Geloof: kiezen of krijgen?



Dovnload 94.93 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte94.93 Kb.

Geloof: kiezen of krijgen?

Verantwoording bij deze uitgave

 

Is het geloof een zaak van kiezen of krijgen? Is het geloof een werk van mijn kant of is het een werk van God. En hoe kom je nu eigenlijk tot geloof? Hoe kan ik persoonlijk geloven? Wat gebeurt er dan? Dat waren vragen die centraal stonden tijdens de lezing die ds. M.J. Kater uit Zeist tijdens één van de jongerenavonden heeft gehouden. Aan het onderwerp: “Geloof: kiezen of krijgen?” kan een gevaar kleven. Het gevaar kan nl. zijn dat we uren gaan disputeren en redeneren over de vraag: ‘kiezen of krijgen’ en intussen niet na denken over de vraag: Geloof IK persoonlijk wel?

 

Er zijn veel jongeren die bekend zijn met de letter van de Bijbel. Ze kunnen over bepaalde leerstukken uren redeneren en disputeren, ze kunnen dozijnen teksten aanhalen, om hun eigen godsdienstige opvattingen te verdedigen. En toch blijft het bij die verstandelijke letter-kennis. Behoor je ook (nog steeds) bij deze jongeren? In het christelijke geloof gaat het om het hart! Het gaat niet zozeer over het hoofd. Je kunt de hele waarheid, zoals die in Jezus Christus is kennen en ermee instemmen dat zij goed is. Het kan zijn dat je juiste, heldere en degelijke godsdienstige opvattingen hebt. Maar toch kun je ondertussen nog wandelen op de weg die naar het verderf leidt. Het gaat er immers om dat je hart recht is voor God. Is jouw hart recht voor God?



 

Ds. M.J. Kater weet het onderwerp: “Geloof: kiezen en krijgen?” op een heldere en praktische manier toe te passen, zodat iedere hoorder of lezer in de Bijbelse klem wordt gezet. Want wat zal het ons immers baten om de waarheid te weten op de vraag: ‘kiezen of krijgen’, maar dat je voor jezelf niet weet of je het ware geloof hebt? Daarom is het vooraf van levensbelang om antwoord te weten op de vraag: GELOOF IK WEL? Durf die vraag onder ogen te zien. Je kunt het belang van deze vraag moeilijk overschatten. Leven of dood, hemel of hel, zegen of vloek, alles hangt hier van af. Het leven is kort en onzeker. De dood is wel zeker. Het oordeel kun je niet ontlopen. De zonde is ontzettend zondig. De hel is een afschuwelijke realiteit. Alleen Christus kan je redden. Er is geen andere naam gegeven onder de hemel tot zaligheid, waardoor je gered kunt worden. Als je niet gered wordt, is dat je eigen schuld. Je wilt niet geloven! Je wilt niet tot Christus komen, opdat Hij je het leven zou geven. Laat je vandaag waarschuwen. Je moet ofwel in Christus geloven, of voor eeuwig verloren gaan. Rust niet voordat je een bevredigend antwoord kunt geven op de vraag: GELOOF IK WEL? Wees niet tevreden voordat je kunt zeggen: Door de genade van God geloof ik.

 

Wij, als organiserend comité, hebben het hartelijke verlangen, dat je leert inzien, dat het daarop aankomt in je leven. We smeken en bidden dat dit boekje gebruikt mag worden als slijk aan Gods vingers om je blinde ogen (opnieuw) te openen. Sola Gratia!

 


Het comité

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 

 



Geloof: kiezen of krijgen?

Vanavond gaan we nadenken over het onderwerp: “Geloof: kiezen of krijgen?” Voordat ik daar mee begin, zou ik je allereerst wat willen vragen. Als ik je vanavond vanuit Gods Woord zou aantonen dat geloof een zaak is van kiezen, wat kies je dan? Zou je dat ergens een opluchting vinden? Zo van: “Gelukkig, ik kan er toch gewoon voor kiezen”.

 

Maar het kan ook omgekeerd. Als ik je vanavond vanuit Gods Woord zou gaan aantonen, dat geloof alleen een kwestie is van krijgen, zou je daar blij mee zijn? Zoals onze Heidelberger Catechismus het zegt: “Vanwaar komt zulk geloof?” Antwoord: Van de Heilige Geest. Daar komt jouw en mijn naam niet in voor. Nee, er staat: van de Heilige Geest! Hier ben je dus helemaal aangewezen op het werk van de Heilige Geest. Steekt het eigenlijk een beetje van binnen, dat er niet wat meer of iets anders gezegd wordt.



 

Of denk je dat je het geloof krijgt, door zoveel mogelijk met Gods Woord bezig te zijn, gebedstijden te kennen en door deze jongerenavonden te bezoeken. Dat samen met het werk van Heilige Geest zorgt er dan voor dat je het geloof krijgt. Zie je het liever zo? Of is er vanavond iemand die zegt: “Als het waar is, dat het alléén een werk is van de Heilige Geest, dan kan het voor mij ook. Als alleen de Heilige Geest het doet, dan heb ik vanavond geen enkele reden om een vraagteken te zetten of ik dan wel tot geloof zou kunnen komen.”

 

Na deze korte inleiding wil ik beginnen met een klein verhaal. Ik heb het niet zelf verzonnen. Het is van de hand van een Engelse predikant. Misschien heb je het boek ook wel in de kast staan: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” van John Angell James (blz. 69 t/m 81).



 

In het hoofdstuk dat over het geloof gaat begint J.A. James met een voorbeeld.

 

Stel u voor, dat een aantal onderdanen van een goede en wijze koning zonder duidelijke oorzaak in opstand zouden komen tegen die koning en wapens zouden opnemen om hem van de troon te stoten. Welnu, die daad op zich al is voldoende reden voor die koning om die opstandelingen ter dood te veroordelen.

 

Waar of niet? Als ik dit verhaal verder nog vertel, voel je onmiddellijk aan, dat het ten diepste erom gaat, wat wij gedaan hebben tegenover God. Laat ik dit meteen zeggen als het gaat over: “Geloof: kiezen of krijgen?” Zou God je onrecht aan doen, als je nooit tot geloof kwam?



 

En toch is deze vorst in zijn grote barmhartigheid bereid om hen gratie te verlenen. Dat laat hij bekend maken aan iedereen die voor een bepaalde datum voor hem verschijnt en hem om genade verzoekt. Die zal gespaard worden. Allen echter, die onder de wapenen gevonden worden en die niet voor de vorst verschenen en zich aan zijn genade overleverden, díé zullen gedood worden. Nou wat zijn de gesteldheid, en de daad die verwacht worden van degenen die gered willen worden? Waar komt het nu alleen maar op aan? Geloof! Want ze moeten geloven, dat de proclamatie die van de vorst uitging, dat die waarachtig is en dat die zijn woord zal vervullen. Ze moeten niet alleen die aankondiging geloven, maar ze moeten ook hun vorst vertrouwen. Ze moeten dus in hem geloven. Want welke waarborg en welke aanmoediging hebben ze om naar hem toe te gaan? Zijn aankondiging, dat hij gratie zal verlenen. En die alleen. Niet enige overtuigingen of verlangens die ze zelf koesteren. Als één van deze opstandelingen terug wilde keren, zou hij niet zeggen: “Ik heb veel hoop en goede reden om te gaan en te verwachten dat ik vergeving zal ontvangen, want ik verlang zo erg naar vergeving.” Nee hij zou zeggen, “Mijn vorst heeft mij verzocht om térúg te keren en mij gratie belooft. Hij heeft me zijn woord gegeven en ik kan hem vertrouwen. Daarom zal ik gaan, vol vertrouwen, op zijn genade”.

 

Als er nu iemand van die opstandelingen zegt: ”Ja, maar eigenlijk durf ik niet te gaan, want die koning is zo machtig”. En hij heeft toch het recht om mij te doden? Hij zou dat door een van zijn lijfwachten zo kunnen doen. Ik ben immers zo’n oproerkraaier geweest. Ik verlang er wel naar om vergeving te krijgen.



 
Ja, maar…

En hij zou er wel alles voor willen doen, maar als hij zo blijft redeneren in zijn huis, dan gaat de datum voorbij, die de koning gesteld had als uiterste datum om voor hem te verschijnen. En wat gebeurt er. De man wordt opgepakt en ter dood gebracht. “Ja maar, hij verlangde zo erg naar vergeving”. Jawel, maar die straf is hij dubbel waardig. In de eerste plaats inderdaad voor die opstand, maar in de tweede plaats ook voor zijn ongeloof. Zijn gebrek aan geloof en niet zijn rebellie is de eigenlijke oorzaak van zijn dood. Zijn zonden zou vergeven zijn als hij geloofd had. Zijn overtuiging, zijn verdriet, zijn tranen en zijn begeerte naar genade konden hem niet redden. Hij had zijn vórst beledigd. Door aan zijn oprechtheid te twijfelen en zijn bevel niet te gehoorzamen.

 

Zonder geloof kunnen we God niet behagen

Misschien is er één die eigenlijk al genoeg gehoord heeft. Dat zou kunnen, maar het bepaalt ons in ieder geval bij de absolute noodzaak van geloof. Daar is Gods woord heel duidelijk in. “Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen”. Met alles wat je dan verder nog zou hebben. Zie ook de laatste woorden van Johannes 3: “Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem”. Geloof toch kiezen? Of krijgen?

 

Laten we zeggen: “Krijgen”. Ik denk, dat als ik zo de gedachten eens zou mogen horen, dat de meeste van jullie zeggen, “Ja dat is het. Het geloof is niet kiezen maar krijgen”. Zoals ik las in de Heidelberger Catechismus: “Vanwaar komt zulk geloof? Van de Heilige Geest, die het werkt door de prediking van het Evangelie. En als laatste de tekst in Efeze 2:8, “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave”. Ik denk dat daar een heel duidelijke lijn mee gegeven is. Geloof is een zaak van krijgen. Een gave van God. Waar komt nu eigenlijk het geloof vandaan?



 
Geloof is uit het gehoor

In ieder geval is het heel belangrijk om vast te stellen dat het geloof uit het gehoor is. Ik zou dat nog wel honderd keer willen noemen vanavond. Het geloof is uit het gehoor! De eerste aanraking van God in het leven van één van jullie, gaat via je oren. De eerste aanraking van je hart dat is een wóórd van God. Dus als het gaat om de vraag: “Hoe krijg ik dat dan?” Dan mag van meet af aan duidelijk zijn, dat krijg ik door te horen. “Jawel”, kun je tegenwerpen, “maar we horen het toch allemáál? In de kerk zitten ze toch allemaal te luisteren?” Dat is waar, maar dan is het nog zo dat de één werkelijk tot geloof komt en de ander níét. Hoe komt dat dan? Daar zou je heel wat redenen voor kunnen noemen.

 

Als je aan een kind van God zou vragen: “Hoe kwam je nou tot geloof? Hoe kreeg je dat geloof? Hoe ging dat dan?” Dan zou hij (of zij) kunnen zeggen dat, dat voor zijn beleving een gevolg is geweest van een gevoel van nood. Een gevoel van nood omdat hij een Verlosser nodig had. Omdat hij ervan overtuigd raakte dat hij zichzelf niet kon helpen. En omdat deze Verlosser hem verkondigd werd, dat hij daarom eigenlijk niet anders kon, dan geloven in Jezus Christus. Omdat hij eigenlijk in een hoek gedreven was, waar hij geen enkele andere uitweg meer zag. Dat hij zag dat hij zo’n schuld had tegenover God dat er maar Eén was die voor hem betalen kon. Maar wie bracht hem dat gevoel van zijn nood bij? Je kan natuurlijk bepaalde dingen met je verstand (en dat heeft God niet voor niets gegeven) gaan beredeneren.



Maar jezelf kennen met het verstand of het geweten is op zich nog geen garantie dat het een werk van de Heilige Geest is. Dus dat gevoel van die nood zodat je uitgedreven wordt tot Hem, komt van de Heilige Geest. Waarom vlucht Judas het ravijn in en Petrus in de armen van de Zaligmaker? Aan wie lag dat? Was dat niet, dat de Heilige Geest Petrus’ hart verbrak. Opnieuw, grondiger en dieper?

 

Door U alleen!


Dus hoe kom je aan het geloof? Kiezen of krijgen? Vanuit wat we tot nog toe gezien hebben, zou je kunnen concluderen dat je het krijgt als geschenk van God, door het werk van de Heilige Geest. Niemand komt tot Christus, zonder dat de Heilige Geest hem trekt. En waarom werkt de Heilige Geest het bij de één wel en bij de ander niet? Uiteindelijk kun je dan maar één antwoord geven. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Uitéíndelijk alleen dáárom. Laat dat helder zijn vanavond.

 

Geloof is een zaak van ontvángen. Het is een werk van de Heilige Geest, waar niet één van ons een steentje aan bijdraagt. Is dat alles? Nee!



 
Ongeloof sluit ons buiten

Want ik vroeg aan het begin al: “Zou je daar blij mee zijn?” Er zijn mensen die er blij mee zijn en ik hoop niet dat ze vanavond hier zitten. En eigenlijk hoop ik het ook weer wel. En dan hoop ik het namelijk hierom, dat je vanaf nu geen enkele gelegenheid meer krijgt om je te verschuilen achter je ongeloof.

 

Dat het geloof een werk is van de Heilige Geest en dat uiteindelijk de Vader bepaald heeft vanuit Zijn welbehagen wie dat geloof wel of niet zullen ontvangen moet inderdaad wel allereerst gezegd worden, maar als dit alleen gezegd zou worden dan zeggen we veel te weinig!



 
We worden dringend genodigd

Wij allemaal, worden genodigd om te geloven! Op hoeveel manieren nodigt het evangelie ons niet uit om in Christus te geloven? De Schrift gebruikt hiervoor heel veel verschillende uitdrukkingen. Het komen tot Christus als een geloven in Hem. “Komt allen tot Mij, die vermoeit en belast zijt”. Een hopen op Hem. Een zien op Hem. “Zo iemand dorst heeft, die kome”. Zo meteen daar meer over, maar laat het nu alvast duidelijk zijn dat we worden genodigd om in Christus te geloven.

 

God eist van ons geloof!



En dat is helemaal niet in tegenspraak met wat ik tot nog toe gezegd heb (nl. dat het geloof een gave van de Heilige Geest is). Misschien denk je ondertussen direct al: ”Ja maar, ik kan toch niet geloven?” Wie heeft je dat verteld? Hoe kom je daarbij? Wie heeft je wijs gemaakt, dat je niet kan geloven? Zeg je dat alleen maar op grond van wat je tot nog toe gehoord hebt. “Ja maar, geloof is toch een gave van God, dus dat kan ik mezelf toch niet geven?” Dat zal waar zijn. Er is niemand van nature die kracht heeft om in Christus te geloven, Hem aan te nemen, tot Hem te komen, ons aan Hem vast te klemmen en onze ziel aan Hem toe te vertrouwen, maar als je Gods Woord leest dan zie je dat je een plícht hebt. Eén van die plichten is: Geloof! Onder die verplichting leef je! Geloof in de Heere Jezus Christus! (Hand. 16:33). Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon de Heere Jezus Christus ( . . . )

 

Geloof als gave van God en als een plicht die op je rust, moet je niet gaan proberen met elkaar te verzoenen. Dat heeft geen enkel nut. Ga nu alstublieft niet redeneren: “Ja, maar ik ben nog onbekeerd. En hoe kan een onbekeerd mens dan zien op Christus, of zich bekere of geloven?” Dat weet ik bij wijze van spreken ook niet, maar ik weet wel dat de Bijbel tegen u, jou en mij zegt: “Geloof het Evangelie. Roep Mij aan!”



 
Ja, maar…

Op alle tegenwerpingen, zoals ”Ja, maar ik heb nog geen gevoel van mijn nood. Ja, maar...” Vraag Hém er dan om! Want, níét geloven is God tot een leugenaar maken! Als er nou vanavond iemand is die zegt: “Ja maar, ik vind geloven zo moeilijk. Ik kom er maar niet toe”. Vind je niet geloven dan gemakkelijker? Vind je het gemakkelijker om God tot een leugenaar te maken? Of trap ik je met deze zin eigenlijk op je hart? Is dat iets waar je hart onder schreeuwt? Denk je bij jezelf: “Dát wil ik niet; God tot een leugenaar maken.”

 

Bedenk, dat iedere dag dat je zonder geloof leeft je schuld vermeerdert en God zich vertoornt over je ongeloof. J. C. Ryle schrijft in dit verband. “Elk uur graaft u het graf voor uzelf dieper. Stá óp! Róép tot Christus! Ontwáákt! Róépt tot Jezus! Wat de moeilijkheden om te geloven ook mogen zijn, één ding is heel duidelijk; niemand is ooit omgekomen en naar de hel gegaan bij de voet van het Kruis.



 

Waag het er maar op

 

Geloof een zaak van kiezen?!


Hiermee ben ik ondertussen aangekomen bij dat andere woord. Als ik eerst het krijgen benadrukt heb, denk ik dat ik nu ook het kiezen moet benadrukken. Ik zal je vanuit de geschiedenis van de stokbewaarder proberen aan te tonen waarom ik dat ook moet benadrukken. De geschiedenis van de stokbewaarder is een heel bekende geschiedenis als het gaat om; Wat moeten we nu eigenlijk doen om zalig te worden?

 

De geschiedenis hoef ik niet uitgebreid te vertellen, die ken je. Midden in de nacht verschijnt de stokbewaarder, bevend als een rietje, voor Paulus en Silas. “En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde (Handelingen 16:27-31), en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvloden waren. Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier. En als hij licht geëist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten; en hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.”



 

Dat klinkt dus als een bevel! Die stokbewaarder staat daar op dat moment in zijn leven op een tweesprong. Als het aan hem gelegen had was hij linksaf gegaan, want hij had het zwaard al getrokken. Dan was hij neergestort in de eeuwige verwoesting.

 

Door het geloof alleen behoudenis

Laat maar aan de Heilige Geest over, wat deze man allemaal doorleeft heeft. Maak daar maar niet een heel verhaal van. Van één ding is hij wel overtuigd. Hij heeft een diepe indruk van de majesteit van een God die hij nog niet eens kent.

Én hij doet een indruk op van de liefde van Christus. Hoezo? Wel, die twee dienaren die daar met bebloede ruggen staan, roepen hem hartstochtelijk toe: “Doe uzelven geen kwaad”. Dat zijn nota bene mensen die hij zodanig behandeld heeft dat het bloed van hun ruggen afliep. Die in die onderste kerker gezeten hebben, wellicht met koorts in hun lichaam. Hij heeft iets

 

Nota bene die twee roepen hem toe: “Doe uzelf geen kwaad”. Daarin heeft hij iets gehoord wat voor hem onbegrijpelijk was, nl.: liefde! Met die twee raadsels staat hij daar voor Paulus en Silas. En dan komt de vraag naar boven: “Wat moet ik doen om zalig, om behouden te worden? Geloof in de Heere Jezus Christus! Deze prachtige uitdrukking vertalen heel wat puriteinen als volgt: “Ga stáán op Jezus Christus! Leun op Hem! Ga líggen op Hem!



 

Ik zei dat de stokbewaarder op een tweesprong staat. Er wordt nu een keuze van hem gevraagd. Ja, toch? Gelóóf………! Wat kan hij nu doen? Hij kan zeggen: “Ja, ik weet niet hoe ik dat moet doen? Als het betekent dat ik mezelf over moet geven en aan Hem gewonnen moet geven, dan heb ik daar geen zin in.” Maar hij kan ook voor het woord: “Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” vallen. Hij kan zich gewonnen geven. Dus maar twee mogelijkheden.

 

Dat is hetzelfde als: “Kies dan heden wie gij dienen zult.” Zo klinkt het al vaker in je leven. Kies dan heden wie gij dienen zult! Want, “Geloof in de Heere Jezus Christus” betekent: Vlucht tot Hem! Klem u vast aan hem! Eet! Drink!



Om het bovenstaande nog wat duidelijker te krijgen wil ik in dit verband een voorbeeld geven. Toen je nog heel klein was en aan tafel zat gebeurde het weleens dat je vader of moeder zei: “En nu eten!” Hoe ging het toen? Misschien heb je het toen met heugen en meugen toch maar naar binnen gewerkt of misschien werd het naar binnen gewerkt! Zo gaat de Heere niet met het geloof om, maar wel dit: of je gaf je gewonnen aan de wil van moeder of je verzette je tegen de wil van moeder. Er werd gekozen. Zo beredeneerde je dat toen natuurlijk niet, maar dat gebeurde wel.

 

Als ik dat kiezen nog met een ander bijbels voorbeeld mag duidelijk maken, dan denk ik aan Johannes 3, waar eerst over de wedergeboorte gesproken is. Het is niet per ongeluk dat in Johannes 3, de Heere Jezus als eerste de wedergeboorte ter sprake brengt. Als er één hoofdstuk is, waarin wedergeboorte, geloof en bekering in één adem genoemd zijn, dan is het Johannes 3 wel.



 

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. En dan weet je het voorbeeld wat de Heere Jezus genoemd heeft. “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Bedenk dat jij hier vanavond zit als een gebetene! Het Evangelie toont ons de Slang. De verhoogde koperen Slang. En er wordt bij gezegd: “Zie op Jezus!”



 

In onze gedachten gaan we even op bezoek bij die Israëlieten die daar in de woestijn waren. Sommige zijn al bijna bezweken door het slangenvergif in hun aderen, maar iedere Israëliet, die op het bevel van het Evangelie zijn oog richtte op de koperen slang, die wérd genezen. Als ze niet keken, deden alle tegenargumenten verder helemaal niet ter zake. Zelfs niet het tegenargument: “Ja maar, ik ben het toch niet waard?” Ik zeg niet dat, dat niet begrijpelijk is. Dat is het, want je bent het ook niet waard. Als God daar naar zou handelen, zou Hij het Evangelie niet laten verkondigen. Nee, het bevel klinkt: “Zie, zie op Hem en je zúlt zalig worden!”

 

Geloof: kiezen of krijgen?



Eigenlijk ben ik met geen van de twee gelukkig. Als we alleen krijgen zeggen, dan zeggen we wellicht iets te weinig. Althans dat kan zo gemakkelijk tot misverstanden leiden. Als ik alleen kiezen zeg, kan dat ook heel gemakkelijk tot allerlei misverstanden leiden. En hoe vaak gebeurt dat niet? Want dat gebied de eerlijkheid ook om te zeggen. Velen zeggen: “Geloof? Joh, daar moet je voor kiezen!” Je kunt veel soorten geloof kiezen, maar één soort geloof niet, nl. het echte. En daarom zou ik liever zeggen dat het geloof een gekregen keus is.

 

Dat het geloof een gekregen keus is, staat nergens mooier verwoord dan in de Dordtse leerregels:


 

Zo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort;” Geloof: krijgen. “ook niet daarom, dat God alleenlijk de macht om te geloven zou geven, en daarna de toestemming of het metterdaad geloven van den vrijen wil des mensen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het werken, ja, alles werkt in allen, in den mens teweegbrengt beide, den wil om te geloven en het geloof zelf (Hoofdstuk 3 en 4, artikel 14).

 

Artikel 12 is begonnen met de wedergeboorte. En aan het eind wordt daar gezegd, “Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens, door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. Dat doet dus die mens zelf. Artikel 13 grijpt dan terug op die wedergeboorte. En dan artikel 14: Geloof is een gave van God. Ik denk dat, dat heldere taal is. Je krijgt het geloof. Het wordt metterdaad meegedeeld, deelachtig gemaakt.

 

Tegelijkertijd wordt beleden dat de mèns gelooft. Niet als een automaat, maar je bent er alle vezels van je bestaan bij betrokken. Zo zie je dat het geloof een gekregen keus is. Je krijgt het en als gevolg daarvan, krijgt dat ook handen en voeten in het kiezen. Je blijft voortdurend afhankelijk van het werk van de Heilige Geest, maar je bent daar zelf wel helemaal bij betrokken.

 

“Ja maar, hoe krijg ik het geloof dan?” Als je toch nog de Dordtse Leerregels voor je hebt liggen, dan wil ik je wijzen op datgene wat staat in artikel 16 en 17. Dat moet je vanavond of verder deze week nog maar eens rustig overlezen. Tussen haakjes als je nog eens een mooi artikel wilt lezen (dat kan nu allemaal niet) dan wil ik je wijzen op artikel 16 uit hoofdstuk 1. Ik hoop niet dat het vreemd klinkt als ik het zeg, maar als er vanavond een tobber in ons midden is, dan moet je dát artikel eens lezen.

 

Artikel 16 en 17 uit hoofdstuk 3, 4 wijst ons heel nadrukkelijk op de middellijke weg waarop God het geloof werkt. Ik lees alleen het begin van artikel 17, “Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereist het gebruik der middelen, door welke God naar zijn oneindige wijsheid en goedheid deze zijn kracht heeft willen uitoefenen; alzo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart,” (dat geldt net zo goed voor: waardoor Hij ons het geloof metterdaad meedeelt) “geenszins uitsluit, noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte, (en van geloof) “en een spijs der ziel” (hier heb je het geloof in de activiteit, nl. eten) “verordineerd heeft.”

 

Geloof is de band met Christus

Je kunt het geloof de band aan Christus noemen. Dat ziet vooral op datgene wat God doet, want niet de mens verbindt zichzelf aan Christus. Dat is dat akelige, oppervlakkige spreken van: “Ik kies voor Jezus”. Zonder dat er enig besef is van waarom nou eigenlijk. Misschien alleen omdat je Hem zo aardig vindt of omdat je Hem zielig vindt (nu in de lijdenstijd). Dat heeft niets met de band aan de Heere Jezus te maken. Dan geldt een ander Woord: “Weent niet over Mij, maar weent over uzelven.”

 

Geloof als bedelaarshand

De band wordt dus door Gód gelegd. Dat is het geloof, zoals we belijden, als gave van God. God verbindt door Zijn Heilige Geest een zondaar aan Christus. Maar geloof is ook de bedelaarshand. En dat is niet de hand van God! Dat is de hand van de bedelaar. Dat is helemaal niks om je op te beroemen. Zou een bedelaar zich beroemen op zijn légé hand? Dat hij de keuze gemaakt heeft om zijn hand op te houden? Zou dát zijn vreugde zijn? Nee, hij is verheugd, omdat de hand gevuld wordt!

 

Het geloof als de lege bedelaarshand

Ben ik wel een gelovige? Misschien zijn er vanavond ook van jullie die veel te veel bezig zijn met de vraag (en ik zeg iets gewaagds, maar dat mag ook wel, want daar kunnen we straks na de pauze nog eens over spreken) “Heb ik wel het echte geloof?” Raar hè, om dat te zeggen. “Ja, maar het is toch een belangrijke vraag?” Dat is het, maar ik bedoel dit. Dat je je veel te veel richt op: “Ben ík wel een gelovige?” Er wordt niet tegen die stokbewaarder gezegd: “Geloof maar dat je een gelovige bent”.

Alsof dat rust zou geven! Maar tegen hem wordt gezegd: “Geloof in de Heere Jezus Christus!”

 

Richten op het Voorwerp van het geloof

Wil je ooit tot geloof komen (dat gewerkt wordt door de Heilige Geest), dan zul je je moeten richten op het Vóórwerp van het geloof. Geloof in de Héére Jézús Chrístús. Het gaat erom dat je Hèm leert kennen, Die je in de prediking van het Woord wordt voorgesteld, want het geloof doet uitgaan naar Hem. Daarom is het van zo’n groot belang om juist dáár mee bezig te zijn.

 

Spurgeon schrijft in één van zijn preken over het geloof (toen zeiden de mensen ook al, dat geloven zo moeilijk is): “Als ik u zou zeggen de één of andere moeilijke opdracht uit te voeren dan zou je het doen. Maar als het eenvoudig is, “geloof, was uzelf en wees rein”, dan wilt u het niet doen. Als ik zei, “geef mij duizend pond”, dan zou u het geven. U zou duizend mijlen op uw handen en knieën kruipen, of het bitterste vocht dat ooit gebrouwen was drinken. Maar dit, eenvoudig Christus vertrouwen, is te moeilijk voor uw trotse geest. Ach, zondaar, bent u te trots om gered te worden. Kom toch! Ik smeek het u uit de liefde van Christus, uit de liefde voor uw ziel. Kom met me mee, en laten we samen naar de voet van het kruis gaan. Geloof in Hem, Die daar hing en leed. O, stel uw vertrouwen in Hem, Die opgestaan is van de doden en Die de gevangenen vrijheid schonk. En wanneer u Hem zult vertrouwen, arme zondaar, dan zult u niet teleurgesteld worden. Het zal geen misplaatst vertrouwen wezen. Ik zeg het nogmaals. Ik zou graag ook verloren gaan, als één van jullie, vertrouwend op Christus, verloren gaat. Ik zou mijn bed in de hel met u delen, als God u verwerpt, wanneer u uw eenvoudige vertrouwen in Christus stelt. Ik durf dat te zeggen. En dat vrijmoedig onder ogen te zien. Want u zou de éérste zondaar wezen, die ooit, vertrouwend op Jezus, afgewezen zou worden. Maar, “O”, zegt iemand, “ik durf niet te denken dat zo’n ellendeling als ik ben recht kan hebben om te geloven.” Ziel, ik zeg u: “Het gaat er niet om of u een ellendeling bent of niet.” Het is het gebód dat u waarborg is. U wordt geboden te geloven. En wanneer een gebod met kracht tot u komt, dan komt de kracht met het gebod. En hij die geboden wordt en willend gemaakt wordt, werpe zichzelf op Christus. En hij gelooft en is gered!

 

Als je vraagt “Hoe gaat dat dan?”, dan heb je hier in een heel kort zinnetje samengevat: Als een gebod met kracht tot je komt, komt met dat gebod de kracht tot ons.

 

Tegen die stokbewaarder wordt gezegd: “Geloof in den Heere Jezus en gij zult zalig worden.” Toen begon hij niet te redeneren. Daar had die niet eens tijd meer voor, want met het gebod kwam de kracht mee; en hij geloofde en was gered. Zo eenvoudig gaat het! Daar hoef je niet moeilijk over te doen. Geloven gaat vanzelf. Of betwist je me dat? Is het zo moeilijk? Wel, dat begrijp ik best, maar ik noem nu vooral die eerste kant, want zo werkt de Heilige Geest het geloof. Zo komt dat ‘willend gemaakt worden’, zoals je het ook met je moeder eens werd. En dan zonder mokken en zonder enige tegenstand. En dan is het hele dilemma ‘kiezen of krijgen’ opgelost.

 

En nogmaals, onze tijd geeft er genoeg aanleiding voor óm over het dilemma na te denken. Als alleen het aspect ‘kiezen’ de nadruk en aandacht krijgt, dan werken we het in de hand dat iemand met een ingebeeld geloof verloren gaat. Want hij weet eigenlijk niet eens in Wie die gelooft. Misschien kent hij alleen Zijn Naam. Maar het ware geloof hoort nooit genoeg, en krijgt ook nooit genoeg van het horen van Hem, Die door de Vader in de wereld gezonden is als Koning, Priester en Profeet. Als je zou willen weten of je geloof wel het echte is, dan denk ik dat je daar de veiligste toetssteen hebt. En vraag jezelf af in het licht van Gods Woord: “Wie is Hij nu voor mij?” Dan is het hele dilemma opgelost!

 

Maar even goed kan de Heilige Geest door een liefelijke nodiging van het Evangelie zo je hart uit doen gaan naar Hem. Weet je wat het mooie is? Dan ga je al voordat je er zelf goed en wel erg in hebt! O, dat akelige geredeneer in je kerkbank! Word je er soms ook zo moe van?

 

Ik moet denken aan een verhaaltje van een dominee, die bij een oud vrouwtje op een boerderij op bezoek ging. Toen de dominee afscheid nam, moest hij over een loopplank weer terug. Hij bleef twijfelend en wat wiebelend met zijn voet voor de loopplank staan. De vrouw, die het zag, riep de dominee achterop, “Waag het er maar op, hoor!” Toen zei die dominee tegen de vrouw, waar hij net uren mee gesproken had over de moeite om tot geloof te komen: “Precies! Waag het er maar op!” En het werd licht in de ziel van de vrouw. Het ging vanzelf…


 

Waag het er maar op…

 

 

Vragen bespreking (na de pauze)



 

In de eerste plaats hartelijk dank voor de vragen. Het zijn er nog wel wat. Ik heb maar een korte tijd om daar wat over te zeggen. Ik hoop dat ik je geen onrecht aan doe. En als ik je vraag helemaal verkeerd begrepen heb, moet je dat straks maar gewoon even tegen me zeggen.

 

1) U zei net in uw lezing dat, als je niet gelooft God tot een leugenaar maakt. Ik begrijp dat niet helemaal, want als je gelooft kun je God toch ook tot een leugenaar maken? Petrus verloochende Jezus toch ook?

 

Ja, God tot een leugenaar maken is nog al wat, hè? Maar, wanneer maak je God nu tot een leugenaar?



 

De Heere nodigt vaak in het Evangelie, zoals bijvoorbeeld de onbeperkte nodigingen: “Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij, en Ik zal hem geven te drinken van het Water des Levens om niet (Opb. 22:17b). Komt, alle gij dorstigen (Jes. 55:1). Dus God, tegen wie wij gezondigd hebben zegt: “Wendt u tot Mij en wordt behouden (Jes. 45:22).” Geloof je dat? Of voorzie je dat van allerlei ‘ja, maars’? Als je dat niet onvoorwaardelijk gelooft, zet je a.h.w. een vraagteken achter deze tekst. Misschien zeg je: “Ja, maar dat zal wel voor die en voor die zijn, maar dat staat er niet voor mij”. Waar haal je dat recht vandaan?! Is het ook dat God gezegd heeft? (Gen. 3:1). “Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt.” Is het ook dat God gezegd heeft? “Hoort en uw ziel zal leven.” Ja, maar…

 

Dat is dus het erge! Als we in ongeloof voortleven wantrouwen we het Woord van de Heere God en maken we Hem tot een leugenaar. Daar hebben we misschien hele degelijke excuses voor, zoals: “Ik kan het niet”. Als we eerlijker zijn zeggen we: “Ik wil het niet”. Of: “Ik ben het onwaardig, ik moet eerst nog meer van dit en meer van dat”. Nou ja, dat hoef ik allemaal niet uitgebreid te vertellen.



 

Petrus verloochende zijn Meester. Hij sneed wat hem betreft de band door. Hij haalt (wat zichzelf betreft) op dat moment een streep door alles wat de Heere in zijn leven gedaan heeft. Hij zegt: “Ik ken de Mens niet.” “Ik heb er niets mee te maken”. Je zou inderdaad kunnen stellen (met wat onderscheid ten aanzien van dat eerste) dat Petrus God toen ook tot een leugenaar maakte.

 

Dat brengt me bij een opmerking daar ik straks op terug kom. Geloof is dus ook niet een eenmalig iets. Het is niet zo: “Je hebt een leven in ongeloof (dan maak je God tot een leugenaar) en dan kom je tot geloof en dan…. Blijft het dan zo? Dat zou wel zo moeten zijn. En daar heeft God ook recht op. Je kunt nóóit de Heilige Geest de schuld geven dat het dan tóch weer mis gaat. Petrus hield geen excuus meer over. En wat doet Petrus dan? Hij gaat deze zonde bewenen.



 

Eén van de lessen die de Heilige Geest je leert is dat je al die dagen, maanden en jaren, waarin je niet geloofde leert bewenen. En daarom: heb er zo weinig mogelijk, des te minder doe je God onrecht aan en des te minder heb je te betreuren voor God.

 

2) Hoe moet je nou evangeliseren? Zeggen: “Er moet in je gewerkt worden” of: “Geloof in de Heere Jezus Christus”?



 

Beste vrienden. Je kunt als een postbezorger in de moet-vorm alle waarheden afgeven. “Er móét wat met je gebeuren. Je móét geloven. De mens móét eigenlijk dit (vooral dat woordje eigenlijk). Ja, een mens zóú toch meer moeten bidden. Een mens zóú toch meer……! Etc., etc.” En wat gebeurt er….?

 

Het moet niet zijn: “Ik zóú toch meer mijn zonden moeten betreuren”, maar ”bétréúr ik mijn zonden?”. Niet: “Ik zou toch eigenlijk moeten geloven”, maar “Gelóóf ik?” Dat is de klem van het Evangelie! Daar kunnen we zo handig een draai aan geven.



 

Met evangeliseren moet je natuurlijk duidelijk maken, dat er wat met je moet gebeuren, maar vertelt wát er gebeuren moet. En wáárom het gebeuren moet!

 

Dan zullen dingen aan de orde moeten komen, zoals bijvoorbeeld dat we God onze Schepper verlaten hebben. Dat we daarom onder Zijn tóórn liggen. En dat de God die wij vertoornd hebben toch Zijn Zoon gezonden heeft in de wereld. Dat het bevel klinkt tot ieder schepsel op deze aarde: “Geloof, deze Mijn geliefde Zoon; hoort Hem.”

 

We behoren met de gebiedende wijs het Woord te spreken en niet allerlei moet-woorden. “God moet het doen”, is ook zo’n rare uitdrukking. God móét het niet doen! God dóét het! En als we ermee bedoelen dat we helemaal afhankelijk zijn van God, dan is het best, maar we moeten niet zo afstandelijk spreken over Gods werk.



 

3) Hoe moet ik omgaan met de eis van wedergeboorte, zoals in Jeremia 4:4 en Ezechiël 18:31?

 

Ik wil me even tot de laatste beperken. In Ezechiël 18:31 staat: “En maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?” Dus máákt u een nieuw hart! Wij hebben van jongs af aan leren vragen: “Heere wilt u mijn een nieuw hartje geven?” Was dat niet goed? Ja, natuurlijk, maar we leven onder de verplichting: “Máákt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?” Hoe moet ik daarmee omgaan? Weer zo’n moet-vraag! Dat bedoel ik niet naar de vragersteller toe, maar daar kunnen wij helemaal niet mee omgaan. Ik hoop tenminste dat je tot de ontdekking gekomen bent, dat je er helemaal niet mee om kan gaan. Waarom beveelt God het geloof? Waarom beveelt Hij de bekering? Waarom gebruikt Hij zelfs de woorden die horen bij de wedergeboorte: Máákt u een nieuw hart?

 

Weg met de waardeloze redenering: ”Als God het zegt dan moeten we het toch ook kunnen?” Waar staat dat in de Bijbel? Nergens. Als God beveelt, dan spreekt Hij als de belovende God. En wat wil de Heere met al die ‘opdrachten’? Dat we geen enkel excuus meer over zouden houden. En dat we dan in je eigen onmogelijkheid, zoals iemand zei, in een hoek gedreven worden.

 

En nu ga ik niet zeggen: “Daar móét je in terechtkomen”. Nee daar kóm je in terecht! Dat gebeurt als dit in je leven tot klinken gebracht wordt: “Máákt u een nieuw hart”.



Heere, hoe moet dat?” “Ik weet niet waar ik beginnen moet.” “En soms weet ik wel waar ik beginnen moet, o, wat krijg ik er zin in. En wat zal ik vanaf morgen m’n best doen.” Er zitten er hier ook wel die daar van weten, denk ik. Tot je, na een week, of misschien na een paar maanden, moet zeggen: “Ik ben er nog op achteruit gegaan ook, want van al mijn goede voornemens is er niets terechtgekomen. Waarom loopt het zo?” Wees er dankbaar voor dat het zo loopt, want God die eist en belooft in datzelfde bijbelboek Ezechiël 36:11 (en dat moeten we niet tegen elkaar uitspelen): “Ik zal u een nieuw hart geven.” Augustinus zei terecht: “Heere, geeft wat Gij eist, en eist dan wat Gij gegeven hebt.”

 

De tekst uit Ezechiël 36 staat er niet voor geestelijke luilakken, die alleen maar zeggen: “God moet het doen”, en vervolgens niets doen. Maar dat is het Woord voor een mens die het niet meer kan. Voor degene die weet: “Maakt u een nieuw hart”; en die tegelijkertijd geleerd heeft: “En God zegt: Ik zal……” Als er íémand is vanavond die met welke onmogelijkheid dan ook hier zit, streep in je Bijbel al die beloften eens aan met: “Ik zal……” Ga daar maar eens voor zitten. En schrijf ze van mijn part op de muur van je kamer. “Ik zal……”

 

4) Ik ben zo keihard dat ik alleen maar uit eigen bestwil bekeerd wil worden. Niet tot Zijn eer. Wat moet ik doen? Bidden en afwachten en ondertussen onbekeerd verder leven?



 

Nee! Durf je dat? Durf je te bidden en af te wachten en ondertussen onbekeerd verder te leven? Waar zul je dan zijn, als dit je laatste dag was die God je gaf? Dit zeg ik niet om je bang te maken, maar hoe zal het zijn als je vannacht in je slaap voor God moet verschijnen? Daarom zo niet…

 

Je klaagt vanwege je harde hart. Dat begrijp ik, maar er zit ook iets in waarvan ik me afvraag of dat het wel terecht is. Je klaagt: “Ik wil alleen maar uit eigen bestwil bekeerd worden, niet tot Zijn eer”. Weet je dat de Heere Jezus Zelf een beroep gedaan heeft op jouw eigen bestwil. Hij zegt: “Strijdt gij om in te gaan” en “Gaat in door de enge poort…” Denk ook aan ‘De Christenreis naar de eeuwigheid’ van John Bunyan. Hoe Christen uit de stad Verderf ging: “Ontvliedt de toekomende toorn.”

 

Laat je niet aanpraten, dat je eerst Gods eer op het oog moet hebben, voordat je mag vluchten. Daar zorgt God wel voor. Jouw zaligheid en Gods eer gaan op een heel onbegrijpelijke en wonderlijke manier samen, want het is God een eer, zondaren zalig te maken. Begrijp je dat?



 

“Wat moet ik dóén?” Geloof in de Heere Jezus Christus!

 

5) Het geloof is toch aannemen, dat Hij het heeft gedaan? Dat moet je toch zèlf doen? Je moet toch niet wachten tot er ‘iets’ gewerkt wordt? Dan vraag je je altijd af: “Heeft de Heilige Geest het wel gewerkt, of heb ik het zelf gedaan?”



 

Het geloof is toch aannemen? Ja, dat Hij het heeft gedaan! Als dat ziet op het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus, dan zeg ik nog steeds ‘ja’. Dat je het zelf moet doen? Ja. En je moet toch niet wachten, tot er iets zomaar gewerkt wordt? Nee.

 

En toch ben ik niet helemaal gelukkig met de verwoording van de vraag. Ik weet ook niet precies wat je er helemaal mee bedoelt: “Dan vraag je je altijd af: “Heeft de Heilige Geest het wel gewerkt, of heb ik het zelf gedaan?” Ik leg de vraag zo uit, tenminste dit heb ik er in gelezen.

 

“Lopen wij niet het gevaar, door te benadrukken, dat het geloof een gave van God is, dat je daardoor in verwarring kan komen.



 

Het kan bijvoorbeeld zijn dat je onder de prediking van het Woord geraakt wordt, maar dat je als je thuis komt weer gaat redeneren. Of er wordt de volgende keer gepreekt over: “Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt.” en dat dan alles weer op losse schroeven komt te staan.

 

“Het geloof is toch aannemen?” Ja. “Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods genaamd te worden. Wie doen dat? “Die niet uit de wil des mans; noch uit de wil des vleses, maar uit God geboren zijn” Dat is zo Bijbels als maar zijn kan. Op het woord ‘aannemen’, is niets tegen. Als je Alexander Comrie’s ABC van het geloof leest, dan schrijft hij ook onbekommerd over het aannemen van de Heere Jezus. Wij moeten niet vanwege het misbruik van dat woord het goede gebruik ontkennen. Het geloof is inderdaad aannemen, dat Hij het volbracht heeft.



 

Alleen dat zinnetje: “ ..…dat moet je toch zelf doen” zou ik liever anders zeggen. Daar ben je zelf helemaal bij betrokken. Als de Heilige Geest in ons werkt dan doet Hij dat niet als met stokken en blokken, maar dan ben je er met je hele wil, verstand en gevoel bij betrokken. Dus niet: “dat moet je toch zelf doen.

 

Iemand zei een keer: “God doet alles voor ons, behalve geloven.” Zo is het. Dat is een activiteit van die zondaar zelf. Net zoals die bedelaar zijn hand uitstrekt. Alleen moet je daar geen verkeerde conclusies uit trekken. Je moet ieder geval niet

wachten tot er ‘iets’ gewerkt wordt. Dat kan inderdaad één van de adders onder het gras van het ongeloof zijn. “Wachten tot er wat gebeurt.” “Ja, maar er moet wat met een mens gebeuren”. Jazeker, maar daar kun je ook misbruik van maken. Je kunt dag in dag uit verder leven en maar wachten tot er wat gebeurt…

 

Je zou die mensen die zo inslapen onder de prediking van Wet en Evangelie wel wákker willen schudden. Ik heb zielsmedelijden met die mensen, die met de beste bedoelingen wachten op een wonder. Je begrijpt het aan de ene kant best wat ermee bedoeld wordt en waarom ze het doen (er zit iets afhankelijks in). Maar aan de andere kant ben je te diepste bezig om jezelf in je ongeloof te verontschuldigen.

 

Je hebt in ieder geval op huisbezoek het makkelijkste excuus bij de hand. “Er moet wat met mens een mens gebeuren en het is nog niet gebeurd.”



 

Aan wie ligt dat? Ligt dat aan God? Ligt dat aan Zijn Woord? Durven we dat aan? Ja, we durven het aan! In dit leven! Maar er zal niet één van ons (die onder het Woord van God geleefd heeft), straks tegen God durft te zeggen, “Ja maar, er moest wat met me gebeuren en het is niet gebeurt.” De Heere zal ons antwoorden: “Gij hebt niet gewild”.

 

6) Hoe waag ik het er dan op? Want ik voel sterk de onmogelijkheid ervan bij mezelf.



Hoe waagde die dominee het erop? Gewoon door zijn ene voet voor de andere te zetten. En niet door voor die loopplank (die daar al wiebelend over die sloot heen lag) te blijven dralen. Wanneer was hij er doorheen? Toen die zijn ene voet voor de andere zette. Dat was alles!

 

Natuurlijk wil ik het hier niet bij laten, maar kijk daar heb je het nu hè. Hoe waag ik het er dan op, want ik voel sterk de onmogelijkheid ervan bij mezelf. Dat is ook zo, maar je moet niet met je onmogelijkheden rekenen. Is de loopplank nu betrouwbaar of niet? God zegt in Zijn Zoon Jezus Christus: “Ik ben de Weg” . Laat ik Hem dan even de loopplank mogen noemen. Hij, Die de onoverbrugbare kloof tussen God en je hart slaat. Is de loopplank betrouwbaar of niet? Heb je antwoord gegeven? Nou, waag het er dan op…!

 

Je mag komen... Kohlbrugge zei het zo: “Je mag vluchten tot Christus, terwijl je geen benen hebt om te lopen, je mag Christus aangrijpen, terwijl je geen armen hebt en geen kracht in je armen om Hem vast te houden, je mag roepen tot Hem, terwijl je mond gesnoerd is.” Dan moeten we eens een keer ophouden met: “Hoe kan dat dan?” Zo gaat het!



 

“Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.”

 

Dus ik zeg toch maar: ”Waag het erop!”



 

Dan wil ik nu een aantal vragen behandelen die gaan over de inhoud en de aard van het geloof. Deze vraag eerst maar:

 

7) Zijn voorbereidingen van de Wet zaligmakend? Waar begint het leven; bij de overtuiging van zonden of bij de kennis van Christus? Graag meer hierover.



 

De voorbereidingen van de Wet zijn niet zaligmakend. Waar begint het leven? Bij Christus. In Christus. Uit Christus. Niet bij de overtuiging van zonden. Doet hoeft tenminste niet. En daar kun je niet van op aan. Als iemand van jouw vrienden zou lijken op Kaïn en zou zeggen: “Ik heb zo zwaar en menigmaal gezondigd, voor mij zou er wel geen genade meer zijn.” Wat vind je dan van zo iemand? Of als je Judas tegenkomt: “Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!” Dat zijn toch allemaal uitingen van overtuigingen van zonden? Inderdaad, dat zijn de gewetensovertuigingen. Deze gewetensovertuigingen gebruikt de Heere inderdaad om een zondaar te doen vluchten.

 

De vraag is echter waar die overtuiging van zonden mij brengt. Als de duivel zondekennis werkt, dan voert ze je naar de wanhoop. Als de Heilige Geest het werkt, dan is dat allemaal heenleidend naar de Fontein die geopend is tegen de zonde en tegen de dood (zie hiervoor Zacharia 12: “Zij zullen wenen en treuren over Hem die ze doorstoken hebben”). Een zaligmakende overtuiging van zonde kun je herkennen aan het feit dat je het niet kunt laten om bij God vandaan te blijven.



 

“Waar begint het leven nou precies?” Ik zeg niet dat, dat een onbelangrijke vraag is, maar je kunt dat niet altijd helemaal precies onderscheiden? Dat hoeft ook niet.



Maar dat je leeft, kun je weten. Je weet toch of je ademt of niet? Je hoeft er dus niet veel voor te weten, maar kun je met die blindgeborene zeggen: “Een ding weet ik; dat ik blind was en nu zie.” Houdt dat alsjeblieft goed vast!

 

Men zegt weleens: “Die man, die vrouw, die jongen of dat meisje heeft een ander leven ontvangen”. Dat kan alleen maar waar zijn, als ze door het geloof met Christus verbonden zijn. Dat ze dat zelf voor hun eigen beleving nog niet allemaal zo zien, dat zal waar zijn.



 

Maar onthoudt goed dat er geen wedergeboorte is, zonder dat je al ook ingelijfd bent in Christus. Dat bestáát niet! Of Johannes 3 en andere gedeelten van Gods Woord kloppen niet. Er is geen leven (niet voor het eerst en daarna ook niet) buiten Christus om. Alleen als we aan Christus verbonden zijn, is er leven. En dan behoort bij dit leven ook de overtuiging van zonden. Zondekennis en ellendekennis behoren ook tot het onderwijs vanuit Christus. Als we met Hem verbonden zijn.



 

Als je trouwens met dit soort vragen bezig bent, dan moet je het mooie boekje:”Des Christen groot Interest” van William Guthrie maar eens lezen. Guthrie schrijft juist over die wegen die God gaat, als het gaat om: ‘tot geloof komen’. Ik ben er van overtuigd dat je naast de Bijbel een goede gids in handen hebt.

 

8) Is het bijbels verantwoord om te zeggen dat een ‘verlangen naar Christus’ al geloof is?

 

Ik weet niet wie deze vraag gesteld heeft, maar: Verlang jij naar Christus? En waarom? Heb je Hem nodig? Als er over Hem gepreekt wordt, wordt er dan wat wakker geroepen in je ziel? “Mijn ziel gaat uit op Zijn spreken”.”“Ja”, zegt u, “dat was iemand die Hem al had leren kennen.” Jazeker, maar zo gebeurt het in het begin.

 

Weet je wie er verlangen hadden naar Christus? Die bloedvloeiende vrouw, die Hoofdman en die vader die met zijn jongen naar de Heere Jezus kwam. Was dat toevlucht nemen tot Hem, dat vluchten tot Hem en dat verlangen naar Zijn gemeenschap geloof? Ja! Alleen, ga daar niet genoeglijk mee achterover leunen.

 

Kun je van een verlangen leven? Als er hier twee vanavond zitten, waarvan de één verlangt naar de ander, kan hij/zij met dat verlangen blijven leven? Ik zou dat verlangen maar eens een keer kenbaar maken! Ja, toch? Maak het eens een keer kenbaar! Of heb je dat al een keer gedaan? In die weg wil Christus zich ook meer en meer openbaren.

 

Is het dus bijbels verantwoord om te zeggen dat een ‘verlangen naar Christus’ al geloof is? Jawel, het hoort tot de activiteiten en de oefeningen van het geloof. Als er maar geen púnt staat. Wij kunnen zo gemakkelijk allerlei normeringen hebben, zodat we zeggen: “Als je maar verlangt naar Christus, dan is het voldoende.” Zo niet! Het is óngezond als iemand van zijn verlangen kan leven. Al is het noch zo aangenaam. Het moet metterdaad komen tot het nemen van de toevlucht nemen en het komen tot Hem.

 

9) a. U heeft gesproken over het geloof: kiezen of krijgen? Kunt u ook iets zeggen over de ínhoud ervan?

 

Nee. Want dat is leeg. Als ik je vraag opvat: “Kunt u iets zeggen over de inhoud van het geloof waarmee wij geloven?”, dan ben ik snel uitgepraat, want dat geloof is leeg. Het geloof is slechts een instrument (lees de Nederlandse Geloofsbelijdenis maar). Het geloof is de lege bedelaarshand. Moet ik veel vertellen over een lege hand? Dan zal het erom gaan, wat voor werk God er aan heeft, om onze handen leeg te krijgen.

 

Het gaat erom waar het geloof zich op richt, nl. de Schát in de bedelaarshand. Die Schat is de inhoud van het geloof. Vraag: Wat heeft God de christen geboden te geloven? Antw.: Al wat Hij ons in het evangelie beloofd heeft. Dat vindt zijn concentratie of het middelpunt in de Heere Jezus Christus, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn. Daarvan wil ik wel wat zeggen, maar laten we eerst kijken naar de vragen die nog bij deze vraag staan:

 

b. Wat is bijvoorbeeld het eerste geloven?

 

Toch weer dat werkwoord ‘geloven’. Dus ik zeg weer: ”Dat stelt niets voor.”

 

c. En wat ervaar je dan, en hoe diep gaat dat?

 

Laat ik de vraag een beetje mogen vertalen. Waarschijnlijk bedoel je de vraag als volgt: “Wat is bijvoorbeeld het eerste geloven, wat beleef je dan, wat ervaar je dan?” Ik kan daar wel wat van zeggen, maar tegelijkertijd maak ik vooraf de opmerking dat niet iedereen alles altijd op dezelfde manier en op dezelfde diepte beleeft. Ik wil je wel graag dingen noemen, die onlosmakelijk verbonden zijn aan het eerste geloven.

 

Zal ik je dit eens noemen? “En ze zullen zien Welke ze doorstoken hebben; en ze zullen over Hem rouwklagen, als over een eerstgeborene”. Dát. Het waren de Joden niet Heer’ Jesu die U kruisten. “Ìk, Ìk was het. Ik gaf hem kinnebakslagen en Hij geeft Zijn leven”. En zo zie je Zijn Oneindige Schoonheid (misschien vanuit de verte), maar toch zeker.

 

Is dat altijd het eerste geloven? Dat zeg ik niet. Je kunt ook gelokt worden als je bijvoorbeeld de Zaligmaker hoort bidden (ik spits het nu even toe op het kruis): “Vader, vergeef het hun; want ze weten niet wat ze doen.” Als je dan in één keer tot de ontdekking komt: “Ik ben er óók zo één. Ík weet niet wat ik gedaan heb.” Dat je zo, door de woorden van de Heere Jezus, wordt gelokt.

 

Het kan in ieder geval niet anders of het geloof richt zich op dit gezegende voorwerp van het geloof: Jezus Christus, en Dien gekruisigd.

 

“Maar wat betekent geloven dan?” Ik zou er dit in ieder geval van willen zeggen: “Het geloof hangt aan Gods lippen (Calvijn). Je leert in ieder geval naast Maria te gaan zitten aan de voeten van de Heere Jezus. Je loopt er ook nog weer wel weg, maar zeker in het begin zou je er wel een hele dag willen blijven zitten. Ja, toch? En dan die akelige zonden. Maar ook van de Machtige Koning, Die het voor Zijn volk opneemt. Hij die niets liever wilt dan dat je hem van ganser harte dient. Wat kun je er zin in hebben! Ik zou dat ook maar bij het eerste geloven noemen: er zin in hebben om Deze Koning groot te maken. Of niet?

 


 

10) U zei in uw inleiding: “Je maakt je veel te druk over de vraag of je wel het echte geloof hebt.” Ik heb een moment in mijn leven gehad dat het Woord zo met kracht tot me kwam dat ik niets anders kon dan geloven. Ik gaf me als een verlorene over aan Hem, omdat Hij me riep. Hoe kan het dan dat ik daarna weer zo in zonden val en Hem uit het oog verlies? En nu ben ik alles kwijt! M’n geloof was dus toen toch niet het echte?

 

In ieder geval hoeven we nooit een excuus voor elkaar te verzinnen van: “Ja, joh, zo gaat dat nou eenmaal.” Is dat een troost? Je mag het ook niet als norm hanteren van: “Als het op die manier gaat, gaat het wel goed, want zo gaat het met al Gods kinderen. Wel, als het met al Gods kinderen zo gaat, dan gaat het helemaal niet goed.

 

De Heere gebruikt het wel om ons te onderwijzen. Dat is een wonder! Eén van de opvoedkundige redenen dat de Heere het zover ‘laat komen’ is, dat we de les zullen gaan leren (dat kun je bij dat eerste geloof nog helemaal niet in de gaten hebben), dat je met al je geloof in jezelf een verloren mens bent en blijft. De rechtvaardiging van de goddeloze is niet een eenmalig iets en daarna een vrome. Maar je blijft in jezelf een goddeloze. In dat opzicht, tot mijn dood toe. Dat is het, wat de Heere ons duidelijk wil gaan maken. De Heere geeft ons daarbij het besef: “Jij wandelt iedere keer zo van Mij af...”

 

En je kunt nog in zonden vallen ook of je valt weer in allerlei dingen terug. Je vraagt dan hopeloos af: “Hoe kan het, dat ik Hem uit het oog verlies?” “Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonden.” Maar opdat je zo ook het met Paulus mee zou gaan zeggen: “Ik ellendig mens, wie zou mij verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere”

 

Wat die laatste opmerking betreft: “M’n geloof was dus toen toch niet het echte?” Ja, daar ga je, dan hou je niets meer over. Daarbij krijg je de duivel op bezoek die je influistert: Zegen God en sterf. Geef het nou maar over”. Of hij houd je Hebreeën 6 voor: “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom te kruisigen en openlijk te schande maken.

 

Ik zeg niet dat er geen reden is om met alle discipelen te vragen: Ben ík het Heere?” Dat is een ontdekkende vraag en daar móét je ook niet omheen lopen (dat is wat anders), maar grijpt de Heere dan toch nog maar een keer aan, daar waar Hij begonnen is. “Denk aan Uw toezegging Heere, want door Uw toezegging ben ik levend gemaakt.” En laat zó je hart zich aan het Woord mogen ophalen.

En: Strijdt! Wánt: “Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonden.” (Hebreeën 12). Lees dat nog eens!

 

11) Wanneer kan een mens zich bekeerd noemen?

 

Ik zou best willen weten, wat je er zelf over denkt, maar ik zeg maar gewoon: nooit! Ik proef in deze vraag toch weer dit: “Ja, je kunt je pas bekeerd noemen als………” Ja, en dan moet je díé zonden niet meer doen hè? En voor die zonde waar je gisterenavond vergeving voor gevraagd hebt, en die je vandaag weer begaan heeft, moet je vanavond weer vergeving vragen. Kortom, je bent nog helemaal niet bekeerd… Ik hoop dat je onbekeerd blijft, maar wel tot de Zaligmaker vlucht, Die voor onbekeerden gekomen is. Zondaren, zoekt Hij, en die maakt Hij zalig.

 

Ik heb tenslotte nog één vraag en die vond ik zó mooi:

 

12) Als je in Christus gelooft, ben je dàn behouden? Is dàt dan mijn bekering?

 

Já! Misschien moet ik eigenlijk maar helemaal niets meer zeggen.


 

 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina