1857/Cambridge: Harvard University Press, 1962, E. Lurie, uitg., p. 114 van de Lurie uitgave (Gec. in Mayr, Growth, p. 474)

72 Vgl. Ernst Haeckel, Generelle Morphologie der Organismen: Allgemenne Grundzüge der organischen Formen-Wissenschaft, mechanisch begründet durch die von Charles Darwin reformierte Descendenz-Theorie, Berlin: Georg Reimer, 1866, gec. in Mayr, Growth, p. 474

73 K.E. von Bear, Entwicklungsgeschichte der Thiere: Beobachtung und Reflexion, Königsberg: Bornträger, 1828; Vgl. E. Mayr, The Growth, pp. 472v.; Richards, The Meaning, pp. 17vv., 56vv.

74 Vgl. Richards, The Meaning, pp. 98vv.

75 Vgl. Richards, Meaning, pp. 106vv., 126vv.

76 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 328-9

77 Vgl. Mayr, Growth, p. 333

78 Vgl. T. Benton, “Science, ideology, and culture: Malthus and The Origin of Species,” in: D. Amigoni, J. Wallace, red., Charles Darwin’s The Origin of Species. New Interdisciplinary Essays (Manchester: Manchester University Press, 1995), pp. 68-94

79 Vgl. Thomas Malthus, An Essay on the Principle of Population [1798] (Middlesex: Penguin, 1982); Vgl. ook: T. Benton, “Science, ideology, and culture...” (zie vorige noot)

80 The Autobiography of Charles Darwin, red. Nora Barlow (London: Collins, 1958), p. 120. Gec. in Mayr, Growth, p. 477v. Vgl. pp. 491vv. Vgl. ook de volgende passage, waar Darwin spreekt over het “inexplicable problem how the necessary degree of modification could have been effected, and it would have thus remained forever, had I not studied domestic productions, and thus acquired a just idea of the power of selection. As soon as I had fully realized this idea, I saw, on reading Malthus on Population, that natural selection was the inevitable result of the rapid increase of all organic beings; for I was prepared to appreciate the struggle for existence by having long studied the habits of animals.” Ch. Darwin, The Variations of Animals and Plants under Domestication (J. Murray, 1868), vol. I, p. 10. Geciteerd door Anthony Flew, “Introduction,” in: Th. R. Malthus, An Essay on the Principle of Population and a Summary View of the Principle of Population, red. by A. Flew (Middlesex: Penguin, 1982), p. 50

81 Vgl. C. Zirkle, “Natural Selection Before the “Origin of Species,” in: Proceedings of the American Philosophical Society 84(1941), pp. 71-123

82 Vgl. B.G. Gale, “Darwin and the Concept of a Struggle for Existence: A Study in the Extrascientific Origins of Scientific Ideas,” in: Isis 63(1972), pp. 321-44

83 Cf E. Mayr, Growth, p. 482

84 Vgl. een overzicht van dit concept, zie J. Gayon, Darwin et l’après Darwin (Paris: Editions Kimé, 1992)

85 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 386

86 Vgl. Centre de Recherches sur l’Histoire des Idées de l’Université de Picardie, Lamarck et son Temps. Lamarck et Notre Temps (Paris: Vrin, 1981)

87 Vgl. G. Zirnstein, “Die Hauptaspekte von Lamarcks Evolutionshypothese,” in: Biologische Rundschau 17(1979), pp. 345-366

88 Vgl. Young, Discovery, pp. 61vv.

89 J.-B. Lamarck, Philosophie zoologique, ou exposition des considérations relatives à l’histoire naturelle des animaux (Paris, 1809)

90 Vgl. Young, Discovery, p. 89

91 Vgl. E. Mayr, Growth, p. 353

92 Philosophie zoologique, pp. 60,130; Vgl. Mayr, Growth, p. 353

93 Vgl. Philosophie zoologique, p. 113, gec. in E. Mayr, Growth, pp 355v.

94 Vgl. Mayr, Growth, p. 360

95 Ch. Lyell, Principles of Geology, being an Attempt to Explain the Former Changes of the Earth’s Surface, by Reference to Causes Now in Operation, 3 dln., (London 1830-33; bekopte uitgave: London: Penguin, 1997)

96 E. Mayr, The Growth, p. 380

97 Vgl. E. Mayr, Growth, pp. 376v.; 406

98 Geciteerd in E. Mayr, Growth, p. 383

99 Vgl. E. Mayr, Growth, pp. 382-384

100 Vgl. A. Desmond, J. Moore, Darwin, London: Michael Joseph, 1991, pp. 26vv.

101 William Paley, Natural Theology - Or Evidences of Existence and Atrributes of the Deity Collected from the Appearances of Nature [London: Baulder, 1802] (12e uitg. Charlottesville, VA: Ibis Publishers, 1986)

102 Vgl. R.H. Vermij, red., Bernard Nieuwentijt. Een zekere, zakelijke wijsbegeerte (Baarn: Ambo, 1988); J. Bots, ***

103 Vgl. E. Mayr, Growth, pp. 360v.

104 Voor het volgende, zie E. Mayr, Growth, pp. 394vv.

105 Vgl. Ch. Darwin, The Origin of Species (Middlesex: Penguin, 1984), p. 233: “It is generally acknowledged that all organic beings have been formed on two great laws - Unity of Type, and the Conditions of Existence. By unity of type is meant that fundamental agreement in structure, which we see in organic beings of the same class, and which is quite independent of their habits of life. On my theory, unity of type is explained by unity of descent. The expression of conditions of existence, so often insisted on by the illustrious Cuvier, is fully embraced by the principle of natural selection. For natural selection acts by either now adapting the varying parts of each being to its organic and inorganic conditions of life; or by having adapted them during long-past periods of time: the adaptations being aided in some cases by use and disuse, being slightly affected by the direct action of the external conditions of life, and being in all cases subjected to the general laws of growth. Hence, in fact, the law of the Conditions of Existence is the higher law; as it includes, through the inheritance of former adaptations, that Unity of Type.”

106 Vgl. Mayr, Growth, p. 436vv.

107 Origin of Species, p. 72

108 Vgl. Darwins Variations of Animals and Plants under Domestication [1868]

109 A.R. Wallace, “On the tendency of varieties to depart indefinitely from the original type”, in: J. Proc. Linn. Soc. (Zoology) 3(1858), 53-62

110 Mayr, Growth, pp. 479vv.

111 Ch. Darwin, The Descent of Man [London: John Murray] (Anastatische herdruk: Brussel: Culture et civilisation, 1969)

112 Vgl.: “In order to understand the existence of rudimentary organs, we have only to suppose that a former progenitor possessed the parts in question in a perfect state, and that under changed habits of life they became greatly reduced, either from simple disuse, or through the natural selection of those individuals which were least encumbered with a superfluous part, aided by the other means previously indicated.” The Descent of Man, vol. I, p. 32

113 Vgl.: “My object in this chapter is solely to shew that there is no fundamental difference between man and the higher mammals in their mental faculties... As man possesses the same senses with the lower animals, his fundamental intuitions must be the same. Man has also some few instincts in comon, as tha of self-preservation, sexual love, the love of the mother for her new-born offspring, the power possessed by the latter of sucking, and so forth. But man, perhaps, has somewhat fewer instincts than those possessed by the animals which come next to him in the series. The orang in the Eastern islands, and the chimpanzee in Africa, build platforms on which they sleep; and, as both species follow the same habit, it might be arguied that this was due to instinct, but we cannot feel sure that it is not the result of both animals having similar wants and possessing similar powers of reasoning.” Ibid., pp. 35v. Vgl. p. 105: “...the difference in mind between man and the higher animals, great as it is, is certainly one of degree and not of kind.”

114 Vgl. Ibid. pp. 42-49

115 Vgl. Ibid., pp. 51v.

116 Vgl. Ibid., pp. 53-62

117 Vgl. Ibid., pp. 62-69

118 Vgl. Ibid., pp. 97-104

119 Vgl. P. Bowler, The Eclipse of Darwinism. Anti-Darwinian Evolution Theories in the Decades around 1900 (Baltimore: John Hopkins University Press, 1992)

120 Vgl. Stölzle, Karl Ernst v. Baer und seine Weltanschauung, Regensburg: Manz, 1897; K.E. v. Baer, Schriften, uitg. door Stölzle (Regensburg: Manz, 1897)

121 Vgl. Mayr, Growth, p. 501; D. Dennett, Darwins Dangerous Idea. Evolution and the Meanings of Life (London: Allen Lane-Penguin Press, 1995)

122 Vgl. G. Altner, “Der Einfluß des Darwinismus auf andere Wissenschaften,” in: Idem, Der Darwinismus. Die Geschichte einer Theorie (Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1981), pp. 297-303; Cor Hermans, De dwaaltocht van het sociaal-darwinisme. Vroege sociale interpretaties van Charles Darwins theorie van natuurlijke selectie (1859-1918) (Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 2003); Janet Brown, Charles Darwin. The Power of Place. The Origin and After - the Years of Fame (New York: Alfred Knops, 2002)

123 Vgl. P. Leroy, uitg., “Pierre Teilhard de Chardin: Belief and Doubt at the Last Frontiers of Science,” in: L. Zonneveld, R. Muller, The Desire to be Human (Wassenaar: Mirananda, 1983), pp. 242-251

124 Gec. in Young, The Discovery of Evolution, p. 157

125 Vgl. Young, The Discovery of Evolution, p. 158v.

126 Young, The Discovery of Evolution, p. 221

127 Vgl. R.W. Clark, The Survival of Charles Darwin. A Biography of a Man and an Idea (New York: Avon, 1984), p. 311

128 Vgl. Young, The Discovery of Evolution, pp. 162-168

129 Vgl. Young, The Discovery of Evolution, pp. 176-204

130 Vgl. ook het overzicht van de synthese in: E. Mayr, W. Provine, The Evolutionary Synthesis. Perspectives on Unification of Biology (Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1980/19984)

131 Vgl. Brian Hills, Origins: Cosmology, Evolution & Creation (Cambridge: Cambridge International Science Pubishing, 2003), pp. 241vv.

132 Gepubl. in: Nature april 25th (Vol. 171, No. 5356,1953), 737-738, herdrukt in D. Freifelder, The DNA Molecule. Structure and Properties. Original Papers, Analysis, and Problems (Sn Francisco: W.H. Freeman, 1978), p.30; Voor een, ook voor niet-specialisten leesbare introductie, zie b.v. J. Watson, e.a., Rekombinierte DNA (Heidelberg: Spektrum, 1993)

133 Vgl. Michael Page, Andrew Williams, Organic & Bio-organic Mechanisms (Essex: Longman, 1997)

134 Vgl. voor de huidige kennis op dit terrein b.v. H. Lodisch, e.a., Molecular Cell Biology (New York: Freeman & Company, 1995)

135 Vgl. S. Mason, Chemical Evolution. Origins of Elements, Molecules, and Living Systems (Oxford: Clarendon, 1992); J. Smith, Eörs Szathmáry, The Major Transitions in Evolution (Oxford:Freeman, 1995); Chr. de Duve, Vital Dust. Life as a Cosmic Imperative (New York: Basic Books, 1995); A. Delsemme, Our Cosmic Origins. From the Big Bang to the Emergence of Life and Intelligence (Cambridge: Cambridge University Press, 1998)

136 Young, The Discovery of Evolution, p. 233; Dit accidentele, en niet doelgerichte karakter van de evolutie is precies wat S. Gould verdedigt in zijn boek De gok van de evolutie. Misvattingen over evolutie, vooruitgang en honkbal (Amsterdam: Contact, 1996). Zie ook recentelijk F. Wuketits, Naturkatastrophe Mensch. Evolution ohne Fortschritt (Düsseldorf: Patmos, 1998).

137.. Vgl. J. Sapp, Evolution by Association. A History of Symbiosis (Oxford: Oxford University Press, 1994)

138 Vgl. M. Grene, “Current Issues in the Philosophy of Biology,” in: Perspectives on Science 5(1997)2, pp. 255-281; Een greep uit recente overzichten: J.M. Smith, E. Szathmáry, The Major Transitions in Evolution (Oxford: Freeman, 1995); D.C. Dennett, Darwin´s Dangerous Idea. Evolution and the Meanings of Life, (London: Allen Lane-Penguin Press, 1995); D. Depew, B. Weber, Darwinism Evolving (Cambridge, Mass.: MIT press, 1995)

139 Vgl. B. Irrgang, Lehrbuch der Evolutionären Erkenntinistheorie (München: Reinhardt, 1993); T. Derksen, red., The Promise of Evolutionary Epistemology (Tilburg: Tilburg University Press, 1998)

140 Vgl. H. Rose, S. Rose, eds., Alas, Poor Darwin. Arguments against evolutionary psychology (London: Jonathan Cape, 2000)

141 Vgl. P. Farber, The Temptations of Evolutionary Ethics (Berkeley: University of California Press, 1994)

142 Voor een historisch overzicht, zie: Cor Hermans, De dwaaltocht van het sociaal-darwinisme (Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 2003). De ‘bijbel’ van de sociobiologen is E. Wilson’s, Sociobiology. The New Synthesis (Boston: Harvard University Press, 1975). Voor kritiek hierop, zie W. Callebout, e.a., red., Sociobiologie. Een discussiebundel (Brussel: VUB press, 1988); P. van Parijs, Evolutionary Explanation in the Social Sciences: An Emerging Paradigm (Totowa, NJ: Rowman and Littlefield, 1982); R. Alexander, “Biological Considerations in the Analysis of Morality”, in: Nitecki en Nitecki, red., Evolutionary EthicsAlbany (University of New York Press, 1993), pp. 163-196

143 D. S. Wilson, Darwin’s Cathedral. Evolution, Religion, and the Nature of Society (Chicago: The University of Chicago Press, 2002)

144 Vgl. A. N. Whitehead, Process and Reality (New York: Free Press, 1978); Idem, De dynamiek van de religie (Kampen: Kok Agora, 1988); J. van der Veken, Een Kosmos om in te leven (Kampen: Kok Agora, 1990); M. Wildiers, Kosmologie in de Westerse Cultuur (Kampen: Kok Agora, 1988); Idem, Theologie op nieuwe wegen (Antwerpen: De Nederlandse Boekhandel, 1985); E. Wilson, “The Relation of Science to Theology,” in: Zygon 15(1980), pp. 425-434

145 Vgl. M. Ridley, red., Evolution. A Reader (Oxford: Oxford University Press, 1997), pp. 367-407

146 Vgl. http://www.talkorigins.org/faqs/homs/links.html; Robert Boyd, Joan Silk, How Humans Evolved (Los Angeles: University of California, 2006); Douglas Palmer, Zeven miljoen jaar. Het verhaal van de evolutie van de mens (Tielt: Lannoo, 2006) en Glenn Conroy, Reconstructing Human Origins (New York: Norton, 2005) voor recente overzichten.

147 T. Matsuzawa, M. Tomonaga, M. Tanaka, red., Cognitive Development in Chimpanzees (New York: Springern, 2006); Shirley Strum, Almost Human. A Journey into the World of Baboons (Chicago: Chicago University Press, 2001). Vgl. Clive Wynne, Denken dieren na? (Amsterdam: Pearson Education Benelux 2006); J. Taylor, M. McKinney, Origins of Intelligence. The Evolution of Cognitive Development in Monkeys, Apes, and Humans (Baltimore, John Hopkins University Press, 1999); D. DeGrazia, Taking Animals Seriously. Mental Life and Moral Status (Cambridge: Cambridge University press, 1996); Richard Byrne, The Thinking Ape. Evolutionary Origins of Intelligence (Oxford: Oxford University Press, 1995)

Voor de rol van de taal met betrekking tot het moment van “menswording,” zie A. Walker, P. Shipman, The Wisdom of Bones. In Search of Human Origins, (London: Phoenix, 1997), die b.v. stellen dat de homo erectus ook nog geen echte taal had. Vgl. ook: D. Bickerton, Language and Species (Chicago: University of Chicago Press, 1990).

Anderen menen echter dat de taal die apen kunnen bereiken niet wezenlijk van die van mensen onderscheiden is: Donald Griffin, Animal Minds. Beyond Cognition to Consciousness (Chicago: University of Chicago Press, 2001); A. Scheibel, J.W. Schopf, The Origin and Evolution of Intelligence (Sudbury, Mass.: Jones & Bartlett, 1997); S. Savage-Rumbaugh, S. Shanker, T. Taylor, Apes, Language, and the Human Mind (New York/Oxford: Oxford University Press, 1998)

Daartegen schrijven: Ian Tattersall, Becoming Human: Evolution and Human Uniqueness (New York: harcourt Brace & Company, 1998); J. Trefil, Are We Unique? A Scientist Explores the Unparalleled Intelligence of the Human Mind (New York: John Wiley, 1997); Ph. Lieberman, Uniquely Human. The Evolution of Speech, Thought, and Selfless Behaviour (Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1991)



148 Er zijn echter ook alternatieve theorieën over de oorsprong van de moderne mens. Niet alleen komen de menigen over de samenhang van de verschillende soorten wat in beweging (vgl. I. Tattersall, “Once we were not alone”, in: Scientific American jan. 2000, pp. 38-44), maar ook heeft met name Elain Morgan de aandacht gevestigd op het feit dat mensen veel eigenschappen hebben die op een waterachtige oorsprong lijken te wijzen. Vgl. haar The Scars of Evolution (London: Souvenir Press, 1990; Ned. vertaling.: Sporen van de evolutie, Baarn: Ambo, 1996). Voor een kritische blik op deze theorie, vgl. M. Roede, e.a., uitgs., The Aquatic Ape: Fact or Fiction (London: Souvenir Press, 1991)

149 Vgl. R. Carroll, Vertebrate Paleontology and Evolution (New York: Freeman and Comp.), 1988, pp. 272-274; J. Cracraft, M. Donoghue, Assembling the Tree of Life (Oxford: Oxford University Press, 2004)

150 Vgl. R. Leakey, R. Lewin, Origins Reconsidered. In Search of what makes us Human (London: Little, Brown, and Company, 1992), p. 94

151 Vgl. M. Leakey, “De verste horizon”, in: National Geographic special edition: de Oorsprong van de mens (2003)1, pp. 2-15

152 Vgl. D. Johanson, M. Edey, Lucy. The Beginnings of Humankind (London: Penguin, 1990); vgl. ook http://www.bbc.co.uk/science/cavemen/chronology/

153 Vgl. Kate Wong, “Lucy’s Baby”, in: Scientific American dec. 2006, pp. 56-63

154 Vgl. A. Walker, P. Shipman, The Wisdom of the Bones (London: Phoenix, 1997), p. 95; R. Holloway, “Evolution of the Human Brain,” in: Handbook of Human Symbolic Evolution, A. Lock, Ch. Peters, uitgs. (Oxford: Clarendon Press, 1996)

155 Vgl. R. Carroll, Paleontology, p. 474

156 Vgl. http://www.humboldt.edu/~mrc1/ ; http://www.mnh.si.edu/anthro/humanorigins/ha/a_tree.html

157 Vgl. Leakey, Origins, p. 120 voor een kort overzicht, en p. 131 voor vijf mogelijke connecties tussen de verschillende typen hominiden. Voor een iets andere indeling, zie ook de mooie overzichtssite van het Smitsonian Institute: http://www.mnh.si.edu/anthro/humanorigins/ha/a_tree.html

158 Vgl. Roger Lewin and Robert Foley, Principles of Human Evolution (Malden, Ma: Blackwell, 2004), pp. 331vv.

159 Vgl. voor de verdere ontwikkeling van deze soorten, ook http://anthro.palomar.edu/homo/homo_2%20.htm

160 vgl. Matthias Schulz, „Die Spur des Jägers“, in: Der Spiegel (2004)6, pp. 140-153; Marylène Patou-Mathis, Neanderthal. Une autre humanité (Paris: Perrin, 2006); Luc Allemand, e.a., Neanderthal (Paris: La Recherche, 2006)

161 Vgl. M. Lahr, The Evolution of Human Diversity. A Study of Cranial Variation (Cambridge: Cambridge University Press, 1996)

162 Vgl. I. Tattersall, “Out of Africa Again... and Again?” in: Scientific American April 1997, p. 47

163 Vgl. http://www.geocities.com/palaeoanthropology/Hergaster.html

164 Vgl. http://www.anoca.org/homo/sapiens/human_evolution.html

165 Vgl. Dietrich Mania, “De ondergewaardeerde mens van Thuringen”, in Scientific American en Eos Magazine, Ned. en Belg. editie, dec. 2004/jan. 2005, nr. 4, pp. 58-64

166 Vgl. echter ook de kritische vragen bij bv. Glenn Conroy, Reconstructing human origins (London: Norton, 2005), pp. 465-493

167 In the 1970s, Haigh and Maynard Smith investigated the variation in human haemoglobin and concluded that the human species must have gone through a population bottleneck in the recent past, if most of the variants are due to neutral mutations (that is, mutations not subject to selection) [Haigh, J. and Maynard Smith, J., 1972. Population size and protein variation in man. Genetical Research


1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina