Geld teruggeven, de klant geeft er iets bij



Dovnload 194.22 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte194.22 Kb.
Geld terug!
Over…




  • Geld teruggeven

  • Geld teruggeven, de klant geeft er iets bij

  • Geld teruggeven, de kassamedewerker vraagt er iets bij


Maart 2004



Opdracht 1 Wat je al leerde over geld…

In eerdere lessen, heb je al heel wat geleerd over geld. Ook heb je leren rekenen met geld.

Dat was niet gemakkelijk, maarre….’t Kan nog veel moeilijker.
Eerst maar eens zien wat je nog weet het onderwerp geld en van betalen.

Hoe zat het ook alweer? Een kleine herhalingstest!


1. ► Nu wordt in Nederland en in veel andere landen van Europa betaald met de EURO. Weet jij nog

waarmee betaald werd vóór de EURO kwam in:


Nederland - In Nederland betaalde men met ………………………………………..
Duitsland - In Duitsland betaalde men met …………………………………………
Frankrijk - In Frankrijk betaalde men met ……………………………………….…
België - In België betaalde men met ……………………………………………..
Spanje - In Spanje betaalde men met …………………………………………….
Italië - In Italië betaalde men met ……………………………………………….

2. ► Het is nog niet zo heel lang dat de EURO er is. Weet jij per wanneer de EURO is ingegaan?


 Per 1 januari 2000

 Per 1 januari 2001

 Per 1 januari 2002
3. ► Welke euromunt hoort NIET in het rijtje thuis?
 een munt van 2 eurocent

 een munt van 1 eurocent

 een munt van 25 eurocent

 een munt van 10 eurocent


4. ► Vijfentwintig EURO en vier cent, schrijf je meestal niet voluit. Dat zou veel te lang zijn. Je noteert

zo’n bedrag in de euronotatie. Dat doe je dan zo: € 25,04.

Hieronder zie je bedragen voluit geschreven. Zet ze in de euronotatie. Let goed op waar je de

komma zet en denk aan de plaats van de nul!


a. Vijfentachtig euro en vijfendertig cent ……………
b. Tien euro en drie cent …………...
c. Honderdenvijf euro en één cent ……………
d. Achtenvijftig euro en tien cent …………..

5. ► Geld wisselen betekent:


 Je betaalt met gepast geld

 Je betaalt, je geeft geld en je krijgt terug wat je teveel geeft

 Je ruilt muntstukken of biljetten. Je krijgt net zoveel terug als je geeft. De waarde blijft gelijk.

Nu wat eenvoudige sommen met teruggeven…
In de rijtjes zie je verschillende bedragen staan. In het eerste rijtje staat de prijs van wat de klant koopt, in het tweede rijtje staat het bedrag dat de klant geeft. In het derde rijtje vul jij in wat je moet teruggeven aan de klant.


De klant koopt /

De prijs is



De klant geeft

bij de kassa



Jij geeft terug

€ 0,80

€ 1,00




€ 0,98

€ 1,00




€ 0,75

€ 2,00




€ 4,25

€ 5,00




€ 10,13

€ 15,00




€ 21,87

€ 25,00




€ 26,18

€ 30,00




€ 38,10

€ 40,00




€ 42,05

€ 50,00




€ 54,00

€ 54,00




€ 61,03

€ 65,00




€ 75,98

€ 90,00




€ 81,45

€ 100,00




€ 120,25

€ 125,00




€ 137,50

€ 150,00




€ 159,98

€ 160,00




€ 180,00

€ 200,00




€ 201,17

€ 210,00




€ 211,11

€ 220,00




€ 400,00

€ 500,00





Welke munten en/of biljetten geef jij terug?
Hieronder zie je een aantal opdrachten met plaatjes van euromunten en eurobiljetten. Boven het rijtje zie je steeds een bedrag dag moet worden teruggegeven. Geef in de hokjes onder de plaatjes aan welke biljetten en muntjes je kiest om dat bedrag bij elkaar te ‘rapen’.

Raap in het plaatje: € 23,04
















































Raap in het plaatje: € 5,13















































Raap in het plaatje: € 16,22

















































Raap in het plaatje: € 84,17














































Opdracht 2 In de snackbar

Hier zie je een overzicht van de prijzen van een bekende snackbar: FEBO. Let goed op hoeveel er besteld wordt, want dat moet je natuurlijk ook in rekening brengen! Reken ook steeds uit, hoeveel geld je moet teruggeven. Let goed op dat je de komma op de goede plaats zet.


Bestelling 1
2 BAMI-ballen € ………….

1 Grill-burger € ………….

1 Kipsaté € ..............

Totaal € ..............


De klant geeft Jij geeft terug € ................

Bestelling 2
3 Rundvleeskroketten € ……………
1 Kipburger € ……………
2 Satékroketten € ……………
1 Speciaaltje € ……………
Totaal € ……………

De klant betaalt met Jij geeft terug € …………


Bestelling 3
4 Kipburgers € …………..
1 Grillburger € …………..
2 Rundvleeskroketten € …………..
1 Frikadel € …………..
Totaal € ………….

De klant betaalt met Jij geeft terug € …………






Bestelling 4

2 Speciaaltjes € ……………


1 Kipburger € ……………
3 Gehaktballen € ……………
2 Kaassoufflés € ……………
Totaal € ……………

De klant betaalt met Jij geeft terug € …………




Opdracht 3
Het wordt nu weer wat moeilijker. Misschien heb je het wel al eens meegemaakt of gezien dat iemand dat in de winkel deed: ‘er iets bij geven..’ of dat de kassamedewerker daarom vraagt. Bijvoorbeeld 25 cent of 2 cent.
De klant geeft dan een bedrag erbij, zodat het gemakkelijker wordt om geld terug te geven.

Dan is er bijvoorbeeld minder kleingeld nodig en kleingeld is altijd een beetje een probleem bij kassawerk. Meestal is er te weinig van en dan wordt het erg lastig geld terug te geven.


Het is natuurlijk het allerbeste als je gepast kunt betalen. Dus precies het bedrag wat je moet betalen. Maar dat gaat niet altijd. Dan kan het soms helpen als je niet een mooi afgerond bedrag geeft, maar ‘iets erbij’.
Een paar voorbeelden:
Voorbeeld A
Marlies bestelt een broodje gezond en een broodje hamburger bij de catering. Dat kost bij elkaar

1,15 + € 0,95 = € 2,10. Marlies betaalt met € 5,00. De kassamedewerker vraagt of zij een muntje van 10 eurocent erbij heeft. Dat geeft namelijk makkelijker terug: Marlies krijgt dan 3 euro terug.


Kijk maar:
Marlies betaalt met € 5,00

Haar snacks kosten € 2,10

---------

Ze krijgt dan terug € 2,90
Als ze een muntje van 10 eurocent erbij geeft, krijgt ze € 3,00 terug, kijk maar:
Marlies betaalt met € 5,10

Haar snacks kosten € 2,10

--------

Ze krijgt dan terug € 3,00


Voorbeeld B
Joost koopt een DVD-tje. Dat kost € 24,25. Joost heeft alleen maar een biljet van 50 euro in zijn portemonnee. De kassamedewerker vraagt hem of hij 25 cent erbij heeft. Gelukkig heeft Joost dat.
Let op: hij krijgt nu € 26,00 terug van de kassamedewerker. Dat lijkt teveel, maar dat is niet zo. Kijk maar naar deze twee rekensommen.
Joost betaalt met € 50,00 Joost betaalt nu € 50,25

De DVD kost € 24,25 De DVD kost € 24,25

----------- -----------

Hij krijgt terug Hij krijgt terug

50 – 24,25 = € 25,75 50,25 – 24,25 € 26,00



Voorbeeld C
Ellen betaalt met € 100 voor een leuke broek, die € 95,00 kost. De kassamedewerker heeft geen briefjes van vijf in de geldlade. Hij vraagt haar of zij een briefje van 5 euro heeft. Ellen geeft hem er vijf euro bij. Ze krijgt dan een tientje terug. Klopt dat?
Ja, want als…:




Ze betaalt met € 100,00

De broek kost € 95,00

----------

Ze krijgt terug € 5,00

En als…..
Ze betaalt met € 105,00

De broek kost € 95,00

------------

Ze krijgt terug € 10,00

Nu jij!

A. ► Kijk goed naar wat het kost en wat de klant geeft, hoeveel ‘erbij gegeven wordt’ en reken uit

hoeveel jij terug moet geven. Kijk goed naar het voorbeeld!



Het kost…

De klant geeft….

‘Erbij’ wordt gegeven..

Jij geeft terug…

1,10

5,10

0,10

5,10 – 1,10 =€ 4,00

0,20

1,20

0,20

1,20 – 0,20=€

2,07

5,07

0,07

5,07 -

3,04

10,04

0,04




4,55

5,05

0,05




5,10

10,10







7,35

20,35







9,03

20,03







20,45

50,45







22,75

25,25







51,05

56,05







B. ► Hoeveel zou jij ‘erbij vragen’ als je kassamedewerker was? En hoeveel geef je dan terug? Kijk

weer goed naar het voorbeeld.





Het kost…

De klant betaalt met…

Je vraagt erbij….

Je geeft terug…

1,10

2,00

0,10

2,10 – 1,10 =€ 1,00

0,60

1,00







2,05

5,00







4,50

10,00







5,35

6,00







15,05

20,00







8,75

10,00







51,15

100







22,00

50,00







105,00

120,00







201,03

205,00






C. ► Het is niet altijd zo, dat het bedrag dat je gaat teruggeven, zo mooi rond wordt. Soms is er in de

kassa een tekort aan bepaalde muntjes. Dan moet je het anders oplossen.

Bijvoorbeeld: je hebt wél muntjes van 10 cent, maar niet van 20 cent. Een klant koopt een artikel

dat € 18,10 kost en betaalt met een biljet van 20 euro.

Je vraagt of de klant 10 cent erbij kan geven, maar dat heeft hij niet. Hij kan jou

wel 20 cent geven. Dat komt beter uit, want je hebt immers wél muntjes van 10 cent.
Zonder kleingeld bijvragen: Mét bijvragen van kleingeld:

De klant geeft € 20,00 De klant geeft € 20,20

Het kost € 18,10 Het kost € 18,10

----------- ----------

Je moet teruggeven € 1,90 Je moet teruggeven € 2,10

Soms ook kiest de kassamedewerker ervoor er een klein bedrag bij te vragen, zodat ze op een

mooi getal uitkomt, zoals € 0,55 in plaats van € 0,58. Of € 2,50 in plaats van € 2,51.

Dit is best lastig. Oefen dit met de volgende sommen.



Geef in de plaatjes aan wat je teruggeeft:
► Het kost € 5,10. De klant betaalt met 6 EURO. Hij heeft geen dubbeltje erbij, wél een muntje

van 20 eurocent.

Wat geef jij terug? € 6,20 – 5,10 = € ………..















































► Het kost € 24,20. De klant geeft € 25,00. Je vraagt 20 cent erbij, maar ze heeft alleen maar een

muntje van 50 eurocent. Wat geef je terug?
€ 25,50 - € 24,20 = € ………….














































► Het kost € 2,67. De klant geeft je 5 EURO en je vraagt of hij 2 cent erbij heeft. Je krijgt de 2 cent.

Hoeveel moet je teruggeven?
€ 5,02 – 2,67 = € …………














































► Het kost € 50,65. De klant betaalt met 70 EURO. Je vraagt 15 cent erbij en de klant kan het je

geven. Wat geef je terug?


€ 70,15 - € 50,65 = € ………..

















































Opdracht 4 Nog meer rekenwerk met geld
► Je ziet hieronder een aantal kassabonnen. Er staat waarmee de klant

betaalde. Wat kreeg de klant terug?






A.

Bij V&D werden schoolartikelen gekocht.


Kijk goed naar het bedrag.


De klant betaalde met een biljet van

De kassamedewerker vroeg er

€ 0,03 cent bij.
Hoeveel kreeg de klant terug?

Laat zien hoe je het uitrekent:


De klant krijgt € ……… terug






B

.
Een bon met inkopen bij PRAXIS.

De klant betaalde met een biljet van
Kijk goed naar het totaalbedrag.

Wat zou jij erbij vragen om het teruggeven

gemakkelijker te maken?

Ik zou er € ………… bij vragen.


Hoeveel krijgt de klant dan terug?

Laat hier zien hoe je het uitrekent.

De klant krijgt € ………… terug.
C.

Hier werd een DVD-tje gekocht voor maar € 2,95.

Betaald werd met een biljet van
De kassamedewerker vraagt 45 eurocent erbij en de klant heeft dat ook in haar portemonnee.


Hoeveel krijgt de klant terug?

Laat zien hoe je het uitrekent.

De klant krijgt € ………….. terug.





D.
Hiernaast zie je een kassabon van de HEMA.

Er werden foto’s opgehaald bij de afdeling Ontwikkelen

& afdrukken. De klant betaalde met
De kassamedewerker heeft 4

eurocent erbij gevraagd.

De klant had 4 centen in de

portemonnee.




Hoeveel heeft de klant teruggekregen?

Laat zien hoe je het uitrekent.
De klant krijgt € ………… terug.

Opdracht 5 Sommen door elkaar…

In deze laatste opdracht van dit boekje, krijg je de verschillende sommen door elkaar.

Goed opletten dus!

1. Mischa koopt op de kermis een grote lolly. De lolly kost € 1,75.



Zij betaalt met


Hoeveel krijgt Mischa terug?






2. Een mobieltje kost € 109,98. Een klant koopt het mobieltje en betaalt met:



Hoeveel krijgt de klant terug?

Hoe reken je dat uit?


De klant geeft € …………..

Het kost € …………..


Terug € ………….
Wat voor soort som is dit? Maak het hokje bij het juiste antwoord zwart.
 optellen (+)

 keer/vermenigvuldigen (x)

 aftrekken (-)

 delen (: of /)

3. Marcel gaat met zijn vrienden naar de FEBO en koopt daar:

2 rundvleeskroketten, per stuk € 1,00 = € ……………….

2 patat met mayonaise, per stuk € 1,50. = € ……………….

De mayo kost € 0,25 per portie. = € ……………….

1 frikadel, per stuk € 1,00 = € ……………….

3 grillburgers, per stuk € 1,50 = € ……………….

4 milkshakes aardbeien, klein, per stuk € 1,50 = € ……………….

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Totaal kost het € ……………….


Marcel betaalt met






Hij krijgt terug:

4. Els huurt in de videotheek drie video’s voor een leuk weekend met

vriendinnen. De huurprijzen zijn € 5,00 € 7,50 en € 3,50.


Hoeveel moet Els in totaal betalen?


► 5. Sjors heeft weinig kleingeld in de kassa. Da’s lastig, want hij moet nog de hele

middag kassa draaien. Hij probeert zo goed mogelijk ervoor te zorgen dat hij zo

weinig mogelijk klein muntgeld terug moet geven. Daarom vraagt hij de klant

steeds iets erbij te geven. Kun jij hem helpen bij het teruggeven? Reken uit en zet

het juiste bedrag in de tabel. Schrijf in het laatste rijtje steeds hoe je het berekent.




Het kost…

De klant geeft….

Sjors vraagt erbij…

Sjors geeft terug…

11,10

25,00

0,10

25,10 – 11,10 =€ 4,00

89,20

90,00







32,17

40,00







1,27

2,00







64,55

100,00







15,10

20,00







► 6. Marleen heeft vandaag allemaal klanten, die wel begrijpen dat ze graag kleingeld ontvangt. Ze

geven er zonder dat ze het vraagt, iets bij, zodat het teruggeven minder munten kost.

Reken jij even mee? Schrijf in het laatste rijtje steeds hoe je het uitrekent!






Het kost…

De klant geeft….

“Erbij” gegeven wordt….

Marleen geeft terug…

71,10

80,10

0,10

80,10 – 71,10 =€ 9,00

9,20

20,20

0,20




132,17

152,17







1,27

2,02







34,55

50,05







73,38

80,13









Praktijkonderwijs Waterland

Kantoor- en Winkelpraktijk







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina