Gebruikers-handleiding



Dovnload 47.81 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte47.81 Kb.
GEBRUIKERS-HANDLEIDING

KENTEQ KM 73505

Bediening centrale

Conditie normaal.

Wanneer het paneel volledig in rust is onder normale condities zal alleen de groene LED

voeding aanwezig branden.
Brand conditie

Wanneer door een automatische of een handbrandmelder het systeem geactiveerd

wordt, zal de hoofd brandmelder LED oplichten en de betreffende zone LED zal

knipperen met een snelheid van 2Hz.

Het brand en het lokale relais worden geactiveerd.

De beide Slow-Whoop uitgangen worden geactiveerd zoals geprogrammeerd in de

configuratie (zie tabel)
Stop/start alarm sirenes

De knop stop/start sirenes kan alleen gebruikt worden in level 2, wat betekend dat de

sleutel in het paneel moet zitten.

Om de sirenes te stoppen ga je als volgt te werk:

Doe de sleutel in het contact, en druk op de knop stop sirenes.

Als de sirenes zijn gestopt zal de zone LED van knipperen naar continu branden gaan.

Door nogmaals op de knop stop/start sirenes te drukken zullen de sirenes opnieuw

geactiveerd worden.


Reset

Om het paneel te resetten , steek de sleutel in de daarvoor bestemde opening en druk

op de reset knop.
Zone storing

Door het verwijderen van een detector uit zijn sokkel zal een storingsmelding optreden

ook door een fout in de bedrading van een zone, dit zal leiden tot een storings melding

op het paneel en de storings LED samen met de storing led van de betreffende zone zal

gaan branden.
Sirene storing

Een storing in de bedrading van de sirenes zal de storings LED aktiveren en de storings

led van de van de sirenes zal mede geactiveerd worden deze zal gaan knipperen om de

sirene storing aan te geven.


Stroom storing

Uitvallen van de hoofd stroom voorziening zal leiden tot het aktiveren van de storings

LED en de led voedings storing, ook bij afgekoppelde accu zal deze storings melding

geactiveerd worden.


Systeem storing

De LED, systeem storing zal oplichten als het configuratiegeheugen niet is afgesloten of

corrupt geworden is. Deze LED zal ook oplichten als de jumper van de configuratieoptie

(zie figuur 1) in toegangsniveau 3 positie is verwijderd en de controlesleutel is verwijderd

uit het voorpaneel.

Lamp test

Alle LEDs van het paneel kunnen op elk ogenblik worden getest door de knop LED test

in te drukken. De programmeersleutel hoeft niet te worden ingevoerd om de LEDs te

testen.


De zoemer kan op elk ogenblik worden tot zwijgen gebracht door de knop stop

alarm/storing zoemer in te drukken. De sleutel hoeft niet worden ingevoerd om de

zoemer tot zwijgen te brengen.
Uitschakeling

Het is mogelijk om delen van het systeem uit te schakelen. Dit kan worden vereist als er

werken die in een gebouw zijn, en dat het systeem een brandalarm kan veroorzaken of

een fout kan detecteren.


Uitschakelen zone’s

Om zone’s uit te schakelen, moet de sleutel in het paneel worden gestoken en op de

mode knop worden gedrukt tot "D" in de eerste van de twee zeven segment LED display

verschijnt. De knop kies moet dan worden gedrukt om de zone te selecteren die die

moet worden uitgeschakeld. Zodra de gewenste zone wordt getoond, druk dan de

enter knop in om te bevestigen. De uitgeschakeld LED zal gaan branden en de zone

fout LED van de betreffende zone zal mee aan gaan.
Uitschakelen sirens

Om de sirene output uit te schakelen, druk de knop kies en ga naar "OB" op het zeven

segmentdisplay, bevestig dit met enter en de sirene uitgang is uitgeschakeld. De LED

uitgeschakeld en de LED sirene fout zullen gaan branden.


Activeren vertragingen

Om actieve vertragingen op zone’s zoals in de configuratie opties 31 tot 48 zijn

geprogrammeerd te aktiveren, druk de knop mode tot op de zeven segment LED AD

verschijnt dan enter. Daarna zal elke zone zijn vertraagd zoals die is aangegeven in de

tijd programmering 00 tot 09.
Uitschakelen fout contact

Het fout relais kan worden uitgeschakeld door te kiezen voor configuratie disable fault output.
Test mode

De brandalarmsystemen moeten regelmatig worden getest om ervoor te zorgen dat zij

correct functioneren. Het Sigma II paneel laat het toe om een handige testwijze te

gebruiken. Wanneer deze testwijze wordt gebruikt, zal de activering van een brandalarm

automatisch teruggesteld worden na een paar seconden dit om te voorkomen dat na

elke activering men naar het controlepaneel terug moet keren.

Om in deze test mode te komen:

Breng de programmeersleutel in en druk de knop Mode tot "T" in eerste van de zeven

segmentendisplay verschijnt. Druk dan de kies knop tot het vereiste zone nummer

verschijnt. Het drukken van de Enter knop zal de Fout LED en de Test LED van de zone

doen branden om aan te geven welke zone die op teststand staan.

Uitschakelingen en zone test worden duidelijk door opeenvolgend te herhalen wat wordt

gebruikt om hen te selecteren, d.w.z. bijv. de DB functie zal tussen sirenes

uitgeschakeld en sirenes ingeschakeld heen en weer gaan.



20. Onderhoud centrale

Sigma II controlepanelen vereisen geen specifiek onderhoud maar vuil kan worden

verwijderd met een nauwelijks vochtige doek. Zeker niet met bijtende oplosmiddelen

werken, en de zorg moet worden genomen dat het water niet het paneel in kan gaan.

Het controlepaneel bevat verzegelde lood zure batterijen om een backup te verzorgen

bij 230V uitval. Deze batterijen hebben een het levensverwachting van rond 4 jaar. Men

adviseert dat deze batterijen overeenkomstig de aanbevelingen van de batterijfabrikant

jaarlijks worden getest om hun geschiktheid voor voortdurende reservetoepassingen te

bepalen.

Het regelmatig testen van het brandmeld systeem overeenkomstig NEN2654 zal om het

even welk defect van het controlepaneel identificeren en om het even welk defect moet

aan het onderhoudsbedrijf van het systeem onmiddellijk worden gemeld.



Tabel – Configuratie codes
NOTE: Setting the options marked with asterisks does not comply with EN54-2

CODE FUNCTION COMMENTS
00 SOUNDER DELAY TIME = 30 SECONDS

01 SOUNDER DELAY TIME = 1 MINUTE Introduces a time delay before sounders

02 SOUNDER DELAY TIME = 2 MINUTES operate.

03 SOUNDER DELAY TIME = 3 MINUTES

04 SOUNDER DELAY TIME = 4 MINUTES

05 SOUNDER DELAY TIME = 5 MINUTES

06 SOUNDER DELAY TIME = 6 MINUTES

07 SOUNDER DELAY TIME = 7 MINUTES

08 SOUNDER DELAY TIME = 8 MINUTES

09 SOUNDER DELAY TIME = 9 MINUTES

10 COMMON ALARM MODE All alarms operate upon any fire condition

11 TWO-STAGE ALARM MODE Continuous alarm in activated zone, pulsing elsewhere

12 ZONED ALARM MODE Only sounders connected to zone in alarm operate

21* DISABLE FIRE BUZZER

22* DISABLE FAULT OUTPUT

23 DISABLE EARTH FAULT MONITORING

24 PULSED REMOTE CONTROL OUTPUT

25 ENABLE SOUNDERS ON DETECTION CIRCUITS

31 ZONE 1 ALARM FROM DETECTOR DELAYED Sounder outputs will be delayed by time set at options

32 ZONE 2 ALARM FROM DETECTOR DELAYED 0-9 when selected zone(s) triggered by detector only

33 ZONE 3 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

34 ZONE 4 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

35 ZONE 5 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

36 ZONE 6 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

37 ZONE 7 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

38 ZONE 8 ALARM FROM DETECTOR DELAYED

41 ZONE 1 ALARM FROM CALL POINT DELAYED Sounder outputs will be delayed by time set at options

42 ZONE 2 ALARM FROM CALL POINT DELAYED 0-9 when selected zone(s) triggered by call point only

43 ZONE 3 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

44 ZONE 4 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

45 ZONE 5 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

46 ZONE 6 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

47 ZONE 7 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

48 ZONE 8 ALARM FROM CALL POINT DELAYED

71* ZONE 1 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM Changes the trigger threshold of the

72* ZONE 2 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM zone so that the control panel can be

73* ZONE 3 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM used on older systems that had no short

74* ZONE 4 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM circuit monitoring.

75* ZONE 5 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM

76* ZONE 6 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM

77* ZONE 7 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM

78* ZONE 8 SHORT CIRCUIT INDICATES ALARM

81* ZONE 1 NON-LATCHING Renders the zone self-resetting so that

82* ZONE 2 NON-LATCHING it can be used to receive signals from

83* ZONE 3 NON-LATCHING other systems and will reset when the

84* ZONE 4 NON-LATCHING input is removed.

85* ZONE 5 NON-LATCHING

86* ZONE 6 NON-LATCHING

87* ZONE 7 NON-LATCHING

88* ZONE 8 NON-LATCHING

91 ZONE 1 DOES NOT SOUND ALARMS Prevents the zone from operating the

92 ZONE 2 DOES NOT SOUND ALARMS sounder outputs.

93 ZONE 3 DOES NOT SOUND ALARMS

94 ZONE 4 DOES NOT SOUND ALARMS

95 ZONE 5 DOES NOT SOUND ALARMS

96 ZONE 6 DOES NOT SOUND ALARMS

97 ZONE 7 DOES NOT SOUND ALARMS

98 ZONE 8 DOES NOT SOUND ALARMS

A1* ZONE 1 ANY ALARM DELAYED Zone needs to be triggered for 30 seconds continuously

A2* ZONE 2 ANY ALARM DELAYED before an alarm is generated.

A3* ZONE 3 ANY ALARM DELAYED

A4* ZONE 4 ANY ALARM DELAYED

A5* ZONE 5 ANY ALARM DELAYED

A6* ZONE 6 ANY ALARM DELAYED

A7* ZONE 7 ANY ALARM DELAYED

A8* ZONE 8 ANY ALARM DELAYED

Ad ACTIVATE ALARM DELAY
Wanneer de in te stellen configuratie klaar is, moet de toegangsschakelaar voor

toegangniveau 3 terug gezet worden in de normale positie.

De algemene storings LED zal blijven branden tot de schakelaar in de normale positie

staat.
Figuur 1.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina