Fragment uit hoofdstuk 12. Reconstructie van een dag



Dovnload 15.74 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte15.74 Kb.
Fragment uit hoofdstuk 12. Reconstructie van een dag.

Niemand heeft haar zien staan bij de bushalte. Niemand reageerde na de oproep met foto in de krant, behalve drie dagen later de buschauffeur, van wie ik verder niets weet. Niet eens of hij een vrouw en kinderen heeft. Niet eens of hij een goed mens is, graag kruiswoordraadsels invult, links of centrum of rechts stemt, teder is of ruw. Het enige wat ik weet van de naamloze buschauffeur – voor mij een kruiswoordraadsels invullende, tedere man die centrum stemt - is dat hij zich na het lezen van het bericht als getuige opgegeven heeft. Blijkbaar heeft hij aan mijn moeder bij het opstappen gevraagd of ze zich wel goed voelde. Haar gelaat was bleek en glom van het zweet, maar ze had hem geantwoord dat ze te hard gelopen had om de bus te halen. Een leugen, want wij woonden vlak naast de halte. De buschauffeur, ik noem hem Danny, had haar in de spiegel nog even in het oog gehouden, waardoor hij bijna een ongeval veroorzaakt had. Daarom herinnerde hij zich haar nog. In zijn bezorgdheid had hij even niet goed opgelet, vertelde mijn vader. In mijn hoofd bonsde een pijnlijke voorstelling van de extra tijd die mijn moeder van Danny had kunnen krijgen als hij die ochtend daadwerkelijk een ongeval veroorzaakt had. Want door de knal, de shock, had ze even tegen de dood aangeleund en hem te koud bevonden, waardoor ze zich bedacht, uitstapte en terug naar huis ging. Wij weten immers niet hoe standvastig het destructieve voornemen zich in haar hoofd had vastgebeten. Misschien had ze die nacht te weinig geslapen, was ze ’s morgens duizelig en moe opgestaan en had ze daarom haar medicijn niet genomen. Misschien had dit een terugslag veroorzaakt waardoor ze heel impulsief de bus genomen had, die een ongeluk had kunnen veroorzaken als de chauffeur niet net op tijd op de rem had getrapt en een korte ruk aan het grote stuur had gegeven.


Maar Danny reed alweer veilig verder en naast mij op de stoep neuriede vader o sole mio. In een goede bui zong hij wel eens de schunnige versie maar niet die dag, daar ben ik zeker van. Ondertussen stapte moeder aan de vijver van haar geboortedorp uit en begaf zich langs de loze vissertjes naar het bos. In de weken na die bewuste dag ging ik regelmatig naar de trage mannen aan het water kijken en richtte me in stilte tot hun lamme ruggen: jij en jij en jij daar, hebben jullie die vrouw gezien? Hebben jullie gezien hoe ze over dat kiezelpad langs de vijver liep? Niemand van jullie heeft haar aangesproken. Niemand heeft haar ontreddering gezien. Jullie waren net zoals altijd alleen bezig met lijn en vis, die van geen betekenis zijn voor pijnlijke hartszaken, en dus moest ze wel verder sjokken langs de kapotte speeltoestellen die door het tuig van de achterliggende wijk gebruikt werden om hasj op te roken. Een doorn in het oog van mijn moeder trouwens die in haar herinnering een goed onderhouden speeltuin zag met een kleine houten kantine en een stevige, blozende jongeman die in het weekend bier tapte en haar ten huwelijk zou vragen. Om negen uur zal daar niemand gezeten hebben, of misschien een enkele spijbelaar, een in het zwart geklede jongen die liever met behulp van wiet door the doors of perception drentelde dan door de schoolpoort. Wie zal het zeggen? Als de wazige al een krant las en mijn moeder herkende, zal hij er wijselijk tegen zijn nietsvermoedende ouders over gezwegen hebben.
Over het grindpad liep mijn moeder het bos in. Op het gras en de struiken lag nog nevelige dauw. Zag zij dat? Kon zij het bos nog mooi vinden? Kon ze nog iets zien op dat ogenblik, of overstemden haar laaiende gedachten alle andere zintuigen, zodat ze haast blind, op de tast van het pad door struiken en varens afdwaalde, terwijl insecten en beestjes voor de tengere reuzin wegvluchtten? Ik probeer me haar gezichtsuitdrukking voor te stellen en bots altijd weer op dezelfde hysterische expressie boven aan de trap. En verder stel ik me haar angstige, wild bonkende hart voor en haar klamme huid en haar gierende ademhaling en haar pijnlijke strot en dat hele lichaam, dat zich toch zeker, dat moet toch, dat moet verdomme toch, dat moet zich toch zeker verzet hebben tegen haar gruwelijke voornemen. Dat hart wil doorpompen, die longen willen zuurstof blijven stuwen, die wangen willen blijven blozen, lippen willen kussen… maar ik moet stiller schrijven nu, want het is zover, ik voel dat mijn moeder de plek nadert, die geheimzinnige plaats waar zoveel zal eindigen en altijd opnieuw stok ik hier, misschien op dezelfde wijze waarop mama even stokte en in een flits haar korte, wrede leven aan zich voorbij zag schieten. Elke keer opnieuw bedenk ik dat ik liever onwetend gebleven was.

Eerder had ik ervoor gekozen een vrachtwagen bruut aan de flank van de bus te laten inrijden aan haar kant, haar in de verwrongen omarming van de carrosserie van bus nummer 10 te laten eindigen. Maar in plaats daarvan hield ze halt tussen het ademende groen om op haar eigen, fragiele lijf in te hakken met dezelfde meedogenloosheid waarmee ze zo vaak met woorden op ons in beitelde. Ze sloeg toe met een ultieme woede om de wereld en zichzelf en om mij, om mij, om mij, duizenden keren omwille van mij en mijn woorden die ze niet had kunnen verkroppen. En met elke slag werd ze meer en meer van het bos en minder en minder van ons.

In die jaren braakte de televisie meer dan genoeg bruikbare clichébeelden van detectiveseries uit voor mijn reconstructie en dus stelde ik me haar voor in een absoluut onnatuurlijke houding tussen wilgenbomen, een kunstig verfrommeld hoopje mens in gescheurde kleren, want ze was onderweg met mouwen en lokken achter takken blijven hangen. Er was aarde in haar schoenen gekropen. Het ene been lag gestrekt, het andere gekromd en alle dieren keken na deze verstoring van de stilte in hun bos op een veilige afstand in de verte toe. Op dit punt moest ik altijd aan Bambi denken. Waarschijnlijk verlangde ik naar tenminste een vredige scène. Haar hoofd lag haast sereen in een aureool van varens met felrode spikkels erop. Als een mooie, stompzinnige pop, zo stelde ik me haar voor.

Waar waren mijn vader en ik op dat tijdstip? Ik geloofde al een tijdje niet meer in die grote allesweter op zijn wolk, die mij de coördinaten zou kunnen doorgeven of mailen: ‘U bevond zich in vakje E9 toen uw moeder in A2 overleed.’ Ik zou het nooit te weten komen, maar dat belette me niet om alle statistische mogelijkheden in beeld te brengen.


Waarom koos ze voor die specifieke plaats? Waarom stopte ze net daar? Had haar zelfdestructie zijn hoogtepunt bereikt, was zij pure lava vanbinnen?
‘Energie, het is allemaal energie,’ had de gedrongen vrouw aan onze voordeur beweerd. Ze kon dingen zien op kaarten, maar vader liet haar niet binnen. De politie had hem ervoor gewaarschuwd. Ergens had ze niet helemaal ongelijk, want uiteindelijk werd moeder opgespoord door een wetenschappelijk uitgebouwde versie van haar theorie: een helikopter en een speciale infraroodcamera.

Wij zaten die ochtend onwetend in het politiebureau aan een smal tafeltje aan een blonde agente te dicteren hoe mijn fiets eruitzag, of we liepen alweer terug naar huis maar dan via een omweg want de zon scheen en dus verkozen wij, allebei goedgezind, om aan de zijkant van het warenhuis het straatje in te slaan naar de toverberg, en onderwijl ging het licht in haar ogen uit. Wat maakt het ook uit waar wij ons bevonden, behalve dat ik de weken erna aan niets anders meer denken kon. Vloeide haar leven weg terwijl wij nog een tochtje door het park maakten? Toen vader in de keuken tegen niemand riep dat we terug waren en in een adem door dat hij zin had in koffie? Er was geen antwoord gekomen en wij dachten dat moeder bij de buren was, of bij familie. Er lag geen briefje. Soms lag er geen briefje. Dat betekende helemaal niks. Wij zagen daar geen reden tot ongerustheid in, wij wisten niet dat het een week zou duren voordat we haar terug zouden zien. Nee, ik druk me fout uit: zes lange dagen zou het duren voor ze haar terug zouden vinden, maar zien mochten we haar niet meer. Daarom maakte ik die gekuiste detectiveversie van mijn dode moeder: de gekunstelde houding, haar mooie, grote blauwe ogen, haar mond lichtjes geopend zoals Marilyn Monroe, maar dan met een kunstig, klein belletje verdroogd bloed in de hoeken.


‘Waar blijft ze toch?’ vroeg mijn vader zich na twee koppen koffie af en of ik mee hout voor de vogelhuisjes ging ophalen. Ik schreef zonder het te weten een afscheidsbriefje: ‘zijn naar houthandel, tot zo x’. Een briefje naar niemand, want waarschijnlijk zagen haar ogen de witte, wattige wolken die over ons zeilden al niet meer. Wij konden niets meer doen om haar te redden.
De trein denderde ons die dag, terwijl we voor de overweg wachtten, van links voorbij.
‘Gewonnen,’ riep ik. Vader en ik speelden dit spel al sinds ik een jaar of zes was. Ik nam meestal de linkerkant. Die voormiddag denderde de trein van links verder langs huis en struik en ook langs het bos van mijn moeder.

Weken later haakte deze herinnering zich met vele zuignappen aan me vast, want bij de tragische scène waarin mijn moeder zichzelf zoveel geweld had aangedaan, paste vooral het oorverdovende lawaai van die voorbijrazende trein.

Vanaf toen.
Bij elke trein.
Telkens weer.
Buikpijn.

We geuren naar hout wanneer we thuis arriveren, maar ze is er niet om het op te merken. Ze houdt van die geur, hellehond of niet, ze is er werkelijk gek op. In ons wachten sluipt gaandeweg twijfel en wanneer de wijzer naar zes kruipt, het tijdstip waarop we normaal aan de keukentafel zitten, overvalt ons de angst. Gespannen kijk ik toe hoe vader naar de buurvrouw, zijn schoonbroer, een vriendin en uiteindelijk naar de politie telefoneert. Ik hoor hem zeggen: ‘Ze was neerslachtig. Ik vrees…’ en ik besef dat ik slechts een onrijp, dom kind ben dat een doodswens verwart met innerlijke rust.


Zij is gestorven zonder dat wij het gevoeld hebben. Wij, die van haar hielden en haar vreesden in dezelfde mate. Ik weet het wel: ik was niet gewenst, maar zij had niet kunnen verhinderen dat haar bloed negen maanden lang door mij heen was gevloeid en haar ademtocht door mij heen was gewaaid en dat wij verbonden waren zoals alleen moeder en kind dat kunnen zijn, ook al zette ze me later urenlang in de hoek op de kille stenen in de gang. Niemand kende haar zo goed als ik. Niemand.
Maar nu had ik gefaald. Ik had het niet gezien. Vijf dagen gingen voorbij en wij waren ten einde raad. Maar op dag zes, wij zaten om onze gedachten te verzetten met kaarten in onze handen rond de tafel, klonk het scherpe geluid van de bel door de gang. De kaart van mijn vader viel op de grond: harten dame. De rechercheur aan de voordeur was in het gezelschap van een jonge vrouw in uniform. Al was ze een lichtgevend groen met rood gespikkeld buitenaards wezen geweest, een uur later kon ik haar beeld al niet meer oproepen, want ik hoorde enkel: ‘gevonden en overleden’. De rest ging verloren in een storm van wanhoop en schuldgevoel die met een verwoestende kracht over me heen trok.

De pijn die je veroorzaakt is de allerergste, want ze snijdt dieper dan al het andere. Dat had de markiezin bedoeld. Het besef kwam te laat.


De weken nadat ze gevonden werd, verscheen mijn moeder voortdurend aan mij, waar ik me ook bevond: op school, onder de douche, in mijn boeken: daar was ze, slank en mooi en met de blozende glimlach uit de tijd van Apo. Bij elke ontmoeting vroeg ze me hetzelfde: ‘Else, waarom ben je zo kwaad op me? Je weet toch hoe de zaken liggen? Waarom kan je niet meer begrip opbrengen? Je weet toch hoe moeilijk ik het heb.’
Dapper lachte ze me toe. Er was geen boosheid meer. Eindelijk was ze die grens overgestoken.
‘Zou je willen kijken naar de oorlog in mijn hoofd,’ fluisterde ze. ‘Als ik je die zou kunnen laten zien, zou je zelf gek worden, mijn Elsepels. De ergste oorlog van alle is die in het hoofd. Ik dacht dat je dat begreep.’
In dromen gilde ik met overslaande stem: ‘Ik begrijp het, mama, ik begrijp het!’ en wanneer ik zwetend wakker werd, vouwde ik mijn handen.
‘God van mijn vader,’ bad ik, want zelf had ik hem onderweg verloren. Je kan je niet blijven inspannen voor een relatie waarin het maar van een kant komt. Ik zou mijn eigen boontjes wel doppen, maar na haar overlijden riep ik hem weer aan: ‘God van mijn vader, hier ben ik weer, uw verfoeilijke atheïst die nu zedenleer volgt.’ Mijn vader had er zonder het te weten zijn handtekening voor gezet en nu was mama dood. ‘Lieve god van mijn vader, breng haar terug, spoel de film terug. Laat het bloed op de varens terugvloeien in de gaten en scheuren in haar bleke huid.

Stop het mes in de tas, laat haar achterwaarts terugwandelen, laat de rossige lokken van de takken terug naar haar hoofd zwaaien, geef de schrammen op haar bleke huid aan de struiken, laat haar achterwaarts de bus in gaan.’


En terwijl ik haar terughaalde, bedacht ik: wil ik nog verder gaan? Naar die verschrikkelijke ruzie? Naar mijn onvergeeflijke woorden of nog verder, naar de slagen op mijn rug toen ik wilde ontsnappen nadat mijn gezicht in de door mij bevuilde lakens werd geduwd. Naar de laatste zwaai van mijn zus na een zoveelste aanvaring met onze moeder. Ik haal zus achterwaarts terug naar binnen en de kleren floepen uit haar koffer terug in haar handen zo de kast in en mijn buikpijn trekt weg en ik ga naar het bad waar de kleren uitbundig van onze lijven vliegen en mijn zus en ik kleddernat in de badkuip zakken, onze handpalmen toverachtig het schuim wegzuigen en ik haal giechelend de mijn vingertoppen van de twee harde kiezeltjes onder haar huid. Of nog verder naar Marleen, de angstaanjagende: het oog schiet naar voren in de oogkas en de steen zwiept tegelijkertijd naar achteren door het raam van het boomhut naar de katapult in de hand van… Of naar mezelf in hurkzit achter de schoenenkast. En nog verder wil ik, tot ik zelf terug in de buik zit en krimp tot een rozig, doorzichtig zeepaardje, tot ik verzink in een bevrucht eitje om uiteindelijk de wens van mijn moeder waar te maken: de sullige spermatozoïde verlaat achterwaarts het gedeprimeerde ei, eerst de wiebelende staart en dan het kopje, en zwemt achteruit. Zo verword ik eindelijk tot wat ik had moeten zijn: helemaal niets. Dit scenario speelde ik keer op keer in mijn hoofd af als een postuum eerbetoon. Mijn moeder was er niet meer en in gedachten hing ik mezelf als een lege kar aan haar gewichtloosheid vast.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina