Fragmentos libro de buen amor- arcipreste de hita



Dovnload 37.24 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte37.24 Kb.
FRAGMENTOS LIBRO DE BUEN AMOR- ARCIPRESTE DE HITA.

Gozos de Santa María (1)

¡O María
luz del día,


tú me guía
toda vía!

Gáname gracia e bendiçión


e de Jhesú consolaçión,
que pueda con devoçión
cantar de tu alegría.

El primero gozo queAs lea:


en çibdad de Galilea,
Nazarec creo que sea,
oviste mensajería

del ángel que a ti vino,


Grabïel santo e digno;
tróxote mensaz divino,
díxote: ¡Ave María!

Tú, desque el mandado oíste,


omilmente lo resçebiste,
luego virgen conçebiste
al fijo que Dios enbía.

En Belem acaesçió


el segundo quando nasçió
e sin dolor aparesçió
de ti, Virgen, el Mexía.

El tercero cuentan las Leyes


quando venieron los reyes
e adoraron al que veyes
en tu braço do yazía.

Ofreçiól mirra Gaspar,


Melchior fue ençienso dar,
oro ofreçió Baltasar
al que Dios e omne seía.

Alegría quarta e buena


fue quando la Madalena
te dixo goço sin pena,
que el tu fijo vevía.

El quinto plazer oviste


quando al tu fijo viste
sobir al Çielo e diste
graçias a Dios ó subía.

Madre, el tu gozo sesto:


quando en los disçípulos, presto,
fue Spíritu Santo puesto
en tu santa conpañía.

Del septeno, Madre santa,


la Iglesia toda canta:
sobiste con gloria tanta
al çielo quana ý avía.

Reinas con tu fijo quisto,


nuestro Señor Jhesu Christo:
por ti sea de nós visto
en la gloria sin fallía.

Vreugden vande Heilige María

Heilige María

Licht der dagen,

Wees een leidster

Mij gestage
Wil genade, trooste en zegen

Bij uw Jezus mij verkrijgen,

Opdat ik op vrome wijze

Van uw vreugde kan gewagen.


De eerste vreugde die we lezen

Zou in Galilea wezen

Daar in ’t dorp der Nazarenen

Kwam een engel voor u dagen,


Heil’ge Gabriël, de hoge,

Bracht een boodschap van u Gode,

‘Ave Maria,’sprak de bode,

met de ogen neergeslagen.


Toen hij de opdracht had verwoord,

Hebt gij nederig die verhoord,

’t kind, dat God brengt in u voort,

maagd’lijk onder ’t hart gedragen.


Tweede vreugde is u gebracht,

Toen ge in Bethlehem, te nacht,

De Messias, zonder klacht,

Zonder pijn, Maagd, kwaamt te baren.


Derde vreugd, als wij vernamen,

Was toen de Wijzen kwamen

En het Kindeken aanbaden,

Dat zij in uw armen zagen.


Caspar bood het myrrhe aan,

Melchior gaf wierookgraan

Goud bood koning Balthasar,

Hem, de God en mens tezamen.


Vierde vreugd bracht Magdalene

Toen zij u bericht kwam geven,

Dat uw zoon ’t graf was ontstegen:

’n vreugde die geen pijn zou laten.


Vijfde vreugde was ’t toen ge ervoer

Dat uw zoon ten hemel voer

En gij God bedankte ervoor

Die hem had omhooggedragen.


Moeder ’t was ten zesden maal

Vreugde u toen de jongerenschaar

En gij zelve tussen haar

De Heilige Geest zag nederdalen.


Laatste vreugd was’t u en allen –

die de Kerk ook meest doet schallen –

toen met glorie en welgevallen

Gij ten Hemel zij gevaren.


Waar gij met uw zoon regeert,

Jezus Christus, onze Heer;

Tot wie, in zijn hoge eer

‘k eenmaal door u mag geraken.


Enxiemplo del león et del caballo.


>>Un caballo muy gordo pasçía en la defesa;

veníe el león de caza, pero con él non pesa;

el león tan goloso al caballo sopesa;

'Vasallo', dixo, 'mío, la mano tú me besa.'

>>Al león gargantero respondió el caballo,

dis': 'Tú eres mi señor, e yo tu vasallo:

'en te besar la mano yo en eso me fallo,

'mas ir a ti non puedo, que tengo un grand contrallo:

>>'Ayer do me ferrava un ferrero maldito,

echome en este pie un clavo tan fito;

'enclavome; ven, señor, con tu diente bendito

'sácamelo, et fas de mí como de tuyo quito.’

>>Abaxose el león por le dar algún confuerto,

el caballo ferrado contra sí fiso tuerto,

las coçes el caballo lançó fuerte en çierto,

diole entre los ojos, echole frío muerto.

>>El caballo con el miedo fuyó aguas vivas,

avía mucho comido de yerbas muy esquivas,

iva mucho cansado, tomáronlo adivas:

ansí mueren los locos golosos do tú ivas.

>>El comedor sin mesura, et la grand venternía,

otrosí mucho vino con mucha beberría,

más mata que cuchillo, Ypocrás lo desía;

tú dises que quien bien come, bien fase garçonía



Exempel van de leeuw en het paard.
Een heel dik paard graasde in de weide, daar kwam de leeuw die op jacht was, maar hij hd niets tegen hem: de vraatzuchtige leeuw taxeert het paard met zijn ogen. “Vazal,” zei hij, “kus mij de hand.”Het paard antwoordde de vraatzuchtige leeuw: “Gij zijt mijn heer en ik ben uw vazal, ik heb geen bezwaar u de hand te kussen, maar ik kan niet bij u komen, ik verkeer in een grote moeilijkheid. Toen gisteren een vervloekte hoefsmid mij besloeg, dreef hij in deze voet een spijker zo diep, dat hij mij vernageld heeft. Kom, heer en trek hem er uit met uw hooggeprezen tanden en beschik over mij als uw vrij eigendom.” De leeuw bukte zich om hem verlichting te geven, het beslagen paard zon op verraad tegen hem, het gaf hem een goedgemikte trap en trof hem tussen de ogen, zodat hij hem morsdood sloeg. Het paard vluchtte uit angst als een pijl uit een boog, het had veel gegeten van gevaarlijke planten, het werd zeer vermoeid en kreeg de kroep. Zo sterven de domme vraatzuchtigen, en daarheen ga ook jij.

Het onmatig eten en volstoppen avn de buik, evenals de wijn en het zware drinken brengen er meer om zeep dan het zwaard, gelijk Hippocrates zei. Maar jij zegt: Wie goed eet, die is tot grote

ontucht in staat.




LO QUE PUEDE EL DINERO


Arcipreste de Hita, Libro del buen amor.

490 "Hace mucho el dinero, mucho se le ha de amar;


al torpe hace discreto, hombre de respetar,
hace correr al cojo al mudo le hace hablar;
el que no tiene manos bien lo quiere tomar.

491 "También al hombre necio y rudo labrador


dineros le convierten en hidalgo doctor;
Cuanto más rico es uno, más grande es su valor,
quien no tiene dinero no es de sí señor.

492 "Y si tienes dinero tendrás consolación,


placeres y alegrías y del Papa ración,
comprarás Paraíso, ganarás la salvación:
donde hay mucho dinero hay mucha bendición.

494 "Él crea los priores, los obispos, los abades,


arzobispos, doctores, patriarcas, potestades;
a los clérigos necios da muchas dignidades,
de verdad hace mentiras; de mentiras hace verdades.

495 "Él hace muchos clérigos y muchos ordenados,


muchos monjes y monjas, religiosos sagrados,
el dinero les da por bien examinados:
a los pobres les dicen que no son ilustrados.

503 "Yo he visto a muchos curas en sus predicaciones,


despreciar el dinero, también sus tentaciones,
pero, al fin, por dinero otorgan los perdones,
absuelven los ayunos y ofrecen oraciones.

504 "Dicen frailes y clérigos que aman a Dios servir,


más si huelen que el rico está para morir,
y oyen que su dinero empieza a retiñir,
por quién ha de cogerlo empiezan a reñir.

510 "En resumen lo digo, entiéndelo mejor,


el dinero es del mundo el gran agitador,
hace señor al siervo y siervo hace al señor,
toda cosa del siglo se hace por su amor.

Exempel van de macht van het geld.

Geld vermag heel veel, je moet het niet versmaden, van een sukkel maakt het een groot en aanzienlijk man, het leert een manke lopen en een stomme spreken; wie geen handen heeft, wil nog wel geld aannemen.


Al is iemand een domme en grove boer, het geld maakt hem tot een knap mens en een edelman, hoe meer geld iemand heeft, hoe meer hij waard is, wie geen geld heeft, is geen meester van zichzelf.
Als je geld hebt, dan heb je het goed, je hebt genot en vreugde, een prebende van de paus; je kunt het Paradijs kopen en je ziel redden; waar veel geld is, daar rust veel zegen op.
Het heeft al velen tot prior, bisschop en abt gemaakt, tot aartsbisschop, doctor, patriarch en machtig heer; veel domme geestelijken heeft het aan waardigheden geholpen; waarheid maakte het tot leugen en ook wel omgekeerd.
Het heeft velen tot geestelijken en ordepriesters gemaakt, velen tot monniken en onnen, gewijde religieuzen; geld deed hen voor alle examens slagen: de armen kregen te horen dat ze niet geletterd waren.
Ik heb gezien hoe vele monniken in hun sermoenen uitvaren tegen het geld en zijn verleidingen, maar ze eindigen met vergiffenis schenken. Omwille van het geld, geven zij dispensatie van vasten en van bidden.
Hoe dikwijls monniken en priesters ook zeggen dat ze God willen dienen, als ze vermoeden dat een rijke op het punt staat te sterven, en als ze horen hoe zijn geld gaat rinkelen, dan beginnen ze dadelijk te twisten wie van hen het in de wacht zal slepen.
Tot besluit herhaal ik en houd je daaraan zo goed als je kunt: geld brengt de grootste omwentelingen in de wereld teweeg, het maakt de dienaar tot heer en de heer tot knecht, alle dingen in dit leven worden terwillen daarvan gedaan.



Fragmento: Libro de buen amor


Dame = non

Oudje = trotaconventos.


La dueña dixo: «Vieja, non lo manda el fuero,
que la muger comiençe fablar de amor primero,
cumple otear firme que es çierto mensajero.»
«Señora, el ave muda», dis, «non fase agüero.»

Díxol' doña Garoça: «Que ayas buena ventura


que de ese arçipreste me digas su figura,
bien atal qual sea, dime toda su fechura,
non respondas en escarnio do te preguntan cordura.

De dame zei: “Oudje, de gewoonte eist dat de vrouw niet de eerste is om over liefde te spreken. ’t Is voor haar zaak goed uit te kijken, of de bode betrouwbaar is.”

“Mevrouw,” zei ze, “uit een vogel die geen geluid geeft, is geen voorteken op te maken.”

Mevrouw Garoza sprak: “Wel dan, geluk ermee! En beschrijf mij eens het uiterlijk van de aartspriester, vertel mij volledig hoe hij is en er uit ziet. Maar antwoord niet met grappen op wat ik je ernstig vraag.”




De las figuras del arçipreste  

Van het voorkomen van de Aartspriester


Señora», dis la vieja, «yo l' veo a menudo,
el cuerpo ha bien largo, miembros grandes, trefudo,
la cabeça non chica, belloso, pescoçudo,
el cuello non muy luengo, cab' él prieto, orejudo.

las çejas apartadas prietas como carbón,


el su andar enfiesto bien como de pavón,
su paso sosegado, e de buena rasón,
la su narís es luenga, esto le descompón'.

Las ençías bermejas, et la fabla tumbal,


la boca non pequeña, labros al comunal,
más gordos que delgados, bermejos como coral,
las espaldas bien grandes, las muñecas atal.

Los ojos ha pequeños, es un poquillo baço,


los pechos delanteros, bien trefudo el braço,
bien complidas las piernas, del pie chico pedaço,
señora, d'él non vi más, por su amor vos abraço.

Es ligero, valiente, bien mançebo de días,


sabe los instrumentos e todas juglerías,
doñeador alegre, para las çapatas mías,
tal omen como éste non es en todas erías.»

A la dueña mi vieja tan bien que la enduxo: (...)

Dijo doña Garoça: «Verme he, dame espacio.»
«¡Alahé», dixo la vieja, «amor non sea laçio,
quiero ir a desírçelo ¡yuy cómo me engracio!
Yo l' faré cras que venga aquí a este palaçio.»

La dueña dixo: «Vieja, goárdeme Dios de tus mañas


ve, di l', que venga cras ante buenas compañas:
fablarme ha buena fabla, non burlas nin picañas,
e dil', que non me diga de aquestas tus façañas.»

Vino la mi leal vieja alegre, plasentera,


ante del «Dios vos salve» dixo la mensagera:
Sé que el que al lobo envía, a la fe, carne espera,
que la buena corredera ansí fase carrera.

Amigo ¡Dios vos salve! folgad, sed plasentero;


cras dise que vayades, fabladla non señero,
mas catad non le digades chufas de pitoflero
que las monjas non se pagan del abad fasañero.
De lo que cumple al fecho aqueste le desit,
lo que cras le fablardes vos hoy lo comedit.
A la misa de mañana vos en buena hora id,
enamorad a la monja, e luego vos venid.»

Yo l' dixe: «Trotaconventos, ruégote, mi amiga,


que lieves esta carta ante que gelo yo diga,
e si en la respuesta non te dixiere enemiga,
puede ser que de la fabla otro fecho se siga.»


“Mevrouw, “ zei het oudje, “ik zie hem heel dikwijls. Hij is groot van gestalte, met flinke en stevige armen en benen, zijn hoofd is tamelijk groot, hij is nogal behaard, zijn nek is stevig en niet heel lang, zijn haar zwart, zijn oren groot. Zijn werkbrauwen staan ver van elkaar en zijn donker als van een bok, zijn gang is trots als van een pauw, zijn lopen is rustig en beheerst, zijn neus is lang en dat bederft zijn uiterlijk. Zijn tandvlees is rood, zijn stem klinkt diep, zijn mond is tamelijk groot, zijn lippen gewoon, eerer dik dan dun en rood als koraal; zijn schouders zijn breed en zijn polsen ook. Hij heeft kleine ogen en een enigszins bruine huidskleur, een gewelfde borst, en gespierde armen: zijn benen zijn welgevormd, zijn voeten tamelijk klein. Meer heb ik niet van hem gezien, mevrouw, maar ik omhels u om zijnentwil. Hij is snel, moedig, niet te jong van jaren, hij bespeelt alle instrumenten en is een goed minstreel, een vrolijke minnaar – dat zwee ik bij mijn sloffen! – een man als hem vind je nergens te lande.”
Het oudje leidde de dame heel aardig om de tuin (...)
Mevrouw Garoza zei: “Ik moet me er op beraden, laat me een beetje tijd.” “Op mijn woord, “zei het oudje, “liefde mag niet sloom zijn. Ik wil het hem gauw gaan zeggen. Oei, wat zal ik een goede beurt bij hem maken. Ik zal zorgen dat hij morgen hier aan het huis komt.” De dame zei: “Oudje, God beware me voor je streken; ga hem zeggen dat hij morgen komt in goed gezelschap; laat hij me ietes goeds vertellen, geen grappen en geen gewaagde dingen, en zeg hem dat hij niet spreekt over wat jij gedaan ehbt.”
De oude kwam vrolijk en hups bij me aan en voordat ze me begroette zei ze: “Ik weet dat wie een wolf uitstuurt, heus op vlees hoopt, dat een goede booschapster dan ook wat bereikt. Welnu, vriend, die God beware, wees blij en opgewekt’ze zegt dat ge morgen meot komen, maar spreek niet met haar in afzondering, en let op dat ge haar geen onbenullige praatjes debiteert, want nonnen houden niet van een abt die opsnijdt. Zeg haar alleen wat werkelijk ter zake doet, en denk vandaag al na over wat ge haar morgen zult zeggen. Ga tijdig naar de ochtendmis. Win de liefde van de non en kom dan gauw terug.” Ik zei tot haar: “Trotaconventos, ik bid je, lieve vriendin, breng haar nog deze brief, voordat ik met haar spreek, en als ze je bij het antwoord niet haar vijandin noemt, is het waarschijnlijk dat er uit het gesprek nog iets anders voortkomt.”











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina