Geert Mak in de war



Dovnload 10.69 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte10.69 Kb.
“Geert Mak in de war”, in HP/deTijd, 18 februari 2005, pp. 68-69

Gedoemd tot kwetsbaarheid is een fout boekje. Maar Geert Mak heeft vroeger honderden prachtbladzijden geschreven, alles bij elkaar niet minder dan zeven prachtboeken die terecht goed verkocht zijn, en na zo’n prestatie mag iemand ook wel eens een fout maken.

Het deze week verschenen Gedoemd reageert op de gebeurtenissen en de discussies die hebben plaats gehad in de laatste maanden van 2004. Het boekje noemt al op de eerste bladzij “de intense kou die plotseling ons huis binnen drong, op die 2de november 2004”. De nasleep van de moord op Theo van Gogh, wiens naam een alinea later ook inderdaad valt, is dan ook eigenlijk het hoofdonderwerp.

Geert Mak meent dat ‘de uitsluiting en het racisme in Nederland (p. 24)’ en ‘de vernedering van de niet-westerse wereld (p. 93)’ de bron zijn van de woede die tot de moord op Theo van Gogh geleid heeft.

Of dat waar is of niet, is nauwelijks vast te stellen, omdat de gebruikte terminologie daarvoor te vaag is. Wie heeft wie eigenlijk uitgesloten of vernederd? Waar, waardoor en wanneer? Welk racisme, waar en wanneer? Waar begint en eindigt de niet-westerse wereld? Is iedereen in die niet-westerse wereld even boos als Mohammed B.? Enzovoort.

Maar er is iets dat eigenlijk veel erger is. Geert Mak negeert de uitgebreide verklaring die Mohammed B. in een brief bij het lijk van Theo van Gogh heeft achtergelaten. In een strafproces heeft de verdachte altijd het laatste woord. Hij mag, als laatste, zeggen wat hij maar zeggen wil. Iedere Nederlandse rechter zal geduldig, of met gespeeld geduld, zo’n laatste woord aanhoren. Ook de ergste misdadiger heeft dit recht, maar zelfs al was het niet een wettelijk gegarandeerd recht, dan is het toch eigenlijk nog gewoon een kwestie van beleefdheid om eens rustig aan te horen wat andere mensen over zichzelf en hun daden te zeggen hebben.

Maar zelfs al was het niet de gewone beleefdheid die het zou voorschrijven om toch vooral goed naar de eigen verklaringen over het eigen gedrag van wie dan ook te luisteren, dan is er toch altijd nog de intellectuele nieuwsgierigheid naar de buitenwereld en naar ‘de Ander’, die ons moet dwingen dat te doen. Wanneer iemand als Mohammed B. er in slaagt iets te doen dat zulke ophef in het land heeft veroorzaakt, zou enige nieuwsgierigheid naar Mohammed B.’s eigen verhaal dan niet op zijn plaats zijn?

Geert Mak nu reageert met geen woord op wat de verdachte over zijn daad heeft geschreven. Gaat hij er soms van uit dat het allemaal toch maar apekool is, wat Mohammed B. te melden heeft? Als dat zo is, is het is moeilijk om een ander woord dan ‘discriminatie’ te bedenken voor deze houding van Geert Mak.

Mak noemt ‘het briefje’ (in werkelijkheid niet minder dan vijf A-viertjes) precies één keer (p. 40), maar de inhoud beschrijft hij niet. Goed, niet er op ingaan, dat kan honorabele redenen hebben. Maar waarom zelfs geen samenvatting? Vindt Mak het zeurderig om te moeten melden dat de brief half-verzonnen verminkte Talmoed-citaten bevat?

Maar over Joseph Goebbels, die voor de moord op Van Gogh veel minder relevant is, vertelt Mak ons wel uitgebreid dat deze ‘ook nog gefingeerde citaten uit de talmoed (p. 69)’ gebruikt heeft, iets dat toch waarachtig geen nieuws was in de laatste maanden van 2004. Of daarna. Sterker nog, daar zijn al tienduizenden bladzijden over geschreven. Had Mak niet vast een halve bladzijde kunnen gaan schrijven over hetzelfde verschijnsel bij Mohammed B.? Wie had er nou een moord gepleegd in november 2004? Goebbels of Mohammed B.?

In het boekje wordt de Tweede Wereldoorlog trouwens vele malen genoemd. Het is natuurlijk altijd goed om het over ‘het taaie verzet (p. 49)’ te hebben, of over ‘De taal van het Derde Rijk (p. 59)’, en ga zo maar door. Besef van het verleden is een groot goed, zo veel is zeker. Het is bovendien boven alle twijfel verheven dat Geert Mak veel van de Tweede Wereldoorlog afweet, maar we zouden het nu toch over de verwarring hebben die gevolgd was op de moord op Theo van Gogh? Waarom dan naar verhouding zo weinig over de moordenaar en zijn slachtoffer?

De brief van Mohammed B. bevat doodsbedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali, de VVD, de ‘Islamitische Umma die haar roes ligt uit te slapen’, Jozias van Aartsen, Job Cohen, alle ongelovigen, Amerika, Europa en Nederland. Wat hebben al die bedreigden met elkaar gemeen? Dat zou toch de eerste vraag moeten zijn, veel belangrijker dan bv. de kwestie-Dreyfuss die op p. 67 behandeld wordt.

Om het debat over de moord niveau te geven, hadden we Marokkaanse intellectuelen uit Parijs moeten halen, schrijft Mak (p. 41) en niet eindeloos ‘autochtone mannen, handelaren in angst (pp. 43 en 71)’ aan het woord moeten laten. Het is goed dat dat niet gebeurd is. De meningen van Marokkaanse intellectuelen uit Parijs zijn veel te hartig voor de Nederlandse luisteraar en kijker. Dan was het land pas echt in brand gevlogen. Lees bijvoorbeeld maar eens wat Abdelwahab Meddeb en de inmiddels overleden Rachid Mimouni te zeggen hebben. De kritiek die deze beiden op de islam hebben, gaat heel wat verder dan wat Nederlandse ‘autochtone mannen, handelaren in angst’ de afgelopen maanden voor hun rekening hebben durven nemen.

Leuke uitdrukking trouwens, ‘handelaren in angst’. Waar komt die eigenlijk vandaan? In Arabische versies van de zogenoemde Protocollen van de Wijzen van Zion, een berucht anti-semitisch vervalst document uit de 19de eeuw, worden de joden zo genoemd. Het zal toch niet zo zijn dat Geert Mak die aardige uitdrukking aan de Protocollen heeft ontleend? Anderzijds, als een retorische truc die de vijand bedacht heeft, effectief is, kan er toch eigenlijk geen bezwaar tegen zijn om die truc nu ook eens voor de goede zaak in te zetten.

“Alsof er in de koran een recept zou staan voor het afslachten van godsdienstige tegenstanders”, roept Mak getergd uit op p. 59. Tsja. ‘Hakt dan in op de nekken van de ongelovigen, en op elk vingerkootje’, Koran 8:12, klinkt toch verdacht als receptuur, en zo heeft Mohammed B. het ook opgevat.

Met grote instemming meldt Mak dat er in Friesland een dominee teksten uit de Koran las, en dat Winterswijkers ‘een boerenkoolmaaltijd -- zonder spekjes -- voor leden van alle geloofsgemeenschappen’ georganiseerd hebben. Wat is daar nu toch zo mooi aan? Boerenkool zonder spekjes is toch gewoon karig? Friese dominees krijgen in hun studie toch standaard met de Koran te maken? (Anders dan imams die in hun opleiding niet aan bijbelstudie doen).

Geert Mak moet zich ten tijde van het schrijven van dit boek verward hebben gevoeld. Dat was, voor de periode waar we het over hebben, normaal. Iedereen in die periode was overrompeld door de gebeurtenissen. Maar voor de geestesgesteldheid van Geert Mak bestaat een preciezere term. Kijk eens naar de laatste zin van zijn vierde hoofdstuk, p. 56. Daar concludeert Geert Mak uit een aantal wonderlijke feiten: ‘Je zou bijna moslim worden’.

Dat nu is haast een schoolvoorbeeld van het Stockholm-syndroom. Gegijzelden en andere slachtoffers van terrorisme hebben de neiging de mensen waar zij door bedreigd worden naar de mond te gaan praten. Gegijzelden hebben in veel gevallen in een hoog tempo sympathie voor hun belagers ontwikkeld, en dan vervolgens vaak per boek of artikel kond van gedaan van hun nieuwe sympathieën. Terreurbestrijders noemen dat het Stockholm-syndroom, naar een gijzeling van een bank in Stockholm waar dit verschijnsel voor het eerst, en niet voor het laatst, werd waargenomen.

De ogen gesloten willen houden voor de inhoud van het vijf kantjes tellende ‘briefje’ van Mohammed B., boerenkool zonder spekjes beter vinden dan boerenkool met, zelf haast moslim willen worden – er zijn blanke mannen om minder met ‘Stockholm’ gediagnosticeerd.



Geert Mak, Gedoemd tot kwetsbaarheid, Amsterdam: Atlas, 2005



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina