Gedicht en Publiek



Dovnload 27.73 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte27.73 Kb.


Odile Heynders
Gedicht en Publiek


De plaats: een architectuurloos winkelcentrum in een nieuwbouwwijk van de historische stad Leiden. Volle parkeerplaatsen en een beetje achteraf het grijze wijkgebouw waarin bibliotheek, consultatiebureau en andere publieke functies zijn samengebracht. Op de gevel een gedicht in het Zuid-Afrikaans: ‘Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga’.

Het moment: midden jaren negentig van de twintigste eeuw. In welvarend, rustig Leiden is weinig aan de hand. Men leeft, werkt en consumeert.

De belevenis: de zuigeling die ik in zijn maxi cosi naar de consultatiearts draag, heeft (nog) niets te vrezen; ik verzorg, koester en bescherm hem. Maar waarom is daar zo’n verpletterend gedicht afgebeeld terwijl jonge ouders hier lopen met hun hoofd in roze en lichtblauwe wolken? Waarom herschrijft men dit gedicht hier? Wie reageert op dit gruwelijke beeld? Leest men het gedicht wel, of is het alleen een vlak met woorden? En waarom vind ik dit een sublieme plek voor zo’n politiek gedicht, hier waar de zorgzame samenleving elk engagement heeft doodgeknuffeld?
Die kind is nie dood nie

die kind lig sy vuiste teen sy moeder

wat Afrika skreeu skreeu die geur

van vryheid en heide

in die lokasies van die omsingelde hart
Die kind lig sy vuiste teen sy vader

in die optog van die generasies

wat Afrika skreeu skreeu die geur

van geregtigheid en bloed

in die strate van sy gewapende trots
Die kind is nie dood nie

nòg by Langa nòg by Nyanga

nòg by Orlando nòg by Sharpeville

nòg by die polisiestasie in Philippi

waar hy lê met `n koeël deur sy kop
Die kind is die skaduwee van die soldate

op wag met gewere sarasene en knuppels

die kind is teenwoordig by alle vergaderings en wetgewings

die kind loer deur die vensters van huise en in die harte

van moeders

die kind wat net wou speel in die son by Nyanga is orals

die kind wat ’n man geword het trek deur die ganse Afrika

die kind wat ’n reus geword het reis deur die hele wêreld
Sonder ’n pas
Gedichten op de muur zijn illustraties zoals gedichten op rouwkaarten, posters in bushokjes, T-shirts of kussenslopen. Bedoeld als troost of ter lering en gericht op herkenning. Het afgebeelde gedicht fungeert als direct communicatiemiddel. Loop langs en lees. Vanwege de dynamiek van de omgeving werkt het gedicht op de gevel anders dan op papier. De materiële verschijningsvorm wordt een specifieke vorm van performance.1 Tekst, ruimte, werkelijkheid, dagelijkse realiteit, tijd en toeschouwer raken op bijzondere manier op elkaar betrokken. Daarom brengt het gedicht op de muur me van mijn stuk.

De werkelijkheid van het gedicht

‘Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga’ werd geschreven door Ingrid Jonker (1933-1965) als reactie op het bloedbad in Sharpeville, Johannesburg, in maart 1960. De politie opende het vuur tijdens een demonstratie van townshipbewoners tegen de segregatiewetten van Hendrik Verwoerd. Negenenzestig mensen, waaronder tien kinderen, werden doodgeschoten, honderd tachtig mensen raakten gewond. De meeste doden hadden kogels in hun rug.2 Jonkers gedicht, geschreven uit woede zoals Henk van Woerden in zijn biografisch essay heeft beschreven3, kan opgevat worden als rechtstreekse politieke aanklacht.

Hoe kan een kind nog spelen in een politiestaat waarin geweld domineert? Hoe kun je beelden aanschouwen van kinderen die door agenten zijn neergeschoten? Het gedode kind zal volgens de dichterlijke stem symbool worden van verzet in heel Afrika. Het kind zal een reus worden en boven elke pasjeswet uitstijgen. Het gedicht heeft ritme door herhaling van woorden en klanken en krijgt daarmee het karakter van een song, van muziek. Het politieke klinkt als poëzie. Het gedicht werd vertaald in acht talen, waaronder het Zoeloe en Hindi. Nelson Mandela droeg het voor tijdens de eerste zitting van het democratisch gekozen Zuid Afrikaanse parlement in 1994, bijna dertig jaar na Jonkers zelfgekozen dood.
Het politieke gedicht als reactie op bestaande maatschappelijke misstanden past in een lange traditie van politieke gedichten die zich uitstrekt van het begin van de negentiende eeuw, van Percy Byshe Shelley, Walt Whitman en Herman Gorter, via Osip Mandelstam of Pablo Neruda tot Dirk van Bastelaere en hedendaagse 9/11 dichters in de Verenigde Staten.4 Poëzie en politiek sluiten elkaar dus niet uit, maar toch wordt vaak gesuggereerd dat al te veel politiek en retoriek de zuivere (dan doelt men op formalistische, in zich zelf besloten, autonomistische) dichtkunst in de weg zit. Gorters ‘Mei’ wordt nog altijd meer bejubeld dan zijn ‘Pan’. Politiek wordt gekoppeld aan propaganda en daarmee gediskwalificeerd als lyriek. Ook Jonkers gedicht heeft iets propagandistisch, een niet mis te verstane boodschap. Maar de muziek en de drie tegengestelde beelden, het kind is niet dood maar heeft een kogel door zijn hoofd, het kind is kind en reus, het kind komt uit Zuid-Afrika en is een kind van de hele wereld, verschuiven de directheid van de mededeling.
Het gedicht dringt voor de werkelijkheid

Het is midden jaren negentig. In Zuid Afrika is de Apartheid ofwel het systeem van pigmentocratie (in de woorden van Desmond Tutu, in No Future without Forgiveness, 1999) afgeschaft. Er ontwikkelt zich een fragiele democratie. Mandela noemt in zijn speech voor het parlement Ingrid Jonker een Afrikaner (blanke) én een Afrikaan. Het citeren van haar gedicht geeft de tekst een nieuwe dimensie. Het gedicht zelf is een reus geworden, een statement dat de hele wereld over is gegaan en Sharpeville in het collectieve geheugen heeft gebrand. Het gedicht refereert na dertig jaar aan meer dan alleen het geweld bij Johannesburg: het verwijst naar alle conflicten waarin een regime zich tegen de eigen bevolking, de eigen kinderen, keert.



In Leiden is het politieke ver weg en dringt zich vooral het verschil tussen eerste en derde wereld op. Daar kunnen sommige kinderen niet beschermd worden, hier wordt het pasgeboren kind van melkvoeding naar fruithapje in de gaten gehouden. Daar staan moeder en vader machteloos, hier worden zij tot in het overdrevene begeleid. Het gedicht op de muur is te lezen als kritiek op de regulerende verzorgingsstaat.
Maar hoe verklaar ik het effect van Jonkers gedicht als een ‘Du muss dein Leben ändern’?
De veilige Nederlandse maatschappij bracht in de tweede helft van de twintigste eeuw een poëzie voort die risicoloos is. Of het nu gaat om anekdotische gedichten, speelse postmoderne lyriek, gedichten met een humanistische existentialistische thematiek of met persoonlijke ontboezeming en bewustwording. Het is een dichtkunst die zelf genoegzaam is en ongeïnteresseerd in de buitenwereld.5 Ook daarom was het effect van ‘Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga’ raak. Het gedicht opent een venster op de wereld, het is retorisch, zwaar aangezet in beeld. En vooral: het is in het Zuid-Afrikaans geschreven, het is een gedicht in een taal die de mijne is en ook weer niet. Taal die ik ken en die vreemd is. Waarvan de klanken sneller doordringen dan de betekenis. Een taal die vloeiend is en de tragiek van koloniale geschiedenis in zich draagt.
“Iedereen weet dat een kunstwerk nooit de werkelijkheid kan zijn. Totdat je erdoor geraakt wordt.” schrijft Bas Heijne in 20046. Dat is geen pleidooi voor politieke kunstwerken, maar wel een aansporing van de kunstbeschouwer om zich te bekommeren, via of met de kunst, om wat er in de maatschappij en wereld gebeurt. We kunnen niet vrij uit gaan, niet wegkijken, niet ontkennen. Of zoals Antjie Krog schrijft in Country of my Skull (1999), haar verslag van de getuigenissen voor de Truth and Reconciliation Commission in 1996-1998: “people can no longer indulge in their separate dynasties of denial.” (134) Het is door de taal dat zij de details, de individuele toon, onthouden. “No poetry should come forth from this” (74) schrijft Krog als echo van Adorno’s “Nach Auschwitz ein Gedicht ze schreiben, ist barbarisch”. Maar ze spreekt dat onmiddellijk tegen: “May my hand fall off if I write this.”
Poëzie is breder inzetbaar dan historici, filologen, critici en bloemlezers ons doen geloven. Zonder dat zij daarvoor op muren hoeft te worden afgebeeld. In Nederland doen we meesmuilender over het openbare werk van dichters dan elders. Neem bijvoorbeeld de Verenigde Staten waar Elisabeth Anderson, dichter en hoogleraar in Harvard, haar ‘Praise Song for the Day’ voorlas op 20 januari 2009 bij de inauguratie van Barack Obama.7 Gedicht naast gebed, naast toespraak, naast eed. Waaruit vooral bleek dat het ritueel van speechen, bidden, zweren of declameren belangrijk is. De taal is dezelfde, de affectieve kracht verschilt per politieke spreker, dichter of religieuze voorganger. Poëzie past in een werkelijkheid, vraagt om een publiek, een plaats, een moment. Het publieke domein vraagt om de stem van de dichter.
De nieuwe Dichter des Vaderlands becommentarieerde onlangs de werkelijkheid. Op 30 april 2009, de dag van de aanslag in Apeldoorn, waarbij acht mensen omkwamen, schreef hij ‘in het land der koningen’. Het gedicht verscheen de volgende dag in NRC Handelsblad.
ik leef in een land
waar de dierenvriend besluit
uit goedheid een andere mens neer te knallen


ik leef in een land
waar de vrome gelovige besluit
uit eerbied het mes in de ketter te planten


ik leef in een land
waar onze jongens uit gekkigheid soms
de conducteur in elkaar stampen


ik leef in een land
waar een keurige man, achtendertig, blond
de vrijheid neemt om door anderen heen te rammen



en in dit rood, rood schemerland
waar de grenzen totaal werden opgeheven
waar de mondigheid terdood wordt beleden
en waar zestien miljoen koningen leven


daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde
daar zal langs feestelijk afgezette lanen
een laatste koningin haar laatste onderdanen
als beesten overreden zien worden

Een moedige daad dit gedicht. (Je hoort het afwijzend intellectuele gekoer van de critici.) En toch. Waarom vond ik Jonker onthutsender dan Nasr?

Beide gedichten hebben een liedachtige inzet door de poëtische herhaling, beide werden geschreven uit verontwaardiging, medeleven. Maar bij Jonker is er de vervreemdende dimensie van de taal, van het klinkende, zingende Zuid- Afrikaans, dat ik niet helemaal onmiddellijk begrijp. Ik moet erover nadenken hoe klanken aan elkaar worden geschreven zonder de medeklinker; ik moet de woorden uitspreken om ze te verstaan – de taal maakt de boodschap minder direct, esthetisch en rauw tegelijk.


Jonkers gedicht vroeg om een reactie. Ik besefte hoe het formalisme, de autonomistische poëzieopvatting, een academische schuilplaats was geworden, waaruit ik vandaan wilde komen.



1 Zie Marco Goud, Poëzie op straat in de 20e en 21e eeuw in Nederland, in: Neerlandistiek.nl 07.09b; [oktober 2007], http://www.neerlandistiek.nl/publish/articles/000133/article.pdf.

2 Onmiddellijk na het bloedbad kondigde de Zuid Afrikaanse staat de noodtoestand af vanwege de vele betogingen van zwarten. De Verenigde Naties namen op 1 april resolutie 134 aan, en bewerstelligden daarmee dat Zuid Afrika in een isolement terecht kwam.

3 Ingrid Jonker, Ik herhaal je, Gedichten, Vertaling Gerrit Komrij, Nawoord Henk van Woerden, Amsterdam (Uitgeverij Podium) 2000.

4 Zie: http://poetry.about.com/od/ourpoemcollections/a/poemsafterattc.htm

5 Cf. Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik, Over de betekenis van poëzie, Nijmegen 2008.

6 Bas Heijne, De werkelijkheid, Amsterdam 2004.

7 Dit past in een traditie. Robert Frost schreef een gedicht bij de inauguratie van J.F. Kennedy, Maya Angelou bij die van Bill Clinton.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina