Fragment uit: Gelijk trossen bananen



Dovnload 75.84 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte75.84 Kb.
Fragment uit: Gelijk trossen bananen. Beeldvorming over Congolezen in de Belgische dagbladpers ten tijde van de onafhankelijkheid (1955-1965). Een studie van stereotypen, clichés en vooroordelen.
Licentiaatsverhandeling van Jelle De Mey, academiejaar 2003-2004.
1. Inleiding
Als vanouds is het vertoog over de koloniale “ander” geplaveid met stereotypen, clichés en vooroordelen. Dat is niet anders in de Belgische verbeelding van de Congolezen, vroeger en nu. Door buitensporig veel aandacht te besteden aan enkele facetten van de Congolezen, waarbij de meeste wel een kern van waarheid bevatten, werken deze stereotypen bestendigend. Het hoeft niet gezegd dat deze generalisaties onrecht doen aan het individu. Dikwijls, en dit was bijvoorbeeld ook het geval in de koloniale periode, wordt bewust een bepaald beeld van de andere culturele groep gepropageerd, waarin niet zelden economische motieven de hoofdrol vertolken. Inzake het contact met Afrikanen, en met Congolezen hier in het bijzonder, verhinderen stereotypen en vooroordelen een normale verhouding. In de omgang met andere culturen dient men immers het anderszijn te onderkennen, maar tegelijkertijd oog hebbend voor het individuele en sprecifieke.
Ik heb gepoogd te achterhalen in welke mate deze clichés over de Congolees naar voren treden uit de verslaggeving in Belgische dagbladen, in welke mate een gestereotypeerd blank discours over zwart aanwezig was in het taalgebruik van de journalisten. Of nog, welke opvattingen en misvattingen over de Congolezen er verschenen in de kranten. Voor zover ik heb kunnen achterhalen was hier nog geen systematisch onderzoek naar verricht.
Algemeen gesteld wordt het onderzoek opgehangen aan de vraag : welk beeld van de Congolezen komt naar voor in de berichtgeving van Belgische dagbladen? Het is noodzakelijk om deze beeldvorming te kaderen in de westerse voorstellingstraditie van Afrikanen, omdat het blanke discours over zwarten veel hardnekkinge vooroordelen bevat die teruggaan tot de pre-koloniale periode van het Afrikaanse continent. Bovendien is het vertoog over zwarten doorgaans doorspekt met stereotypen en clichés die eenvoudig te categoriseren zijn. Veel uitspraken over zwarten gaan bijvoorbeeld terug op het het cliché van de zwarte als een irrationeel wezen. Het is onze bedoeling geweest om in de dagbladen op zoek te gaan naar sporen van deze vooroordelen of clichés omtrent de Congolese bevolking, en vervolgens deze te bespreken en te plaatsen in de Europese verbeeldingstraditie van zwarten.
Daarnaast heeft deze studie ook een politieke inslag. De door ons bestudeerde krantenartikels werden immers geschreven in de woelige periode van de overgang naar Congolese onafhankelijkheid. Centraal staat de onafhankelijkheidsdatum, 30 juni 1960, en we hebben de onderzochte periode verruimd met vijf jaar voor en vijf jaar na de onafhankelijkheid. Zodoende werden we in staat gesteld om de vergelijking te maken, inzake het beeld van de Congolezen in de berichtgeving, tussen de koloniale periode en de periode na de onafhankelijkheid. Het scharniermoment wordt hier gevormd door de periode tussen de haastige beslissing tot onafhankelijkheid enerzijds, en de muiterij van de Weermacht onmiddellijk na de onafhankelijkheid anderzijds. In de aanloop naar de onafhankelijkheid is er in de pers veel inkt gevloeid over de vraag of Congolezen wel in staat zijn onafhankelijk te zijn.
Aanvankelijk was het uitgangspunt van onze licentiaatsverhandeling om te bestuderen in welke mate het raciale denken aanwezig was in het discours over Congolezen in de Belgische pers. De essentie van dit raciale denken wordt gevormd door de vraag hoe men in het Westen keek naar zwarten. Werden de Congolezen in het moederland evenwaardig gedacht, in de lijn van het cultuurrelativisme, of overheerste nog steeds het blanke superioriteitsgevoel? Belangrijker hier is de tegenstelling tussen een deterministische en civilisatorische opvatting in het blanke denken over zwarten. Het deterministisch raciaal denken, waarbij de zwarten als intrinsiek inferieur worden beschouwd, is veeleer terug te vinden in de negentiende eeuwse rassentheorieën. Civilisatorisch raciaal denken is optimistischer van aard en gelooft in de mogelijkheid om de zwarten te beschaven en om ze op hetzelfde niveau van de blanken te brengen. Deze laatste denkwijze gaf onder meer aanleiding tot massale missionering, en vooral tot de oprichting van scholen in Afrika. (Merk op dat het onderwijs in Belgisch-Congo vooral technisch en praktijk gericht was, want op het moment van de onafhankelijkheid telde men onder de Congolezen nauwelijks universitair geschoolden. Kennelijk wensten de blanken intellectuele superioriteit te behouden.)
Maar de westerse verbeelding van zwarten, en bijgevolg dus ook van Congolezen, is complexer dan de tweedeling in deterministisch en civilisatorisch denken. Positieve en negatieve opvattingen over de zwarte doorkruisen deze twee denkwijzes. Zo ontstond bijvoorbeeld in de periode van de Verlichting het beeld van de ‘edele wilde’, dat in de eerste plaats betrekking had op Indianen maar in mindere mate ook op Afrikanen. Alleszins bestaat er in het Westen een tendens om de levenswijze van de zwarten te verheerlijken als natuurlijk, puur en onaangetast door de westerse beschaving. Deze opvatting kan dus beschouwd worden als positief deterministisch. Het is noodzakelijk om in de benadering van de bronnen oog te hebben voor dit soort elementen van exotisme.
Het opzet van onze licentiaatsverhandeling is de reconstructie van het beeld van Congolezen in bepaalde Belgische dagbladen, met bijzondere aandacht voor rasgebonden of racistische elementen. Beeldvorming en het hiermee gepaard gaande proces van stereotypering brengt ons op het terrein van de sociologie en de antropologie. Bijgevolg is het nuttig even stil te staan bij het gebruik van stereotypen en gerelateerde beeldvormingsmechanismen.
2. Stereotypering
In het proces van de beeldvorming van een sociale groep door een andere groep, is stereotypering zeer belangrijk. In essentie komt het er op neer dat een groep geassocieerd wordt met bepaalde eigenschappen die het resultaat zijn van vereenvoudiging en vertekening enerzijds, en generalisering anderzijds. Ter verduidelijking, het concept van een sociale groep is een vlag die vele ladingen dekt : het kan gaan om een groep mensen van één zelfde geslacht, nationaliteit, ras, of bijvoorbeeld om mensen met een zelfde opleidingsniveau.
In deze studie betreft het de beeldvorming van Congolezen in de Belgische pers. De stereotypen die van toepassing zijn op Congolezen kunnen we in een ruimer kader plaatsen, namelijk in het kader van het beeld van ‘de zwarte’ in het hoofd van blanken. Het discours van blanken over Afrika en zijn bewoners is, zoals verder in dit werk wordt besproken, reeds eeuwenlang doorspekt met vooroordelen en stereotypen. Deze denkbeelden ontwikkelden zich uit de combinatie van wetenschappelijke feiten en fantasiebeelden en hebben door de geschiedenis heen vele veranderingen ondergaan, hoewel enkele vooroordelen over zwarten hardnekkig zijn blijven voortbestaan.
De stereotypen gebruikt in het discours over zwarten zijn meestal overgesimplifieerde voorstellingen, gebaseerd op vooroordelen. Doch blijken ze moeilijk uit de wereld te helpen. Zo geloven bepaalde mensen dat stereotypen in feite oerbeelden (archetypen) zijn, die teruggaan op de wezenskenmerken van een bepaalde groep, en die bijgevolg een kern van waarheid zouden bevatten.
De gestereotypeerde eigenschappen die door blanken aan zwarten worden toegeschreven, bewust of onbewust, zijn alom bekend. Zo is de zwarte onbeschaafd, lui en leugenachtig. Echter, niet alle opvattingen over de zwarte vallen negatief uit : de zwarte staat dichter bij de natuur, is onbezorgd en beschikt over een goed gevoel voor ritme. Een ander hardnekkig stereotype in deze categorie is het beeld van de zwarte als uitstekend sportman. Blijkbaar is de zwarte man in de ogen van de blanke zelden een totaal mens en worden enkel zwakheden uitvergroot, of in het andere geval, de zogenaamde natuurlijke talenten benadrukt.
Zowel de negatieve als de positieve stereotypen zijn nadelig voor de betrokken groep, want in beide gevallen is er sprake van een “cultivering van het verschil”. Men wil in zo’n geval halsstarrig het verschil benadrukken tussen zichzelf en de andere groep. Globaal echter kunnen we stellen dat de verschillen tussen twee sociale groepen meestal kleiner zijn dan de verschillen onderling tussen de leden van een bepaalde groep. Anders gesteld, het proces van stereotypering doet onrecht aan de individualiteit van elk lid van een groep.
Omtrent deze cultivering van het verschil merken we dat een zwarte meestal wordt voorgesteld als alles wat een blanke niet is, door middel van negatieve zelfdefiniëring dus. Zwarten worden in deze visie niet beschouwd als een groep met eigen normen en waarden, maar eerder als een groep zonder westerse waarden. Hierdoor belandt de zwarte onherroepeijk in een inferieure positie ten op zichte van de blanke, die zichzelf als norm beschouwt. Bovendien vinden blanken als groep in dit mechanisme van omkering de uitdrukking van hun eigen collectieve identiteit, namelijk door zich te spiegelen aan zwarten : vandaar zelfdefiniëring. Bijvoorbeeld, in tegenstelling tot westerlingen zijn zwarten onbeschaafd, hebben ze geen geschiedenis en blijft hun godsdienst beperkt tot het aanbidden van fetisjen. In dit verband stelt Nederveen dat de icoon van de wilde vooral bepaald is door afwezigheid : nauwelijks of geen kledij en geen attributen van beschaving.
Het gebruik van stereotypen en vooroordelen in de westerse beeldvorming van Afrikanen is ten dele doelbewust gebeurd en in stand gehouden, namelijk in het kader van het kolonialisme. De Europeanen hadden er alle belang bij een beeld van de zwarten te propageren dat hun imperialistische politiek rechtvaardigde. De blanken vonden namelijk in het gestereotypeerde beeld van de zwarte een uitnodiging om het Afrikaanse binnenland te verkennen, te controleren en te exploiteren. Immers, door zwarten voor te stellen als onbeschaafd en goddeloos, konden de blanken aan het einde van de 19de eeuw het binnenland van Afrika koloniseren, en vervolgens dit imperialisme ten dele goedpraten als een beschavings-missie.
Sterker nog, door de stereotypering van zwarten kon de blanke koloniaal zich indekken bij elk soort gedrag jegens de inboorlingen. Want door de zwarte te typeren als bijvoorbeeld een wildebras, iemand die nooit iets goed doet of een dronkaard, werd het mogelijk voor de blanken om andere normen te hanteren in hun omgang met zwarten.
Anders gesteld, stereotypen leveren de criteria voor een groep om waardeoordelen te vormen over een andere groep. Het gestereotypeerde beeld van zwarten is namelijk is elk opzicht tegenovergesteld aan het beeld dat blanken van zichzelf hebben en deze gesimplificeerde voorstelling stelt deze laatsten in staat te oordelen over de Afrikaanse inboorlingen.
De denkbeelden die bestaan over een bepaalde groep hebben ook wezenlijke invloed op deze groep. De gestereotypeerden worden namelijk in een rolpatroon gedwongen. Op deze manier kunnen stereotypen werken als zichzelf waarmakende voorspellingen. Het is steeds moeilijker voor de betrokkenen om zich los te rukken uit de vicieuze cirkel van sociale werkelijkheid waarin ze door stereotypering gedwongen worden.
De stereotypen gehanteerd door blanken in hun beschrijving van zwarten zijn niet zelden ambivalent of tegenstrijdig. In de westerse beeldvorming wordt de zwarte meestal gestereotypeerd als ‘wilde’, maar tevens als meest onderdanige dienaar van de blanke, als ‘dom’ maar tegelijkertijd sluw en leugenachtig en ten slotte is de zwarte onschuldig als een kind, maar tegelijkertijd seksueel losbandig. Omwille van dit ambivalent karakter in het beeld van zwarten, is het mogelijk gebleken voor bepaalde stereotypen om desondanks veranderde ideeën na vele eeuwen nog steeds door te werken in de hoofden van sommige blanken.

Trouwens, niet alleen de stereotypen maar ook het beeld van de zwarte in het algemeen, is bepaald ambivalent te noemen. De zwarte is in negatieve zin alles wat de blanke niet is, maar tegelijkertijd oefent de zwarte een aantrekkingskracht uit op de blanke, zie bijvoorbeeld het beeld van de ‘nobele wilde’. De levenswijze van Afrikaanse inboorlingen wordt door de blanke als onbeschaafd afgekeurd, maar tegelijkertijd leeft er onder diezelfde blanken de fascinatie voor het exotische.


3. Methode
Deze licentiaatsverhandeling is het resultaat van krantenonderzoek. Het onderzoeksdomein is dus beperkt tot de Belgische dagbladpers. Ik heb me toegelegd op de studie van zes kranten, met name De Standaard, Volkskrant, Het Laatste Nieuws, Le Soir, Le Peuple en La Libre Belgique. Drie Vlaamse en drie Waalse dagbladen dus, van verschillende ideologische snit. Op deze wijze hoop ik resultaten te bekomen die representatief zijn voor het geheel van Belgische dagbladen.
Omdat de te onderzoeken periode tien jaar beslaat, en omdat het zinloos en onbegonnen werk is om zes kranten over zulk een lange periode te doorploegen, werd gekozen voor data van bepaalde gebeurtenissen. Het betreft hier belangrijke gebeurtenissen in Congo, of althans aan Congo gerelateerde gebeurtenissen, waarover met zekerheid bericht werd in de dagbladen. Deze gebeurtenissen zijn :
- Bezoek van koning Boudewijn aan Congo in mei en juni 1955

- De viering van 50 jaar Belgisch-Congo op 18 oktober 1958

- De onlusten in Leopoldstad van 4 januari 1959

- De regeringsverklaring omtrent de toekomst van de kolonie op 13 januari 1959

- De Rondetafelconferentie van 20 januari tot 20 februari 1960

- Congo werd onafhankelijk op 30 juni 1960

- Muiterij door de Force Publique vanaf 5 juli 1960

- De massale uittocht van de Belgen in juli 1960

- De moord op Patrice Lumumba op 17 januari 1961

- Inname van Stanleystad door de rebellen op 5 augustus 1964



- Staatsgreep van generaal Mobutu op 25 november 1965
3. Een greep uit het onderzoek
Expo 58
Enkele dagen voor de vijftigste verjaardag verscheen in La Libre Belgique een driedelige reeks over het bezoek van Congolezen aan België in het kader van de wereldtentoonstelling in 1958. De expo vond plaats in Brussel tussen 17 april en 19 november 1958, en trok zo’n 42 miljoen kijklustigen van over de ganse wereld. Onder hen bevond zich ook een vijfhhonderdtal Congolezen, voornamelijk uit de intellectuele bovenlaag (de évolués). De impact van de Expo op deze bezoekers was heel groot. In België werden ze als gelijken behandeld, hetgeen in de kolonie nog ondenkbaar was. Bovendien verbleven alle Congolezen samen in prefab-woningen in Tervuren, waardoor inwoners van over heel Congo voor het eerst op grote schaal met elkaar van ideeën konden wisselen. De Expo was in dit opzicht de katalysator van een nationaal gevoel en van een streven naar dekolonisatie 1. Toevallig of niet ontstonden vlak na hun thuiskomst enkele belangrijke nationalistisch partijen zoals bijvoorbeeld de MNC (Mouvement National Congolais) van Patrice Lumumba.
Journalist André Villers van La Libre Belgique bespreekt in de reeks “Les Congolais en Belgique” voornamelijk de behoeften van de Congolese bezoekers. Hij behandelt onder meer de huisvesting van de Congolezen nabij het koloniaal museum in Tervuren en het probleem van catering, omdat Congolees eten als dusdanig niet bestaat. Elke Congolese stam heeft bij wijze van spreken andere voedingsgewoonten, hetgeen organisatorische problemen teweeg brengt voor het gastland. Hiermee verbonden wordt het concept van rechtvaardigheid bij de Congolezen besproken. Villers stelt dat de Congolezen een scherp gevoel hebben voor rechtvaardigheid, maar “ils ont surtout le sens de l’injuste2. Dit is te verklaren omdat de Congolezen “n’ont encore parcouru q’une prémière étape dans la voie de l’évolution3. De ideeën van de Franse revolutie worden de zwarten opgedrongen als dogmata en wekken daarom frustratie op. In essentie lijkt het er volgens de journalist op neer te komen dat, in contact met het moederland, de Congolezen vooral aandacht hadden voor hetgeen ze niet bezaten. Hij lijkt te willen zeggen dat de Congolezen dezelfde stadia in intellectuele evolutie als de Europeanen dienen te doorlopen om tot een juiste inschatting van rechtvaardigheid te komen. We herkennen hierin duidelijk een raciale manier van denken, maar geen deterministische opvatting. De westerse beschaving is de norm, maar de Congolezen worden wel in staat gedacht om dit beschavingspeil te bereiken. Toch worden op deze manier de Afrikanen intellectueel lager inschat omdat ze nog niet het stadium van de westerlingen zouden bereikt hebben.
Er wordt gewezen op de natuurlijke vriendelijkheid van de Congolezen en op hun spontaneïteit 4, aspecten die passen in het cliché van de goedlachse zwarte.

Hun ijdelheid, “comme les Noirs sont très coquets5, zorgde er wel voor dat sommigen onder hen meerdere kostuums hadden mee gebracht, die in België tot vijfmaal toe per week naar de droogkuis dienden gebracht te worden.


De Congolese bezoekers blijken leergierig, want de bezoeken aan verschillende Belgische steden “les a vivement interessé6. Maar, schrijft Villers, technologie gaat volledig aan hen voorbij. Sterk veralgemend klinkt het dat “les Africains et les Asiatiques – parmi ceux-ce il faut faire un exception pour les japonnais – ne sont pas attirés par la technique7, immers “les problèmes techniques échappent complètent à leur compréhension8. De Congolezen begrepen dus, volgens dit artikel, niets van de technologische hoogstandjes van de wereldtentoonstelling en interesseerden zich er ook niet voor. Het is niet te achterhalen in welke mate deze uitspraak strookte met de realiteit, maar het is wederom een voorbeeld van de Afrikaanse irrationaliteit in de ogen van de blanke.
In de reeks artikels uit La Libre Belgique worden de bezoekende Congolezen op een haast antropologische manier door de journalist onder de loep genomen, alsof zij zelf werden tentoongesteld. De tijd van de Congolese “negerdorpen”, die dienden om het Belgisch koloniaal paviljoen op te luisteren, was nochtans voorbij.
De eerste Congolese aanwezigheid in Belgie in het kader van een wereldtentoonstelling dateert van 1885, toen twaalf Congolezen (een koning, Massala genaamd, en zijn gevolg) hun intrek namen in een nagebouwd dorp. Zodoende werden de kijklustigen getrakteerd op taferelen die moesten doorgaan als het dagelijkse leven in Congo. Het bonte gezelschap werd onder grote persbelangstelling rondgeleid in Antwerpen, waar de expo plaats vond: naast tentoonstellingsmateriaal waren de Congolezen dus eveneens toeristen. Negen jaar later vormde Antwerpen opnieuw het decor van de wereldtentoonstelling. Ditmaal werden maar liefst 144 Congolezen naar België verscheept, waaronder een contingent van de koloniale Weermacht. Opnieuw werden ze ondergebracht in namaakhutten, alleen was de amusementswaarde voor de toeschouwers vergroot dankzij een kunstmatige vijver waarop de Congolese “exponaten” op prauwen ronddreven. Voorts werd er muziek gemaakt, gedanst en werden oorlogscènes opgevoerd. Het accent kwam meer op de primitiviteit te liggen, waardoor de Congolezen zo naakt mogelijk werden getoond. Het plaatje van de “wilde” in zijn natuurlijke omgeving werd versterkt door een hele resem exotische dieren uit Congo die voor de gelegenheid in de zoo verbleven. Voor de wereldtentoonstelling in Brussel-Tervuren in het jaar 1897 werden maar liefst 276 Congolezen gemobiliseerd, maar het stramien bleef hetzelfde. Het gebeuren werd echter overschaduwd door de dood van enkele van de Congolezen. Wanneer het nieuws in de pers uitlekte en een schandaal veroorzaakte, betekende dit in België meteen het einde van de mensententoonstellingen. Zowel in 1894 als in 1897 werd antropofysiek onderzoek verricht op de Congolezen 9.
Met de Belgische overname van de kolonie veranderde het beeld dat men wou propageren en kwam de nadruk meer te liggen op de positieve verwezenlijkingen van het kolonialisme, dit in tegenstelling tot de etnografische curiosa van de negerdorpen 10. Soldaten van de Weermacht defileerden in de Antwerpse straten voor de wereldtentoonstelling in 1930, maar tot in 1958 was dat de enige Congolese vertegenwoordiging van dien aard. De Expo en het vijfitg jaar bestaan van de Belgisch kolonie vielen beiden in het jaar 1958 en voor de gelegenheid werden een vijfhonderdtal Congolezen -waaronder muzikanten, dansers, notabelen, soldaten en religieuzen- overgevlogen. Zij benadrukten de band tussen het moederland en de kolonie en dienden als bewijs dat het Belgisch koloniaal beleid vruchten afwierp 11.
In La Libre Belgique maakte Villers van het verblijf van de Congolezen gebruik om hen vanuit etnocentrisch oogpunt aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Deze benadering vertoont gelijkenissen met de wijze waarop men aan het eind van de negentiende eeuw in het kader van de wereldtentoonstellingen naar de bezoekende Congolezen keek. In zijn discours over het gedrag en de manier van denken van de Congolezen maakte hij dikwijls gebruik van generalisaties (Congolezen begrijpen niets van wetenschap) of concentreerde hij zich op details (Congolezen en droogkuis).
Tot slot nog een laatste voorbeeld, dat eveneens op frappante wijze herinnert aan de tijd van de mensententoonstellingen. Wanneer de Congolese dansgroep Changwe Yetu naar Brussel werd gehaald voor de Expo in 1958, schreef men in De Standaard over een “oorspronkelijke dans” in “traditionele klederdracht” die “aangrijpend” was en baadde in “een adembenemende sfeer”. Merk op hoe beschreven werd men schreef dat het podium zou bedekt worden met aarde “om zo getrouw mogelijk het gewone terrein van hun dansen weer te geven” 12. De primitievelingen in hun “wilde” omgeving, als het ware.

De onlusten in Leopoldstad van 4 januari 1959
In La Libre Belgique werd een enkele keer gewezen op het alcoholprobleem onder de inlandse bevolking als oorzaak. “l’ivresse”, zo lazen we, “doit être réprimée énergiquement, de manière expéditive et visible13. Dit brengt ons bij het cliché van de Congolees die graag en veel drinkt. De associatie van de inlandse bevolking met alcoholmisbruik blijkt een belangrijk motief in de blanke verbeelding. Merk op hoe de Congolezen vlotjes werden gestigmatiseerd als verstokte dronkelappen, terwijl over het problematisch alcoholverbruik van vele kolonialen met geen woord werd gerept 14.
Het voornoemde citaat in La Libre Belgique leent zich uistekend tot een vergelijking met de negentiende-eeuwse opvatting over alcohol als oorzaak van degeneratie 15. In een ruimer verband beschouwd, kan men namelijk stellen dat de geschiedenis van het alcoholmisbruik tot in het midden van de twintigste eeuw op een moraliserende en disciplinerende toon geschreven werd. De oproep in La Libre Belgique tot strakke beteugeling van Congolese dronkenschap ligt ook volledig in de lijn van disciplinering.
Maar er zijn meer interessante parallellen te trekken met het discours van Belgische artsen in de tweede helft van de negentiende eeuw. De medische wereld trok hard van leer tegen het alcoholisme want, net als tuberculose en geslachtsziekten, werd het bestempeld als een ziekte die rasdegeneratie teweeg bracht. Binnen dit vertoog werden steden opgevat als oorden van verval en decadentie, waardoor alcoholmisbruik dan ook aanvankelijk met de stedelijke kernen geassocieerd werd. In ons voorbeeld is Leopoldstad het strijdtoneel van hetgeen de redactie als “des séquelles” van het alcoholisme omschreef, zijnde “batailles et querelles16.
De Belgische artsen constateerden echter in een later stadium dat de degeneratie, waarvan het alcoholisme een onderdeel was, zich uitbreidde van de stad over het platteland. Deze visie toegepast op de kolonie, namelijk dat het drankmisbruik onder de Congolezen zich verspreidde over het ganse grondgebied, was ook bij bepaalde blanken in Congo terug te vinden. In 1955 bijvoorbeeld, werd de soeverein in het kader van zijn Congoreis door een medewerker op de hoogte gesteld van de toestand in de kolonie, waarbij melding werd gemaakt van het alcoholisme dat zich als een plaag uitbreidde onder de inlandse bevolking 17.
Zo is de cirkel rond want deze Belgische “medici van de degeneratie” in de negentiende eeuw waren tevens van mening dat de ziekte van het alcoholisme zich naar de kolonie had verplaatst dankzij de introductie door de blanke kolonialen van alcohol te Congo. Het laatste punt van gelijkenis betreft de stigmatisering de groep alcoholverslaafden. De Belgische artsen vatten drankmisbruik voornamelijk op als probleem van de arbeidersklasse, die werd verdacht van losbandigheid. Als er toch gewag werd gemaakt van alcoholisme onder de ‘rijken’, dan werd dit probleem geminimaliseerd aan de hand van argumenten dat ze doorgaans thuis in privésfeer dronken en dat hun drank van betere kwaliteit was. Vervang hier de groep van de arbeidersklasse door de Congolezen en men bekomt het vertoog over alcoholisme zoals dat gevoerd werd door de blanken in het algemeen, en door de redactie van sommige kranten in het bijzonder. De kolonialen die op de barza overmatig whisky achterover sloegen, kunnen hier gelezen worden als de ‘rijken’.

De Congolese onafhankelijkheid (30 juni 1960)
Bij de blanken was de onzekerheid groot en velen wachtten bang af. Velen vreesden dat het land na de onafhankelijkheid zou verzinken in totale chaos. Twee dagen voor de onafhankelijkheid, bijvoorbeeld, merkte Manu Ruys in De Standaard op hoe “tucht en arbeid verzwakken onder de Kongolese bevolking” en hij vroeg zich af of de regering het roer zal kunnen omgooien 18.
In hetzelfde artikel deed hij een mooie voorspelling van de onafhankelijkheidsdag :

“De blanken zullen pogen hun onzekerheid te verdrinken in een extra-whisky, en de zwarte bevolking zal zich tot in de vroege ochtenduren in haar wildste dansen opwinden en uitputten, voor de jongens van de pers wordt het een heen en weer gedraaf tussen het staatsiebanket en de Bantoe-orgie” 19.


Ruys is hier kritisch voor zowel blank als zwart. Hij wijst op het alcoholisme van de kolonialen, en niet op het alcoholisme bij de Congolezen, zoals het cliché dat wil. Het feestgedruis van de zwarten wordt herleid tot een tot de verbeelding sprekende “Bantoe-orgie”, die in schril contrast wordt geplaatst met de plechtige en beschaafde manier van feestvieren, hier in de vorm van het staatsiebanket.
Dankbaarheid en erkentelijkheid voor hun beschavingswerk in Congo waren de zaken die de blanken het meest van de Congolesen verwachtten 20. Deze manier van denken ligt volledig in de lijn van het paternalisme, en werd treffend verwoord in Le Soir met de woorden van Désiré Denuit, die hoopte in een overschouwend artikel dat “les Congolais qui réfléchissent […] reconnaîttront que les Belges, pour reprendre les mots de Leopold II, ont servi en Afrique «la cause de l’humanité et du progrès»21.

De val van Stanleystad ( 5 augustus 1964)
In Het Laatste Nieuws vroeg Declerq zich af of de invloed van rebellenleider Soumialot ver genoeg strekte om het “oprukken van de plunderende menselijke sprinkhanen” in te dijken 22. Dit is een interessante metafoor waarbij de Congolese rebellen werden ingepast in de Afrikaanse fauna en flora.
Als vanouds het onderwerp van de verdelgingscreativiteit van de kolonialen, zijn sprinkhanenplagen, die voornamelijk in Noordwest-Afrika de landbouwoogsten bedreigen, opnieuw brandend actueel 23. In deze optiek roepen sprinkhanen bij de lezer de associatie met verdelging op, hetgeen hier werd overgedragen op de rebellen.
Volgens David Van Reybrouck zijn insecten als onderwerp van zowel een wetenschappelijk als een breed-maatschappelijk discours een negentiende-eeuwse burgerlijke uitvinding. In dit verband verwijst hij naar de opkomst van de entomologie of insectenkunde. Voorheen bestond een allegorische traditie waarin bijvoorbeeld de bijenkorf het beeld vormde van ethische principes zoals naarstigheid en mutualiteit. Een complex van historische factoren echter veroorzaakte een verschuiving in de populaire verbeelding van insecten, waardoor deze laatsten als metafoor in discrediet raakten. Men kwam in confrontatie met fenomenen zoals de coloradokevers tot het besef dat insecten ook schade konden berokkenen en dat ze daarom dienden gecontroleerd te worden. De tropische geneeskunde, in haar ontstaan nauw verweven met de entomologie, bracht insecten zelfs in verband met degeneratie, met ziekte en verval dus. Daardoor werd het westerse wetenschappelijke discours over insecten verscheurd in een fascinatie voor insecten als voorbeeld voor vooruitgang enerzijds, en in de afkeer van insecten als gevaar voor degeneratie anderzijds. In ieder geval was buiten de wil van entomologen een negatief beeld van insecten ontstaan. Het bestrijden van insecten werd een onderdeel van het koloniale beschavingsoffensief 24.
Kan men hier de lijn doortrekken en stellen dat Declerq de bestrijding van de rebellen als een voortzetting van het koloniale beschavingsoffensief beschouwde, en waarbij de verantwoordelijkheid in de handen van België als ex-kolonisator lag? Misschien, doch zeker is dat de journalist in zijn vertoog beroep deed op dit negatieve beeld van insecten.
4. Besluit
De periode tussen 1955 en 1965 is een lange, bepalende en vooral bewogen periode in de Congolese geschiedenis geweest. De relaties tussen België en Congo hebben fundamentele veranderingen ondergegaan, en zo ook de berichtgeving over Congo in de Belgische kranten. In 1955 kwam met het bezoek van koning Boudewijn de verslaggeving over de kolonie op gang, doch het betrof hier de voorstelling van een exotisch en avontuurlijk land dat baadde in een feestelijke en zelfgenoegzame sfeer. De komende jaren begon men in de dagbladen traag maar zeker aandacht te hebben voor de politieke bewustwording van de evolués, zij het voor 1959 slechts in beperkte mate. De rellen in Leopoldstad schudde de publieke opinie wakker en maakte het moederland bewust van de noodzaak van een Belgisch dekolonisatiebeleid. Vanaf 1959 volgden de gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op en in de pers kwam deze weg naar de onafhankelijkheid uitgebreid aan bod.
Wanneer de onafhankelijkheidsdag er kwam op 30 juni 1960, stonden de kranten bol van de verslaggeving en de commentaren. Door het uitbreken van de muiterij en de exodus van de Belgen nam de mediabelangstelling niet af, integendeel, en de toon werd gevoelig grimmiger. Congo was lange tijd voorpaginanieuws. Terwijl Congo steeds dieper in de chaos wegzonk, nam de aandacht in België voor haar ex-kolonie geleidelijk aan af. De korte zakelijke berichtjes over de gebeurtenissen in Congo waren meestal afkomstig van persagentschappen zoals Belga en bevatten zelden informatie over de Congolese bevolking. Deze trend was merkbaar tot aan de staatsgreep van Mobutu.
Wat betekende nu deze discrepantie in de Belgische berichtgeving over Congo nu concreet voor het beeld van de Congolese bevolking? In feite is de manier waarop Congolezen in de dagbladpers werden opgevoerd in de periode voor de onafhankelijkheid, als beeld sterk te vergelijken met de negerdorpen op de wereldtentoonstellingen. Ze werden doorgaans voorgesteld als een exotische attractie, met buitensporig veel aandacht voor rariteiten (in de ogen van de blanken) zoals fetisjen en polygamie. De wijze waarop in de kranten geschreven werd over zang, dans en tamtamgeroffel leek bijwijlen een venster op het dagelijkse leven van Congolezen, weliswaar zoals dat werd voorgesteld op de wereldtentoonstellingen. Er is in de pers een zekere continuïteit van deze verbeeldingswijze, met voornamelijk de triade zang-dans-trommel in het kader van festiviteiten als vast onderdeel. Het ritme en de tamtams bijvoorbeeld, bleven altijd populair bij de journalisten, zowel besproken in ooggetuigenverslagen als aangewend in politieke beschouwingen als metafoor.
In de periode voor de onafhankelijkheid werd de Congolees -door te wijzen op zijn spontaneïteit, zijn impulsiviteit, zijn irrationale manier van denken en zijn bijgeloof- analoog aan het blanke koloniale discours voorgesteld als een groot kind, dat geenszins in staat werd geacht onafhankelijk te kunnen zijn. Geleidelijk aan echter zou in de pers een verschuiving waarneembaar zijn, waarbij de nadruk kwam te liggen op het mysterieuse en ondoogrondelijke, eigen aan de Congolezen (“le mystère de l’âme noir”). In het vertoog over Congo is het geheimzinnige altijd aanwezig gebleven, maar na de onafhankelijkheid was de algemene trend het teruggrijpen naar het beeld van Afrika als donker continent, alsof iemand het licht van de beschaving had uitgeknipt. In dit verband werd in de dagbladen wel eens gewag gemaakt van fatalisme bij de Congolese bevolking.
Bepaalde elementen in de berichtgeving doorkruisten het discours over de hele periode. De wijze waarop in de kranten gewezen werd op het alcoholmisbruik bij de Congolezen is zo een motief. Ik heb onder de aandacht gebracht dat dit vertoog gelijkenissen vertoont met het vertoog van de Belgische artsen eind negentiende eeuw over alcoholisme als onderdeel van degeneratie. Men stelt bovendien dat het negentiende-eeuwse alcoholprobleem bij de arbeiders een waanvoorstelling was die door de burgerij werd aangewend om de arbeidersklasse te culpabiliseren met het oog op disciplinering 25. Toegepast op het vermeende alcoholprobleem bij Congolezen, kan men de moraliserende toon in de dagbladen, zeker wanneer het de koloniale periode betreft, interpreteren als onderdeel van de blanke beschavingsmissie.

Sporadisch terug te vinden in de dagbladen, weliswaar consequent over de hele periode, zijn analyses van de Congolese opvattingen en gewoonten. In dit verband werd dan gewezen op het rasgebonden verschil in manier van denken, de Afrikaanse irrationaliteit dus.


Natuurlijk vormden bepaalde gebeurtenissen een dankbaardere bron in de studie naar stereotypen in het vertoog over de Congolezen. In de eerste plaats geldt dit voor het bezoek van de vorst in 1955 en de onafhankelijkheidsviering op 30 juni 1960. Er zijn bepaalde parallellen te trekken in de verslaggeving van beide gebeurtenissen, waarbij de merkwaardigste gelijkenis ongetwijfeld de wijze is waarop men schreef over Congolezen die in de bomen bengelden. Bij deze evenementen haalden journalisten hun meest lyrische pen boven om in de lijn van het exotisme de sfeer te evoceren die heerstte onder de inlandse bevolking. Louis De Lentdecker voor De Standaard en vooral Jean Kestergat voor La Libre Belgique spanden hierin de kroon. Hun schrijfsels hebben ongetwijfeld grote invloed gehad op de Belgische bevolking inzake de beeldvorming van Congolezen.
Wanneer men de dagbladen onderling vergelijkt, valt op dat de meeste onderzoeksresultaten kwamen uit De Standaard, La Libre Belgique en Le Soir. In deze kranten werd de berichtgeving over Congo gekleurd door de persoonlijkheid van de journalisten, als reporter ter plaatse of als schrijver van een commentariërend artikel. De ideologische snit van de dagbladen had enige invloed op het beeld van Congolezen. De socialistische pers, Volksgazet en Le Peuple, heeft de aanloop naar de onafhankelijkheid toegejuicht als emancipatie van de Congolezen. De katholieke pers, De Standaard en La Libre Belgique, keek met lede ogen toe hoe de dekolonisatie in een stroomversnelling geraakte en zij achtte de Congolese bevolking niet in staat onafhankelijk te zijn. Het Laatste nieuws en Le Soir waren hierin minder uitgesproken. Toch is mogen blijken dat in het discours van elk van de onderzochte kranten stereotypen en clichés terug te vinden zijn.
Uit deze verhandeling blijkt dat in de Belgische berichtgeving tussen 1955 en 1965 een duidelijk herkenbaar en gestereotypeerd discours over de Congolezen aanwezig was, dat zich vooral kristaliseerde rond enkele journalisten (meestal reporters ter plaatse). Dit discours, waarvan men zich meestal willens nillens bediende, wordt gekenmerkt door het benadrukken van de geheimzinnigheid en het anderszijn van Congolezen, en door de buitensporige aandacht voor (wat kan omschreven worden als) de Congolese folklore. De meeste stereotypen kunnen perfect worden ingepast in de westerse verbeeldingstraditie van Afrika en Afrikanen.
( de volledige licentiaatsverhandeling is na te lezen op: http://www.ethesis.net/congolezen/congolezen_inhoud.htm )


1 VAN BILSEN, o.c., 121.

2 VILLERS, “Les Congolais en Belgique”, La Libre Belgique ( 12 oktober 1958 ) 2.

3 Ibidem

4 “leur gentillesse naturelle” en “la discipline(…) n’altérait leur spontanéité” in VILLERS, “Les Congolais en Belgique”, La Libre Belgique ( 11 oktober 1958 ) 1.

5 VILLERS, “Les Congolais en Belgique”, La Libre Belgique ( 13 oktober 1958 ) 4.

6 Ibidem

7 Ibidem

8 Ibidem

89 ETAMBALA, land van de Banoko, 9-16. ; ETAMBALA, “Kongolezen op de Belgische wereldtentoonstellingen”, 43-47. en SIOEN, Congo tentoongesteld, 28-54.

10 in verband met deze verschuiving, zie ook COUTTENIER, ”De reddende leugen”.

9


10


11 ETAMBALA, land van Banoko, 69-70.

1212 S.N.,”Kongolese folklore in ons land”, De Standaard ( 8 juni 1958 ) 6.

13 S.N., “Les événements de Léopoldville.Reflexions et suggestions de la population de Léopoldville”, La Libre Belgique ( 13 januari 1959 ) 3.

13


14 ETAMBALA, a.c., 548.

15 Wat degeneratie betreft, heb ik mij in deze passus gebaseerd op het artikel van Liesbeth Nys over alcoholisme etc. in medische kringen : NYS, “Ruiters van de Apocalyps”, 11-42.

16 S.N., “Les événements de Léopoldville.Reflexions et suggestions de la population de Léopoldville”, La Libre Belgique ( 13 januari 1959 ) 3.

17 Cf. supra, 48. en ETAMBALA, o.c., 20.

18 RUYS,”Tucht en arbeid verzwakken onder de Kongolese bevolking”, De Standaard

( 28 juni 1960 ) 2.



19 Ibidem

2020 ETAMBALA, o.c., 151.

2121 DENUIT,”Regards sur 75 années d’action coloniale”, Le Soir ( 28 juni 1960 ) 5.

22 DECLERQ,”Machiavelli in Afrika”, Het Laatste Nieuws ( 1 en 2 augustus 1964 ) 5.

23 Bijvoorbeeld A.V.C.,“Woestijnsprinkhanen bedreigen West-Afrika”, De Standaard ( 4 augustus 2004 ) 8.

24 Gebaseerd op VAN REYBROUCK, “Insecten en verval”, 227-255.

25 NYS, “Faam van absint omstreeks 1900”, 156.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina