Fr. Heer: zeven hoofdstukken uit de geschiedenis van de vrees 1965



Dovnload 271.08 Kb.
Pagina1/10
Datum25.07.2016
Grootte271.08 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
Fr. Heer: zeven hoofdstukken uit de geschiedenis van de vrees 1965

 

1. DE VREZE GODS



De meest afschuwelijke vorm van menselijke zelfvervreemding, de politieke en mentale terreur van de twintigste eeuw, heeft een geschiedenis waarin zeer edele motieven en doorluchtige namen, te beginnen met Plato, aan het begin staan en telkens weer in diverse elementen minstens sporadisch optreden. “Corruptio optimi pessima”. Oorsprong van de vrees die mensen elkaar bereiden, is de vreze Gods. Ja, in de kern van de zaak kan heel de geschiedenis van de terreur in zijn wezenlijke trekken opgevat worden als een poging om de oermacht van de godheid als instrumentum regni over te brengen in de handen van de mens. De bliksem van Zeus, het heilige vuur van goddelijke oerkracht; “khebod” en “sjechina” in het Oude Verbond; “doxa tou theou” in het Griekse taalgebied; “gloria dei patris omnipotentis et filii et spiritus sancti”: de stralende luister die rond de godheid hangt en getuigenis aflegt van de overweldigende, vernietigende en reddende oermacht van de godheid, heeft de mens voor de tweede maal geboren doen worden in het vuur van het oordeel en het vuur van de begenadiging door de vreze Gods: “yire ath Yaweh”,” timor Dei”.

De geschiedenis van het «volk Gods», Israël -en daarop beroepen zich de schrikverwekkende godsvolken eerst in Europa (13e tot 19e eeuw) en later in Afrika en Azië (19e en 20e eeuw) –is een geschiedenis van vreeswekkende ervaringen van dit volk en zijn leiders vanaf Mozes (van de profeten, koningen, legeraanvoerders, dichters) met het tremendum dat dit volk ervaart in de ontmoeting met zijn God Jahweh, die het volk door de vrees opvoedt en steeds weer naar zich toe brengt. Deze geschiedenis is het relaas over de zwerftochten door de verschrikkingen van de tijden heen naar het beloofde land, tot aan de drempel waar de vrees beschermd en ingeperkt wordt: in de tempel van Salomon te Jeruzalem. Jeruzalem, de heilige stad, de stad van onze God, is de plaats van de vreugde, omdat hier de vreze Gods aan de mens een thuis, vrede, vreugde geeft, die in de besloten ruimte de vrees verborgen en geborgen houdt. De vreze Gods, timor Vei in de «vertaling» van de Vulgaat, wordt dan ook door het Oude Testament geprezen als de grondslag van alle opvoeding, wijsheid, liefde, vroomheid en menselijkheid. «Zonder vreze Gods 'bestaat er geen ware wijsheid, geen deugdzaam leven» (Gen. 20,11). «De vreze Gods is het begin van de liefde» (Eccl. 25,16). «De vreze Gods is het begin, de grondslag, de wortel en tegelijk de leerschool en de kroon van de wijsheid» (Prov. 1,7; vgl. 1,9; 1,10; EccI. 1,16; 1,25; 1,22; 22,24). «De vreze Gods is een gave van God om Hem aan te roepen en te prijzen» (Bar. 3,7).

De vreze Gods wordt vooral betoond jegens de majesteit van God (vgl. Ps. 32,8-9; Jer. 5,22; Apc. 15,3-4). Alle beloften van God gelden de «godvrezenden», de “timentes Veum”. Bijna ontelbaar zijn de plaatsen in de psalmen en bij de profeten, waar een beroep wordt gedaan op deze vreze Gods. De vrome is de mens die serieus vreze Gods heeft, niet alleen met de lippen in het gebed en niet alleen cultisch in het offer, maar die door zijn leven deze vreze Gods belijdt als stelregel van zijn leven. «De vreze Gods voedt de zielen op en heiligt ze; zonder vreze Gods bestaat er geen rechtvaardiging» (vgl. Eccl. 2,20; 2 Kor 7,1; EccI. 1,28). Alle genaden, heel de volheid van rijkdom en wijsheid, alle eer in leven en sterven komen toe aan de godvrezenden (EccI. 1, 11-20; 6,16).

Timor Vomini sanctus, permanens in saeculum saeculi “(Ps. 18,10). Wij kunnen er ons thans nauwelijks meer een juiste voorstelling van maken, wat een opvoedende kracht deze psalm en vele andere psalmen die spreken over de heiligheid van de vreze Gods en die dagelijks gezongen werden in het liturgische koorgebed, uitgeoefend hebben op de groeperingen van monniken in Europa en op hun wereldlijke omgeving. Cluny, Citeaux, Prémontré en vele latere, uit benedictijnse geest en hervormingsijver ontstane monastieke bewegingen hebben door de “timor Vei, de timor Vomini”, de krijgszuchtige adel van Europa getemd en onder tucht gebracht. Nauw hiermee verbonden is de beweging van de godsvrede, de beperking van de oorlog tot strikt beperk”e tijden en ruimten. De opvoeding van de mens door vrees, al vroeg vreze Gods, heeft oneindig veel vrucht gedragen. Godsdienstige hervormers en vernieuwers wekken steeds weer de vreze Gods, die volgens hun mening ingeslapen, verzwakt, onschuldig voorgesteld is.

Verschillende concepties van de vreze Gods

Het verdwijnen van de vreze Gods reeds in de bloeitijd van de middeleeuwen, in verschillende perioden en bij verschillende groepen (predikers beschuldigen zowel de Europese adel als de burgerij van de steden als de boeren!) heeft heel verschillende oorzaken. Allereerst de toegenomen, zij het nog zeer relatieve veiligheid in tijden van vrede en gebieden van vrede binnen het 'rijk' en in de koninkrijken en heerschappijen van oud-Europa, waar de schokkende ervaringen uit de eeuwen van de volksverhuizingen en catastrofen (laatantieke tijd tot tiende eeuw) hun kracht beginnen te verliezen; vervolgens een zekere overprikkeling door de permanente hellepreek van de hervormers en monastieke bewegingen; niet op de laatste plaats de humanistische interpretatie van de timor Dei door de scholastieke theologie, die heel zuiver en nuchter onderscheid maakt tussen slaafse en kinderlijke vreze Gods, beginnend bij Eernardus, de Victorijnen en Petrus Lombardus tot aan Bonaventura en Thomas van Aquino. Een thomistische opvatting omtrent de vrijheid en waardigheid van de mens begint de timor Dei te omheinen, in te perken, rationeel te vatten. De strijd van de «Augustinianen» in de bloeitijd van de middeleeuwen, later de genadestrijd van de dominicanen en jezuïeten in de 16e en 17e eeuw, van de jansenisten en jezuïeten in de 17e en 18e eeuw berust mede op de verschillende conceptie omtrent de vreze Gods in de Augustiniaanse en Thomistisch-Aristotelische traditie van de Europese theologie. De laatstgenoemde probeert de vreze Gods te omheinen, de eerste probeert haar te onthullen. Naast middeleeuwse hervormers en katholieke boetepredikers uit de nieuwe tijd hebben juist als onthullende krachten Luther en Calvijn grote invloed gehad op de geschiedenis: zij ontsluiten de oudtestamentische vulkaan van de timor Dei. God is ongrijpbaar, vuur, vlam, vulkaan, stormvloed, oordeel, schrikwekkende majesteit waardoor de mens vernietigd wordt.

De renaissance van de oudtestamentische vreze Gods, is nauw verbonden met het opkomen van grote angsten bij het lagere volk, dat zich juist daarom tracht te constitueren als het nieuwe godsvolk, en ook reeds met de angstaanjagende machten van de beginnende «nieuwe tijd» (zie hieronder). (vgl. Georg M. Cserto, “De timore Dei iuxta doctrinam scholasticorum a Petro Lombardo usque ad S. Thornam”, Romae 1940.)

Luthers angst voor God

Luthers angst voor de schrikwekkende God en Vader mag niet vanuit het perspectief van de protestantse pastorie van de 18e en 19e eeuwen vanuit welwillend Irenisme in de 20e eeuw onschuldig voorgesteld en gecamoufleerd worden. Vreeswekkend is deze God, die onvervulbare wet is, en vreeswekkend is de vader, Luthers eigen vader, die Luthers roeping tot de geestelijke stand beschouwde als een dwaling, als een verblinding. Een jaar voor zijn dood overziet Luther zijn levensstrijd: «Hard heb ik gestreden, als iemand die verschrikkelijk bevreesd is voor de jongste dag, en die toch vanuit het diepst van zijn merg verlost en gered verlangde te worden» (Bonner Ausgabe IV, 422). Het beroemde verwijt van Erasmus aan het adres Luther en de vernieuwers -zij maakten God nog gruwelijker dan de tiran Dionysius van Syracuse; want deze God maakt volgens hen slechts wetten waardoor de mens onvermijdelijk zondig moet worden -dient men zeer ernstig op te vatten. Luthers “De servo arbitrio” van 1525, dat in één jaar tien drukken beleefde (opgedragen aan zijn vader!), is een gruwelijk zelfvernietigend gesprek met de ongrijpbare schrikwekkende God-vader .

God is storm en geweld, onweer, totaalonbegrijpelijke en onnaspeurlijke wil. In deze wil, die zichzelf wet van alle dingen is, is geen motief en geen verstand. Juist en goed is alleen maar dat wat hij wil, omdat hij het nu eenmaal wil. Carlyle heeft Luther een christelijke Wodan genoemd, een echte nor. Sinds R. Seeberg heeft ook de protestantse wetenschap Luthers demonische natuur als zodanig onderkend. We moeten er hier kort over spreken. Want het feit dat het Luther persoonlijk niet gelukt is, tot aan het einde van zijn leven niet, zich los te maken uit de ban van deze godsangst, heeft de geschiedenis van Europa, de toenemende beklemming in de «nieuwe tijd» -en daarmee ook het groeien van de terreur in het Europa van de nieuwe tijd –wel niet eenvoudigweg veroorzaakt in een menselijk te berekenen zin, maar toch wel wezenlijk mede bepaald.

De ouder wordende Luther zinkt weg in toenemende verduistering, ja, menselijk gesproken, vertwijfeling. De vervloekingen van de «hoer verstand» en van de «pauszeug» aan de vooravond van zijn dood ( « Wider das Papsttum in Rom vom Teufel gestiftet», 1545) leggen aangrijpend getuigenis af van dit wegzinken in de ban van angst en vrees. Luther geeft zich hier over aan de angsten van het lagere volk -met «boerse grofheid» heeft dit Luthers angst voor God weinig te maken -, stelt zich achter de sacralistische terreur van het lagere volk, bijvoorbeeld als hij eist dat men de paus en de curie de tong moet uitrukken tot de hals en ze, als de zegels aan de bullen, volgens rangorde moet vastspijkeren aan de galgen.

De opheldering van het lutheranisme komt in elk geval niet van de latere Luther zelf. Melanchthon, de Erasmiaan, en een later piëtisme hebben samen met seculariseringverschijnselen de ontzettende angst van Luther omgevormd tot een heilzaam bevrijdende vrees.

Hoe duister de innerlijke situatie van het Lutheranisme in Luthers laatste jaren en rond het midden van de 16e eeuw was (voor de piëtistische vernieuwing en voordat de lutherse universiteiten sinds 1590 de Aristotelisch-Jezuïetische filosofie gingen overnemen), blijkt uit de vele zelfmoorden van predikanten, vaak genoteerd door lutherse visitators en superintendenten. De mislukt e aanlopen van de nieuwe tijd in het tijdvak van de dertigjarige oorlog en van de godsdienstoorlogen, in de bewuste terrorisering van de onderdanen door de staatskerken en kerkstaten van de 16e en 17e eeuw is onbegrijpelijk als men niet denkt aan het feit dat de door toegenomen vreze Gods gewekte angsten niet werden weggenomen.

Hier begint ook de buitengewone betekenis van Calvijn. Luther, apolitiek, door en door individualist, kon geen techniek van de angst ontwikkelen. De lutherse angst is, tot in de 20e eeuw, een individuele, persoonlijke angst van het mensenkind voor de vreeswekkende Heer Vader .De domineeszonen die reeds sinds de 16e eeuw weglopen uit het vaderhuis en - daardoor gestempeld en tegelijk in bitter verzet tegen de hier gepreekte en voorgeleefde God-vader -de scheppers van de Duitse filosofie en van zo menige Duitse wetenschap worden, weerspiegelen allen, ieder op zijn manier, nog Luthers oerervaring met de God-vader en de eigen heer-vader. Maar de lutherse lands-vaders worden, als zij zich met kracht willen en moeten handhaven, calvinist, zoals de Pruisische koningen, of lopen het gevaar weer gekatholiseerd te worden.

Calvijn en zijn godsstad

Calvijn, een politiek denker van het grootste formaat, jurist, gestempeld in de tradities van het West-Europese humanisme, vormt zijn ervaring van de vreze Gods politiek om tot zijn techniek van godsdienstig-politieke terreur. Een historicus van hugenootse afkomst, Veit Valentin, schildert het Geneve van Calvijn aldus: «Onderwijzers werden door leerlingen, ouders door kinderen bespioneerd; in vier jaar waren er in deze stad van 20.000 inwoners 58 terechtstellingen en 76 verbanningen; voor de pest werden volstrekt onschuldigen op de wijze van de heksenprocessen ter verantwoording geroepen en ter dood gebracht. Kritiek op zijn opvattingen werd door Calvijn vervolgd met foltering en beulszwaard, als oproer en goddeloosheid.» Soli Deo gloria, aan God alleen de eer, de lijfspreuk van Calvijn (Letterlijk naar de lijfspreuk van Ignatius Omnia “ad maiorem Dei gloriam”), wordt door hem in deze zin opgevat, dat de mens in de ban van de angst voor God verplicht is, zichzelf en de zijnen, de gemeente», door angst aan God te onderwerpen. Zelf-terrorisering en terrorisering van anderen gaan hand in hand. De door angst voortgezweepte calvinist tracht zichzelf, zijn v rouw , zijn kinderen, zijn personeel en onderdanen (later ook in de koloniën) te onderwerpen aan zijn vreeswekkende God. Kerktucht, kindertucht, v rouw entucht: een golf van seksuele angst, waardoor sinds de late middeleeuwen de Europese christenheid verscheurd wordt, versterkt deze angst voor God en angst voor de mensen. In de grond van de zaak is het een angst voor de weerstanden in het eigen Ik; dag en nacht is de vrome mens bang, dat het eigen Ik in opstand komt. De klassieke calvinist leeft in permanente oorlog met zichzelf en met de wereld om hem heen, die hij moet zuiveren, reinigen van alle goddelozen: zondaars, armen, ongelukkigen, misdadigers, opstandigen. De meedogenloze strijd tegen zichzelf, tegen de «boze driften», hartstochten, tegen het vlees veroorzaakt een hardheid waardoor de aarde wordt omgevormd tot hel en offerplaats. De wereld is een tuchthuis en een werkhuis. De eerste tuchthuizen, die tegelijk armenhuizen zijn «Miséris et malis», «voor armen en slechten» staat boven de straf - en armeninrichting in Dessau), werden in Europa opgericht door calvinisten. De calvinistische denunciatie van het medelijden met armen en ongelukkigen als een doemwaardige zwakheid, als zwakheid in het geloof, beschouwd als want rouw en en ongeloof jegens de rechtvaardige God en Zijn predestinatie, schept in het engelse voegkapitalisme het helse klimaat dat we nog zullen leren kennen.  

Charles de Condren

Wie echter het echte pathos van Calvijn, deze terrorist van God, van de «zuivere geest», van de «goddelijke majesteit», wil Ieren begrijpen, kan het bestuderen bij zijn katholieke tegenhanger, bij de vroege jansenisten in Frankrijk, rond Port-Royal, rond Pascal en -wat vaak over het hoofd wordt gezien -bij diep-katholieke godsdienstige persoonlijkheden zoals de grote tegenstanders van de jezuïeten, de vroege Oratorianen. De tweede generaal van het Oratorium, Charles de Condren, geprezen als het «grootste licht van deze en vele andere eeuwen», een persoonlijkheid met buitengewone kracht van geest en ziel, wordt bepaald door een ervaring die hij op twaalfjarige leeftijd had. Gods alles overstralende majesteit verscheen hem toen als “pur être”, als “zuiver zijn”: «Dit licht was zo zuiver en krachtig, dat het in zijn ziel een dodelijke indruk maakte die nooit verloren ging.» Het Ik zinkt weg in de afgrond van zijn niets; de wereld en alle dingen zouden terstond in Gods oog vernietigd moeten worden -het offer van Christus is het enige juiste gedrag ten opzichte van de alles verterende godheid.

Zo vertelt zijn leerling Amelot over Condren in zijn beroemde biografie. Deze absoluutheidervaring heeft een niet te overschatten betekenis voor de Jansenisten, wier leider Saint-Cyran een vriend is van Condren. Condren wil “cet esprit de pureté”, «deze geest van zuiverheid», opwekken die alles overlaat aan God.

Het offer eist de totale vernietiging van het geofferde: la destruction entiére. Condren beschouwt de mensenoffers van de heidenen als een echte voorafbeelding van het offer van Christus. Hij vereert vooral de voor het oordeel wederkerende Christus en eist: aanbid het laatste oordeel, ook als het jou zou verdoemen. Deze grote radicaal van God, die in de geest van de franse hervormers de oerervaring van de vreze Gods in kristallijnen hardheid en zuiverheid opwekt, wil onbekend onder het plaveisel van een kerk begraven worden. Vernietiging van de mens. De vuurvlammende godheid is alles. De nieuwe tijd zal trachten deze vreze Gods in dienst te stellen van de mensheid, die zich wil vormen tot volk Gods. Robespierre's godsdienstig-politieke redevoeringen voor de Conventie, waarin hij eist dat allen zich opofferen om de zuiverheid te verwerven, zijn uitlopers van deze boom van brandende geestdrift.  

Hellevisioen en hellepreek

De vreze Gods heeft naast deze verheven en gevaarlijke vormen reeds vroeg in Europa een meer vulgaire uiting gevonden, die dan ook het eerst politiek virulent is geworden, en wel in het hellevisioen en de hellepreek Sinds Lucretius en de laatantieke Verlichting, die met haar kritiek op de heidense godsdiensten door de vroege kerkvaders wordt overgenomen en doorgegeven aan de verlichters in het Europa van de 17e en 18e eeuw, is het verwijt, ja de grote aanklacht uitgesproken: de priesters hebben de religio, de cultische godsdienst, uitgevonden om de mensen onder de angst te brengen en hen door middel van deze angstaanjagerij te beheersen. Nu weten wij sinds lange tijd, dat angst voor God en vreze Gods gebaseerd zijn op oerervaringen van de mens, in een diepere dimensie, die niet bereikt wordt door techniek en door iets dat men maakt. Maar in feite heeft de praktijk van het angst-aanjagen, beoefend in de hellepreek, er veel toe bijgedragen, deze antieke en nieuw-europese opvatting van de religio bij vele mensen te versterken. De beroepsmatige hellepredikant is de eerste beroepsmatige bangmaker. Nu Iaat de Europese geschiedenis zien, dat de hellepreek al vroeg gekoppeld werd aan zeer concrete aardse, politieke angsten en doelstellingen. Ze richt zich, juist zoals het hellevisioen, al vroeg tegen politieke en maatschappelijke tegenstanders, al verschijnen deze aanvankelijk nog in typeringen als de “slechte ridder”, de “slechte rijkaard”, de “vraatzuchtige, geile monnik” en prelaat, de «slechte v rouw ».

Een van de oudste hellevisioenen die bewaard zijn gebleven, de Visio Wettini uit de laatkarolingische tijd, verdoemt Karel de Grote tot de hel en streeft kennelijk de kerkpolitieke doeleinden na van een hervormingspartij in het Laatkarolingische rijk. De bewogen tijd van de investituurstrijd levert de eerste grote golf van politieke, doelgerichte hellevisioenen en hellepreken. Al naar gelang het standpunt van de predikanten worden de «ontuchtige, duivelse keizer Hendrik IV» en zijn «slechte bisschoppen» ofwel de goddeloos genoemde Gregorius VII aangeduid als antichrist, als voorlopers van de antichrist, en overgeleverd aan de hel. In het slotgevecht tussen de pausen van de 13e eeuwen het «adelaarsgeslacht», de Staufers, wordt door de eerste franciscanen voor het eerst in Italië de politieke hellepreek in grote stijl georganiseerd. Gevaarlijke overspanning, die dan ook terstond het dialectische doorslaan naar de andere kant tot gevolg heeft: vervolgde fraticelli, radicale Franciscanen, die in de strijd om de armoede de nederlaag leden tegen de curie en de zegevierende meerderheid van de orde, prediken over de paus als hellekind en antichrist en nemen daarmee de in heel Zuidwest-Europa sterk verbreide motieven van de hellepreek door Katharen en Waldenzen weer op; zij vinden een afspiegeling die voor ons thans nog gemakkelijk toegankelijk is, in Dante's «Divina Commedia», bijvoorbeeld in de verdoeming tot het diepst van de hel van paus Bonifacius VIII als «gran bestia nera», als het zwarte apocalyptische beest.  

kerkelijke en politieke bangmakerij

Natuurlijkerwijze krijgt in alle politieke en binnenkerkelijke crises en keerpunten van de volgende eeuwen de hellepreek een politieke accentuering en actualisering. De politieke tegenstander wordt telkens aangevallen als lid van de hel, als «membrum diaboli», als voorloper en helper van de duivel. Het tijdvak van de godsdienstoorlogen, van de angst voor de turken, van de wederzijdse denunciatie van «papisten», lutherse honden, calvinistische zwijnen als partizanen van de duivel en ingezetenen van de hel loopt door in een bepaald soort prediking van de 18e en 19e eeuw, die door haar bangmakerij een thans bijna onvoorstelbare vernauwing van de horizon der christenheid tot gevolg heeft. De «slechte protestant», de slechte liberaal, de slechte man van de vooruitgang, later de slechte socialist worden dan aan de beangstigde gelovige, die zich aan alle kanten en op elk moment omsingeld waant door duivelsknechten, voorgesteld op de wijze en in de trant die wij kennen uit de encycliek «Mirari Vos» van 15 augustus 1832. De politieke preek van onze tijd, vooral in de Romaanse landen, in Noord- en Zuid-Amerika, is met haar massieve aanvallen en haar techniek van bangmakerij de wettige erfgename van dit alles.

Het uitbuiten van de vreze Gods en de helleangst om angst aan te kweken jegens een concrete politieke, maatschappelijke en wereldbeschouwelijke tegenstander heeft al vroeg tot doel, op te wekken tot actie: tot de kruistocht tegen turken, moslims, heidenen, in eigen kring tot de kruistocht tegen de ketters en rebellen; tot actie tegen de joden en andere «vijanden van de christelijke naam». De mens die door redevoeringen, door de propaganda van de vrees angstig is geworden, vlucht in de daad; de innerlijk geterroriseerde wordt naar buiten toe zelf een bedrijver van terreur. Omdat het oude Europa minstens sinds de eeuwen van de grote volksverhuizingen periodiek overstroomd wordt door golven van angst, waarbij de geregeld terugkerende vetes, tijden van hongersnood, branden, vreemde verschijnselen aan de hemel, epidemieën, catastrofen in de natuur stimulerend werken, rees in feite al vroeg de vraag, wie het officiële beheer van de angst op zich neemt. Wie bindt en beheerst de lichamelijk-psychische angsten, wie geeft er vorm en gedaante aan, wie richt ze scherp op zijn doel? Het gevecht om de macht over de angst, om het beheer van de angst vormt een van de belangrijkste momenten van de Europese geschiedenis. Als partners en tegenstanders, als bondgenoten, concurrenten en vijanden treden in dit gevecht op: eerst keizer en paus, koningen en kerken, vervolgens het «volk», dat zich als heilsvolk constitueert. Gecompliceerd wordt dit gevecht nog door twee momenten. Op de eerste plaats doen de primaire machten die in een bepaalde tijd de angst beheren, een beroep op hulpmachten en helpers, knechten en bemiddelaars uit zeer verschillende kringen: monniken, bedelmonniken, predikers, schrijvers, dichters, beeldende kunstenaars; beoefenaars van de geesteswetenschappen, ideologen, technici, beoefenaars van de natuurwetenschappen. Op de tweede plaats is er een merkwaardige verlenging van twee op zich verschillende angsten en van twee verschillende groepen van machthebbers over de angst. Naast de metafysisch bepaalde, “bovennatuurlijke” vrees, in zijn zuiverste vorm als vreze Gods, staat de natuurlijke fysische vrees, de angst voor de ander, voor de vijand, de vreemde. De vreemde, «hostis”, is de vijand; “nemets”, de vreemde, is voor de Slavische volken de onheilsnaam voor de Duitser geworden.

Beheerders van de vrees

Analoog aan deze in feite zeer ingewikkelde relatie tussen «natuurlijke» en «bovennatuurlijke» angst, bestaat er een relatie tussen metafysisch en fysisch-sociologisch-maatschappelijk gestructureerde beheerders van de angst. Gesloten groepen en standen, dus de adel, dorpsgemeenschappen van boeren, steden, komen al vroeg als angstbeheerders sui generis met hun straffen, bedreigingen, taboes, inquisities te staan naast de ideologisch en metafysische gestructureerde grote beheerders van de sacrale angst.

Dit maakt de geschiedenis buitengewoon gecompliceerd. We zullen nog zien, hoe bijvoorbeeld het calvinistische schrikbewind zijn kracht ontleent aan een intieme verbinding van maatschappelijke elementen (de laatmiddeleeuwse stad als meesteres over haar angst) met spirituele elementen. Heel vaak komt het tot een noodlottige versmelting, zoals t rouw ens door gesloten maatschappijen als ideaal wordt nagestreefd, waarbij dus de maatschappij ook meesteres is over de spirituele angst en deze gebruikt voor haar politieke doelstellingen. Soms en helemaal niet zelden ontstaat er ook concurrentie tussen de machthebbers over de angst en tussen de twee vormen



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina