Gedichten of gedachten bij een afscheid



Dovnload 340.85 Kb.
Pagina2/2
Datum07.10.2016
Grootte340.85 Kb.
1   2

AFSCHEID NEMEN

Afscheid nemen is met zachte vingers

wat voorbij is dichtdoen

en verpakken in goede gedachten ter herinnering......

is verwijlen bij een brok leven

en stilstaan op de pieken van pijn en vreugd.....

Afscheid nemen is met dankbare handen

weemoedig meedragen al wat waard is om niet te vergeten....

is moeizaam de draden losmaken

en uit het spinrag der beleving loskomen en achterlaten

en niet kunnen vergeten....

Leven is - vanaf de geboorte - voortdurend afscheid nemen.

Loshaken om voort te kunnen gaan.

Zichzelf verliezen om zich te vinden.

Het risico nemen van de graankorrel

om vruchten voort te brengen.

Afscheid nemen Is het moeilijkste in het leven.

Men leert het nooit.

Gelovigen nemen nooit afscheid van het leven.

AFSCHEID VAN . . . . . . . . . .


. . . . . . . . , je hebt veel moeten lijden,

het was soms niet om aan te zien;

dan bad ik God, je te bevrijden,

genadig naar je om te zien.

En nu Hij je heeft weggenomen

ben ik pas weer tot rust gekomen.


Je lichaam is zo smal geworden

dat ik er al je pijn uit las;

’t is als bij bloemen die verdorden:

een schaduw van wat het eenmaal was.

De dood heeft alles weggenomen

waardoor ik je nabij kon komen.


Ik kus nog eens je koude wangen,

ik streel nog eens je koude hand.

Dag moeder, God zal je ontvangen

daar waar geen pijn je kracht verbrandt;

want Hij heeft alles weggenomen

wat tussen jou en Hem wou komen.

VOOR ELKE KEER
Voor elk moment waarop je mij hebt blij gemaakt,

voor elk verdriet waarvan je mij hebt vrij gemaakt,

voor elke keer dat jij bij mij vertrouwen zocht,

voor elke schakel die ons nauwer binden mocht,

voor al je goedheid die ik ondervinden mocht,

zeg ik je dank, zeg ik jou dank!


Voor elk lief woord dat zacht over je lippen kwam

voor al het kwaad dat jij mij uit het hart ontnam,

voor elke gunst waarvoor je stil gebeden hebt,

voor elke pijn die jij voor mij vermeden hebt,

zeg ik je dank, zeg ik jou dank!
Ik heb je lief voor al wat je vergeven hebt,

voor elke dag die jij aan mij gegeven hebt,

voor elke blijk van trouw en van genegenheid,

voor elk geheim, geheiligd door verzwegenheid.


AMEN

Nu alleen maar: 'Amen' zeggen,

al is het met gebroken stem;

dan je hand in Gods hand leggen

en op weg gaan, achter Hem.
Nu alleen maar blijven lopen

in het voetspoor van je Heer;

blijven strijden, blijven hopen,

wachten op Zijn wederkeer.


Nu alleen Zijn woord vertrouwen;

'Altijd zal Ik met je zijn;'

Als een kind je handen vouwen,

Zijn getuige willen zijn.


Al je twijfel af te leggen

en alleen maar: 'AMEN' zeggen.

JE LIEFDE VULT DE LEEGTE
Je handen vol bewogenheid

je mond vol belevenissen

je ogen vol hoop en verlangen

je hart overvol van gevoelens


Nu zijn

je handen verstomd

je tranen gedroogd

je hart tot rust gekomen


Maar

je bewogenheid heeft goeds gezaaid

je verhalen doen de ronde

je dromen doen ons hopen

je liefde vult de leegte

EN ALS IK DOOD BEN


En als ik dood ben, huil maar niet;

ik ben niet echt dood, moet je weten.

Het is heimwee, die ik achterliet.

Dood ben ik pas, als jij die bent vergeten.


En als ik dood ben, treur maar niet;

ik ben niet echt weg, moet je weten.

Het is het verlangen, dat ik achterliet.

Dood ben ik pas, als jij dat bent vergeten.


En als ik dood ben, huil maar niet;

ik ben niet echt dood, moet je weten.

't is slechts een lichaam, dat ik achterliet.

Dood ben ik pas, als jij mij bent vergeten.


Dood ben ik pas, als jij mij bent vergeten...

DE LAATSTE VLAM


De laatste vlam is nu gedoofd

lang had je in jouw herstel geloofd

maar je lichaam wou niet meer

de pijn kwam keer op keer.


Uitgeput en moegestreden

geen toekomst meer, alleen het heden

een mensenleven is maar teer en fijn

en zal nooit zonder gebreken zijn.


Dit afscheid kwam voor ons veel te vlug

maar met een lach kijken we op jouw leven terug

goede reis op jouw laatste levenspad

we hebben een mooie tijd met jou gehad.


Bedankt voor je liefde en vriendschap

je levenslust en blijdschap

we zullen je vreselijk missen

konden we de dood maar uitwissen.


IK WEET NIET
Ik weet niet

of jij het voelt zoals ik;

misschien niet

maar in mij

leeft een dimensie van liefde voor jou

die ik beschouw als uniek.

Ik weet:

iedere maand die voorbij gaat

word jij mij meer dierbaar.

En een van de oorzaken is

dat jij je niet verbergt,

geen masker draagt,

je pijn en droefheid,

zorg en dromen,

je fantasie en je geluk,

je woede en je wijsheid.

Door het delen in jouw strijd

kwam er in mijn leven iets,

dat ik eerst niet kende.

Ik ben je daar dankbaar voor.

Ik lijd met jou een klein stukje mee

en daarmee kan ik soms

maar moeilijk overweg.

Geen twijfel aan:

ik voel me zwak zoals jij ook,

maar ik zeg: Dank God voor deze zwakheid

want hoe het ook zij,

door samen zwak te zijn

beleef je iets, dat zij ontberen

die sterk zijn, zogenaamd,

maar hun zwakheid slechts ontkennen.
AFSCHEID
We hebben zo vaak afscheid genomen,

maar nooit voor lang

en zeker niet voor altijd.

We hebben het ons wel ingeoefend,

maar dit afscheid niet.
Ga niet weg zonder te groeten

was een ongeschreven wet.

Helaas hebben wij daar nu geen

kans voor gekregen,

terwijl er nog zoveel te zeggen was.
Dus ging je ook nu in vrede,

maar niet van harte,

dat was zeker.

We waren immers nog niet klaar.


Ons leven was nog niet af.

Er was nog zoveel te beleven.

Nog van alles te zeggen en te doen.

We weten het:

de dood kent geen pardon,

onze protesten werken niet.

Wat helpt en heelt zijn de herinneringen

Die we met dankbare handen meedragen.

GEEN WOORDEN
Ik durf geen woorden in mijn mond te nemen:

’t is allemaal zo wreed, zo plotseling;

ik zet nu vraagtekens bij ieder ding

dat vanzelfsprekend leek, zonder problemen.


Zó jong nog – aan het begin van het volle leven,

een kind, dat op de toekomst hopen mag;

komt nu de nacht reeds, na zo’n korte dag?

Vraagt God zó gauw terug wat was gegeven?


O God, wat moet ik doen? Wat moet ik zeggen

aan wie haar/hem liefhad, mensen om haar heen?

In groot verdriet voelt iedere zich alleen,

Gij kunt alleen Uw armen om ons leggen


En ons daar brengen, waar we zelf niet willen;

door tranen haast verblind, stromp’len we voort;

wij hebben niet meer dan Uw eigen woord:

“kind, volg mij, dan zal ik je lasten tillen.”

ALLES WORDT ACHTERGELATEN
Zij, die sterft laat alles achter.

Ook het zijn, het spreken, het luisteren, het denken,

En vooral het liefhebben.

Alles laat zij achter, zij vertrekt zo bezitloos als ze gekomen is.

En de ruimte die er ontstaat met de dood van deze mens

Is vol herinneringen aan haar spreken, haar luisteren,

Haar liefhebben, haar goede wil.

Dat lijkt leeg, koud en kaal, maar wie de ruimte durft betreden

voelt en ervaart haar nabijheid en haar warmte,

haar liefde en bekommernis.

Zij die achterblijven verliezen een mens, een uniek mens.

Maar haar geest, de geest waardoor zij sprak, dacht

en kon beminnen, blijft leven in anderen.

Wie in de Geest gelooft, blijft in leven,

Al gaat het lichaam ten onder.

En wie zo leeft, in en door de Geest, sterft nooit.

Nooit, omdat de Geest onverwoestbaar is, onsterfelijk.
ZWIJGEN
Hoe moeilijk is het om te blijven zwijgen,

hoe zwaar valt het om slechts stil te zijn.


Hoe moeilijk is de stilte te verdragen,

de stilte die zwaar is van onmacht.


Hoe graag willen we troostwoorden zeggen,

hoe snel willen we opbeuren.


Hoe vlug zoeken we verklaringen, halen we God erbij,

zeggen we dat het een verborgen zin heeft.


Hoe snel vluchten we weg,

het is ons leed niet, het treft een ander.


Zwijgen zou nietszeggend zijn,

zwijgen zou niets betekenen, denken we.


Hoe moeilijk is het om te blijven zwijgen,

hoe zwaar valt het om slechts stil te zijn.

Stil, maar toch aanwezig.

VERGEET DE MOOIE DAGEN NIET


Als je je geen raad weet en je diep ongelukkig voelt,

denk dan even terug aan de mooie dagen van vol geluk.

Vergeet de mooie dagen niet!

Als de horizon, zo ver als je kijken kunt, donker blijft,

zonder een teken van licht, als je hart vol verdriet is,

en misschien vol bitterheid,

als schijnbaar alle hoop op nieuwe vrede en geluk verdwe­nen is,

zoek dan toch zorgvul­dig in je herinnering naar de mooie dagen.

De dagen dat alles goed was,

geen wolkje aan de hemel,

toen er iemand bij je was bij wie jij je thuis voelde

en die zich bij jou thuis voelde.

Vergeet de mooie dagen niet!

Want als je ze vergeet, komen ze nooit meer terug.

Neem jezelf helemaal opnieuw in handen.

Vul je hoofd met blijde gedachten,

je hart met vergevings­gezindheid, tederheid en liefde,

en je mond met een lach en alles wordt weer goed.

ALLEEN VERDER
Waarom? We blijven vragen,

waarom moest dit zo zijn?

Wij hadden het hier met elkaar

zo goed, het was zo fijn.


Nu moeten wij alleen verder,

al weten wij ook niet hoe.

Wij voelen ons eenzaam en wij zijn

zo ongelooflijk moe.


Jou gunnen wij nu te leven,

daar waar de tijd vergaat,

waar alle leven eeuwig is,

waar kwaad zich keren gaat.


Wij hopen dat je er thuis bent,

dat God over je waakt

en dat jij ons van daaruit

toch nog met je liefde raakt.


Dag lieve, lieve ……

wij redden ons hier dan wel.

Een allerlaatste groet, adieu,

wij zeggen je nu vaarwel.

THUISGEKOMEN
Je bent nu ten volle thuisgekomen

in Gods grote geheim,

te onverwacht, zo spreekt ons hart.

Jouw leven moeten we nu uit handen geven

en wordt door die Ander ingevuld.

Ons waarom wordt niet gehoord.


Je glimlach, je pretlichtjes in je ogen

heb je meegenomen, ons blijven herinneringen,

aanwezigheid, een beeld om te bewaren.

Hoe kan ik anders dan je danken

om wat je bent geweest, een fijn mens,

een middelpunt in onze familie,

bezorgd, maar ook onbezorgd en blij.
Je was een kind van de zon en van de vreugde,

je had de gave van de volle, blije lach.

Je mocht zo ontwapenend vrolijk zijn,

spontaan en eerlijk open,

genietend van het leven, bruisend vol verhalen.
Dat beeld willen we bewaren

want jij, al ben je ver nu, jij verandert niet.

Daarom kunnen we nu dankbaar zijn

voor alles wat je ons hebt gegeven.

De volheid van jouw leven in ons midden.

Ik durf te hopen dat je ook nu gelukkig bent.

DE PARABEL VAN DE PANFLUIT
Er was eens een boom, een onbekende boom,

ergens langs de waterkant.

Geplant door niemand weet nog wie.

Hij leefde daar breeduit met vele takken.

Hij droeg de forse stem van de wind,

of de doodse stilte van de avondlucht.

’s Winters was het leven kaal, zwiepend op de harde wind

en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten vol nieuwe beloften,

stond hij te wachten tot het lente werd.

Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon

en dan kwam hij weer toe aan zijn oude groene uitbundigheid,

zijn takken liepen weer uit en schoten bloesem uit ingehouden leven.

Het was een lust voor de ogen en als de zomer kwam

maakte hij een donkere hand gevuld met schaduw, gratis voor iedereen

en soms een paraplu tegen de stromende regen.

Zo leefde die boom met zijn takken jaar in, jaar uit,

zijn krachten verbergend en weer ontplooiend

op en neer in telkens vier seizoenen.

Maar op zekere dag kwam er een mens, een man gewapend met een mes.

De takken hielden van louter schrik het ruizen in.

Er was geen ontkomen aan, de mooiste tak werd afgesneden

en meegenomen naar het huis van die mens.

Een dode tak, voorgoed uit het leven weggesneden,

weggevallen uit de schaduw van velen, onopvallend

en straks natuurlijk stomweg vergeten.

Wat is een tak over een hele boom?


Drie dagen later was die man opeens weer terug

en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken . . .

Wie treft vandaag het bitter lot?

Maar kijk, de man ging zitten aan de voet van de boom en . . . . . .

Hij blies op de afgesneden tak, die hij panfluit noemde.

Hij speelde een lied en de boom verstond het zo:

Horen jullie mij? Ik leef, ik leef meer dan ooit tevoren.

Ik fluit, ik zing, ik lééf!


EEN MENS ALS JIJ
Jij bent in mijn herinnering aanwezig

In elk verhaal vanaf mijn jeugd.

Jij was het die mij optilde en aankeek

En zwijgend tot leven bracht.


Jouw blik,

die traan van vreugde

of ook van verdriet?
Jouw arm,

die mij vol tederheid vasthield

en toch liet gaan.
Jouw hart

dat veel begreep

veilige plek voor mijn onzekerheid

waar mijn domheid werd begraven,

mijn vuur werd aangewakkerd.
Wie ben ik zonder jou?
Een mens als jij

Heeft nooit veel woorden nodig

Om sprekend nabij te zijn.
HET HOOFDSTUK VOL
Terwijl mijn handen als vanzelf wat bladeren in het boek dat Leven heet,

gaan mijn ogen en daarbij ook mijn gedachten mee met alles:

Vreugde, lief en leed.
‘t Zijn misschien niet van die wijze zinnen,

’t zijn spontane woorden die ik nooit meer vergeet:

letters, aarzelend of krachtig neergeschreven over dingen

die ik in mijn leven deed.


Het hoofdstuk vol!

Wie had gedacht het laatste, het allereerste weet ik nog:

Een kind was ik, ach, pas begonnen en geen besef wat leven heet.

We schrijven allemaal, jaar in jaar uit,

wie telt het aantal woorden en wie bepaalt voor jou de tijd?
Hier mag je hardop denken, ook aan wat je zelf geschreven hebt.

Alles wat je is overkomen, het lief, het leed, en wat je vergeten bent.


Misschien herken je weer de dingen die we deelden, lang of kort.

’t Biedt wat troost, misschien wat vreugde,



noem het dan maar een warme zonnestraal van God.








1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina