Gedichten of gedachten bij een afscheid



Dovnload 340.85 Kb.
Pagina1/2
Datum07.10.2016
Grootte340.85 Kb.
  1   2

Gedichten of gedachten bij een afscheid

AFSCHEID

Je blijft met lege handen achter

je zou zo graag nog willen zorgen

de tijd van waken en van wachten

is voorbij en elke morgen

brengt nu een lege dag vol pijn

er rest alleen herinnering

aan in-gelukkig samenzijn..


In de leegte staat zijn naam geschreven

komt alle goeds naar boven drijven

het allerdiepste van zijn leven

zal altijd in ons midden blijven:

een dierbaar mens die in zijn eenvoud

zo vol betekenis kon zijn

gaf aan ons leven rijke inhoud.


DE MENSEN VAN VOORBIJ

De mensen van voorbij,

Zij blijven met ons leven.

De mensen van voorbij,

ze zijn met ons verweven

in liefde, in verhalen,

die wij zo graag herhalen,

in bloemen, geuren, in een lied,

dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,

zij worden niet vergeten.

De mensen van voorbij,

zijn in een ander weten.

Bij God mogen ze wonen;

daar waar géén pijn kan komen.

De mensen van voorbij

zijn in het licht, zijn vrij.


Hanna Lam

OVERWEGING

Mens was je

indrukwekkend

mens
zoals jij leefde

leefde en liefhad
onherroepelijk

je naam
onuitwisbaar

je gezicht
mens was

voorgoed mens.

DAG
Je laat mijn hand los

en draait je om

ik zou nog zoveel willen zeggen

meer dan niets meer.


Er beginnen tranen

in mijn buik te branden

ik krijg een giftig gevoel

van hulpeloosheid.


Totdat je omkijkt

met een lachend gezicht

dat mij ziet als

verleden tijd.


En ik besef

dat het mooi is geweest

zolang we wij waren

ik hef mijn hand en zwaai.


VADER
Wat vreemd, dat je er niet zult wezen,

wanneer ik weer naar huis zal gaan.

je zult niet in de kamer staan,

en mij begroeten, als vóór dezen.


Nooit zal je door de tuin meer lopen,

waar iedere bloem en iedere plant

getuigde van je bezorgde hand.

nu ging de hemeltuin voor jou open.


O. die vertrouwde, kleine dingen,

Die je zo onopvallend deed.

die zal ik missen, tot dit leed

verstild is tot herinneringen.


Nel Benschop

VERWONDERING


Verwondering

om wie je was,

om wat je zei

en deed,


was ondertoon

van alles

wat van jou verteld werd.
’t Drong door

in stem


en ogen

en gebaar,

in klank en kleur

in lach en traan,

van ieder

die zo van je hield

en zonder je moet verdergaan.

EEN OUD VERHAAL


Door de wereld gaat een oud verhaal

over de schepping van de mens,

genomen uit de aarde

die aan zijn zorgen werd toevertrouwd.

De mens ontving de Levensgeest,

hij leefde zijn dagen, seizoen na seizoen,

hij zaaide in tranen en oogstte in vreugde

tot zijn tijd was vervuld

en hij terugkeren moest tot de aarde.
Nu ook jou dagen zijn vervuld,

dagen van droefheid,

dagen van vreugde,

vertrouwen wij je lichaam toe

aan onze aarde.

Het geeft ons troost dat het terugkeert

naar de stof waaruit het is ontstaan.
Als onze dagen zwaar van droefheid zijn om jou

zal in ons hart de vreugde al ontkiemen

omdat jouw geest in ons zal verder leven

en omdat zo jouw goeds zal voortbestaan.


Wij geven je uit handen

aan de aarde, die geduldig wacht.

Rust zacht!

AL WAT STERFT ZAL BLOEIEN


De bomen komen uit de grond

en uit hun stam de twijgen

en iedereen vindt het heel gewoon

dat zij weer bladeren krijgen.


We zien ze vallen op de grond

en dan opnieuw weer groeien

zo heeft de aarde ons geleerd

dat ál wat sterft zal bloeien.

WIE VINDT DE WOORDEN UIT?
Wie vindt de woorden uit

om het verlies van een kind te beschrijven?

Dit kind, onverbrekelijk deel van je leven,

belofte van alles wat mogelijk leek, valt weg.

Dit kind, jouw toekomst.

Alles wat het leven de moeite waard maakte

wilde je doorgeven door hem.

Wat nu op je toekomt is leegte,

geen toe-leven meer, maar na-bestaan

met een hart vol gestolde herinneringen.


Laten we maar, in godsnaam, proberen

die herinneringen tot leven te roepen

voor we voorgoed zijn kleine lichaam

toevertrouwen aan de eeuwigheid.

WELBEDANKT
Wel bedankt voor alle dagen

van geluk en overvloed.

Biddend willen wij nu vragen,

hoe ’t leven verder moet.


Langer nog dan vijftig jaren

bij elkaar in lief en leed.

Niemand hoeft er dan te vragen,

hoeveel pijn ’t doet en deed.


Toch troost het ons te weten

dat er is een overkant.

Heer laat ons niet vergeten,

hij is nu veilig in Uw hand.


Laat hem dan voor eeuwig leven,

overvol gelukkig zijn,

wil ons hier uw liefde geven

En verzachten onze pijn.


GEEN TWEEDE ALS JIJ
Wat is in een naam?

Een mensenleven, een droom, een gestalte

een toekomstwens, geboren zijn en ‘zo zal je heten’

iemand worden: deze mens.


Genoemd en geroepen, betekenis gekregen

Geen tweede als jij:

Jouw denken, jouw doen, jou horen,

jouw voelen, jouw lachen, jouw huilen

jouw ruiken, jouw proeven, jouw spreken,

jouw zwijgen, jouw toedoen

heeft blijvende sporen op aarde getrokken

’t gemis heeft jouw omtrek,

geen tweede als jij.
Wat is in een naam?

Een leeftijd, een afscheid

volte en leegte, een naam gaat voorbij.

maar niet de jouwe, niet jou naam, niet jij.

ONMOGELIJK
Hoe is het mogelijk dat een bloem breekt in de knop

dat een ster wordt gedoofd dat een bron verdroogt

nog voor zij een stroom wordt?
Hoe is het mogelijk dat een twijgje breekt

dat een jong uit het nest valt

dat de avond valt voor de dag is begonnen?
Hoe is het mogelijk

dat er kinderen sterven nog vóór zij uitgroeien?

En toch gebeurt het.
Hoe is het in Godsnaam mogelijk?
Ach, het is Gods onmogelijk.

Had God niet willen leven in alles en allen

huilt god niet mee door onze ogen?

ALS HERFSTBLAD


Mensenleven:

teer als herfstblad is het

en gebroken valt het ter aarde,

uitgeleefd, uitgeteerd,

te veel doorstaan aan de hitte van de zon

de stormen in de nacht.

Het moet wel vallen, zo’n blad

zo’n mensenleven…..

Maar is het daarmee voorbij,

wordt daarna een naam vergeten,

een leven overgeleverd aan de vergetelheid?
Als een luttel blad gevallen van een boom,

levensvoorwaarde kan worden,

groeikracht kan zijn voor nieuwe planten, nieuwe bloemen,

hoeveel te meer mag dan het leven geleefd door jullie…

nieuwe impuls geven aan jullie doorleven.
Vanaf nu verrijkt met zoveel goeds,

dat door haar is doorgegeven

in haar leven

A DIEU
Je bent niet dood – de Heer heeft je geroepen

bij Hem te wonen in zijn glanzend huis;

Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken,

je hebt ze nu, want je bent veilig thuis.

Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven,

je bent verlost van onvolkomenheid,

van pijn en van verdriet. God zal je geven

een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.

Je bent niet dood – maar ach, ik zal je missen

zoals een mens de meest-geliefde mist.

De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,

en ik geloof: God heeft zich niét vergist.
GA MAAR
De onheilstijding

die ik hoorde

heeft mij tot op het bot verkild
Ontredderd

zoek ik naar de woorden

voor zoveel wat ik zeggen wil

Wreed


werd jij ons afgenomen

onverwacht sloeg het noodlot toe


Jouw leven

zomaar afgebroken

ruw en schijnbaar zonder doel
Vol onbegrip

zocht ik de plaats

vanwaar je lichaam in het niets verdween
Je wezen

waarde zoekend rond

alsof jijzelf ook nog niet wist waarheen
Ik voelde

hoe je ziel nog wacht

om allen die je liefhad los te laten
Je riep me.

Ik liet je in mijn wezen toe

en heb je troostend aan de eeuwigheid gelaten
Ga maar, zei ik,

Ik zal er zijn

voor hen, die jij zo onverwacht moest achterlaten.

EEN WITTE ROOS


Adem houdt op, warmte wordt kilte,

diepe kilte als van dood

en lachen wordt stilte,

echo van vragen dat geen antwoord vindt.

Maar een mensennaam, jouw naam kan niet vergaan,

niet verzinken in oneindig niets.

Jouw naam, heeft klank en toon gezet

van hoe de jouwen verder gaan.

In gemis, maar ook in vertrouwen dat leven, léven wordt

als er maar genoten wordt,

gevochten en geknokt, geliefd en gelachen.

Zo wordt jouw naam een witte roos in ons hart,

bloeiend voor altijd, geurig en welriekend.

Maar ook doornig stekend,

Want jij bent er niet als wij je roepen;

en ons zoeken zal nooit vinden worden,

geen samen lachen en aanraken meer.

Maar in de stilte zul jij bloeien in ons hart

als schitterende herinnering,

levend tegen alle weerwil in.

Nee, vergeten zullen wij jou niet,

wees gerust, rust maar zacht, rust in vrede.

HOOP DIE LEVEN DOET
Soms gebeurt het, dat mensen sterven voor hun tijd

in de kracht van hun leven, gekend, gezien, bemind.

Zo iemand heeft bestaan, gewerkt en liefgehad;

een vriendenkring opgebouwd,

niet voor niets geleefd, niet voor niemand geleefd.

Maar dan de dood, onherroepelijk.

Mensen worden stil, klein, weerloos,

willen van hem zeggen, wie hij was,

maar woorden schieten tekort,

betekenen zo weinig.

Iemand sterft voor zijn tijd,

een koud bericht dat alles anders maakt.

En dan is er geloof,

een kleine vlam van licht,

hoop, die leven doet.
KOSTBAAR
In diepe dankbaarheid

denk ik aan de nachten

dat ik bij je waakte.

Een kostbaar wonder voltrok zich

in de uren dat ik naast je zat.
Terwijl je lichaam zwakker werd

en zwaar moest lijden,

zich voorbereidend op de dood,

zag ik hoe je diepste wezen wakker werd

en openbloeide naar een heelheid

die dit bestaan te boven gaat.

Je kwam naar voren in je wezenlijke kracht

en onverwacht

was daar die tedere ontmoeting,

een thuiskomst in elkaar.


Die uren waren kostbare fragmenten

van de Eeuwigheid.

We werden samen boven tijd en ruimte uitgetild

en wisten ons verbonden in een liefde,

die dieper gaat en sterker is,

dan we ooit hadden gedacht,


Je bent nu uit dit leven weggenomen.

Jouw taak bij ons is afgerond.

Ik mis je, maar doorheen die pijn

is er dat dankbaar weten:

‘De liefde overwint,

voorbij de grens blijft ons wezenlijk verbond’.

ER MOET IEMAND ZIJN
Van de ene minuut op de andere

ben je er niet meer

weggerukt

weggedragen

nooit meer te roepen

nooit meer te zien.


Van de ene minuut op de andere

bestaan we niet meer

uiteengeslagen

doorgesneden

nooit meer een groeten

nooit meer ons lieven.


Van de ene minuut op de andere

alleen nog herinnering

vervagend

verleden


nooit meer mijn zorgen

niets meer te geven.


Wie zal jou koesteren?

Wie zal jou wiegen,

wie zal jou helen,

jouw toevlucht zijn

nu ik hier blijf staan

met handen vol pijn?


Er moet iemand zijn

groter dan ons leven

die mijn handen,

jouw thuis wil zijn.

GEBROKEN LEVEN
Gebroken jou leven van hopen, beminnen,

van werken en strijden

van geven en nemen

en ’t einde was leven.


Verbroken de keten van liefde

de krachtigste schakel ontbreekt

verslagenheid, wanhoop leeft in ons gezin.

We klagen in radeloos vragen

‘WAAROM?’

We krijgen geen antwoord

‘WAARTOE’

Wij zien niet de zin.


We waren gelukkig met elkaar

Jij gaf ons je beste krachten

Je voegde iets toe wat nog nooit was geweest

een na jou ook nooit meer zal komen

De wereld is kouder nu jij bent gegaan

Wie heeft ons, in godsnaam, dit aangedaan?

Wie heeft zulke wrede gedachten?
Jij wilde toch ook niet bij ons vandaan?

Ook wij zijn voor altijd gebroken.

EEN KRUIS ALS TEKEN
Een kruis, gemaakt van hout of steen:

soms moet een mens door lijden heen;

maar dood heeft niet het laatste woord,

’t kruis getuigt dat God verhoort


Wie lijden moet, en door verdriet,

geen toekomst en geen uitweg ziet,

die leeft in God, is eeuwig thuis;

ook daarvan toch getuigt het kruis?

ZE KUNNEN NIET WETEN
Toen jij stierf is de wereld gewoon doorgegaan met draaien.

Het werd nacht en ook weer morgen.

er was lawaai en stilte en ook om ons heen

maakte het leven – van – alledag

evenveel lawaai als anders.

Alleen, bij ons kwam dat harder aan dan normaal.


Wat deed het pijn te zien en te horen

dat alles gewoon doorging toen jij gestorven was.


Wreed en onverschillig,

genadeloos en onbarmhartig was het

en elke indruk stak dieper, deed meer pijn.
Neen, ze kunnen niet weten wat wij nu voelen:

die steken pijn van afgesneden – zijn

en nooit meer samen….

Ach, niets zal meer hetzelfde zijn zonder jou.

ONVERGETELIJK
Jij bent onvergetelijk geworden in mijn leven.

Jij zult altijd in mijn gedachten zijn.

Ik zal nog van je dromen en je stem nog horen.

Ik kan niet begrijpen dat je weg bent, voorgoed.


Jij bent onvergetelijk geworden in mijn leven.

Jij zult altijd met mij meegaan op de levensweg.

Ik zal heimwee naar je hebben.

Ik had je langer willen vasthouden.

Ik had je nog zoveel willen vragen.
Jij blijft een litteken in mijn bestaan.

Jij blijft een teken van liefde in mijn leven.

Aan jou zal ik mij optrekken.

Jou gedenkend zal ik groeien en krachtig worden,

Ik zal vol levensmoed verder gaan.

Jij onzichtbaar bij mij.


NIETS ZAL NOG OOIT HEZELFDE ZIJN
Het is absurd,

het is onaanvaardbaar

dat zo weinig, één fataal moment,

den einde maakte

aan zo’n veelbelovend jong leven.
Ineens is de wereld koud en leeg

en niets zal nog ooit hetzelfde zijn

nu hij er niet meer is.
Het is alsof we allemaal een beetje sterven,

alsof op dit moment ook ons leven stokt.

We kunnen niet en wíllen ook niet vooruit,

want morgen is één groot, donker gat.

het liefst zouden we teruggaan naar gisteren,

toen alles nog goed was,

maar gisteren is voorbij, een droom voor altijd.

Als we uit die droom ontwaken,

zal hij er niet meer zijn

en blijkt ook het leven zelf een nachtmerrie geworden.


Alles in ons schreeuwt uit protest

tegen het zinloze van deze dood.

We kunnen niet en we willen niet,

maar we moeten hem loslaten voor altijd.

Het onherroepelijke van dat moment is nu gekomen,

nu we hier bijeen zijn

om elkaar daarin nabij te zijn.

BOMEN KUNNEN WACHTEN


Het bos is geluidloos

stram de stammem

in aardedonker

reikhalzend naar licht.


Bomen kunnen wachten, geven zich over.

Bomen weten van de zon

die vroeg of laat door kieren langs takken

of zomaar opeens aan het eind van een laan

de donkerte opzoekt.
Bomen weten met voeten in de aarde

dat zij met hun kronen in zonlicht staan.

De zon is hun bron.

En zo zal het ook de mensen vergaan:

hun bron is de ZON achter de zon.

IK DROOM VOOR JOU DE HEMEL


Ik droom voor jou de hemel

en alles wat hier mooi is

zul je daar zeker vinden

met nog meer glans en nog meer kleuren,

nog meer warmte, nog meer geuren

en de sterren doven niet,

bloemen zullen niet verwelken

en de zon zal niet verdwijnen,

alles zingt een zonnelied.
Gras zal zachter nog dan zacht zijn,

winden komen je er wiegen,

engelen komen je behoeden

en de deur van pijn en angsten

gaat voorgoed achter je dicht.

Elke voetstap doet je dansen,

je zult licht zijn, vederlicht.

In m’n droom zal ik je terugzien,

je zult lichter zijn dan licht.
BIJ HET HOREN VAN JOU NAAM
Bij het horen van jou naam

moet ik er steeds aan denken

hoe broos wij mensen zijn.

dat kinderen midden in hun spel

gestokt worden doet pijn,

onzegbaar pijn.

Geen voorteken, geen waarschuwing,

niets had ons voorbereid

dat jij, voordat de avond viel,

niet meer bij ons zou zijn.


Bij het horen van jou naam

kom ik je toch weer tegen

als stralend levend kind

voor eeuwig jong, zoals wij jou

gekend hebben bemind.

Zo diep bemind

dat jij nog leeft diep in ons hart,

niets dat jou wissen kan

en ik weet zeker dat ik jou

ooit bij de schepper vind.

IK BLIJF ALTIJD AAN JE DENKEN

Ik blijf altijd aan je denken:

hoe je liep en hoe je lachte,

hoe je keek.

Ook je naam blijft altijd bij me

want van jou is er geen tweede.


En door steeds je naam te noemen,

zal ik jou nooit meer vergeten,

zal je niet voorgoed verdwijnen,

ook al krijg ik nooit meer antwoord.

Mijn gedachten laten jou niet in de steek.

OP WEG, MAAR NIET ALLEEN


Ik droomde eens en zie ik liep

aan ’t strand bij lage tij.

Ik was daar echter niet alleen,

want de Heer was aan mijn zij.


We liepen saam het leven door

en lieten in het zand een spoor,

van stappen twee aan twee,

de Heer liep met mij mee.


Ik stopte en keek achter mij,

ik zag mijn levensloop,

in tijden van geluk en vreugd,

van diepe smart en hoop.


Maar als ik goed het spoor bekeek,

zag ik langs heel de baan,

daar waar het juist het moeilijkst was,

maar één paar stappen staan……


Ik zei toen: Heer, waarom dan toch?

Juist toen ik U zo nodig had;

juist toen ik zelf geen uitkomst zag,

op ’t zwaarste van het pad….


De Heer keek mij vol liefde aan

en antwoordde op mijn vragen:

Mijn lieve kind, toen het moeilijk was,

toen heb Ik jou gedragen…..

HET SCHIP
Ik liep langs het strand van de zee

Voor mij de eindeloze watervlakte

Een schip spreidde zijn witte zeilen in de koele morgenwind

Het begin van een reis naar……………

Ja waar naar toe???

In elk geval om jaloers op te worden, die vrijheid

Dat uitvliegen op de vleugels van de wind.
Ik bleef staan kijken:

Toch nog plots verdween het schip achter de horizon

Mijn schip was weg

Ik voelde het gemis, het schip niet

Het schip was weliswaar uit mijn gezicht verdwenen

En ik zag het niet meer, hoe ik ook keek,

Maar op dat moment zijn er anderen die het schip zien aankomen
Zij zien het schip aankomen

Met breed uitstaande zeilen, in volle vaar

En ook zij staan verwonderd te kijken

Hoe mooi zoiets is


Misschien denk ik wel eens:

is dat het kenmerk van doodgaan, van sterven

Nagestaard vertrekken

En verwelkomd worden in een onbekende haven.

ZO KLEIN, ZO TEER
Zo klein, zo teer en kwetsbaar,

bewegingloos en koud,

zo lig jij daar, ons kindje,

geen mens die ons weerhoud

van jou te blijven houden,

met hart en ziel getrouwd

aan God, die draagt het leven

dat wordt en zich ontvouwt.


En dat wij mochten hoeden,

het was ons toevertrouwd,

nu laten wij het over

op wie er wordt gebouwd

als machteloos, verdrietig,

de mens het niet meer houdt.

O God wees onze redding,

zie hoe hier wordt gerouwd.

MOEDER
Je was de levensader

door de navelstreng verbonden.

Twee handen op één buik

waarin wij het leven vonden.


Je handen reikten overal,

tijd kon je niet beletten

om als een werktuig in Gods hand

met vast geloof bergen te verzetten.


Je was een moeder in kwadraat,

schiep steeds een hechte band.

Met al je liefde gaf je ons

een onbekommerd moederland.


Je bestaan was sober en zorgbarend,

een strijd voor eigen bloed.

Dit overpeinzend zegt mijn hart:

je hebt het leven nog tegoed!


IK HEB EEN VROUW GEKEND
Ik heb een vrouw gekend

O, wat was die sterk

Altijd was zij bezig

Altijd aan het werk


Ze stond al vroeg alleen

Maar zette kranig door

En wat er ook gebeurde

Haar gezin ging voor.


Ik heb een vrouw gekend

Die vol vuur en liefde zat

En ondanks al haar zorgen

Haar mensen nooit vergat.


Haar kinderen waren haar leven

En al stond zij dan alleen

Of was het soms heel moeilijk

Zij sloeg er zich doorheen


Ik heb een vrouw gekend

Die klaar stond voor een ander

Die ook zo dikwijls zei:

“wees goed toch voor elkander”.


Zichzelf telde zij niet mee

Misschien zat zij te dromen

Dat voor haar zelf

Geluk later wel zou komen.

Met haar kinderen

Genoot zij van het leven

Zij kreeg een mooie ouderdom

Haar doodstrijd duurde maar even.


Ik heb een vrouw gekend

Die ik nooit meer zal vergeten

Hoe dat dan toch wel kan?

’t Was moeder, moet je weten.

GEEN WOORD DAT TROOST
Woorden kunnen verbrokkelen als oud brood.

Geen woord dat troost.


Je wilt zo graag woorden

als er geen woorden zijn.

Je hebt het gevoel dat geen woord

verwoordt wat onverklaarbaar is.

Je hoort elk woord als

te veel en te vaak gezegd.


Je kunt misschien maar het beste stil zijn

en kijken en vertellen

wie hij was,

hoe je hem hebt gekend,

hoe hij gegaan is.
Je kunt misschien maar het beste stil zijn

en herinneren.

Er zij geen woorden

die kunnen verzachten.

Er is niets te verzachten.
Soms raakt een gebaar je.

Soms een zachte hand.

Soms een doek die je getergde

Gezicht teder troost.

Een mens die je woordeloos nabij is.

DANKBAARHEID, MAAR OOK VERDRIET


Dankbaarheid, maar ook verdriet,

omdat het liefste je verliet.

De pijn van eenzaamheid, alleen,

dat alles gaat nu door je heen.


Die trouwe, sterke, stille kracht,

die minder zei dan dat hij dacht

en toch veel humor wist te geven,

waarom mocht hij niet verder leven?


Er is geen antwoord, wel het weten:

God zal zijn kinderen niet vergeten.

Een licht dat ooit werd aangestoken

wordt door geen duisternis verbroken.


Dat licht vraagt om te blijven schijnen,

door grote kinderen en door kleinen

Dan heeft hij niet voor niets geleefd:

’t mooiste wat God mensen geeft.

DE GROTE REIS BEGONNEN…
De grote reis is voor hem onverwacht begonnen,

naar ons gevoel is dat nog veel te vroeg.

Wij hadden nog zo graag wat tijd gewonnen,

juist omdat hij zoveel goedheid in zich droeg.


Wij hadden pa zo graag bij ons gehouden,

maar nu het anders is, buigen wij ons hoofd

en alles wat hij gaf, waar hij met ons moe aan bouwde,

wordt door geen mens ontnomen, weggeroofd.


Zijn leven was in alle eenvoud streven

naar wat warmte, menselijk geluk.

Voor hem was dat ‘er-zijn’ en geven

en die herinnering maakt niemand stuk.


Rust nu maar uit, je hebt genoeg gegeven,

je mag nu naar Gods woning toe,

want wie hoopt niet op eeuwig leven?

Dag pa, wij zorgen wel voor moe.

VOOR EEN VRIEND
Zijn levensweg ging lang niet altijd over rozen,

maar toch, God reikte hem de allermooiste aan.

De dorens heeft hij zelf niet uitgekozen,

maar wie die schuwt, laat alle rozen staan.


Die durft niet te plukken, raakt nergens door verwonderd,

bespeurt ook niet de gouden horizon.

Maar enkel wie de roos van heel nabij bewondert,

ziet door de regen altijd wel een straaltje zon.


Verdriet en vreugde! Ze geven aan het leven

van ieder mens een heel aparte geur,

zijn onlosmakelijk met elkaar verweven

alleen wie ruiken kan, ontdekt de rozengeur.


Zijn tuin, vond hij, stond vol met rode rozen,

zo dankbaar was hij voor wat hem overkwam,

voor wat hij in het leven niet had uitgekozen,

maar wat hij graag met beide handen nam.


Zijn tocht met ons is nu voor hem ten einde,

wij moeten verder, ook al doet het zeer.

Met rozen doen wij hem uitgeleide,

zo brengen wij hem de laatste eer.

JOUW STEM
Jouw stem en jouw vrolijke lach

en de herinnering aan jouw gezicht,

ik zie je voor me, elke dag,

en doe weer even mijn ogen dicht,

ik zie je naast me steen, gelukkig, daar ben je weer

maar als mijn ogen opengaan

dan zie ik je niet meer.

Och voel ik dat je bij me bent,

je geeft me kracht om verder te leven

al raak ik er nooit aan gewend

dat ik je geen kus meer kan geven.
GEWORTELD IN GOEDE GROND
Trots als een stoere sterke boom,

zo blijft hij voor mij leven,

die van alles wat hij had,

het beste wilde geven.


Het viel hem zwaar, ziek te zijn,

niet meer te kunnen zorgen,

hoe moeilijk de afhankelijkheid,

dat wachten elke morgen.


Dat lijden is voorgoed voorbij

en weg de stille tranen,

de schepper heeft in het paradijs

een tuin met brede lanen!


Daar mag hij bloeien, fier en sterk,

in eeuwigheid gezond,

omdat de mens geworteld is,

in méér dan goede grond.

ZE WAS NOG ZO JONG
Ze was nog zo jong, wilde graag leven,

haar man en haar kind

haar liefde geven.
Het was niet eerlijk, weg alle dromen!

Waarom moest juist haar dit overkomen.

de ziekte sloopte langzaam haar kracht;

de dagen korter en langer de nacht.


Toch bleef ze vechten, ze mocht nog niet gaan,

maar wist tegelijk, het is gedaan.

Toen bad ze tot God om kracht en goed,

kom halverwege mij tegemoet.


Laat ons lieve God nu niet alleen,

Maar help ons allen hier doorheen.


WANNEER IK MORGEN DOODGA
Wanneer ik morgen doodga,

vertel het aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind,

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen

vertel het aan de stad,

hoe lief ik je had.


Maar zeg het aan geen mens,

ze zouden het niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man,

alleen maar een vrouw,

dat een mens een mens

zo lief had als ik jou.
TROOST
wie het verdriet de ruimte geeft

een buur wil zijn, een vriend wil zijn

zwijgen heeft geleerd, stil kan zijn

nabij kan blijven

niet meer dan een woord

niet meer dan een hand

een hand van liefde

een woord van verstaan, belangeloos

als een luisterend oor

die kan misschien troost zijn

voor de mens gepijnigd door verdriet

wanhopig in zijn bestaan

niet wetend waarom

afgemat, verdoofd

en niet begrijpend waarom juist hij.
WELKE WOORDEN….
Welke woorden nog te zeggen,

nu wij haar in handen leggen

van haar Herder, van haar Heer:

afscheid nemen doet zo zeer.


Dank voor alle goede zorgen,

zij blijft in ons hart geborgen,

noemen blijven wij haar naam.

Heer wil met ons verdergaan?


Want heerlijk jong en zonder zorgen,

nog geen weet van overmorgen,

zo begint een mens de reis,

iedereen op eigen wijs:


Met talenten, eigen gaven,

nauwelijks stilstaan, altijd draven!

Welke richting je ook kiest,

niemand voelt hoe hij verliest.


Dan op de drempel van het leven,

als je alles prijs moet geven

-je verlangt ook niet naar meer-

zoek je steun bij God de Heer.


Hij alleen kent je gedachten.

Zal Hij ooit ook mij verwachten?

Leid mij Heer, ach neem mijn hand,

veilig naar de overkant!

MOEDER RUST IN VREE
Dankbaarheid, verdriet en zorgen

om gisteren, vandaag en morgen,

verbinden in dit samenzijn

haar dierbaren, van groot tot klein.


Dankbaarheid om dit rijke leven,

de liefde die zij wist te geven,

bidden, zingen, hopen wij

Goede God, wees haar nabij.


Verdrietig om de stoel, die leeg zal st6aan,

om het gemis van wat zij heeft gedaan.

dat eenzaamheid ook daar zal zijn,

ach, afscheid nemen doet zo’n pijn!


Vol zorgen, want hoe moet het verder?

God, U bent toch de Goede Herder?

Waak dan, meer dan ooit tevoren

over allen, die bij haar mochten horen.


Help, dat wij elke nieuwe morgen

in haar plaats samen zullen zorgen

voor al, waaraan zij in dit leven,

ooit zelf haar liefde heeft gegeven.


Geloven is, bij al wat moet,

vertrouwen: “Heer zo is het goed”.

Wij dragen al wat mooi was mee

en zeggen: “moeder rust is vree”.

AFSCHEID NEMEN IS BEZINNEN
Afscheid nemen is bezinnen

op: hoe broos het leven is.

Afscheid nemen is: beginnen,

de nieuwe dag met een gemis.


Wie weet, wat zij voor ons betekent,

niemand vult haar plekje in.

Doodgaan leidt immers tot een gemis, ik weet ‘t,

zo gaat dat immers in elk gezin.


Maar afscheid nemen kan ook binden,

ondanks de pijn, ondanks verdriet.

Haar naam kan, meer dan ooit, verbinden

degenen, die zij achterliet.


Samen stil staan bij haar leven,

bij wat zij ons geschonken heeft,

is aan ons leven richting geven;

weet dat een mens maar één keer leeft!


Daarom, maak wat van elke nieuwe morgen,

weet als er weer een dag begint,

God zal bij alles voor je zorgen,

je bent en blijft Zijn eigen kind.

GEDICHT VOOR EEN DODE
Jaren worden handen

en tekenen haarscherp

een gezicht naar de oude dag

De sporen naar het einde

worden alsmaar duidelijker

totdat de tekening klaar is

’t gezicht stil de ogen gesloten

vrienden komen kijken

en zeggen: wat ligt hij er vredig bij

’t lijkt wel of hij slaapt.

De jaren hebben hun best gedaan

En vertellen over ’t einde…

Of begin?

HIJ WAS ZO JONG


Nu past ons enkel zwijgen,

want rouw doorkruist dit levensfeest.

Hoe kan ik onder woorden krijgen,

wie … voor ons is geweest?


Hij was zo jong, zo levenslustig,

zo hartelijk en vooral trouw,

zo vol beloften en hij ging zo rustig

door met wat hij zo graag wou.


Ik kan alleen maar, namens allen zeggen,

dat ook wij totaal verslagen zijn.

Het is zo moeilijk uit te leggen,

want zo jong sterven, doet een ieder pijn.


Wij kunnen enkel bidden, vragen,

dat Gods liefde ons omarmt

om dit zware kruis te kunnen dragen,

dat Hij, door mensen, ons verwarmt.

WIE OVERLIJDT
Wie overlijdt,

stapt over verder lijden;

bevrijd van pijn,

wachten er andere tijden.


Want toekomst daagt,

wanneer wij, mensen, sterven,

wordt paradijs,

als wij de hemel erven.


De dood voorbij,

begint het nieuwe leven;

voorbij de tijd

wordt eeuwigheid gegeven.


Wie achterblijft,

mag door verdriet heen weten,

geen mensenkind wordt ooit door God vergeten.

DE ZON IS WEG

Wie geeft mij woorden om te zeggen,

wat wij nu voelen, allemaal.

er valt hierbij, niets uit te leggen,

dit gebeuren heeft geen taal.


De zon is weg, hoe donker zijn de dagen,

de lege plaats die achterblijft.

O, God, er zijn toch zoveel vragen,

waarop een mens nooit antwoord krijgt.


Wie kan je troosten, wie kan weten

wat zij in ons leven is geweest?

Nooit zullen wij haar voorgoed vergeten,

door haar, werd ons leven tot een feest.


Ze gaf je zelfs ’t dierbaarst dat ze je kon geven:

een kindje, veilig in haar schoot gegroeid.

Nu moeten jullie samen verder leven

en zorgen dat haar liefde bloeit.


God heeft geen andere handen dan de mijnen,

dan die van jou, van hem of haar.

In alle zorg om jou en om de kleine,

maakt Hij het: “Ik zal er zijn” aan jullie waar.


En zelf mag zij voor eeuwig wonen

in ’t huis van God, waar dat ook moge zijn.

Natuurlijk zal God, wat zij deed bekronen:

wees maar gerust, zij heeft het fijn.

MET LIEFDE WORDT ZIJ TOEGEDEKT
Afscheid nemen is een beetje sterven,

iets wat je dierbaar was, gaat van je heen.

Zij, van wie je hart en handen hebt ontvangen,

ze laat je nu voorgoed alleen.


Dankbaar om de vele goede zorgen,

’t verdriet dat samen werd gedeeld,

komen mensen hier rondom haar samen,

opdat haar beeld niet zonder meer vergeeld.


Noemen willen wij haar namen,

heel uitdrukkelijk en met respect.

In onze herinnering haar bewaren,

met liefde wordt ze toegedekt.


En samen bidden wij de Vader,

de Schepper van wat is, wat leeft,

dat zij mag rusten, thuis mag komen,

dat zij geluk gevonden heeft.

VAN HARTE WELKOM
Niet meer weten waar te zoeken,

waartoe alle pijn nog dient,

komt de dood haast als geroepen,

wordt hij bijna tot een vriend.


Nu is zij de drempel over,

staat zij aan de hemelpoort,

waar –zo mogen wij geloven-

zij ‘Van harte welkom’ hoort.


In de hemel mag zij leven,

koestert zij zich in het licht.

God zal haar Zijn liefde geven,

toont haar nu Zijn aangezicht.


We gunnen haar dit nieuwe leven,

dit geluk na zoveel pijn;

alles wat zij ons heeft gegeven

zal in ons hart geborgen zijn.

JE MAG NU SLAPEN
Je mag nu slapen, ga in vrede,

jij hebt nu genoeg doorstaan.

We hebben voor je rust gebeden,

al laten wij je niet graag gaan.


Nooit zullen wij vergeten,

wie jij was en wat je deed,

je hebt een zware strijd gestreden,

wie kan vermoeden hoe jij leed?


Al die maanden, al die jaren

ziek zijn, voelen angst en pijn.

Kon God jou dit niet besparen?

Die vraag zal zonder antwoord zijn.


Maar weet, wie in geloof beleven

dat God er is, op mensen wacht,

al moet je veel uit handen geven,

je ontvangt ook nieuwe kracht.


Wij kunnen niet aanschouwen,

wat ons verstand te boven gaat,

toch zegt mijn hart en ook het jouwe

dat God geen mens in nood verlaat.

ONVERWACHT
De dood komt vaak heel onverwacht

en soms ook schrijnend traag

je laat een traan, je mist de kracht

gelooft niet meer in vandaag.

Maar achter elke wolk schijnt licht

en tijd heelt alle wonden

en soms worden wond’ren nog verricht

een woord van troost je toegezonden.

En horend, luist’rend naar geween

God leeft, Hij laat je nooit alleen.


EN TOEN WAS HET VOORBIJ
Wij mogen om hem rouwen,

die mens om op te bouwen,

in alles te vertrouwen;

nu keerde het getij!


Voorbij de mooie dagen,

het winnen en het wagen,

verliezen zonder klagen,

hij worstelde zich vrij.


Genoten van het leven,

moest hij zich overgeven,

de strijd duurde maar even

en toen was het voorbij.


Met God, met ons verweven,

zal hij voor eeuwig leven!

Mag ons dat vrede geven,

en Gij, God, sta ons bij!

AFSCHEID (van een vriendin)
Haar weg was zeker niet bedekt met rozen,

hoewel God bood haar hele mooie aan;

maar mét de rozen ook de dorens,

maar wie die weigert, laat het geluk ontgaan.


Die schuwt de pijn, maar ook de liefde;

vermoedt geen gouden horizon,

maar wie de roos dichtbij bewondert,

voelt door de kou, altijd wat zon.!


Want lief en leed, zijn deel van leven,

geen enkel mens ontkomt er aan,

maar in de tuin de rozen laten groeien,

zal zonder verdriet, bij niemand gaan.


Haar roos heeft volop mogen bloeien.

verspreidde ook een heel aparte geur;

het levenslot wist deze roos te snoeien,

maar nooit vergeten wij haar rode kleur.

ONVERVANGBAAR
Hij had nog verder willen leven,

lachend, groetend, opgeruimd,

zijn zorg en liefde volop geven,

maar ’t hart heeft onherroepelijk verzuimd.


Hij wist het wel en wilde het niet weten,

verborg zijn diepere gevoelens goed.

Slecht af en toe liet hij ons schertsend weten

hoe hij de doodssfeer had ontmoet.


Hij wist zijn blik aldoor te richten

op dingen waar hij van genieten kon.

Dat hielp de lasten te verlichten,

bij regen scheen voor hem dan toch de zon.


Een man, een vader, onvervangbaar,

is heengegaan, zoals hij is geweest:

geen pijn en daarom zijn wij dankbaar.

“Dag lieve man, dag pap, het leven was een feest!”

STERVEN IS DE OVERGANG
Sterven is de overgang

van hier naar eeuwig leven;

sterven is al wat je kreeg,

ook weer uit handen geven.


De een gaat vroeg, de ander laat,

geen mens kan dat bepalen.

Bij welke van de twee je hoort,

is niet te achterhalen.


Het moeilijkst is voor ieder mens,

-dood kent geen onderscheid-

het afstand doen van dierbaren,

in ruil voor eeuwigheid.


Maar wel gaat door, wat hier begon,

de liefde die ons bond,

en sterker nog: het bind ons weer, want God is dat Verbond.
OVERGAAN NAAR EEUWIG ZWIJGEN
Samen stilstaan, samen bidden,

rouwen om een lieve vrouw,

om de dode in ons midden,

heel haar leven was zij trouw.


De overgang naar eeuwig zwijgen,

-al was het hier al stil voor haar,

men kon haast geen contact meer krijgen-

is toch een afscheid en valt zwaar.


Een moeder die je heeft gedragen,

die zorgde, deelde lief en leed,

aan wie je alles durfde vragen,

is niet de vrouw, die je gauw vergeet.


Ja, dood is zij, maar meer dan ooit tevoren

komt zij tot leven in wat er wordt gezegd.

In de verhalen die wij samen horen,

is zoveel liefde neergelegd.


Hoe trots zijn wij op deze lieve moeder,

die nu gestapt is over lijden heen.

God zelf is en blijft haar hoeder,

Hij laat ons moeder niet alleen.

LICHT, BLIJF BRANDEN
Dood is duisternis

ogen dicht, oren dicht, mond dicht,

voorgoed.
Achter blijft leegte,

donkere leegte.

In die leegte ontmoet ik

Flarden van jouw leven

Herinneringen, lichtpunten

als vlammen van kaarsen.


Dood ben jij licht in de duisternis.

Licht, blijf branden.

NAAM GEGEVEN
Het leven is geleefd,

de naam is neergeschreven;

wat blijft dat is het testament:

de erfenis van het leven.


Met hart en ziel heeft zij gewerkt

aan al haar idealen,

talent genoeg, in overvloed;

ze moest ervoor betalen.


Want wie veel weet en alles kan,

die kan niet blijven wachten,

die is voortdurend in de weer,

de dagen, maar ook de nachten.


Ze kreeg kritiek, vaak onverdiend,

en dat kon haar bezeren,

toch ging zij door en deed wat moest,

’t kon haar echt niet deren.


Nu rust ze uit, haar taak is klaar,

wat zal ze eeuwig leven!

Bij God haar schepper is ze thuis,

Die zal haar alles geven.

SAMEN
Samen dingen doen

zonder na te denken

en als de ander het nodig heeft

wat extra aandacht schenken


Samen op de fiets of

een eindje lopen

als het uitkomt naar de stad

samen kleren kopen.


Je staat er niet bij stil

maar het is een heel gemis

als dat samen uit je leven

onverwacht verdwenen is

MAAR ‘SMORGENS WORDT HET LICHT
Verlies past in geen enkel woord,

voor tranen veel te groot;

het raakt je diep in hart en ziel

en maakt iets kostbaars dood.


De droom is weg, voorbij, voorgoed,

’t is donker om je heen;

de eenzaamheid, een groot zwart gat,

je voelt je zo alleen;


Je vraagt je af, ach waarom ik

waarom gebeurt het mij?

geen mens beantwoord ooit die vraag,

er past geen antwoord bij.


Er is een oud verhaal dat zegt:

hoe midden in de nacht,

in duisternis geworsteld werd,

Gods engel je opwacht.


Wie vechten wil, komt er door heen,

de wond groeit langzaam dicht;

de nacht laat wel zijn sporen na,

maar ’s morgens wordt het licht.


OP ZOEK NAAR HET MEER


Sinds mensen worden geboren,

is er dat besef dat er Méér moet zijn!


Sinds mensen leven, is er dat zoeken

naar wat dat Méér is,

is er dat weten, dat diepe geweten,

dat ons verwijst naar: er is Méér?


Sinds mensen sterven, is er die vraag,

die eeuwenoude vraag:

is er een Méér,

waar is dat Méér?


Maar mensen zijn mensen

en zijn mensen

bij leven in staat

tot méér dan zij zijn?


Pas als een rups zich zelf overstijgt,

als zij, door het donker heen,

vleugels krijgt,

wordt zij een vlinder

en alleen vlinders kunnen vliegen,

vliegen op de wind.


Alleen dan kan de wind,

haar brengen naar

waar zij komen zal

haar oude bestaan voorbij.

HET HOUDT ONS BIJ ELKAAR
Ik kan het bijna niet geloven,

de dood kwam ook zo onverwacht.

Ik hoor je stem nog in mijn oren

en zie nog voor mij hoe je lacht.


Ik wil en zal je niet vergeten,

nu jij niet langer bij ons bent.

Wie zal er voortaan voor ons bidden,

geen moeder (vader) die ons verwent.


Ik denk dat ik je meer zal missen

dan ik met woorden zeggen kan.

Ik niet allen, wij met z’n allen;

jij leerde ons te houden van.


Dàt ook heb jij ons nagelaten,

het houdt ons altijd bij elkaar;

De naam, waardoor wij zijn verbonden,

maakt voor en door ons liefde waar.

OP HANDEN GEDRAGEN
Wij, mensen, hebben geen andere woorden

dan mensen-woorden

en met die woorden proberen we iets te zeggen,

wat niet in mensen-woorden is te vangen:

dat er méér is,

méér dan wij, mensen kunnen benoemen

en dat wij daardoor veilig zijn,

ons geborgen mogen weten.


Soms zeggen we het zo:

‘Op handen gedragen’

en we denken dan aan een vader,

aan een moeder,

die zijn, die haar kind beschermt

en op handen draagt.


Ja, zonder te vragen op handen gedragen;

een mens mag weten:

“Ik word niet vergeten”.

HET GEHEIM VAN LEVEN


Geboren worden…….

het gebeurt je,

geen mens, die erom vraagt!
Leven krijgen…….

het overkomt je,

niemand kan kiezen.
Te leven krijgen…….

hoelang,


waartoe en waarheen?

Niemand die het weet.

Sterven,

de dood in moeten…….

niemand ontkomt eraan.
Is er een begin,

is er een eind van leven?

Het geheim

van leven en dood,

van dood en leven,

kunnen wij geen woorden geven.

Wat ons rest, is het vermoeden,

wat ons sterkt, is de hoop,

wat ons draagt, is het geloof,

dat het leven sterker is dan de dood,

omdat leven liefde is.

GA NU MAAR


Nooit meer samen rond de tafel,

niet meer eventjes naar huis,

weg de plek die ons beschutte,

zoveel jaar was dat ons thuis.


Tot het laatst zat je aan tafel

met een glimlach om je mond:

“kind, ik zat op je te wachten,

ik ben blij dat je weer komt.”


Pap, wat hebben wij genoten,

van die uurtjes, elke keer,

samen over morgen praten,

maar dat hoeft niet langer meer.


Morgen is voor jou nu heden,

want de tijd staat eeuwig stil.

Denk maar dat ik je zal missen,

veel meer dan ik zeggen wil.


Lieve Pap, jij was met mama,

onze steun en toeverlaat;

jullie leven heette geven,

liefde doen in woord en daad.


Ga nu maar, zij zit te wachten,

naast haar is een plekje vrij.

Wij, wij zullen ons wel redden,

en zo niet, dan roepen wij!


DE GOUDEN DRADEN BLIJVEN
Ieder mensenleven

is verweven met dat van anderen.

Een onweerlegbaar feit;

elke geboorte is daarvan een levend bewijs.


Toch, als de navelstreng wordt doorgeknipt,

worden niet alle banden verbroken.

Vooral onzichtbare draden

blijken sterk te zijn.


Zij lijken zich ook te vermenigvuldigen,

want heel het leven wordt er geweven;

hoe ouder een mens wordt,

hoe meer draden er zijn

en samen geven ze het leven kleur.
Hoop en twijfel, vertrouwen en jaloezie,

vreugde en verdriet,

ze laten immers allen hun sporen na.
En doorheen die veelkleurigheid,

lopen er heel voorzicht,

kwetsbaar en broos,

de gouden draden:

hoogtepunten in het leven, geluk geproefd!
Zij getuigen van zin en blijven ingeweven,

voor eeuwig en altijd.

Niemand, die ze door kan knippen,

geen mens die ze wegneemt.

Ook als het aardse werk is gedaan

en er hier wordt afgekant.

blijven die gouden draden.
Ze blijven en blijven schitteren,

je hoeft ze enkel tegen het licht te houden.


GELUKKIG IS ER GENOEG
Er was geen laatste woord,

geen afscheid en zelfs geen glimlach.

Je hebt ons niet meer kunnen groeten,

niet meer kunnen zeggen

dat je van ons hield,

ook niet meer kunnen horen,

hoe wij van jou hielden.
Zomaar ineens ben je

uit ons midden verdwenen.

Wat ons rest is de herinnering

aan wie je was en wat je deed.

je stem klinkt na in onze oren,

je woorden dragen wij in ons hart.


Daarmee moeten we het doen

en daarin zul je ook leven.

On-vergeten zul je zijn,

als wij jouw naam noemen,

hardop in verhalen,

die we elkaar blijven vertellen,

of in stilte

als onze gedachten terug gaan naar jou.


Gelukkig is er genoeg,

genoeg om aan jou te herinneren,

je hebt ons zoveel gegeven

om aan te blijven denken,

om kracht uit te putten

voor de dagen die komen.


En jou gunnen we het eeuwig geluk,

wat elke mens te wachten staat,

want ook die verhalen van belofte en toekomst

herinneren we ons, juist op momenten,

dat alles donker lijkt.

ZIJN TESTAMENT


Dit blad is vol, wordt omgeslagen;

het is het laatste van zijn levensboek,

hier bij ons.
Hij heeft zijn naam eraan verbonden,

er zijn handtekening onder gezet.


Nu wij afscheid moeten nemen,

willen wij de inhoud

nog eens goed tot ons door laten dringen,

alles wat is geweest, hoe hij is geweest,

om het in ons geheugen te prenten,

om het vast te houden,

want zo blijft hij leven bij ons.
Ja, het leven is geleefd, de naam is neergeschreven;

wat blijft dat is het testament:

de erfenis van leven.
GASTVRIJE HAVEN
Zweef maar verder, vriend

zweef maar door.

Je tijd om te schitteren

in dat onbegrensde land is tijdloos.


Zweef maar verder, vriend

zweef maar door.

Je bent nu verlost

Van pijn, onmacht, afhankelijkheid.


Zweef maar verder, vriend

zweef maar door.

Je bent nu zo vrij

Als een eikenblad in de wind.


En wil je af en toe landen

weet dan:

jouw plekje in ons

blijft een gastvrije haven.


ONS VOORUIT GEVLOGEN
Onze ogen hielden je vast,

zolang het kon.

Zolang we je konden volgen,

waren we bij je

met hart en ziel.
Nu ben je ons voorbij

en kunnen we niet langer met je mee,

niet door lief en niet door leed,

zoals dat heel ons leven ging.


Je lichaam is er nog,

het ligt daar stil en koud,

niet meer bezield

en tot niets meer in staat.

Je bent niet langer wie je was,

je levengeest is geweken,

uitgeweken naar daar

waar wij niet kunnen komen.

Ons vooruit gevlogen,

God weet alleen waarhen.


Met ogen toe en oren doof

kun jij ook niet meer met ons leven.

Dus is het goed zo.

We laten je gaan, al is het in tranen

en met pijn in ons hart.
We zullen je niet meer zien

en niet meer horen.

Jouw warme stem klinkt elders.

Misschien kun je een goed woordje doen?


Wij blijven het doen over jou,

want wat ons rest zijn de verhalen,

waarin jij voor ons tot leven komt.

STERVEN GEEFT LEVEN


De klimop,

met haar altijd groene blaadjes,

is in de Schrift

teken van vruchtbaarheid.

Het loopt immers steeds weer uit,

groeit waar het niet groeien kan.


Zo laten dingen uit de natuur

ons iets zien

van het grote geheim van leven.
Denk maar eens aan een boom:
Een zaadje in de aarde

wordt langzaam aan een boom;

dat bomen takken krijgen,

vindt iedereen gewoon!


Ook dat er blaad’ren groeien,

er jaarlijks bloesem komt;

en na de mooie zomermaanden

valt alles op de grond.


Wie durft daarvan te leren

dat sterven leven geeft,

dat groeien kan en bloeien

en eeuwig waarde heeft?

ALS GOD ONS THUISBRENGT…
Op de vleugels van een lied doen wij je uitgeleide.

Waarom?


Omdat onze handen

niet verder reiken dan het hier en nu.

Daarom roepen wij de hulp in van een lied,

waarmee wij ons verdriet te boven zingen.


We geven je mee

met de verbeelding

en begeleiden je zo

tot over de grens van ons kunnen.


Daar zal je wonen

in de schaduw van het Licht

daar weten wij je veilig

in de palm van Gods hand.


En wij?

Wij lopen verder,

aardsgebonden als wij zijn,

en onderweg hopen wij jou te ontmoeten

in onze dromen die onbegrensd

hemel en aarde voor even verbinden.


Vlieg maar mee

en laat ons dromen.

Dát zal een droom zijn!
DAN WIJKT HET LEVEN
Elke dag weer

wordt uit de levenbeker gedronken

en wat wordt geproefd

smaakt méér of minder zoet,

al naar gelang de situatie.
Maar als die levensbeker

nog louter pijn te drinken geeft

en het zoveel moeite kost

om haar aan je lippen te zetten

en als die beker toch tot op de bodem

geleegd moet worden,

dan vergt dat al je krachten,

dan vloeit alle energie uit je weg.

Dan wijkt het leven

en voel je de pijn van het loslaten.

Die pijn heeft………

tot in zijn botten gevoeld,

hij heeft zijn beker geleegd,

hij heeft de bodem geproefd:

hij heeft zijn levensbeker

tot de laatste slok gedronken.


(er wordt nu een beker omgelegd)

HET LAATSTE WAT IK JE KAN GEVEN


Dit is het laatste wat ik je kan geven

Een hand vol bloemen en een enkel woord

Je bent zo ver al van ons afgedreven

Ik weet niet of je ons nog wel hoort

Al de gevaren zijn voor jou geweken

God zet vandaag voor jou het licht op groen

Hij zal je helpen bij het oversteken

En zijn woning voor je opendoen

Nu mag je gaan maar hoe zullen wij je missen

Je blijde lach, je ogen en je stem

Echter ik weet, God kan zich niet vergissen

Hij riep je om te gaan naar hem.


HET LICHT MAG UIT
Al is het met gebroken stem,

Wij willen dankbaar zeggen:

“het licht mag uit,

je mag het doven,

jouw vlam heeft hier

méér dan voldoende gebrand.


Terugkijkend

lijkt het leven omgevlogen

en al wat is geweest,

is onverbiddelijk voorbij.

Je mag je ogen nu voor altijd sluiten,

geen mens die je dat niet gunt,

want om te leven

was je zichtbaar veel te moe.

Langzaam maar zeker

vielen de dagen je telkens zwaarder

en duurden de nachten onvoorstelbaar lang.

Wij zagen hoe je levenskracht

langzaam van je weggleed

en niemand was in staat

die afbrokkeling te stoppen.
Wat hadden wij dat graag gedaan.

Jou nog bij ons houden,

je wijsheid, je nooit aflatende zorg om ons;

we zullen het missen,

we zullen jou missen,

maar niet helemaal,

want jouw liefde blijft.

Geen kracht die jouw liefde

ongedaan kan maken.

Die liefde blijven wij koesteren

en in die liefde jou.

ZOALS DE ZON


Zoals de zon schijnt na de regen,

zo weldadig werkt de dood,

als die een einde maakt aan lijden.
Niet dat wij je graag laten gaan,

daarvoor was je ons veel te dierbaar.

Maar te moeten zien

dat het leven lijden wordt,

een kwelling, een mens te waar,

maakte ons zo machteloos,

deed ons zo’n verdriet,

een pijn haast niet te dragen.


‘Ga maar’, zeiden wij,

‘ga maar naar daar

waar de zon schijnt na de regen,

waar geen vijand meer is,

het leven louter vriendschap.

Ga maar en laat ons maar achter,

wij redden het hier wel’.
onze handen laten je nu, noodgedwongen, los.

wij zeggen: onze handen, want niet ons hart,

dat blijft met het jouwe verbonden,

omdat het hart leeft van liefde

en liefde is blijvend.
De liefde is als de zon:

geen regen kan haar

voor altijd doen verdwijnen;

telkens weer schijnt na de regen

vroeg of laat de zon,

soms zie je zelfs de zonnestralen

al door de druppels heen.
Dan droogt de liefde zelf je tranen.

STAANDE AAN DE GRENS


Staande aan de grens

die levenden en doden

scheidt van de overlevenden,

die licht en donker

doet overgaan in louter Licht,

voelen wij ons

in wezen onbegrensd.
Wij kunnen niet langer aanraken,

het lichaam sterft, is voorbij;

het is ons niet meer gegeven

te zien en te horen,

Want ogen en oren zijn aards.

Wij kunnen geen lippen meer beroeren

de geur niet meer ruiken,

hoe vertrouwd ook.

Maar zielsverbonden

als wij ten diepste zijn,

kunnen wij wel geloven

in die oude woorden

die vertellen

dat alles nieuw zal zijn.


Dus onbekend, maar zo bemind,

vertrouwen wij je toe aan de overzijde

in de hoop dat je ons zegent

met stille kracht en eindeloze liefde

en zeggen wij, als is het met een snik:

‘Vaarwel, leef in het Licht.’

HET GROTE VADERHUIS
De vruchten van het land,

hij was er mee verweven.

gezaaid, geoogst, geplant;

het hoorde bij zijn leven!


De dieren in de wei,

de vogels en de vissen,

de vlinders en de bij,

hij kon er geen van missen.


Hij was een buitenmens,

die binnen niet kon leven;

zijn allergrootste wens:

geen ziekte, ook niet even.


Die wens is nu vervuld,

ons heeft het overvallen;

geheim van God onthuld,

zal het hem daar bevallen?


Het grote Vaderhuis,

waar plaats is voor de mensen,

voor eeuwig nu zijn thuis;

wie kan zich beter wensen?

VOOR VADER
Hij sliep gewoon een diepe slaap

heel vredig is hij weggegleden

God heeft geroepen: zoon ontwaak,

genoeg geweest, genoeg geleden.


Er is een lege plek in huis,

daar heeft hij in de stoel gezeten

hier stond zijn bed, dit was zijn thuis,

dat alles is niet zo vergeten.


En ook niet wie hij is geweest

en hoe hij stond in het leven:

niet alle dagen is er feest,

dat immers wordt geen mens gegeven.


Nu is zijn leven hier voorbij,

wat blijft zijn de verhalen

en wat er komt, geloven wij,

zal ’t niet bij ’t aardse halen.


Want achter onze horizon,

daar wacht het nieuwe leven,

dat aan zie hier zijn reis begon,

voor eeuwig wordt gegeven.

ALS STRAKS HET ROUWRUMOER . . .
Als straks het rouwrumoer om jou is verstomd,

de stoet voorbij is, schuifelende voeten,

dan voel ik dat er een diepe stilte komt,

en in die stilte zal ik jou opnieuw ontmoeten,

en telkens weer zal ik je tegenkomen.

We zeggen veel te gauw: het is voorbij . . .

Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,

niet wat je was, en ook niet wat je zei.

Ik zal nog altijd grapjes met je maken.

We zulle samen door het stille landschap gaan;

nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,

raak je mijn hart nog duidelijker aan.

JIJ LEEFT VOORT
Ze zeggen dat je gestorven bent en dat is ook zo.

Je handen hebben de onze en de dingen om je heen losgelaten.

Je kijkt niet meer door het raam naar het weer van vandaag.

Je zegt de woorden niet meer die je -

met jouw stem en jouw ogen - eerder altijd zei.

Het is stil geworden om je heen.

Maar toch horen we je nog spreken

en zien nog met gesloten ogen wat je deed

toen je nog gaande en staande was onder ons.
Nee, je zou pas dood zijn als wij je konden vergeten.

Als je, weggewist uit ons geheugen, ons niet meer bij zou staan

met jouw raad en daad van toen.

Dat doe je dus nog als we over jou verhalen vertellen:

Hoe je het leven en de mensen zag en wat jij doen zou

als je voor vragen stond waar wij voor komen te staan.


Nee, alles is nog niet voorbij,

je leeft nog in onze verhalen over jou.

Onze handen kunnen je niet meer vast houden,

maar wel onze woorden en de ogen van ons hart.


Ze zeggen dat je gestorven bent en dat is ook zo.

Maar zeker is ook dat je voortleeft in ieder van ons.

TROOST
Troost bestaat niet in een vloed van woorden:

troost is als een milde zalf op een diepe wonde.

Troost is als een onverwachte oase in een grote woestijn,

die je weer doet geloven in het leven.

Troost is als een zachte hand op je hoofd,

een hand die je tot rust brengt.

Troost is als een zacht gelaat, vlakbij,

Van iemand die je tranen begrijpt.

Die luistert naar je hart,

Die bij je blijft in je angst en vertwijfeling

En die je een paar sterren laat zien.
ALLES ZAL VOORBIJGAAN
alles wat we zien zal voorbijgaan

wij zullen voorbijgaan

de een gaat voor de ander

zelden samen.

Alles wat we zien zal voorbijgaan

maar 't licht dat blijft

en in dat licht: wij.

In 't licht dat door geen

duister overwonnen zal worden,

al is de strijd soms hevig

en lijkt het licht te doven.

Alles wat we zien zal voorbijgaan

maar het licht en wij

zullen eens geborgen zijn

in dat licht.

AFSCHEID
Wat vreemd, dat u er niet zult wezen

wanneer ik weer naar huis zal gaan.

U zult niet meer in de kamer staan

en mij omhelzen, als voor dezen.
Ik zal nooit meer, als u zat te slapen

boven een boek, boven een krant,

het blad, dat glipte uit uw hand

glimlachend van de grond oprapen.


Ik zal nooit uw "Goede nacht" meer horen,

of het gestommel op de trap,

wanneer uw trage, moede stap

de morgenstilte kwam verstoren.


Nooit zult u door de tuin meer lopen,

waar iedere bloem en iedere plant

getuigde van uw zorgende hand.

- Nu ging de hemeltuin u open.-

O, die vertrouwde, kleine dingen,

die u zo onopvallend deed,

die zal ik missen, tot dit leed

verstild is tot herinneringen.

VERLIES NOOIT DE MOED
Als de zon verdwenen is uit je leven,

zoek dan de ster, die God ergens voor je heeft aangestoken.

Als je met lege handen staat

en je hebt geen parels meer om iemand aan te bieden,

weet dan dat God geen oogst van je vraagt, geen volle schuren.

Als je de deuren van je medemensen gegrendeld vindt,

als men nergens meer opendoet al klop je dag en nacht,

keer je dan niet wanhopig om in grenzeloze bitterheid.

God heeft je lief en zal ergens een mensenhart voor je openen,

om je dat te laten weten.

De regen zal ophouden. De kou gaat voorbij.

In de straling van een glimlach en de zachtheid van een hand

zal je de lente voelen en weer leven.

Als je je boodschap moet brengen verloren in de woestijn,

en er is niemand die luistert,

weet dan dat God verborgen antennes heeft uitgezet,

die elk woord uit je hart zullen opvangen

en doorseinen over alle verdorde onvruchtbare velden heen

tot op dat kleine stukje grond,

waar de nieuwe wereld geboren wordt.

Wat er ook gebeurt en wat je ook overkomt,

verlies nooit de moed.







  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina